Heuchelijker dag heeft Amsteldam, en met het zelve reeds bijna geheel
Nederland nooit gezien, dan die van den 18 Januarij deezes Jaars,
(1795,) want op dien dag werd de hand geslagen aan de herstelling van
’s Lands Vrijheid:
Op dien dag sidderde gevloekte Dwinglandij,
En riep het beste Volk, triumph wij zijn weêr vrij!
Van tijd tot tijd hadden de Amstelaars, (om ons bij deezen alleen te
bepaalen,) hunne hoop op het eindelijke herstel der rechten van den
mensch en van den burger gevoed, met den wonderbaaren voorspoed der
Fransche wapenen, welken zo zichtbaar door het Opperwezen gezegend
werden; die hoop werd brandender, toen men vernam, dat zij, (Neêrlands
Verlossers!) hunnen voet reeds op den bodem der republiek gezet hadden;
echter verflaauwde dezelve ook weder niet weinig door het besef dat de
dappere redders nog breede rivieren hadden overtetrekken, aleer zij tot
in ’t harte des lands konden doordringen, om door hunne verschijning
onze onderdrukkers den Vorstlijken Scepter uit de hand te doen vallen;
maar God betoonde allerzichtbaarst onze verlossing te willen; Hij
sprak, en zie daar de gezegde rivieren met zwaar ijs bevloerd; dit
zeker was niet alleen een werk van den Almagtigen, maar een bevel, om
doortedringen; ’t zelve geschiedde, en de Provincie Utrecht gaf zig
weldra aan de Franschen over.
Zo dra de tijding daarvan aan den Amstel gekomen was, zag men de
vreugde op het gelaat der Vrijheidszoonen dartelen; zij verzekerden zig
van hunne verlossing; doch begrepen tevens dat zij ook nu zelven de
handen aan ’t werk moesten slaan, te meer daar de Franschen zulks reeds
van hun gevorderd hadden.
Die verdienstelijke gezelschappen, welken in spijt van allen
dwingelandschen tegenstand, zig onderling hadden bezig gehouden, met
plannen tot eene revolutie te formeeren, of met de beste schikkingen
bij eene voorvallende revolutie te beraamen; deeze gezelschappen
oordeelden het nu tijd te zijn om het voorneemen ter uitvoer te
brengen; zij vergaderden in het logement het wapen van Embden, op den
nieuwen dijk, en zonden, van den geest des volks, over ’t algemeen
overtuigd, van daar (des middags ten 2 uuren,) eene Commissie aan den
President-Burgemeester Straalman, met verzoek van de weldenkende
Ingezetenen wapens te willen doen geeven, dat men anders voor de
geduchtste gevolgen niet konde instaan, want dat het volk over ’t
algemeen niet zoude wachten met de hun schandelijk ontroofde rechten
van mensch en burger krachtdaadig wederteëisschen; dat hij Straalman
verzekerd konde weezen, dat de revolutie op het uitbarsten stond; deeze
begeerde eerst zijne amtgenooten te spreeken, en beloofde derhalven
tegen 4 uuren rapport; maar ten half 5 uuren kwam reeds een Fransch
Officier in de stad, met eene sommatie; des verzochten deeze de
commissie voornoemd, tegen half 9 uuren.——Intusschen was de
toegevloeide menigte volks naar ’t Wapen van Embden onbegrijpelijk
talrijk, en de vreugde die men er bedreef, met zingen, dansen, en
elkander geluk te wenschen met de vrijheid, onvoorbeeldig: terwijl dit
voorviel kwam de burger Krayenhoff als Adjudant van den Generaal
Daendels, in de stad, met eene Commissie aan Burgemeesteren en aan den
Commandant Golofkin, tevens tijding brengende van de hulp die de
burgerij van de Franschen stonden te genieten, zo zij zig zelven wilden
vrij maaken; zo dra dit bekend geworden was, weêrgalmde de lucht van
Vrijheid! Vrijheid! lang leeve de Franschen! lang leeve de Republiek!
de vergaderde menigte in het Wapen van Embden werd nu nog veel
talrijker, het gejuich veel luidruchtiger, en het dansen zo algemeen,
dat geheel het gebouw daverde: den gantschen nacht bragt men aldaar en
elders, ja zelfs op de straaten, met gejuich en vrolijkheid door; de
ruiterij nam hun patrouilles waar; doch, (dit was hun door den
Commandant Golofkin reeds bevolen,) deed niemand leed, en werd ook van
niemand leed gedaan; zelfs waren er verscheidene patrouilles die mede
riepen: lang leeve de Franschen! lang leeve de Republiek! en ook Vivat
de Vrijheid! het was of ’t nationaal lint over de stad regende, en
ieder versierde er zig mede.
Tegen 12 uure des avonds werd van de waag afgelezen dat Golofkin den
volgenden morgen van zijn amt ontzet was, en de burger Krayenhoff hem
alsdan daarin stond optevolgen.
Met de aankomst van den dag, verhief de algemeene vrolijkheid zig op
nieuw, en men zag voor het stadhuis weldra dien Vrijheidsboom planten,
van welken wij onze Landgenooten eene juiste afbeelding mededeelen, en
die ten eeuwigsten dage bij de Nederlanders eenige voorkeur zal
verdienen boven alle anderen (hoeveel prachtiger ook) die daarna gezet
zijn, of nog gezet mogen worden: onbegrijpelijk was de vreugde die bij
en na dit planten bedreeven werd; weldra was de boom in een gladde mast
veranderd; want ieder scheurde er een takjen af, (ja men klom ten dien
einde tot in den top toe,) om er zig mede te vercieren, als met een
onwaardeerbaar teken van Vrijheid; het dansen rondsom den boom was
onophoudelijk, en met de streelendste blijken van égaliteit, alle deeze
vreugdebetooningen duurden bijna drie dagen lang, en werden door het
diepst van den nacht naauwlijks afgebroken.
Voords werd de oude regeering afgezet, en Volksrepresentanten verkozen:
de gevangene Heeren (wegens het bekende request tegen de Inundatie)
werden uit hunne gevangenis gehaald; vervolgends ook de onderdrukte en
gevangene burgers Verlem, Harger en anderen; allen werden zij met
koetsen naar ’t Stadhuis gereden, (na een tour rondsom den
Vrijheidsboom gedaan te hebben,) vergezeld van duizende juichende
medeburgers.
Deeze regels, waarde Landgenooten! oordeelen wij u bij de nevenstaande
afbeelding te moeten aanbieden.
Dat in de tuin van Nederland,
nog lang die boomen groeijen,
Dan zal de zinkende Amstelstad
weêr als voorheenen bloejen,
Verlost van ’t schaadlijk ongediert,
dat leeft van ’t sap der bloemen;
Dan zal nog ’t laatste nageslacht
den moed der Franschen roemen.