Hoe weinig betekenend dit dorpjen, met betrekking tot het Land in ’t
algemeen, of tot het nabij gelegen trotsch Amsteldam in ’t bijzonder,
schijne te zijn, wordt het echter in de Vaderlandsche Historie dikwijls
genoemd, en in het belangrijke fak, dat met onzen tijd begint, bekleedt
het voorzeker eene hoofdplaats.
Hoe geheel Amstelland om zeker bedrijf van Gysbrecht van Amstel, door
de Kennemers onder water gezet en verwoest werd, zullen wij breedvoerig
moeten verhandelen als wij over Amsteldam in het bijzonder zullen
spreeken, hier zij het derhalven genoeg aantetekenen dat Ouderkerk in
dien vreeslijken nood mede niet weinig heeft moeten lijden, ’t geen
ligtlijk te begrijpen is wanneer men nagaat dat alle de landerijen van
geheel Amstelland, in eene openbaare zee veranderd werden: dit gebeurde
omtrent den jaare 1204: eene vergoeding voor dien grouwzaamen nood was
eene stille landlijke rust van ongeveer anderhalf honderd jaaren, want
eerst in den jaare 1567 verschijnt Ouderkerk weder op het Nederlandsche
Staatstooneel, naamlijk ten tijde van Hendrik van Brederode, die door
het aanbieden van het bekende smeekschrift aan de Hertoginne van Parma,
bij de Spaanschen verdacht geworden, en reeds uit zijne Heerlijkheid
Viaanen verdreven zijnde, zig met eenige bende in of nabij dit dorp
nedersloeg, en zig aldaar bleef oponthouden, tot hij naar elders den
wijk nam: zes jaaren laater, wierpen de Spanjaarden eene schans op
rondsom het Kerkhof en de Kerk van Ouderkerk, ter gelegenheid van de
belegering van Haarlem: dit kleine dorpjen is verder (in 1577) het
middel in de hand der Algemeene Staaten geweest om Amsteldam, toen de
eenigste stad die nog Spaansch gezind was, aan de zijde van Oranje, of
wel aan hunne zijde te brengen; want zij lagen in het dorp veel
krijgsvolk, ter handhavinge van hunne bevelen om aldaar zwaare
convoijen en licenten te vorderen, van alle de goederen welken uit
Amsteldam gevoerd en derwaards gebragt werden; de stad reeds toen eenen
wakkeren handel drijvende, vond zig daardoor ook zodanig bezwaard, dat
zij, om zig van dit jok te ontheffen, besloot den Algemeenen Staaten te
vergenoegen, en de zijde der Spanjaarden te verlaaten.
Sedert dien tijd bleef dit dorp wederom in rust tot op den 30 Julij des
jaars 1650, toen het ten getuige verstrekte van eene daad die eenigen
gaarne uit ’s Lands geschiedenissen gewischt zagen; dezelve is echter
te dikwijls geboekt om ooit door de vergetenheid ingezwolgen te kunnen
worden.
Willem de Tweede, Prins van Oranje, zig door de regeering van Amsteldam
beledigd achtende, wegens den geweigerden toegang in den vollen raad,
zowel als wegens andere Vaderlandlieve gedraagingen van dien kant,
besloot de stad bij verrassching te overrompelen, welken gevaarlijke
aanslag echter, door eene gunstige bestuuring van de Voorzienigheid,
verijdeld werd, door het verdwaalen des krijgsvolks, wegens de
donkerheid van den nacht, en eenen zwaaren stortregen: Graave Willem
van Nassau, Stadhouder van Friesland, was het geheim bevel van deezen
aanslag opgedraagen; gelijk deezen dan ook met zijne bende te Ouderkerk
zijn hoofdquartier verkoos; wordende ten volgenden dage door eenig
krijgsvolk, uit Nijmegen, Utrecht, Arnhem, Zutphen, Zwol en Doesburg
versterkt, doch het dorp geraakte dien overlast weldra kwijt, doordien
de Prins en de Regeering van Amsteldam tot een minnelijk verdrag
kwamen, waaraan de waare Patriotsche Heeren Bicker echter de
aanzienlijke waardigheden, welken zij in de stad bekleedden opofferden.
Van dien tijd af vinden wij wegens de geschiedenis van Ouderkerk niets
bijzonders gemeld, tot op onzen tijd toe; maar nu heeft het zig eenen
eeuwigen naam verworven, door de manlijke verdediging der Patriotten
aldaar, tegen de als in de wapenrustinge geborene Pruissen, die op den
7 September des jaars 1787, „in ons land vielen, om der Prinsesse van
Oranje voldoening te bezorgen, wegens voorvallen”, kunnen wij met zeker
geacht schrijver onder onze tijdgenooten zeggen, „welke hier de plaats
niet is om dezelve te onderzoeken”; wij blijven, met hem, „alleen staan
bij de dapperheid der patriotten, die bij Ouderkerk zo duidelijk
gebleken is, dat wanneer alle de posten tegen de Pruissen op eene
zodanige wijze verdedigd waren geworden, de geëischte voldoening van
dat hof, waarlijk zo spoedig nog niet zoude gevolgd zijn.”
Ofschoon wij in onze beschrijving van Amstelveen reeds, dat dorp
betreffende, een genoegzaam breed verslag van deeze allergewichtigste
omstandigheid gegeven hebben, kunnen wij echter niet nalaaten, bij
deeze gelegenheid het volgende nog te voegen; zamen kan het dienen om
een recht duidelijk denkbeeld van de aangelegenheid ter dier plaatse en
tijde te kunnen vormen.——Dus vinden wij het bedoelde geboekt, „Na de
Pruissische troupen dan op de grenzen van Gelderland en Holland de
steden Gorcum, Nieuwpoort, Schoonhoven, en anderen, na weinig
tegenstands, ingenomen hadden, rukten zij verder na beneden, om alle de
posten te overmeesteren, en vervolgends Amsteldam, en andere steden, de
zijde der Patriotten toegedaan, te bedwingen: eenige posten werden
gemaklijk, anderen niet zonder groote moeite veroverd, en voor sommigen
stieten de Pruissen, meer dan ééns, door den moed der Vaderlandsche
burgerij, het hoofd; de Hertog ziende dat niet alles zo gemaklijk gaan
zoude, en ook door berichten vernomen hebbende, dat er zeer veele
posten sterk verdedigd zouden worden besloot tot eenen algemeenen
aanval.”
„Bij het geven van het wachtwoord, op den 30 September, des gemelden
jaars, beval hij dat alle Generaals en Commandanten, des avonds ten zes
uuren zig bij hem zouden moeten vervoegen; dit geschiedde, en zijne
Hoogheid deelde alstoen aan zijne Officieren de bevelen uit, op welke
eene wijze de aanvallen den volgenden morgen, den eersten October, ten
5 uure eenen aanvang zoude moeten neemen.”
„Zodra de seinschoot,” waarvan wij onder Amstelveen gesproken hebben
„gegeven was, geraakte alles in werking; alomme werden de patriotsche
posten aangevallen, die gedeeltelijk genomen, en gedeeltelijk met de
grootste dapperheid verdedigd werden; kunnende wij niet nalaaten hier
nog bij te voegen, dat waar de verdedigers moesten bukken, zulks meer
toeteschrijven was aan bedekt verraad, of onkunde hunner bevelhebberen,
welken geen orde onder hun volk hielden, dan aan het volk zelf; dat dit
waarheid is blijkt onder anderen uit den aanval op Ouderkerk.”
Om ons thans bij dit dorp afzonderlijk te bepaalen, zullen wij hier den
stand der Pruissischen troupen, bestemd om Ouderkerk te attaqueeren,
opgeeven.
„De Ritmeester Van Kleist, stond met een detachement ligte infanterij
in de kleine Duivendrechtsche polder.”
„De Ritmeester Zuizow met zijne ligte infanterij, en de Capitein Tschok
met eene compagnie Grenadiers van het regiment van Budberg stonden op
den weg van Abcoude, naar Ouderkerk, bij zig hebbende een stuk geschut
van zes, één van drie pond, en een houwitzer, benevens de lijfcompagnie
curassiers tot hunne ondersteuning.”
„In de Ouderkerker polder moest de Major Ledebur met zijn compagnie en
twee stukken zesponders geposteerd staan, doch deezen kon op den
bepaalden tijd daar niet tegenwoordig zijn, doordien hij over Mijdrecht
en Baamburg had moeten marcheeren.”
„Aan den kant van den Uithoorn stonden 30 Jaagers en twee Compagniën
van Budberg, onder bevel van den Capitein Kokerits, zonder grof
geschut, benevens een esquadron paardenvolk van den Major Kram.”
„Deeze troupen nu hadden bevel om Ouderkerk te overmeesteren welk
plaatsjen tot zijne verdediging vier onderscheidene batterijen had, die
aan het dorp lagen, en die het den Pruissen meer daar ééns te heet
maakten; men zag daar dat zij deinzen en vallen konden.”
Dat de Patriotten dapper geschoten hebben, hebben de Pruissen zelven
getuigd, daar zij zeiden: „De Patriotten vervolgden ons met hunne
kanonnen onophoudelijk te beschieten; na veele vergeefsche
onderneemingen, en na dat de hooibergen in brand gestoken waren, werden
onze Jaagers door het geschut en door de vijandlijke scherpschutters,
genoodzaakt zig te retireren.”
„De gemelde vier batterijen die zo wèl bestuurd werden, waren op deeze
wijze gelegen: eene lag er bij de hooge brug, bij de droogmaakerij,
welke brug afgebroken was, terwijl deeze batterij met een twaalfponder
en twee zesponders verdedigd werd; recht tegen over dezelve lag eene
andere bij den zogenaamden krommen hoek, gemonteerd met twee
drieponders, een derde lag op den weg na den Voetangel, op dezelve
waren twee zesponders geplaatst; en op de boerderij voor welke deeze
batterij op den weg lag, had men achter het huis voor het molenvliet
eenen drieponder geplaatst: eene vierde batterij was opgeworpen, op het
zwarte weggetjen, en met twee stukken van zes ponden bewapend.”
„Zo wel het dorp als deeze batterij waren bezet door Amsteldamsche
burgers, door eenigen uit de Geldersche brigade, door Friesche
Auxiliairen en Jaagers, door een gedeelte van het corps van den
beruchten Salm;” wiens gloriezon door een schandelijke en eeuwige
eclips niet verdonkerd, maar geheel onzichtbaar geworden is! „en voords
door eenige Kanonniers en Artileristen, uit Amsteldam en uit de
Auxiliairen: het bevel over deeze zo gewigtige voorpost van Amsteldam
was opgedraagen aan den Wel Ed. Manhaften Heer F. H. de Wilde,
toenmaals Capitein der Burgerij van Amsteldam, en de Vaderlandsche
bende aanvoerende, onder den tijtel van Lieutenant Colonel.”
„De natte en doorweekte grond van Ouderkerk, als ook de menigte
grachten en slooten, verhinderden dat men uit den Duivendrechtschen
polder iet van belang kon verrichten: de bruggen waren veelal
afgebroken, aan veele toegangen doorsnijdingen gemaakt, eenige anderen
waren met geschut bezet, zo dat de Pruissen alhier eene hevige
verdediging te gemoet zagen, en de uitslag deed zien dat zij hier niet
mis gerekend hadden, want deeze voorpost van Amsteldam werd met veel
dapperheid en beleid door de Patriotten verdedigd.”
„Met het seinschoot namen ook hier de onderscheidene aanvallen eenen
aanvang, en de bezettelingen die terstond toonden dat zij deeze
vijandlijkheden te gemoet zagen, gaven den Pruissen een zeer gevoeligen
morgengroet terug.”
„De Colonel Kokeritz, kon van den kant van den Uithoorn niets
verrichten; waarom een Capitein, wiens naam niet gemeld wordt, uit
overdrevenen ijver, met eenige manschappen uit dit detachement
voordrukte om te recognosceeren, wordende hij door een cardoezenkogel
doodgeschoten.”
„In de Ouderkerker polder, alwaar de compagnie van den Capitein Ledebur
stond, en hoewel alleen geschikt tot eenen valschen aanval, verdedigde
deeze zig echter met zo veel manmoedigheid, uit het klein geweer, dat
deeze compagnie eenen wezenlijken lof verdiende.”
„Op den weg van Abcoude naar Ouderkerk, alwaar de Capitein Tschock, de
Ritmeester Zuizow, en de Luitenant der Artillerij Jacobi met hunne
onderhoorige Manschappen, en drie stukken geschut stonden, werd van
beiden de zijden een allerlevendigst en hevigst vuur gegeven: aan de
zijde der Pruissen werden alle houwitsers, granaten en kogels gebruikt,
zonder echter de bezetting veel nadeels toetebrengen, en de vijand was
genoodzaakt meerder ammunitie te doen aanvoeren, hoewel hij door de
smalte van den weg geene stukken geschut meer konde plaatsen: na dat
het gevecht eenen geruimen tijd geduurd had, en bijna geheel op ’t
laatst, rukte aan de zijde van den Duivendrechtschen polder, op den weg
naar de Bullewijk eenige manschappen met een stuk geschut aan; deeze
manschappen, waren op bevel van den Capitein Tschock met schuiten
overgevaaren, en plaatsen hun stuk geschut recht tegen over eene
batterij der bezetting, om dezelve te dwingen; doch de verdedigers
deeden eenen zo hevigen uitval, dat de vijand terstond de vlugt nam, en
het stuk geschut bijna in handen van de bezettelingen gevallen was.”
„Gemelde Capitein rukte daarop onverschrokken naar de batterij, en bij
aldien de manschappen, die aan de overzijde van den Amstel post
hielden, hem behoorelijk hadden kunnen ondersteunen, ware het niet
onmogelijk geweest, denzelven te veroveren; doch dit ondoenlijk zijnde,
en de Patriotten als leeuwen vechtende voor hunne zaak, was hij
genoodzaakt te wijken, met achterlaating van eenige dooden en
gekwetsten, de Major Diebits, hoewel meer geschikt tot een aanval tegen
Duivendrecht, dit ziende, deed alle mogelijke moeite om uit den
Ouderkerker polder, hem ter hulpe te komen, en vuurde met zo veele
hevigheid en onverschrokkenheid, als wilde hij eenen etna bestormen,
doch het mogt hem almede niet gelukken den moed der Vaderlanderen te
bedwingen, en de batterij inteneemen.”
„Ondertusschen duurden deeze gevechten wederzijds van des morgens 5 tot
8 uuren, waarna de Pruissische troupen genoodzaakt waren van voor
Ouderkerk de wijk te neemen, doch omtrent ten elf uuren, kwamen de
gevlugte manschappen van Amstelveen [4] te Ouderkerk aan, waarop men,”
(nog den moed niet verloren geevende, in tegendeel, met eene waare
krijgsmans beraadenheid,) „eene batterij tegen den weg, langs welken
zij gekomen waren, deed opwerpen; voords ging men met alle magt de
batterij versterken tegen eenen nieuwen aanval; welk werk tot één uure
op den middag werd voordgezet; doch toen kwam er bevel uit Amsteldam
dat het volk van Van Salm, naar de Kalfjeslaan moest trekken, alwaar
mede eene batterij was opgeworpen, zijnde toen de wegen, welken van
Amstelveen op den Amstel uitkwamen, bezet.”
„Daarna vertrok ook de Geldersche brigade, en toen ook moest de
Lieutenant Colonel De Wilde, hoewel de Pruissen geweeken waren voor
zijn beleid en het gedrag der Patriotten, tot zijn grievendst leedwezen
aan de Amsteldamsche burgers en de overige manschappen bevel geeven om
mede optebreeken; dit geschiedde, hoewel onvergenoegd, echter met veel
bedaardheid, zo dat alle de ammunitie tot de minste kleinigheid toe,
mede naar Amsteldam gevoerd werd, waarmede zij omtrent ten vier uure in
den middag, in de stad aankwamen, gelijk ook alle de manschappen der
andere ontruimde voorposten, welken van het overgaan van Amstelveen, en
het verlaaten van Ouderkerk, in tijds bericht bekomen hadden;” zij
weeken, ja maar zij weeken als helden, als Batavieren nog niet ontaart
van den voorvaderlijken moed: niet te onrecht zongen wij elders die
helden dus toe:
Ja gij zwichtet——met uw zwichten,
Zwichtte ook ’t magtig Amsteldam;
Amsteldam, waaruit u voorraad,
Voorraad en versterking kwam:
Ja gij zwichtet, niet uit lafheid!
Lafheid! des waart ge onbekwaam;
Onbekwaam scheent ge ook als helden. [5]
Helden echter blijft uw naam.
Wierd gij nooit weêr opgeroepen,
Opgeroepen tot den strijd!
Strijd, waarbij geheel ons Neêrland,
Neêrland en zijn burgers lijdt,
Vrede is tog der ziele hoofdstof,
Hoofdstof van Civilis kroost;
Kroost, dat om den lieven vrede,
Vrede en rust zig moeite troost.
God blijv’ met u, dappre helden!
Helden! eer van Nederland!
Nederland! God houde u lange.
Lange nog in vasten stand.
„Hoewel de Pruissen daarna geheel Holland overstroomden, en voor
Amsteldam, zo wel als in andere plaatsen, in bezetting gelegd werden,
zal het echter onwaardeerbaar zijn voor de Patriotten, dat zij ten
allen tijde zullen kunnen aantoonen, hoedanig zij voor Ouderkerk de
magt van Fredrik Wilhelm, het hoofd geboden, en in den krijgsdienst
volleerde benden, genoodzaakt hebben, met verlies van een aantal dooden
en gekwetsten, welk eerst getal de vijand zorgvuldiglijk heeft getracht
te verbergen, terug te wijken: de braave Vaderlanders, wier stelzel het
hier de plaats niet is te onderzoeken, maar die echter in deeze en nog
andere aanvallen, zelfs door hunne vijanden geroemd zijn, toonden hier
allerduidelijkst, dat zij onder een wèlbestuurd beleid, nog niet
ontaart waren, van den roem hunner voorvaderen, welke schandvlek hunne
tegenpartij hun heeft zoeken aantewrijven.”
Dat het Ouderkerk verder altijd zal geheugen in de handen der Pruissen
gevallen te weezen, is eene waarheid die zonder getuigenissen geloofd
kan worden; de triumpheerende soldaat is tog niet te rangschikken onder
de bedaarden en barmhartigen onder de kinderen der menschen—voeg hier
bij, gelijk wij ook wegens Amstelveen gezegd hebben, het haatelijke
denkbeeld dat den Pruissen van den Nederlandsche Patriotten ingeboezemd
was geworden; [6] ook hadden zij te veel van de moedige verdediging van
deezen moeten ondergaan, om geheel vrij te blijven van den trek tot
bijzondere wraakneeming.