GESCHIEDENISSEN

Diemen welk eerst aan den Bisschoplijken stoel van Utrecht, en daar na

aan de Graaven van Holland leenroerig was, werd weleer door Heer

Gysbrecht van Amstel bezeten, die in den jaare 1225 het zelve, benevens

Muiden en Weesp, met de tollen en visscherijen, voor altijd van

Bisschop Otto den Tweeden van Utrecht, voor dertig ponden ’s Jaarlijks

verkreeg, en even daarin, als in alle andere dorpen van Amstelland, het

gebied voerde; dan in den jaare 1296, mede deel gehad hebbende aan den

moord van Graaf Floris den Vyfden, en deswegen buitenlands moest

vlugten, werd Diemen met alle dorpen in Amstelland, verbeurd verklaard,

en der Graaflijkheid van Holland ingelijfd; waarin het tot den 18

October 1731 is gebleven, als wanneer de stad Amsteldam het zelve voor

een somma van ƒ 10300 van de Staaten van Holland kocht en verleid op de

Heer Gerrit Corver, Heer van Velsen, Burgemeester der stad Amsteldam.

Diemen is zeer dikwijls door hooge watervloeden overstroomd, en

ongelukkig geworden.

Bij den Juliaans vloed, van 1164, werd deeze ban gantschlijk

overstroomd; de meeste bewooners werden met schuitjens van de daken

hunner huizen gehaald, terwijl een groot gedeelte door het water werden

verzwolgen.

1219 trof dit Ambacht het zelfde ongeluk, en honderden van menschen

verdronken.

1477, is het Land door een doorbraak in den dijk geïnundeerd, en daarin

verscheide waalen gespoeld.

1509 brak de dijk door, en Amsteldam leed bij deeze doorbraak zeer

veel.

1516 en 1530, brak de dijk weder en op verscheide plaatsen door,

waardoor het land onder water gezet werd.

1570 braken bij eenen sterken springvloed, uit het noordwesten, dertien

gaten in den Diemerdijk, zettende niet alleen gantsch Diemen, maar ook

gedeeltelijk Amsteldam onder.

Diemen is mede van tijd tot tijd zeer ongelukkig geworden door den

oorlog, zijnde het geheele Ambacht meermaals niet alleen door het

krijgsvolk afgeloopen, maar de opgezetenen ook geplunderd, en geheel

geruïneerd.

In het jaar 1572 werd door het staats krijgsvolk onder den Graave Van

der Mark, het dorp Diemen gedeeltelijk, met de kerk, afgebrand.

1573 verschanste Sonoi zig bij Jaaphannes op IJpersloot, en liet veele

der landerijen ruïneeren, om die schansen te maaken: stak eindelijk bij

Jaaphannes den dijk door: daar na werd hij uit zijn schans verdreven,

en een groot gedeelte huizen door het geschut en de vlammen geruïneerd.

1576 werd Diemen mede door het krijgsvolk afgelopen, en het weinige dat

overbleef geroofd.

1610 was het water zo hoog, dat het over den dijk liep, Diemen

overstroomde, en alle de kelders te Amsteldam, tot aan de Warmoesstraat

onder water zettede, terwijl een gat van eenige roeden in den

Diemerdijk scheurde.

1621 waaide al het paalwerk van den dijk omver, en het water liep als

een zee er over, en inundeerde het land.

1651 brak de Diemerdijk weder door, het water inundeerde Diemen, de

Diemermeir, en liep te Amsteldam tot aan den Dam: 1665, 1675 en 1682,

werd Diemen weder overstroomd.

Diemen is tweemaal een prooi van het vuur geweest, de laatste keer in

1652, wanneer het Schoutshuis, benevens eenige huizen van particulieren

zijn afgebrand, deezen vuurnood heeft ook verscheide privilegie-brieven

verteerd.

1702 braken andermaal verscheide gaten in den dijk, en zettede het land

onder water.

1717 vloeide het water over den dijk, en inundeerde de polders.

In 1732 kwam er in het paalwerk ook het bekende gewormte, dat al het

zelve doorknaagde, en den dijk in het uiterste gevaar bragt.

Dikwijls na, en vóór deeze tijden zijn er hooge vloeden geweest, die

geheel het Ambacht dreigden ondertezetten, doch door God ’s goedheid en

door menschlijke hulp, werd het gevaar gekeerd; zo als nog korts

geleden in de hooge vloeden van 1790 en 1792.

1787 heeft het dorp eerst door de troepen van den Staat en naderhand

door den inval der Pruissen, voor welken het land geïnundeerd was, veel

geleden.

De ingezetenen van Diemen kunnen niet gezegd worden, de Patriotsche

partij [15] toegedaan geweest te zijn, ten minsten, veelen van hun

niet, het welk te besluiten is uit de ontmoetingen van hun thans

rustend Predikant, Bernardus Bosch, de beroemde dichter van het alom

geprezen Dichtstuk De Eigenbaat, desaangaande gehad hebbende: hij was,

om de inundatie en de Pruissische troupen, genoodzaakt zig naar

Amsteldam te begeeven, gelijk zulks meer andere Dorpleeraars hebben

moeten doen; doch na het vertrek der soldaaten voornoemd, ging hij

weder na Diemen om te prediken, zijnde zijn Wel-Eerw. de eerste der

gewekene Buitenpredikanten, die dat werk weder op zijne standplaats

verrichtte: na het afloopen van den dienst, is hij op eene zeer

onheusche wijze aangevallen, ook door zulken van zijne gemeente, die

hem nog voor weinige dagen betuigd hadden, dat ze veel zegen onder

zijnen dienst genoten.

Allertreffendst zeker zijn de verdere lotgevallen van zijn Wel-Eerw.

ten opzichte van het jongstleden volksverschil, waardoor gantsch

Nêerland zulk een gevoeligen neep is toegebragt, dat het er nog

werkelijke de grievende naweën van gevoelt.

Na men zijn Wel-Eerw. van niet minder had getracht te beschuldigen, dan

dat hij de Obligatiën der kerke had laaten steelen, en na ook van dien

blaam gezuiverd te zijn geworden, had zijn Wel-Eerw. ijver genoeg in

zijnen moejelijken post, liefde genoeg voor zijne nu bijna herderlooze

kudde, en vertrouwen genoeg op zijnen God, om andermaal zijn beroep te

gaan waarneemen, ofschoon men zijn Wel-Eerw. vooraf hadde doen weeten

dat men hem, in gevalle hij zulks dorst bestaan, ’t zeer euvel zoude

afneemen; na het eindigen dier leerrede, werd hij ook door eene groote

menigte omringd, en met de hevigste aandoeningen overladen—na te

vergeefsch om bescherming verzocht te hebben, vond zijn Wel-Eerw. niet

ongepast geraden, zijn beroep nederteleggen, ’t geen hem vergund werd

met behoud van eer—zijne vijanden waren hier mede niet voldaan, (hoe

verre kan eene domme opvatting, of de verleiding van anderen, een

mensch niet vervoeren!) men beschuldigde zijne Wel-Eerw. van landen

geïnundeerd te hebben, en zelf mede geëxerceerd te hebben; niet

tegenstaande zijn Wel-Eerw., wat de inundatie betreft, dezelve heeft

getracht te verhinderen, en nimmer zelf geëxerceerd heeft, ofschoon,

zijn Wel-Eerw. betuigd heeft, er sterk vóór geweest te zijn, op grond

dat de Souverain het exerceeren ten platten lande had bevolen, ’t was

derhalven den pligt van zijn Wel-Eerw. het oogmerk van zynen Souverain

te bevorderen; deeze laster is zelfs zoo verre gegaan dat men een

spotprent op zijn Wel-Eerw. in openbaaren druk deed uitgaan, waarop

hij, naar ons voorstaat, als predikant en soldaat, op de

belagchelijkste, en lafste wijze wordt uitgebeeld; men wierp hem mede

in ’t openbaar een dichtjen naar ’t hoofd, van dezen inhoud,

Heraut der muiterij, in schijn van Gods gezant,

Zorg voor de zielen van uw boeren, enz.

’T gelust ons niet meer daar van uitteschrijven, gelijk wij ook van dit

punt der Historie van Diemen afstappen, oordeelende genoeg gezegd te

hebben, om te doen begrijpen hoedanig in de jongstledene troubelen de

zaaken desaangaande, aldaar stonden.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 129 / 455 题