GESCHIEDENIS DER STAD.

Om dit gedeelte van onzen taak bij eene algemeen bekende gebeurtenis te

beginnen, moeten wij den Leezer herinneren, hoe Graaf Floris de Vijfde,

in den jaare 1296, in de ongenade der Edelen vervallen zijnde, zij hem

gevangen hadden, en naar elders wilden vervoeren; maar de kloekmoedige

inwooners van Naarden, hier van bericht bekomen hebbende, trokken

onverschrokken uit om den Graaf te ontzetten, schoon het deezen echter

zijn leven kostte, want het is te over bekend, dat de wreedaartige

Gerrit van Velzen zijnen edelen Meester op eene moorddaadige wijze

ombragt; ware er deeze moordenaar niet bij geweest, de Naarders zouden

in dit geval zekerlijk den schoonsten lauwer geplukt hebben: een der

oude rijmchronijken zingt van dit geval aldus:

Niet ver van Kronenburg, daar siet men in de velden,

De Naardenaars, die straks haar in de wapens stelden;

Heer Gerrit rijdt voor uit, en vraagt wat dat se doen?

Waarom die mannen haar met oorlogstuigh ontmoên?

D’outste der burgerij segt: ’t is, de Graaf te wachten:

Toen staan de troupen stil, die haaren Landsheer brachten.

Heer Gerrit wijkt te rugh, en naar de Grave steekt,

Die keert sijn paart, dat springt, maar valt en sijn been breekt,

Toen was ’t onmogelijk den Grave te bewaaren,

Alzo de Naardenaars haar op de hielen waren;

Van Velzen steekt den Graaf enz.

Toen in den jaare 1481, de Utrechtschen eene overwinning op de

Hollanders behaald hadden, meenden zij met list Naarden inteneemen,

daartoe waren zij allen verkleed in het gewoone gewaad van dorpvrouwen;

onder die gedaante vermeesterden zij ook de poorten, en zouden de stad

verbrand hebben, hadde men zulks niet afgekocht; die van Naarden moeten

derhalven in dien tijd geducht geweest zijn: deezen wreekten zig het

volgende jaar ook gevoelig over de ondergaane vernedering; zij

verdelgden toen naamlijk de sloten van Emmenes en Westbroek, waarbij

niet minder dan 1500 Utrechtschen het leven verloren; de dappere

Naarders behaalden daarbij ook zo groot een buit dat zij uit dezelve

een toren stichtten, hunne behaalde victorie vertoonende, met

bijvoeginge van de woorden: „zwijg Utrecht!”

In den jaare 1486, is het grootste gedeelte der stad door de vlamme

vernield, waarom de dorpen daar rondom belast werd, de wallen, muuren

en vesten der stad weder te helpen herstellen, op halve kosten.

Verschrikkelijker is echter de ramp die de wreede Spanjaards het

steedjen (in 1572.) hebben doen ondervinden: in den eersten opgang der

hervorming genoot zij de zoetste rust; men hoorde er noch van

beeldstorming noch van vreemde Predikers; maar na zij zig voor Oranje

verklaard had, werd zij welhaast opgeëischt; haare bezetting beliep

niet meer dan 120 Duitschers; kloekmoedig echter werd de opeisching

afgeslagen; doch op het bericht dat Don Fredrik met geheel zijn heir op

de stad in aantogt was, ontzonk elk den moed; men zond eenige

Gemagtigden, en daaronder den Rector van ’t Latijnsche school,

Lambertus Hortensius, den Spanjaard tegen; onder weg ontmoetten deeze

den wreedaartigen bevelhebber, Juliaan Romero, die hun verklaarde dat

Don Fredrik, de zaak der stad Naarden aan hem gelaten had, waarvan het

gevolg was dat de Gezanten hem te voet vielen, en de sleutels van de

stad aanboden, waarvoor zij de toezegging verworven, dat burgers noch

bezetting aan goed noch leven zouden beschadigd worden; dan laas! ’t

was het woord van een’ vijand, die de geessel van Nederland was, en

zelfs met eeden spottede: aan ’t hoofd van 400 man trok Romero binnen,

en werd bij Gerrit Pieter Aartszoon, Schepen der stad, deftig ter

maaltijd onthaald, zo als zijne soldaaten bij de ingezetenen gelijk

goed onthaal genooten: dan, wat was het loon voor deeze vriendlijkheid?

na den maaltijd deed Romero, door eenen trommelslager omroepen, dat

alle de burgers en bezettelingen zig, ongewapend, hadden te vervoegen

in de Gasthuiskerk, welke toen voor een Stadhuis diende, om er den eed

aan zijne Majesteit te vernieuwen; eenige weinigen mistrouwden dit

bevel, en voldeeden er niet aan, maar de overigen begaven zig

derwaards: intusschen wandelde zeker Priester, midden onder de

Spanjaards, voor de deur vergaderd, op en neder, doch kwam welhaast de

veege opgeslotenen aanzeggen, zij hadden met hun geweeten pais te

maaken en op hun einde te letten: „maar,” zegt de ridder Hooft, „’t

aanzeggen, bereiden en sterven, was één ding:” ijsselijk was de moord

die toe gepleegd werd; de Spanjaards bonsden de deur open en schoten in

’t woeste heen onder de menigte; werwaards deezen keerden liepen zij

den dood te gemoet; de wanden der kerk weeken niet, en de dood stond in

de deur; moede van schieten, stooven de moordenaars met ontblotene

zwaarden de Kerk in, en doorboorden allen die nog overgebleven waren;

vier persoonen alleen werden op belofte van zwaar rantsoen naar de

gevangenis gebragt: ofschoon nu het bloed ter Kerke uitstroomde was

zulks echter nog niet genoeg; de ontzielde ligchaamen werden verders

van alles wat eenige waarde had beroofd, en daarna, o gruwel! den brand

in het gebouw gestoken, en de zieltogenden met de dooden tot assche

verbrand; behalven eenige soldaaten, bedroeg het getal der burgeren

welken dus allerwreedaartigst omgebragt werden, volle vierhonderd.

Intusschen was voor hen die aan het opontbod voorgemeld niet voldaan

hadden, een dergelijk zo niet nog wreeder lot toegezegd; want nu had

men het geheele heir der Spanjaarden binnen de muuren, de roovers in de

huizen, en het wee door al de stad; jammerlijk was het klaagen, huilen,

kermen en gillen der gemartelden, gemengd met het loejen der beesten in

de brandende stallen opgesloten; sommige vaders werden, tot op het

bloote lijf ontkleed, voor de oogen van hunne vrouwen en kinderen als

visschen gekorven; een man van zeventig jaaren, stak men in den hals,

ontvong het gutsende bloed in de handen, slurpte daarna een gedeelte er

van op, en doorboorde voords den rampzaligen grijsaart het hart; de

zieken werden in hunne bedden vermoord, ja ook werden de krankzinnigen

niet gespaard; verscheidene burgers sleepte men tot op het dak van de

groote Kerk, stak hun een dolk in ’t lijf, en stietze dan plotsling van

boven neder; de vrouwen werden bij de voeten, anderen, en die bevrucht

waren, bij de borsten opgehangen; hoog zwangeren ’t kind uit het

lichaam gesneden; maagden, en meisjens van dertien of veertien jaaren

werden beestachtig verkracht; de vrouwen ondergingen dat lot in ’t

aanzien van haare mannen en zoons: onder andere kraamvrouwen deeden zij

er eene, barrevoets, in een onderroksken, met een wichtjen van éénen

dag, en een ander van agttien maanden, over de doode ligchaamen haarer

stadgenooten heen, ter poorte uitgaan; deeze kwam echter behouden in

het dorp Huizen aan, en weder tot haare voorige gezondheid: toen de

bloedhonden niets meer dat gevoel had konden doen lijden, viel men op

het onbezielde aan; poorten, muuren, torens, alles werd.... maar

genoeg, wij sluiten dit akelig verhaal met de woorden van zeker

dichter:

Met welk een wreedheid zocht de vijand elk den moed,

Te doen ontzinken! doch verkeerd, wijl goed en bloed,

Niet meer geveiligd scheen, wanneer men was verdragen,

Dan als men weêrstand bood; dies elk besloot te waagen

Al wat hen dierbaar was, voor ’t allerdierbaarst pand,

De vrijheid van ’t gewisse en van het Vaderland.

Sedert ging Naarden aan de zijde der Staaten over, en men vocht zo als

het Batavieren voegt.

In het jaar 1668, was er tusschen de Staatsleden een verschil over het

versterken van Naarden, en welk verschil van dat gevolg was, dat het

versterken achterbleef.

Honderd jaaren na den voorverhaalden algemeenen moord, binnen de muuren

van Naarden, had dat steedjen eenen anderen gewigtigen slag

doortestaan; in den oorlog met Frankrijk naamlijk (1672.) nam de

Markgraaf van Rochefort, Naarden in, waarvan den Prins van Oranje de

schuld gegeven werd; hij had, zegt men, geene bezetting genoeg daarin

gelegen.

In ’t volgende jaar kwam de Prins van Condé in persoon derwaards, en

werd met twaalf kanonschoten van de wallen verwelkomd: Willem de Derde

heeft ondernomen de stad te belegeren, en ’t is hem ook gelukt dezelve

uit de magt der Franschen te rukken, en der Republiek wederteschenken:

dat de Franschen in Naarden lagen was de Staaten een doorn in den voet;

wèl lag het land rondom onder water, maar ’t liep tegen den winter, en

zo er sterke vorst kwam was men derhalven van niets verzekerd:

intusschen hadden de Franschen eenige oude vestingwerken aldaar laaten

verbeteren, maar aan den anderen kant was ook een goed gedeelte van de

bezetting, die wegens de bekrompenheid van het steedjen niet groot

konde zijn, ziek; weder, integendeel, lag binnen Naarden een

Gouverneur, Van Pas genoemd, die bekend stond voor eenen man van beleid

en dapperheid; Oranje echter ondernam den aanslag; om den vijand te

misleiden, liet hij eenige troupen naar den kant van Braband

marcheeren, als of hij aldaar iet in den zin hadde: in ’t laatst van

Augustus evenwel vernam de Gouverneur wat van de zijde der staatschen

stond ondernomen te worden, welke maare ook kort daarna met de daad

bevestigd werd; want den 19 September eerstvolgende (1672.) sloeg

Oranje het beleg voor de stad; zeven dagen werd zij belegerd, en daarna

bemagtigd.

Van dien tijd af heeft Naarden niet veel deels in de staatsverschillen,

waardoor ons lieve Vaderland van tijd tot tijd geteisterd is geworden,

gehad; maar in onze jongstledene beroerten, waarvan wij nog overal de

opene wonden voelen bloeden, bleef zij niet verschoond; en hoe had zij

ook kunnen verschoond blijven, daar ’t magtig Amsteldam, om ’t welke

het voornaamlijk te doen was, voor een gedeelte van dat steedjen zijne

verdediging verwacht!

De algemeene patriotsche landsversterking werd derhalven te Naarden

geenzins vergeeten; de Colonel van Matha, werd met toerijkende manschap

derwaards afgezonden; een gedeelte van het Amsteldamsche Genootschap

van Wapenoefening Tot nut der Schutterij, trok den 8 September des

jaars 1786, derwaards, om bezit van de sterkte te neemen, en dezelve,

in gevalle van aanval, zelven te helpen verdedigen; dan, op hunnen

marsch derwaards, ontvingen zij bericht, dat Matha hun niet zoude

toestaan in de stad te komen, omdat zij niet voorzien waren van een

patent van de Provinciaale Staaten.

Toen verders de zaaken tot die hoogte gekomen waren dat men de Pruissen

in het Land had, begreepen ook deezen dat zij noodig hadden Naarden te

winnen; ten dien einde werd, den 17 Sept. 1787, de Generaal Major von

Kalckreuth uit het leger bij Amersfoort, met 40 Cuirassiers van zijn

regiment, benevens het eerste bataillon van Eichman derwaards

afgezonden, om met den Commandeur Matha in onderhandeling te treeden,

en te zien hoe het steedjen best te naderen was; in den nacht van

gemelden dag kwamen de Pruissen voor Naarden, en legerden zig op

eenigen afstand van de vesting; dan, zij oordeelden weder te moeten

aftrekken, om gemaklijker posten te gaan inneemen; Naarden heeft

zekerlijk aanstonds doen zien, dat het zig niet goedkoop zoude

overgeeven; men trok derhalven af, om den linker oever van de Vecht te

gaan winnen; de aftogt geschiedde reeds ten volgenden dage, (den 18den

Sept)—’t was echter maar voor een korten tijd; want na dat de kans

geheel verloren was, en alles met Pruissische troupen bezet werd, heeft

ook Naarden dezelve moeten inneemen; zij hebben er evenwel niet langer

dan elf dagen gelegen: sommigen zeggen dat er op zekeren nacht uit het

steedjen geschoten is, waarbij een koe in ’t veld zijne hoornen

verloor; of ’t op de Pruissen gemunt was is ons echter onbekend, zo ja,

zou ’t, volgends ’t voorgaande, in dezelfden nacht moeten geschied

weezen, dat Kalckreuth zig voor het steedjen nêersloeg.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 213 / 455 题