Die Naarden gaat bezichtigen vraage vooral naar Oud-naarden, zo
genoemd, of eigenlijk de aanmerkelijke overblijfzelen van de aloude
stad van dien naam. (zie hier voor Bladz. 3.) ’t is niet meer dan eene
boerewoning; doch de ligging van dezelve is zeer verrukkelijk, naamlijk
midden in bosschen, akkers en heuvelen, van welken het gezicht op het
onverwachtst afgewisseld wordt, met eene verrasschende vertooning van
de Zuiderzee.
De schansen, wallen, en grachten, zijn over bezienswaardig; ook kan men
gelegenheid vinden om onder dezelven te komen; doch ’t is er zeer
salpeterachtig en onaangenaam.
De gebouwen, Bladz. 5 en 6 beschreven.
Men heeft er eene schoone wandeling naar de hei, of het zo genaamde
huis van Jan Tabak.