STICHTING EN GROOTTE.

Het tegenwoordig Naarden ligt op eenen geheel anderen grond, dan de

oude stad van dien naam, en waarvan de overblijfsels weleer (onder den

naam van Oud-naarden,) gevonden werden, in een klein gehucht, en

aanzienlijke lustplaats, veel nader gelegen aan de Zuiderzee, welke de

oude stad allengskens overstroomd heeft; thans is die hofstede

veranderd in eene boerewoning: ’t is ook in veel vroegere tijden een

monnikkenwoning geweest. Oud-naarden, of liever geheel Nardingerland,

ook wel Naardinkland genoemd, werd, vermoedelijk door Jan van Arkel,

den zeven - en veertigsten Bisschop van Utrecht, verwoest, zodanig dat

de stad tot een puinhoop gemaakt werd, die door de zee verzwolgen is:

sommigen willen zelfs dat wanneer zekere wind, (wij vinden niet bepaald

welken,) eenigen tijd lang waait, en de zee afloopt, dat men dan nog

blijken van ruïnen van kerken, met takken van afgeknaagde boomen omzet,

boven water ziet komen.

Nardinkland is vervolgends meer dan ééns van bezitter veranderd, en wel

op den naam van Graafschap; ’t verval moet echter van tijd tot tijd

dieper doorgedrongen weezen; want wij vinden er van gewaagd als van

eene stad en plaats die verlaten was; ’t zij nu dat zulks of geheel of

voor het grootste gedeelte verlaten zal betekenen, dit is zeker, dat

Graaf Willem van Beieren, in den Jaare 1350, bevel gaf en handvest

verleende om weder eene stad Naarden te bouwen, zijnde dezelve dat

Naarden ’t welks thans bestaat, en waarvan onze Lezer op ons plaatjen

eene naar het leven getekende afbeelding medegedeeld wordt; hebbende

onze tekenaar zijnen stand genomen van den kant van Amsteldam, om reden

dat hij dan ook iet van de beroemde sterkten konde laaten zien.

Men kan dan zeggen dat Naarden in den Jaare 1350 gesticht is door Graaf

Willem van Beieren; de omliggende Landzaaten werden tot den bouw

gelast: de handvest zegt dat Naarden door den Graaf weder werd

herbouwd; om dat de luijden, en zijne Landen wel gezlooten zullen

wezen.

De Stad bevat volgends eene opneeming van den Jaare 1732, vier honderd

en zeven huizen, waarop zij ook nog, (of ten minsten zeer nabij,)

geteld wordt; dit is naamlijk het getal der huizen binnen de stad; het

getal derzelven in haare gerechtigheid, en het gehucht Laag-bussem,

wordt bepaald op drie-en-zeventig: intusschen vertelt het uitwendige

der huizen in de stad, (eenige weinigen uitgezonderd,) verstaanbaar

genoeg, dat de inwooners in geene bloejende omstandigheid leeven.

Naarden is vermaard voor eene zeer aanzienlijke sterkte, het heeft

behalven zijne schansen, nog drie dubbelde wallen en grachten: heerlijk

is het gezicht aldaar over de schoonste bastions, ravelijns, bolwerken,

gordijen, contrascarpen, pallissaden, grachten, enz. dezelven zijn

aangelegd naar het ontwerp van den zo bekwaamen als vermaarden

Ingenieur Baron van Coehoorn; de voornaamste sterkte der stad bestaat

echter in de afgegravene velden, die rondsom haar liggen, en nog

gestadig uitgebreid worden; over dezelven, kan door middel van den

Vechtstroom; de environ der stad tot op eenen aanmerkelijken afstand

onder water gezet worden; voords heeft de stad twee poorten, naamlijk

de Amsterdamsche en de Amersfoordsche: deezen zijn geen onaartige

gebouwen, versierd met hardsteenen lijsten, waarin het wapen der stad

gebeeldhouwd is, benevens het jaar van hunne bouwing en dat van eene

verbetering daar aan geschied: het jaar der bouwing van de

Amsteldamsche poort is uitgedrukt met deeze romeinsche cijffers: CIↃ.

ICC. LXXXI. en dat der verbetering door het jaartal 1774; de zelfde

getallen voor de andere poort, (de Amersfoordsche,) is CIↃ. ICC.

LXXXII, en 1775.

’T WAPEN.

Is een zwarte dubbelde arend, op een goud veld.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 204 / 455 题