KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

De Gereformeerde Kerk, welke hier in de eerste plaatst in aanmerking

komt, is een gebouw van welks eerste stichting men niets weet; sommigen

willen, dat dezelve van ouds een parochiekerk, en aan St. Vitus

toegewijd was: in 1766 was de voorgaande Kerk, op slechts de muuren na,

met het voornaamste gedeelte des dorps, door de vlamme verteerd

geworden, (zie hier achter artijkel geschiedenissen:) het tegenwoordig

gebouw, dat op zondag den 3 Julij 1768 ingewijd werd, door den

toenmaaligen leeraar Johannes Wilhelmus van Yssum, is zeer net en in

alles aan het oogmerk beantwoordende: het zelve is breed 49, en lang 74

voeten, behalven het choor, het welk breed 26, en lang 39½ voeten

is—van binnen pronkt de kerk met een goed orgel, waar bij een orchest

dat op twee nette colommen rust; hetzelve orgel is vervaardigd door

Abraham Meere, orgelmaker te Utrecht: men vindt daar op 16½ Registers,

2 Clavieren, en een aangehangen pedaal, en is door den tegenwoordigen

Leeraar, Gode en zijnen dienst toegewijd den 30 Julij 1788 [18]—binnen

in de kerk vindt men voords een fraajen predikstoel, drie groote

koperen kaarskroonen, noodige banken voor Regeering, Kerkenraad en

andere persoonen, en meer dan 200 vrouwen stoelen, behalven nog een

gedistingueerde bank voor den Bailluw van Gooiland, en 2 banken voor de

Heeren van de buitenplaatsen van ’s Graavenland.

Wat het uitwendige des gebouws betreft, het pronkt met een spitsen

toren, en staat op een groot kerkhof dat met een’ muur omgeeven is: in

deezen muur, tegen over den ingang van de kerk, is een vry aanzienlijk

ijzeren hek, tusschen twee vierkanten steenen pijlaaren: boven op de

pijlaaren staat, op die aan de linkerzijde, het wapen van Holland, en

op het andere het dorpswapen bovengemeld; beiden door leeuwen gehouden:

op het voorste vlak der pijlaaren, boven aan, is, ter eene zijde,

uitgehouwen een schip, en ter andere zijde een wereldkloot: onder het

schip leest men den naam van Jan Jansz. Perk, en onder de wereldkloot,

Japje Rijkse Nagel: deeze waren echte lieden, en hebben het gezegde hek

aan de kerk geschonken: zijnde hetzelve in den brand van 1766

onbeschadigd gebleeven.

Terwijl wij thans van kerk en kerkhof spreeken, kunnen wij niet af

tevens melding te maaken van de nieuwe buitenbegraafplaats, welke hier

ter plaatse gevonden wordt; en zeker niet weinig ten bewijze dient, hoe

de ingezetenen deezer plaatse wel te leiden zijn, indien men

voorzichtiglijk handelt, en den weg van overreding met hun inslaat: dit

heilzaame werk heeft zijn volkomen beslag gekreegen, en ’t geen niet

weinig verwondering baart bij hen die weeten, hoe het grootste deel der

ingezetenen den Roomschen Godsdienst is toegedaan; allen, zonder

onderscheid, hebben een bijna veertienhonderdjaarig vooroordeel weeten

afteleggen, door hunne lijken niet meer binnen het Dorp en de Kerk,

maar buiten hetzelve te laaten begraaven——Deeze begraafplaats ligt even

buiten het Dorp; derzelver lengte is 354, en breedte 66 voeten

Rhijnlandsche maat; zij is omringd met eenen muur, 6 voeten boven den

grond; de ingang van deezen buitenhof is in het midden voorzien van een

ijzeren hek, op welks pilasters de woorden Gedenkt te sterven, geleezen

worden: tegen over dit hek vindt men een graf- of gedenk-naald op eenen

kleinen heuvel van groene zooden: op de grafnaald ziet men, behalven

een doodshoofd en twee schinkels in eene nis geplaatst, deeze

inscriptie: Het stof keert weder tot aarde, gelijk het geweest is, en

de geest weder tot God die hem gegeven heeft, en daar onder Salomon——De

toegang tot deeze stille rustplaats der dooden is, als eene alléé,

beplant met een dubbelde rei van ijpen- en sparren-boomen, terwijl

alles in de volkomenste orde, en zo zindelijk gehouden wordt, dat ook

deeze buitenbegraafplaats, liggende tusschen het golvend koorn, in

veele opzichten, naar eenen hof gelijkt; zij staat onder bijzonder

opzicht van eenen Opziener en Boekhouder—Op den eersten dag van het

jaar 1793 heeft men ’t eerste lijk aldaar gebragt, waarbij Regeering en

Kerkenraad adsisteerden; en van dien tijd af, tot heden toe, heeft men

alle de lijken op deeze nieuwe begraafplaats geborgen; terwijl de

Heeren Staaten van Holland en Westvriesland niet alléén vrijheid hadden

gegeeven om de graven der kerk te sluiten, ieders graf of graven op

deeze buitenhof te verplaatsen, maar ook gaven zij dispensatie, van het

geen Art. 15 van de ordonnantie op het middel van trouwen en begraaven,

in dato 26 October 1695, is gestatueerd, zo dat van de lijken van

buiten naar Hilversum vervoerd wordende, niet meer dan ééns, en wel ter

plaatse van het overlijden, ’s Lands recht behoeft betaald te

worden——onderscheidene graven zijn reeds aan aanzienlijke lieden,

buiten deeze plaats, verkocht, en er doet zig niet weinig hoops op, of

deeze begraafplaats die vooral om deszelfs hooge ligging (daar men

veilig stellen mag dat zij meer dan 30 a 40 voeten boven het water

ligt) boven anderen, welke in ons Vaderland gevonden worden, verre te

verkiezen is, zal weldra hoe langer hoe meer van elk gezocht

worden——Digt bij de grafnaald, ziet men een graf, met een groote zerk,

waar op de naam van Jan Abraham Dedel, 1793—De conditien, waar op men

recht tot een graf kan bekomen, benevens het bericht, worden, behalven

hier ter plaatse, ook te Amsteldam, (gratis,) uitgegeven bij de

Boekverkoopers W. Holtrop in de Kalverstraat, D. en J. Dol, in de

Oudenbrugsteeg, en H. Brongers over de Beurs—welk rechtgeaart

Vaderlander wenscht deeze plaats, met zulk eene nuttige inrichting,

niet van harten geluk! en wie, die slechts eenige menschenliefde in

zijn binnenste koestert, verlangt niet hartlijk, dat men, vooral in

volkrijke plaatsen in ons Vaderland, aan zulk een heilzaam werk eens

eindlijk de handen slaan mag——en gaan Regenten met hun goed voorbeeld

voor, weldra zal men dan ook, gelijk wij vertrouwen, ondervinden, zo

als men hier te Hilversum ondervonden heeft, dat de ingezetenen niet zo

gehecht zijn aan voorouderlijke gewoonten en vooroordeelen, of zij

zijn, wanneer men hun op eene bescheidene wijze het wanvoegelijke en

schadelijke onder ’t oog brengt, ook in staat om dezelve te bestrijden

en te overwinnen.

De pastorij is in een zeer goeden staat, dezelve is een zeer spacieus

gebouw van den jaare 1767, met een goede tuin er achter; en, daar het

woonverblijf van den Predikant, vóór den geweldigen brand van 1766 kort

bij de kerk en toren was, bijna zonder eenig uitzicht, is de

tegenwoordige pastorij geplaatst voor aan den weg, die naar ’s

Graaveland, Soestdijk enz. leidt, en om de menigvuldige passage een

alleraangenaamst uitzicht heeft.

Het Schoolhuis ligt aan de andere zijde der kerk; en is in alles aan

het oogmerk beantwoordende.

Op het dorp is voords een vrij aanzienlijk weeshuis, in 1786, door den

braaven Amsterdammer, de Heer H. Hovie, om zijne onbepaalde

menschlievendheid en mededeelzaamheid aan de armen zo bekend als

bemind, opgericht; het getal der inwooners van dit huis, zo ouden als

jongen, is tegenwoordig 71, waar onder er bijna 50 zijn, voor welken de

voornoemde menschenvriend betaalt; terwijl zijn Ed. verder op allerleie

wijze in den nood van dit huis voorziet—Dit weeshuis wordt geregeerd

door 2 Regenten en 2 Regentessen, die eene vader en moeder onder zig

hebben.

De Roomschen hebben er eene goede statie, die bediend wordt door een’

Pastoor en een’ Kapellaan: de Pastoor is thans de Wel Eerwaarde Heer

Wilhelmus Holscher——de Roomschen moesten te voren hunnen godsdienst

buiten de plaats verrichten, en gingen daar toe meestal naar Laren of

Bussem, doch in den jaare 1784 den 23 September hebben zij, op verzoek,

permissie bekomen tot het bouwen eener kerk [19], ’t welk een groot en

fraai gebouw is—naast het kerkgebouw ziet men de pastorij, zijnde zeer

net betimmerd, en met allerleie gemakken voorzien—achter het huis en

kerk ligt een zeer schoone moestuin, fraai bosch en engelsche tuin——het

getal der Roomschen alhier, zo oud als jong, wordt bepaald op 18 a 1900

zielen.

Ook is hier een talrijke Janseniste gemeente, die op 700 leden berekend

wordt: deeze wordt mede bediend door een’ Pastoor, en een’ Kapellaan,

zijnde thans Pastoor de eerwaardige, Heer J. B. E. Gijselinck: de kerk

is ook een net gebouw, en in alles aan het oogmerk beantwoordende, de

Pastorij is een tamelijk goed huis, waar achter een redelijk goede

tuin.

De Jooden hebben te Hilversum een kleine maar zeer nette Sijnagoge, (’t

welk zekerlijk voor een dorp iet zonderlings genoemd mag worden:)

dezelve pronkt met een aartig torentjen, doch zonder klok daarin: deeze

sijnagoge is ingewijd, 21 Augustus 1789.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 264 / 455 题