VOORRECHTEN

Zie wegens het markten in Amsteldam, onder het artijkel Bezigheden: het

voorrecht dat de bewooners van deeze Meir van de Staaten van Holland en

Westfriesland hebben bekomen, van naamlijk een tolhek op de Outewaaler

brug te mogen plaatsen, blijkt uit het voorgaande, alwaar wij van dat

tolhek spreeken—Een ander voorrecht van de Diemermeir, mag genoemd

worden, dat over den middenweg, die, gelijk wij boven reeds gezegd

hebben, van de Outewaaler brug, tot aan de Hartsvelder- of Diemer brug,

loopt, geene Hessenkarren gevoerd, of varkens gedreven mogen worden.

Nog kan men het een voorrecht noemen, dat de bestuurders der Meir niet

behoeven te gedogen dat des avonds na beslotene stads poorten, eenig

vreemdling zig in dezelve op de openbaare wegen vertoonen; gelijk men

in dat geval dan ook door de nachtwachts aangehouden wordt, en

rekenschap van zijn daarzijn moet geeven; bij de minste twijfeling aan

de waarheid des voorgeevens, of bij ondervinding van de onwaarheid

deszelven, wordt men in bewaaringe gesteld.

De Meir heeft ook het voorrecht, dat op haaren bodem geene nachtegaalen

gevangen mogen worden.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 143 / 455 题