In den jaare 953 werd Muiden, door Keizer Otto den Eersten, aan de
Kerke van Utrecht in eigendom gegeven, het welk naderhand door Keizer
Otto den Tweeden, in 975 geschiedde; zijnde deeze gift in den jaare
1171, door Keizer Fredrik, nog nader bevestigd;
Meer dan éénmaal heeft Muiden voor den aanval van vijanden
blootgestaan; en is zelfs door hen verbrand: in den jaare 1197,
onderging het dit lot door de Kennemers; weinige jaaren laater,
naamlijk in 1204, werd Muiden in koolen gelegd, door Wouter van Egmond
en Albrecht van Banjaart, ten tijde der inlandsche beroerten in Holland
tusschen Graaf Willem, en Graave Lodewijk van Loon: dit onheil viel de
stad en niet minder het slot andermaal te beurt in den jaare 1356, door
Jan van Arkel, Bisschop van Utrecht, toen hij met Graave Willem in
oorlog gewikkeld was: die van Utrecht, in 1374 in twist geraakt zijnde
met Aalbrecht van Beiëren, over de betaaling van het huis te Vredeland,
en over zekeren hoon daarbij geleden, beslooten hunne schaden te
verhaalen door schatting te vorderen van eenige Hollandsche plaatsen,
waaronder ook Muiden zig bevond; in het jaar 1507 werd deeze stad door
Hertog Karel van Gelder in brand gestoken, gelijk hij zig ook Meester
van het slot maakte; doch bij den zoen tusschen de Hertog en Karel den
Vyfden, toen Koning van Castiliën, werd het slot zo wel als de stad
zelve aan hem, als Graave van Holland weder ingeruimd: de uitvoering
van welke inruiming echter nog aanliep tot den jaare 1509: in de
Spaansche beroerten heeft Muiden langen tijd de zijde des Konings
gehouden, en des zelfs gelegenheid om hier door Amsteldam en Haarlem,
welken mede noch Spaanschgezind waren, te benaauwen, ondernam Hopman
Dirk Sonoi, met goedvinden van den Prins van Oranje, in den jaare 1576,
een aanslag te waagen om het voor de Staaten te bemagtigen; dat ten
deele ook gelukte door het inneemen der stad die zeer schielijk
vermeesterd werd; maar om het slot intekrijgen zag men geen kans zonder
grof geschut, dat ontboden werd: intusschen kwamen de Amsteldammers te
water, en eenig ander volk te lande zo schielijk aan, dat Sonoi moeite
genoeg had om het geschut, volk, ja zelfs zijn eigen persoon aan boord
te krijgen, en met verlies van twee honderd man, Muiden en de Schans
Diemerdam, niet zonder verwijt van te hooren, dat hij het gevaar te
groot gesteld en zelf de schrik onder zijne troupen gebragt had, te
verlaaten: met den eersten dag des jaars 1577 gaf Muiden zig bij
verdrag over aan den Prins van Oranje: toen de Staaten van Holland en
Zeeland zig ontsloegen van de Landvoogdije des Graaven van Leicester,
en Prins Maurits als hun algemeenen Landvoogd aanstelden, veranderden
zij tevens de bezettingen in verscheidene steden, met nieuw geworven
Krijgsvolk; maar het duurde nog al een geruimen tijd aleer zij dien in
Muiden konden uitwerken, nadien den Capitein Johan Bax, die er het
gebied voerde, weigerde van het slot te verhuizen; waaruit men kan
begrijpen dat dit slot niet gering van kracht moet geweest zijn:
Leicester noemde het daarom ook de toom van het groote paard; dat is
van Amsteldam.
Toen in 1672 het land wegens den inval der Franschen door een
algemeenen schrik bevangen werd, werd deeze stad, hoe onweerbaar ten
dien tijde, door hen niet bemagtigd; ofschoon zij zeer nabij haaren
overgang was: want na dat Naarden overrompeld was, waren vijf
Dragonders stout genoeg om eenige vlugtelingen tot binnen Muiden te
vervolgen, ’t welk, wel verre dat die stoutheid henzelven ten nadeele
zoude verstrekt hebben, die van Muiden in tegendeel zo verschrikt
maakten, dat zij terstond Gemagtigden tot een verdrag afzonden: terwijl
deezen tot het volbrengen van hunnen last afwezig waren, had Prins
Maurits van Nassau, te Muiden post gevat, met voorneemen om de stad te
verdedigen, het geen de Afgevaardigden, toen zij terug keerden, onder
het vrijgeleiden van drie honderd Franschen ter dood deed verschrikken;
zij dorsten niet nader komen uit vrees voor de ongenade van den
dapperen Maurits, en aan den anderen kant vreesden zij van door de
Franschen gehouden te zullen worden, tot men de geslotene overeenkomst
voldaan zoude hebben; het geen de Franschen nu te zekerder zouden
vorderen, nu zij zagen dat Maurits voorneemens was de stad te
verdedigen: dit was zekerlijk een hachelijke omstandigheid voor hen;
echter werden zij daar uit gered door den Franschen Predikant te
Naarden, Jean Louis Grouwels, wiens voorspraak bij de Franschen zo veel
ten wege bragt dat deeze het gemaakte verdrag vernietigden, waardoor
Muiden derhalven nog aan de zijden der Staaten bleef, hoewel zulks niet
lange ongestoord duurde, want ten volgenden jaare, 1673, deed Condé er
weder eenen aanslag op, hoewel al mede vruchtloos; men ging hem met het
water te keer, waarom hij het zelve poogde aftetappen; doch niet genoeg
kundig zijnde van de gesteltenis des Lands, moest hij zijn oogmerk
laaten vaaren.
In de daarop volgende honderd jaaren, verschijnt Muiden niet op het
staatstooneel; doch in onze jongstledenen troubelen heeft het al mede
zijn deel gehad, ’t geen als een voormuur, of sterkte van Amsteldam, om
welke hoofdstad het voornaamlijk te doen was, onmogelijk anders heeft
kunnen weezen: desaangaande hebben wij van een waardige hand het
volgende ontvangen.
Na dat Muiden bij het trekken van het Hollands Cordon, circa een jaar,
eerst door het tweede, daarna door het eerste batt. van Dundas bezet,
en deszelfs fortificatien eenigzins in staat van defensie gebragt
waren, kwamen bij deezen militaire bezetting een detachement van
Amsteldamsche Burgers, circa 300 man sterk, aldaar in bezetting die
alle twee weeken wierden afgelost: in ’t laatste van Augustus 1787,
kwam een detachement van 18 Kanoniers, met twee Officieren van
Amsteldam, weinig dagen daarna het corps van Meyering, toen circa 20
sterk, ’t welk in Muiden tot bij of over de 200 gebragt wierd, nog een
detachement Kanoniers sterk als boven; na het overgaan van Utrecht en
andere steden, aan de Pruissen, kwamen veel defferente bataillons en
detachementen, als Waardgelders, Utrechtsche Garde, Vriessche en
Geldersche Brigadiersch, Fransche Artilleriste, enz. tot het getal zo
men zeide 2100 man sterk wierd.
Het eerste tooneel dat eenigzins aanmerklijk was, was behalven den
toestel, het in den eed nemen van de militaire Officieren: door twee
gecommitteerde uit het defensieweezen van Woerden, deeze Heeren geleid
wordende door den Generaal Van Ryssel; en geëxcorteerd door een
detachement Dragonders, reden te Muiden in den doelen op; requirerende
de militaire Officieren voor zig, en stelden haar den eed voor, die
door alle (exept den Capitein Commandant Nicolson,) werd geweigerd, en
ontvingen hunne demissie.
De nacht na deezen dag, werd Muiden door eenigen onverlaaten, die zig
onder de Amsteldamsche Burgerij mengden, met eenig ongeval gedreigd, ’t
welk wel voorgekomen werd; hoewel er naderhand nog onzinnigheid
gepleegd is.
Eindelijk kwam dien noodlottigen nacht tusschen den 26 en 27 September:
den 26 in de achtermiddag, werd er een begin gemaakt met plunderen, bij
Burgemeester Abraham van der Spar, dan dit werd, en wel voornamentlijk
door tusschenkomst van eene Hersman, Officier bij het corps van
Meyering, nog gelukkig in deszelfs begin gestut, en dat huis bezet en
bewaard; dog des avonds om 11 uuren, ging men veel sterker aan ’t
woelen, die troep zo men zeide, 15 à 16 man sterk, wilde plunderen, het
koste wat het wilde, zij hadden in de Bank van Leening de glazen
ingeslagen, en kwamen met een woest geschreeuw, dat haar troep grooter
deed schijnen dan ze in der daad was, en ook wezenlijk grooter maakte,
om dat zij die er ook lust toe hadden er zig bij voegden, de brug over,
hier werden zij wel door den Officier van de wacht, die tot de
Geldersche Brigade behoorde met nog een Officier tegengegaan; maar
dreigen hielp zo weinig als goede woorden: daar moest en zou geplunderd
worden, zij drongen door, sloegen over de wacht eenige huizen de glazen
in stukken, toen ze hier mede bij den Bakker op den hoek over de wacht
bezig waren, kwam eenige huizen van daar een kogel van tusschen de
pannen, die men nooit recht geweten heeft van wien; trof een man in den
onderbuik, dat er de dood op volgde; een eenvoudig man, een
schoenmaker, werd van deeze daad beschuldigd, maar behalven dat die man
zo eenvoudig was, dat hij geen geweer zoude hebben durven afschieten,
woonde hij ook te verre om het te kunnen doen: evenwel dit huis werd in
die diep woeste drift geplonderd, (woeste drift moet men het noemen, en
geen partijsche, want het huis van een zeer bekende Prinsgezinden werd
gespaard, terwijl bij zijn twee buuren, waar van ten minsten een voor
Patriottisch bekend stond, niet alleen de glazen ingeslagen, maar ook
verscheide kogels door het huis gejaagd wierden;) de man met zijn
huisgezin meende achter door de tuin uittevluchten, maar werd door een
kogel in ’t been gekwetst, en viel; toen wierden zij door een troep
raazenden overvallen; de man werd getrapt, geslaagen, en na de
hoofdwacht gesleept, alwaar hij in den morgen van den tweden dag aan
zijn bekomen wonden overleed, de vrouw had zich losgeworsteld niet
zonder deerlijk gehavend te zijn; men hoorde in dit tumult na gissing
wel 400 snaphaanschooten, door partijen elkander toegezonden, want er
was onder het guarnizoen zo wel militair als burgers, een zeer groote
partij die zich tegen het plunderen verzette, de kogels snorden van
rondsom, en in den morgen telde men tot 26 gekwetsten, behalven die
zich uit het oog hielden: Matta deed zijn Dragonders optrekken, en in
den hoop inrukken om dezelve uit elkander te drijven, het corps van
Meyering, zo verre het gewapend was, deed onder aanvoering van Hersman,
ook hun best, dan het ging zo gemaklijk niet of een Dragonder werd aan
het hoofd gekwetst, Hersman werd door een kogel zijn rechter lok aan
het hoofd weggenomen, en Matta kreeg een kogel door de hoed: den dag
daar aan volgende, kwam een Pruissisch Officier de stad sommeere, deeze
werd geblind na het kwartier van Matta geleid, ’t welk elf maal hervat
is: die achtermiddag kwam er bevel om uittemarcheeren.
Den 1 October, werd men in Muiden door het losbranden van het kanon, ’s
morgens circa half vijf uuren gewekt: men zag de Pruissische granaten
door de lucht snorren: een viel en barstten op straat, sloeg vier der
digst bij staande huizen bijna alle de glazen in stukken, en maakte nog
eenige andere schaden; een viel in een bed dat in een kribbe op een
solder lag, waaronder twaalf menschen zaten koffij te drinken, sloeg
bed en kribbe uit elkander, en het dak in den brand, doch dit werd
schielijk geblust; een viel bij de Emeritus Predikant Joosten, door het
dak; maar barstte tusschen dak en vliering; op verscheide plaatsen
vielen nog anderen, aan de kant van Weesp, was men ook niet stil, met
een vijfde schot werd een wiel van een der Pruische wagens
weggeschooten, en circa negen uuren trof een Muiderkogel, een Houbitser
juist in zijn gapende mond, terwijl hij geladen was, en barstte.
Eenige Pruissische Dragonders van de kant van Naarden, dagten uit het
bijderzijds ophouden van schieten, dat Muiden het hadde opgegeven, en
naderde tot digt bij de poort; dit wierd gezien en hun eenige kogels
toegezonden: een van dezelve trof een Wagtmeester, scheide zijn been
even beneden de heup, bijna van het lichaam, en doode zijn paart: de
anderen zetteden het spoorslaags op ’t loopen, en men haalde terstond
den gewetsten na binnen, scheidde het been vervolgens geheel van het
lighaam, en deed wat men kon, maar de man overleed aan zijn wonden:
ondertusschen had dat over en weder schieten vooral ook de Pruissische
Houbitsers zodanig de schrik in het hart van den burger gebragt, dat
een menigte huis en haven verlatende, tot vijf zeer vol geladen schepen
Muiden vaarwel zeiden en na Durgerdam overstaken, intusschen kwam nog
een Battaillon van de Amsteldamsche Soldaaten binnen; Muiden wierd
weder opgeëischt, Matta eischte daarentegen Naarden en Weesp op, en
Muiden wierd op den 8 October bij verdrag overgegeven, het Battaillon
Pruissische Grenadiers, dat bezit van de stad nam, verbleef aldaar drie
dagen kreeg toen patent na de Diemermeer, en vertrok terstond, het
wierd vervangen van een Battaillon van Orange Nassau, dit bleef drie
weeken en wierd toen afgelost, door het Battaillon Grenadiers van
Romberg, die 26 weeken bezet bleeven houden, dus de winter over,
intusschen was ieder weder na zijn huis gekeerd, en thans leeft men
stiller: eenige Casteleins die zeer geleden hadden, kregen ƒ 50: den
burger van ƒ 20: tot ƒ 12: gulden, zoogenaamde schadevergoeding.