REGEERING.

Bij ’t verleenen van octrooi ter bedijkinge en droogmaakinge van deeze

Meir, werd, ten aanzien van het Heemrecht vergund, dat de landen in de

Meir geregeerd zoude worden, door Hoofdingelanden en eenen Dijkgraaf,

(te kiezen uit een door hen gemaakte nominatie, bij de Staten of de

Rekenkamer der Graaflijkheids domeinen,) midsgaders door Heemraaden,

Penningmeester, en andere bedienden, die door de Hoofd-ingelanden

zouden verkozen worden; naderhand, in den jaare 1629, verkregen

hoofd-ingelanden, dat alle overdragten en gerechtlijke verbindenissen

van vaste goederen in de Diemermeir zouden geschieden, ten overstaan,

van Dijkgraaf en Heemraaden: middelerwijl bleef de Hooge en Civile

Jurisdictie aan den Gerechte van Amstelveen, Diemen, en Ouderkerk,

onder welken de landen van de Meir van ouds gelegen waren; doch daar de

eigenlijke grondscheidingen, voor ieder, gevolglijk ook iederer

Jurisdictie, niet gemaklijk konde worden bepaald, ontstond er niet

zelden verschil over de rechtspleegingen, dat aanleiding tot veele

ongeregeldheden gaf, alwaarom in den jaare 1640, bij de rekenkamer der

Graaflijkheid van Holland werd besloten, aan Heemraaden te vergunnen de

Crimineele en Civile Jurisdictie te oefenen met den Bailluw van

Amstelland, en dat de Dijkgraaf, na het overlijden, van den toen in

leven zijnde Bailluw, te gelijk Bailluw van de Diemermeir zoude weezen;

het welk Burgemeesteren van Amsteldam, als Ambachtsheeren van

Amstelveen, ook toestonden, ten aanzien van de civile en dagelijksche

Jurisdictie, voor zo verre aanging de gronden onder hun rechtsgebied

van Amsteldam in de Meir gelegen, behoudende de crimineele

rechtsoefening aan zig: „Van dien tijd af,” vinden wij aangetekend,

„zijn de Heemraaden ook Schepenen geweest”.

Volgends deeze vergunning, bestaat de regeering over de Diemermeir in

twee Hoofdingelanden, verbeeldende Burgemeesteren der Stad Amsteldam;

den Dijkgraaf, vijf Schepenen of Heemraaden, in opzichte van hun

onderscheiden bewind, van Heemraadschap, of crimineel en civiel

rechtsgebied, benevens een Secretaris en een’ Penningmeester.

De Dijkgraaf is volgends de bovengemelde schikking van de

Graaflijksheid rekenkamer, ook Schout van de Meir; doch hij heeft een

Substitut, die te gelijk Bode is, en in de Meir zijne woonplaats heeft:

deeze heeft een’ justitie-dienaar onder zig.

Burgemeesteren van Amsteldam benoemen bij het openvallen van het Amt

van Dijkgraaf, drie van de voornaamsten der Ingelanden, uit welken één

door de Staaten van Holland en Westfriesland tot Dijkgraaf wordt

gekozen; Burgemeesteren stellen ook den Secretaris aan, en verkiezen

jaarlijks, het ééne jaar twee, en het andere jaar drie Heemraaden, uit

de nominatie van een dubbeld getal, hun door Dijkgraaf en Heemraaden

overgeleverd.

De verdere bedieningen staan allen ter begeevinge van het Collegie van

Dijkgraaf en Heemraaden, in hunne verscheidene betrekkingen, van de

hoogste tot de laagste toe.

Dit Collegie houdt zijne gewoone rechtdagen, op den eersten maandag in

iedere maand: sedert de bedijking schijnt hetzelve in de Meir vergaderd

te hebben; doch met den jaare 1645, werd het verplaatst naar Amsteldam,

in de Corps de guarde van de Regulierspoort, welke plaats het Collegie

op den 11 December des jaars 1645 daartoe vergund was: voor ruim

honderd jaaren, (1693,) verkreeg het Collegie eene betere rechtkamer

naamlijk onder in het stadhuis te Amsteldam, welke kamer het behield

tot in den jaare 1716, toen dat vertrek tot een ander gebruik geschikt,

en Dijkgraaf en Heemraaden van de Meir vergund werd te vergaderen, in

het Stadhuis voornoemd, boven de kamer van Commissarissen van

Zeezaaken, alwaar zij tegenwoordig ook nog hunne rechtdagen en

vergaderingen houden.

Onder de mindere Amtenaaren boven bedoeld, behoort de gaarder van ’s

Lands imposten, welk amt niet door de Regeering, maar door

gecommitteerde Raaden begeeven wordt; het wordt thans bekleed door den

Substitut Schout, de Heer Matthys Elsman.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 142 / 455 题