GESCHIEDENISSEN.

Deeze zijn, naar evenredigheid van het bevang der buurt, vrij

aanmerkelijk: door het reeds gemeld springen van de kruidstooven,

welken er weleer gevonden werden, werd de buurt niet weinig geteisterd;

en het verval niet alleen, maar zelfs het verdwijnen van verscheidene

catoendrukkerijen, heeft haar voords mede eene zeer gevoelige neep

toegebragt: in 1732 onderging zij ook eene hevige schrik door het

afbranden van het nabij zijnde pesthuis, het welk geheel door de vlamme

verteerd werd, en welk onheil niet weinig in akeligheid toenam, door de

krankzinnigen, welken er in opgesloten waren, gelijk het gebouw nog

heden mede tot dat einde dient.

Omtrent den jaare 1750 had deeze buurt in haar bevang een Fransche

schouwburg, (die echter uit de stad zijn bestaan moest trekken,) zij

werd aangelegd ter plaatse alwaar men thans het bekende Fort de

Eendragt ziet; doch na verloop van weinige jaaren werd zij door het

vuur verteerd: op den grond werd het tegenwoordige zwaare gebouw

gesticht; en diende als toen voor eene Porseleinbakkerij; doch deeze

heeft mede niet veele jaaren stand gehouden; de aanleggers verstonden

de kunst van Porceleinen te maaken niet genoeg om aan den kieschen

smaak der Hollanderen, die gewoon zijn aan het allerfraaiste geen

gebrek te hebben, al moest het ook van het andere einde der wereld hun

toegebragt worden, te voldoen: sedert heeft het gebouw tot een ander

einde gediend; voor weinige jaaren was er een groote behangsel fabriek,

enz. in geplaatst, doch dezelve heeft op dien ongelukkigen grond almede

geenen stand gegrepen; laatstlijk hebben eenige Amsteldamsche

boekverkopers het in huur gehad, tot een magazijn, om er hunne bekende

buitenverkoopingen van copijen in te houden; doch ook dat gebruik heeft

niet aan de verwachting beantwoord, thans is het gekocht door den

beroemden Menschenvriend Jan van Mekeren, die het ter zijner eeuwige

eer tot een hofjen laat toebereiden.

Eindelijk hebben de bewooners van deeze buurt niet weinig geleden door

de Pruissen, die zig bij hunne aanmarsch op Amsteldam, in hoedanigheid

van overwinnaars, en derhalven niet weinig tot buitenspoorige

gedragingen overslaande, moesten ontvangen: „allerschadelijkst”, zeggen

wij desaangaande elders, „kwamen die lieden er af, welken op het

gerucht, of liever de verzekering dat de vijand reeds te Ouderkerk, en

Amstelveen, de gewapende burgers met Batavischen moed derwaards

getrokken om hun te keeren, was aangevallen, en de toedragt der zaaken

zodanig stond, dat de burgers zouden moeten wijken.” De huizen van

deezen werden terstond opengebroken; waren het herbergen, zo moesten er

flesschen en vaten aan; alle voorraad van spijs was een kostelijke

buit, voor maagen die meer gewoon zijn honger te lijden, dan door

overdaad bezwaard te worden; kisten, kassen, en banken werden voor

brandhout gebruikt; de huizen, waarin bewooners gevonden werden,

ondergingen wel niet zo erg een lot, maar de bewooners zelven hadden

niet weinig te lijden; en men kan begrijpen met welke opene armen de

uitgewekene bewooners, bij hunne terugkomst, (want eindelijk moesten

zij toch weder t’huiswaards keeren,) ontvangen werden: de slagers,

welken in deeze buurt gevonden worden, leeden geen kleinen overlast en

schade; hunne winkels waren rasch ontledigd, zonder dat hunne beurzen

er door gevuld waren geworden: bij sommigen ging de baldaadigheid zo

verre, dat zij aardappelen in gesmolten boter gaar kookten, even als

men gewoonlijk in water doet: maar weinig dat roofbaar was, tot het

loot op de daken toe, werd op zijne plaats gelaten; elders hebben wij

reeds aangemerkt, dat dit echter zo erg niet zoude geweest zijn,

bijaldien men de Jooden van hun van daan gehouden hadde; als onkundige

lieden verkochten zij menigmaal een goed horologie voor maar zeer

weinige penningen: intusschen hebben de bewooners deezer buurte, als

elders, op verre na hunne schade niet vergoed gekregen: hun werd,

staande de inquartiering, voor iederen soldaat één gulden per week

gegeven; doch daarvoor was weinig te doen, met nadruk voor zulke

gasten: intusschen ontvingen die gasten ook nog eenig legeronderhoud,

bij voorbeeld één of twee zesponders roggebrood in de week; doch het

Hollandsch witbrood geproefd hebbende, waren zij op hetzelve tot zo

verre verlekkerd, dat het legerbrood hun niet meer smaakte; waarom

sommige bewooners, ten einde hun te verpligten, dat brood, vrij zeer

tot hunne schade, tegen wit brood verruilden, of zulk een legerbrood,

elders, voor 3 of 4 stuivers verkochten, er iet bijlagen, en wit brood

t’huis bragten: uit het een en ander kan men gereedlijk besluiten, dat

de bewooners deezer buurt hunne Pruissische gasten met vermaak hebben

zien vertrekken.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 100 / 455 题