Het vermaaklijk Dorp Amstelveen, (of Amsterveen, zo als het doorgaands
genoemd wordt,) eene Ambachtsheerlijkheid van Amsteldam, is gelegen in
Amstelland, omtrent twee uuren gaans ten Zuid-westen van Amsteldam,
hebbende ten Oosten de Haarlemmer-meir, ten Westen het dorp Ouderkerk,
en ten Zuiden, Tamen of Uithoorn: deszelfs ligging is zeer aangenaam;
de weg die van Amsteldam, of wel van den Overtoom, derwaards gaat,
verschaft eene verrukkelijke wandeling tusschen twee reiën lommerijken
boomen, achter welken, op verscheidene plaatsen, ruime boerderijen, en
aanzienlijke tuinen gelegen zijn: te recht zegt de zoetvloejende
Willink, dat de gemelde aangenaame weg loopt,
Langs ijpeboomen, even glad,
En net geschoren; welker kruinen,
Zo tierig groejen bij het nat,
Dat eeuwig wenscht, dien weg te omtuinen:
Alwaar het toverend gezicht
Den zachten wandelaar verpligt.
Amstelland, dat wij boven noemden, was weleer met het steedjen, ’t
welk, na nog geen twee honderd jaaren, tot de wereldberoemde koopstad
Amsteldam aangewassen is, eene bijzondere Heerelijkheid, niet
behoorende onder de eigendommen van de Hollandsche Graaven, maar aan
het geslacht der Heeren van Amstel: toen Heer Gijsbrecht, van dien
naam, als deelgenoot van den bekenden moord aan Graaf Floris, het Land
moest ruimen, werden zijne goederen verbeurd verklaard, en werden
deezen gevolglijk een volstrekt eigendom van den Graaf; volstrekt,
zeggen wij, want Gijsbrecht was reeds vroeger, voor zekere handelwijze
van hem omtrent den Bisschop van Utrecht, door den Graaf gestraft,
daarmede, dat hij zijne goederen, waaronder ook Amstelland, aan den
Graave moest opdraagen, waarna hij dezelven weder als een Leen van
deezen ontving: Amstelland is volgends sommigen daarna een Leen van de
Utrechtsche Kerk geweest, doch ook weder aan de Graaflijkheid gehecht;
anderen ontkennen zulks geheel of ten deele.
De uitgestrektheid van deeze gewezene Heerlijkheid is aanmerkelijk
groot; zij wordt door den Amstel in twee deelen gescheiden, en aan de
West-zijde Nieuwer-Amstel genoemd, in tegenstelling van de andere zijde
die den naam van Ouder-Amstel draagt; zij bevat de dorpen, Slooten,
Slooterdijk, Amstelveen, Ouderkerk, Diemen met Diemerdam, Loenen en
Loosdrecht, Duivendrecht, Waver, Waverveen, Oostdorp, en meer andere
vlekjens; ook zelfs Amsteldam, dat men de hoofdstad van deeze
Heerlijkheid zoude kunnen noemen: de grond van dezelve is over ’t
algemeen laag, week, moerassig en brakachtig; des vindt men er weinig
bouwland, in vergelijking van den gras- en veen-grond die er voorhanden
is: de laage ligging vereischt groote kosten aan watermolens, om het
water geen overhand te laaten neemen; integendeel zijn onder de
voordeelen van Amstelland te tellen, de veenen en ook zelfs de
waterplassen welken er zijn, beiden groote winsten aanbrengende, de
laatstgemelden door keur van allerleie smaaklijke riviervisch: voor
weinige jaaren is boven Amstelveen, een diep uitgebaggerde veengrond
droog gemaakt, en is thans reeds weder tot goed land geworden—dat
weleer binnen den omtrek van deeze Heerlijkheid zwaare bosschen,
(waarvan geheel Holland toen rijklijk voorzien was [8]) gestaan moeten
hebben, en in de zo bekende boomstortingen gevallen zijn, blijkt van
tijd tot tijd daaraan dat onder het graaven zwaare boomen gevonden
worden; aan sommigen van dezelven heeft men vinden hangen, nooten en
andere vruchten, die nog zeer goed waren—ons bestek laat niet toe
breeder over deeze anders zo aangenaame taak, zo weinig als over
Amstelland op zig zelf, te spreeken; des keeren wij tot Amstelveen
weder.