Boven hebben wij reeds gezien dat het crimineele rechtsgebied over ’s
Graveland, staat aan de vierschaar der stad Naarden.
Vervolgends bestaat de civile rechtbank uit den Schout, (die zijne
aanstelling ontvangt van den Bailluw van Gooiland) en vijf Schepenen:
ter jaarlijksche verkiezinge van de laatstgemelden, wordt door den
Schout en aanwezende Schepenen eene nominatie gemaakt van een
dubbeldtal, en deeze nominatie wordt ter verkiezinge gezonden aan den
Bailluw van Gooiland, voornoemd; het eene jaar worden ’er 2 en het
andere 3 gekozen, die voords 2 jaaren aanblijven.
Er zijn verder Brand- en Wees-meesters, benevens een Bode civil.
Armmeesters zijn hier niet, alle de Gereformeerde armen worden door de
Diaconen bedeeld, en de Roomsche armen door hunne eigene Arm- of
Kerk-meesters, die te Ankeveen hunne aanstelling ontvangen—Wij dienen
hier ook melding te maaken, van de heeren Hoofd-Ingelanden, reeds
meermaals genoemd, die zes in getal zijn, en den tijtel voeren van
Wel-Edele en Achtbare Heeren Hoofd-Ingelanden: alle de Heeren
Ingelanden, die 20 morgen lands by één hier hebben liggen, zijn daar
toe verkiestbaar: de Hoofd-Ingelanden blijven levenslang in die
waardigheid, ten ware zij vertrokken, of geene bezitters meer bleeven
van 20 morgen hier liggend land: in gevalle van vacatuure worden door
de overige Heeren Hoofd-Ingelanden nieuwe Hoofd-Ingelanden gekoren; elk
derzelve heeft zijne bijzondere Commissie; bij voorbeeld: de oudste is
Dijkgraaf en heeft, nevens den daar op volgenden, ’t opzicht en bestuur
over Kerk, Pastorij, Schoolhuis enz: twee anderen is ’t opzicht
aanbevolen over ’t vreemd volk, ten einde dit te weeren, en op de
inkomenden acht te geeven: terwijl dezelve alle belangrijke en
voorkomende zaaken met elkander behandelen: zij hebben onder zig een’
Penningmeester, die als hun Secretaris en Rentmeester handelt—behalven
de approbatie van den Predikant, hebben zij de aanstelling van
Schoolmeester en Koster, Vroedvrouw enz. ’t opzicht over Vaarten,
Wegen, Sluizen, enz.
Onder dit artijkel zouden men nog kunnen betrekken de wachthuizen,
waarvan wij boven (bladz. 6.) gesproken hebben.
Voorrechten heeft ’s Graveland, voor zo veel ons bekend is, niet.