AANLEG EN GROOTTE.

Wat de aanleg betreft, door het veelvuldig gebruik dat van dien weg

gemaakt werd, om de Heilige stede te Amsteldam te gaan bezoeken, zijn

ongetwijfeld eenige winkels van benodigdheden of ververschingen aldaar

aangelegd; deezen in getal toegenomen zijnde, hebben weder anderen, als

handwerkslieden, enz. aldaar noodzaakelijk gemaakt, en op die wijze zal

deeze aanzienlijke buurt haare tegenwoordige gedaante bekomen hebben:

zij strekt, gelijk gezegd is, ter wederzijde van de vaart, van den

gebiedpaal van Amsteldam af [9] tot den Overtoom of Amstelveenschen weg

toe; en bevat veele huizen, waaronder eenige plaisiertuinen.

De bewooners deezer buurt zijn van den Gereformeerden of Roomschen

Godsdienst, eenige weinige zijn Luthersch. De eerst- en laatst-gemelden

gaan gemeenlijk naar Amsteldam ter kerk: de Gereformeerden echter ook

wel te Amstelveen, waaronder zij kerklijk behooren; de Roomschen gaan

op den Amstelveenschen weg, in de Buitenvelderschen polder of te

Buitenveldert.

Kerklijke of godsdienstige gebouwen zijn derhalven in deeze buurt niet

voorhanden; er zijn wel schoolen in, doch dezelven zijn van

particulieren: voords is aan den Overtoom mede een school: de armen en

weezen, die er zijn worden door Amstelveen verzorgd.

De bezigheden der bewooneren van deeze buurt zijn veelerleie, en veelal

dezelfden als in de steden over het algemeen ter hand genomen worden;

er zijn verscheidene fabrieken, onder anderen een pottebakkerij,

kogelgieterij, kaarsgieterij, maar vooral glanzers en catoendrukkers;

de laatstgemelden zijn echter sedert eenigen tijd merkelijk verminderd,

gelijk die voorbodens van den ondergang onzes Lands, ook elders uit

hetzelve verdweenen zijn: voorheen werden in deeze buurt ook meer dan

één kruidstoof gevonden, doch dezelve zijn allen voor en na gesprongen;

de laatste, Sollenburg, nog onder Amsteldam behoorende, (thans een

behangsel fabriek,) voor ruim dertig jaaren: te recht noemt de Dichter

Willink dit verdervelijk voordbrengsel van ’t menschlijk vernuft, eene

stof

Die kracht geeft aan de dwinglandij,

En ’t menschdom doet ten grave daalen,

Wanneer het zwaare donders braakt,

Een vlam spouwt uit metaale monden,

Dat al het aardrijk loeit en kraakt,

En zucht door doodelijke wonden:

Een stof van aarde en zee betreurd,

En die haar’ vinder heeft verscheurd.

Deeze vinder was zekere Barthold Zwarts, een Duitsche Monnik, die

omtrent den jaare 1380 geleefd heeft: het mengsel, volgends zijne

gedachten toebereid hebbende, wilde hij deszelfs kracht beproeven, lag

eene genoegzaame hoeveelheid daarvan onder eenen zwaaren zerk, was dom

of onvoorzichtig genoeg van er boven op te gaan staan, stak het kruid

in brand, en vloog met den steen in de lucht: „’T is”, zeggen wij

desaangaande elders, „als of God niet heeft gewild dat de Monnik eenig

eerbewijs voor zijne uitvinding zoude ontvangen, het geen hem anders

waarschijnelijk ten deele gevallen zoude wezen: zijn omkomen was als

eene wraak van de Voorzienigheid, om de uitvinding met den uitvinder te

begraven; want het liefderijk Opperwezen kan tog geen behaagen scheppen

in het moorden der geenen, die hunne overheersching met menschenbloed

staande houden,” enz.

De vreemdeling, die deezen weg bewandelt, zal zig ongetwijfeld

verwonderen over het onbegrijpelijk groot aantal herbergen en

schoenmaakers, welken hier gevonden worden, en die er intusschen allen

een ordentelijk bestaan vinden: de eerstgemelden wegens de veele

wandelaars, welken des zomers hunne wandelingen langs deezen weg

beginnen of eindigen: ook wegens de steedsche gasten, van

onderscheidene rangen, die zig alhier in de herbergen komen

verlustigen: de vischmarkt, die des zomers zondags morgens aan den

overtoom gehouden wordt, trekt als dan ook veele duizenden stedelingen

na zig, allen moeten deezen weg passeeren, en daar de marktgang eene

uitspanning is, wordt er niet zelden drok gepleisterd, de veele

fabrieken, welken, gelijk wij gezegd hebben, weleer in deeze buurt

gevonden werden, hebben ook veele herbergiers derwaards gelokt.

Wat de schoenmakers betreft, deezen hebben zig hier nedergezet, ter

verkoopinge van het bekende goedkoop werk dat in de Langestraat gemaakt

wordt, en niet binnen het gebied van Amsteldam gebragt mag worden: daar

het intusschen door de koopers bij duizenden enkelde paaren ingevoerd

wordt, zijn bij het schoenmaakers gild in Amsteldam van tijd tot tijd

hevige klagten daarover ontstaan; doch men heeft de invoer, op gezegde

wijze, niet willen, of niet kunnen beletten—Sedert zijn er ook veele

dergelijke baazen binnen het gebied der stad, ja binnen de stad zelve,

komen woonen, die wel geen Langestraats werk verkoopen, maar echter

tegen denzelfden goedkoopen prijs eigen werk leveren.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 99 / 455 题