HOOFDSTUK XIV.

Een Lichtstraal.

In minder dan geen tijd werd het gelaat van Jean Croisset tot een masker

van wat het was geweest. De uitdagende glimlach verdween van zijn lippen

en een vale bleekheid spreidde zich over zijn gelaat, toen hij merkte,

dat Howland's vinger zich kromde om den trekker van zijn revolver. Een

seconde later liet die een doffen klik hooren.

„Vervloekt! Een leege patroon!” riep Howland. „Ik verzuimde om opnieuw

te laden na de drie schoten op den kroes. Maar nu komt het, Jean!”

En met opzet liet hij de tweede leege patroon klikken.

„Groote God!” hijgde Jean—„M'sieur!”

Daar klonk opnieuw, diep uit het woud, het geblaf van den Mackenzie.

Dezen keer leek het veel dichter bij en een oogenblik liet Howland's

blik af van het verschrikte gelaat van den half-ras. Hij wendde het

hoofd om en luisterde.

„Zij komen!” riep Croisset. „M'sieur, ik bezweer u—”

Weer mikte Howland op zijn hart.

„Des te noodzakelijker is het voor mij om je te dooden,” zei hij met

ijzige kalmte. „Ik waarschuwde je, dat ik je zou doodschieten, als

je me in een val liet loopen, Croisset. Onze honden zijn op. Als er

menschen langs dit pad komen, is de eenige uitweg: vechten!—Luister!”

Dezen keer klonk van veel dichter bij, eerst het geroep van één man en

daarna dat van meerdere personen; de huskies hieven zich op en hieven

mede een schel geblaf aan. Howland, eerst rood van agitatie, was

doodsbleek geworden, nog bleeker dan Croisset. Maar het was allerminst

de bleekheid van den angst. Zijn oogen flikkerden als blauw staal, waar

de zon op schijnt.

„Onze eenige kans bestaat in vechten,” herhaalde hij nog kalmer dan te

voren. „Een paar mijlen eerder had alles nog kunnen gebeuren, zooals ik

het uitdacht. Maar hier—”

„Zij zullen het schieten hooren!” riep Jean. „De nederzetting is op

een geweerschot afstands van het woud en er zijn er daar genoeg, die

wenschen te zien, wat er gaande is. Gauw, M'sieur, volg mij. Misschien

zijn het maar pelsjagers, die naar hun vallen gaan. En—alles in

aanmerking genomen—”

„Welnu?” vroeg Howland.

„Kunt ge mij een beetje later ook nog wel doodschieten,” meende Croisset

met een flauwe herinnering aan zijn oude driestheid. „Maar, _Mon Dieu_,

ik ben bang voor het geluid van een schot, M'sieur; en ik zal mijn best

doen om u nog te redden. Wilt ge me een kans geven—of blijft ge bij uw

plan om mij dood te schieten?”

„Ik zal je doodschieten, als het je niet gelukt om mij te redden,”

antwoordde de ingenieur.

Nauwelijks waren die woorden over zijn lippen of Croisset sprong op de

honden af, pakte den voorsten bij zijn halsband en sleurde span en slee

door de struiken, ter zijde van het Pad. Een pas of twaalf verder ging

het dichte kreupelhout over in enkele lage, schrale heesters; hier zette

Jean het op een kalm drafje, met Howland op korten afstand achter zich,

terwijl de huskies met menschelijke slimheid de moeilijke draaien

volgden van het spoor, dat de half-ras hun aanwees. Zij waren een

driehonderd yards gevorderd, toen er voor den derden keer een luid

geroep tot hen doordrong. Met een scherp hup! hup! en een zweepslag

hield Jean de honden in.

„De Heilige Moeder Gods zij geprezen!—wat een bof!” riep hij. „Zij zijn

een ander pad, meer naar het Oosten, ingeslagen, M'sieur. Als zij waren

gekomen tot aan de opening in de struiken, waar doorheen wij de slee

trokken—” Met een zucht van verlichting haalde hij de schouders op.

„_Sacrebleu!_ Zij zouden niet zoo onnoozel zijn geweest van die zonder

meer voorbij te gaan!”

Intusschen had Howland zijn revolver geopend en de drie leege patronen

vervangen door nieuwe.

„Een volgenden keer zal er geen abuis zijn,” zei hij, het wapen in de

gestrekte hand houdend. „Je bent nooit zóó dicht bij je dood geweest,

als een minuut of wat geleden, Croisset—en nu moeten we eens een

verstandig woord met elkaar praten. Tot op het oogenblik, dat we daar

ginds halt maakten, stelde ik een zekere mate van vertrouwen in je. Nu

doe ik dat niet meer. Ik beschouw je als mijn ergsten vijand en hoewel

je verduiveld dicht bij je vrienden zit, zeg ik je, dat je nooit van je

leven in een ber....rder conditie hebt verkeerd dan nu. Schiet ik te

kort in mijn onderneming, dan sterf je. Komen er vóór het donker is,

anderen langs dit pad, die ons aanvallen, dan schiet ik je dood. Als je

het me niet mogelijk maakt om Meleese te zien en te spreken, dan jaag ik

een kogel door je heen. Je leven hangt af van mijn slagen; heb ik geen

succes, dan is je eindje even zeker als nu het vallen van den avond. Als

ik maar het minste vermoeden heb van verraad, zijn je minuten geteld.

Wat denk je onder die omstandigheden te doen?”

„Ik ben blij, dat ge van idee zijt veranderd, M'sieur, en ik beloof u,

dat ik u niet meer in verzoeking zal brengen. Ik zal op mijn tellen

passen en mijn best doen,” zei Jean.

Er begonnen een paar lichte sneeuwvlokken door de toppen van de

pijnboomen te vallen en de half-ras hief zijn oogen op naar het smalle

streepje van den hemel boven hen. „Binnen een uur sneeuwt het hard,”

verzekerde hij. „Als zij vóór dien tijd ons spoor niet ontdekken,

M'sieur, dan zijn wij veilig.”

Opnieuw leidde hij den weg door het woud, maar nu langzamer en met meer

voorzorg dan te voren; zoo vaak hij over zijn schouder keek, zag hij de

doffe schittering van Howland's revolver, die op de holte van zijn rug

bleef gericht.

„Duivels!—ge bezorgt me een benauwende gewaarwording, M'sieur,”

protesteerde hij. „En de trekker is ook overgehaald—”

„Ja, die is overgehaald,” zei Howland streng. „En die blijft op je rug

gericht, Croisset. Als het pistool toevallig afgaat, boort de kogel een

gat dwars door je heen!”

Een half uur later hield de half-ras zijn honden in op een plek, waar de

dennen tegen een helling opklommen.

„Als ge vertrouwen in me hadt, dan zou ik voor u uit kunnen loopen,”

fluisterde Jean. „Deze heuvelkam omgeeft de vlakte, M'sieur en op den

top staat een oude hut, die al jaren verlaten is. Het zou een duizendste

kans zijn, dat zich daar iemand bevond, hoewel de streek om dezen tijd

van het jaar een goed jachtgebied is voor vossen. Van die hut uit zult

ge 's avonds het licht in het raam van Meleese kunnen zien.”

Hij wachtte niet op de uitwerking van die laatste woorden, maar begon

zijn weg te zoeken tegen de helling op en met de honden op zijn hielen.

Op den top gekomen draaide hij tusschen twee hooge met sneeuw bedekte

rotsmassa's door en aan de andere zijde daarvan, bijna geheel beschut

tegen den Oostenwind, die de sneeuw opdreef, stonden zij op eens

voor een kleine hut van houtblokken. Er viel in heel den omtrek geen

teeken van leven te bespeuren. Met ongewonen ijver onderzocht Jean de

sneeuwlaag en toen hij zag, dat er geen spoor van mensch of dier in

de ongerepte ijskorst te bekennen viel, kwam er een blijde glans van

verlichting over zijn gelaat.

„Goddank, M'sieur, tot zóó ver heb ik mijn hachje er niet bij

ingeschoten,” grinnikte hij. „Ga nu zelf maar eens kijken en zie of Jean

geen woord heeft gehouden.”

Een pas of twaalf bracht hen door een dichte haag van struiken naar de

andere helling van den heuvel. Jean strekte den arm uit naar de vlakte

en toen Howland in die richting keek, maakte een hevige opwinding zich

van hem meester. Daar ginds toch, op minder dan een kwart mijl afstands,

rees uit een inzinking in de vlakte en daardoor gedeeltelijk beschut,

een complex van blokhuizen op, zwart en verlaten te midden van de witte

woestenij. Eén daarvan was een groot gebouw in den trant van het huis

van den Rooden Dood en juist terwijl Howland er naar stond te kijken,

kwam van achter een der kleinere huizen een span honden met een sleê

te voorschijn, die stilhield vóór het groote blokhuis. De bestuurder,

die duidelijk te onderscheiden viel, begon tot Howland's verbazing

tegen den muur naar boven te klauteren. De ingenieur had namelijk nog

niet opgemerkt, dat langs de buitenzijde van het gebouw een trap was

aangebracht. Maar tegelijkertijd trok de houding van den half-ras zijn

attentie. Croisset boog zich halverwegen uit de struiken en keek, van

zijn hand een telescoop makend, mede aandachtig naar de huizen van de

nederzetting. Plotseling richtte hij zich tot Howland.

„Kijk, M'sieur,—ziet ge dien man, die daar de trap opgaat?—Ik wil u

wel zeggen, dat hij het geweest is, die u op het Pad dien slag op uw

hoofd heeft gegeven en dat hij ook behoorde tot hen, die u in de coyote

opsloten. Dat is zijn woning hier in de nederzetting en waarschijnlijk

gaat hij naar boven om met Meleese te spreken. Als ge een knap schutter

waart, zoudt ge van hier uit uw voordeel kunnen doen, M'sieur!”

De gestalte was blijven staan op wat waarschijnlijk een soort van plat

was, halverwegen den muur van het gebouw. Het was, of hij een oogenblik

de vlakte tot aan den heuvel toe verkende—daarop verdween hij. Howland

had geen woord gesproken, maar elke zenuw in hem trilde op vreemde

wijze.

„Je zegt, dat Meleese—daar is?” vroeg hij aarzelend. „En hij—wie is

hij, Croisset?”

Jean haalde de schouders op, trok zich weer terug in de struiken en liep

langzaam naar de oude hut.

„Non, M'sieur, dàt vertel ik u niet!” zei hij. „Ik heb u hier gebracht.

Ik heb u de trap gewezen, die naar de kamer voert, waar gij Meleese zult

vinden. Ge moogt me tot frikkadellen hakken voor de raven, maar meer zeg

ik u niet!”

Weer verscheen het dreigende vuur in Howland's oogen.

„Wees zoo goed om de handen weer op den rug te leggen, Croisset,” beval

hij. „Ik zal je compliment beantwoorden door ze te binden met hetzelfde

koord, dat je voor mij hebt gebruikt. Daarna—”

„Daarna, M'sieur?—” herhaalde Jean met een greintje van zijn oude

vermetelheid, terwijl hij met zijn rug naar den ingenieur gekeerd en met

de handen achter zich bleef staan. „Daarna?”

„Zult ge me alles vertellen, wat ik wil weten,” eindigde Howland, het

touw om Jean's handen strakker aantrekkend.

Vervolgens leidde hij den weg naar de hut. De deur was gesloten, maar

ging gemakkelijk open, toen hij zijn gewicht er tegen legde. Het

eenige vertrek werd verlicht door een venster, dat een hoop sneeuw

had doorgelaten—en bevatte niets dan een ruwe tafel, tegen een van

de houten wanden aangebracht, drie leege kisten, die klaarblijkelijk

voor stoelen hadden gediend en een gebarsten en verroeste plaatijzeren

kachel, naar allen schijn al lang buiten gebruik. Hij wees Croisset een

plaats aan bij de tafel. Daarop ging hij, altijd zonder een woord te

spreken, naar buiten, legde den voorsten hond goed vast, sloot bij zijn

terugkomst de deur en zette zich ten laatste tegenover den half-ras.

Het licht van het raam viel op Croisset's donker gelaat en scheen

met zilveren glans op het handvat van Howland's revolver, waarvan de

loop—als toevallig—op één lijn was met de borstkas van zijn overbuur.

Er liet zich een dreigende klik hooren, toen de ingenieur den trekker

overhaalde.

„En nu, mijn waarde Jean, zijn we gereed om het werkelijke spel aan

te vangen,” legde hij uit. „Hier zitten wij hoog en droog—en daar

omlaag—juist ver genoeg om buiten het gehoor van deze revolver te zijn,

wanneer ik die afschiet—zitten zij tegen wie wij gaan spelen. Tot nu

toe heb ik steeds in het duister getast. Ik weet geen enkele reden,

waarom ik niet openlijk daarheen zou gaan—waarom ik daar niet welkom

zou zijn en waarom ik er niet op een goeden maaltijd onthaald zou

worden. En toch ben ik overtuigd, dat mijn leven geen duit waard zou

zijn, _als_ ik naar beneden ging. Maar jij kunt me dat alles duidelijk

maken en dat is het, wat ik nu van je eisch. Als je me vertelt, waarom

ik aangewezen ben om op slag vermoord te worden, dan ben ik in elk

geval beter af en dan weet ik, waar mij aan te houden. Vooruit dus—en

opgebiecht! Doe je het niet, dan schiet ik je den kop af.”

Jean zat onbeweeglijk met saamgeknepen lippen en opgeheven hoofd—rustig

en uitdagend.

„Ge moogt schieten, M'sieur,” zei hij kalm. „Ik heb op het kruis van de

Heilige Maagd gezworen, dat ik u niet meer zal vertellen dan ik al deed.

Geen foltering zou er mij toe kunnen brengen om u datgene te zeggen,

waarnaar gij vraagt.”

Langzaam hief Howland de revolver op.

„Nog eens, Croisset,—wil je het me vertellen?”

„Neen, M'sieur—”

Een oorverdoovende knal deed de hut trillen. Er druppelde een straaltje

bloed uit Jean's oorlel. Zijn gelaat was vaal-wit geworden. Maar zelfs

nu de kogel hem op een duimbreed afstands van de hersens had geraakt,

bleef hij zichzelf gelijk.

„Wil je het me zeggen, Croisset?”

Dezen keer mikte de zwarte loop van de revolver juist tusschen de oogen

van den half-ras.

„_Non_, M'sieur.”

De blikken van beide mannen ontmoetten elkaar boven het blauwe staal.

Met een kreet liet Howland het wapen zakken.

„God nog toe—je bent een flinke kerel, Jean Croisset!” riep hij. „Ik

ken wel een dozijn lui, die ik liever zou willen doodschieten dan jou!”

Hij stond op en liep naar de deur. Er viel nog niet veel sneeuw, maar

naar het Noorden toe werd de horizon zwart door den vroeg vallenden

nacht. Met iets zenuwachtigs in stem en houding keerde hij zich opnieuw

tot Jean.

„De duivel hale me, als ik geen lust gevoel om je excuus te vragen,”

riep hij. „Heb je pijn aan je oor?”

„Niet meer dan wanneer ik me aan een doorn had gekrabd,” antwoordde Jean

beleefd. „Gij zijt een goed schutter, M'sieur.”

„Het zou me op het oogenblik niet veel geven of ik je al doodmaakte,”

zei Howland, zich weer op de kist zettend met de kin op de palm van zijn

hand en zijn overbuur aankijkend. „Maar je ziet uit een en ander, dat ik

vrijwel desperaat ben, Croisset en dat het meenens is. We zullen niet

langer kibbelen over de vragen, die ik deed. Ik kwam hierheen om Meleese

te zien en hoe kan dat gebeuren?”

„Op mijn woord—ik weet het niet!” zei Jean, kalm als was er niet een

oogenblik te voren een kogel langs zijn oog gestreken; „voor zoover ik

kan nagaan, is er maar één kans, M'sieur; ge moet in deze hut de wacht

houden en zien of zij er met haar honden op uitgaat. Zij heeft een eigen

span en in gewone tijden rijdt zij daar vaak mee, soms alleen en soms in

gezelschap van een van de andere vrouwen van de nederzetting. Maar in de

laatste weken heeft zij zooveel gesleed, dat ik betwijfel of zij er

vooreerst veel plezier in zal hebben.”

„Ik had eigenlijk plan gemaakt om jou te gebruiken,” zei Howland, „maar

mijn vertrouwen in je is weg. Wezenlijk Croisset, ik geloof, dat het jou

evenmin ter harte zou gaan om me een mes in den rug te duwen als die

moordenaars daar omlaag.”

„Niet in den rug, M'sieur,” glimlachte de half-ras, onbewogen. „Daartoe

heb ik vaak genoeg gelegenheid gehad. _Non_,—sedert ons gevecht van

daar ginds, geloof ik niet, dat ik meer behoefte gevoel om u te dooden.”

„Maar ik zou toch gek zijn, als ik je vertrouwde, niet waar?”

„Niet, wanneer ik u mijn woord had gegeven. Dat breken wij menschen van

het Noorden nooit; zoo wat gebeurt uitsluitend onder de beschaafde lui

aan de Wekusko en verder naar het Zuiden toe.”

„En jelui vermoordt alleen maar bij wijze van tijdverdrijf, niet waar,

mijn goede Jean?”

Croisset haalde de schouders op zonder te spreken.

„Luister eens, Jean,” zei Howland op eens heel ernstig; „ik kan de

verzoeking bijna niet weerstaan om je een kans te geven. Wil je vanavond

nog afdalen naar de nederzetting en zien of je op de een of andere

manier toegang kunt krijgen tot Meleese? Wil je haar een boodschap van

mij overbrengen?”

„En wat zou die boodschap bevatten?”

„Iets, wat haar vanavond nog hierheen zou brengen.”

„Zijt ge daar zóó zeker van, M'sieur?”

„Ja. Wil je het doen, Jean?”

„_Non_, M'sieur.”

„De duivel hale je!” riep Howland geërgerd. „Als ik niet zeker wist, dat

ik je later noodig zal hebben, dan draaide ik je met plezier den nek om,

zooals je daar zit!”

Hij stond op en begaf zich naar de kachel, die, hoe oud ook, nog wel een

vuurtje kon verdragen. Het was buiten inmiddels donker geworden en uit

de nederzetting zou men den rook niet meer kunnen zien. Zwijgend begon

Howland een maaltijd van vleesch en koffie gereed te maken en eerst toen

het eten op tafel stond, verbrak hij de stilte.

„Natuurlijk ben ik niet van plan om je te voeren,” zei hij kortaf. „Ik

zal je handen bevrijden. Maar pas op je tellen!”

En hij legde zijn revolver naast zich op de tafel.

„Ik zou altijd nog kunnen probeeren om u met mijn vork te dooden,”

grinnikte Croisset zacht, terwijl zijn zwarte oogen over een vollen kop

met koffie lachten. „Ik drink op uw gezondheid, M'sieur en ik wensch u

geluk!”

„Dat lieg je!” beet Howland hem toe.

Jean zette den kop neer zonder te drinken.

„Ik spreek de waarheid, M'sieur,” hield hij vol. „Sedert wij daar ginds

samen zoo mooi hebben geworsteld, kan ik niet anders dan u alle goeds

toewenschen. Maar ik drink ook op het geluk van Meleese en ook op dat

van de mannen, die trachtten u op het Pad en in de coyote te dooden.

_Mon Dieu_, hoe moet dat alles nog terechtkomen? De mannen van de

nederzetting zijn gelukkig bij de gedachte, dat gij dood zijt. Gij zelf

zijt niet gelukkig vóór en aleer ge hen dood weet. Hoe kan uit dit alles

het geluk van Meleese voortkomen?—Ik verzeker u, M'sieur, dat ik er

geen greintje minder over tob dan gij. De Heilige Maagd zij mij genadig,

als ik lieg!”

Hij dronk en zijn blik werd somber. Maar terzelfder tijd herinnerde

Howland zich, dat het Jean was geweest, die op het groote Pad van het

Noorden voor hem gevochten had.

„Je hebt dien avond te Prince Albert bijna een van die lui doodgemaakt,”

zei hij langzaam. „Ik begrijp niet, waarom je toen vóór mij streedt en

waarom je me nu niet wilt helpen. Ben je misschien juist dààrom bang om

er heen te gaan?”

„Ik kan er niet heengaan, vóór ik weer in het bezit van een baard ben,”

viel Jean hem met een zacht en diep lachje in de rede. „Gij zoudt niet

de eenige zijn, die den dood vond, als zij mij zagen zooals ik nu ben.

Maar genoeg, M'sieur; meer zeg ik niet.”

„Ik ben wezenlijk niet van zins om het je lastig te maken, Jean,” zei

Howland ter zijner verontschuldiging, toen hij de handen van den

half-ras weer vastbond, nadat zij hun honger hadden gestild. „Maar als

je niet bij je Heiligen of bij wat anders zweert, dat je geen poging

zult ondernemen om om hulp te roepen, dan duw ik je dadelijk een prop in

den mond. Hoe denk je er over?”

„Ik zal niet schreeuwen, M'sieur. Ik geef u mijn woord.”

Howland bond hem nu ook de beenen met een stuk van hetzelfde touw.

„Ik ga op verkenning uit,” zei hij. „Voor je stem ben ik eigenlijk

niet bang—want zet je een keel op, dan zal ik de eerste zijn om je te

hooren. Maar had je je beenen vrij, dan zou je kunnen probeeren om er

van door te gaan.”

„Zoudt ge niet een deken voor me op den grond willen leggen, M'sieur?

Als ge wat lang wegblijft, zal die kist op den duur drommels hard en

scherp worden.”

Enkele minuten later en nadat hij het zijn gevangene zoo gemakkelijk

mogelijk had gemaakt, kroop Howland weer tusschen de struiken door tot

aan den rand van de helling. De vlakte onder hem ging verloren in het

nachtelijk duister. Hij zag niets van de nederzetting behalve twee of

drie lichtjes, die zwak in het donker glinsterden. Sterren waren er niet

en de zich opéénstapelende sneeuwwolken sloten het noorderlicht uit.

Juist toen zijn blik zich naar het Woeste Gebied ten Westen keerde,

begonnen de vlokken dichter te vallen en werden de lichtjes zwakker, tot

alles ten slotte één ondoordringbare chaos leek.

Het was alsof het Howland in deze oogenblikken eerst recht duidelijk

werd, hoezeer een bijna waanzinnig verlangen zich van hem had

meester gemaakt. De snel opeenvolgende feiten hadden hem gedwongen

om zijn gedachtengang te beperken en dien op één enkel punt te

concentreeren—namelijk het opsporen van Meleese en van haar vrienden.

Hij had zichzelf herhaaldelijk voorgehouden, dat zijn handelingen vóór

alles koel en berekenend moesten zijn—dat niets, zelfs niet zijn groote

liefde, hem de zelfbeheersching mocht doen verliezen, die hem tot een

uitverkorene onder de menschen had gemaakt. Terwijl hij daar zoo in de

sneeuw toefde, die dicht op en om hem neerviel, wist hij, dat zijn spoor

binnen enkele uren uitgewischt zou zijn—wist hij, dat hij van hier uit

dus voor onbepaalden tijd Meleese zou kunnen bespieden—zij het dan ook

van verre. En toch begon hij langzaam de helling af te loopen. Een

eindje verder op, daar ginds in het duister, bevond zich het meisje,

voor wie hij alles zou willen opofferen, wat hij in zijn leven had

veroverd. Met elke schrede werd zijn verlangen grooter en vermeerderde

de drang om nog dichter bij haar te zijn, om over de vlakte te sluipen,

om in den sneeuwstorm, die elk geluid dempte, naderbij te komen en het

licht opnieuw te zien, dat—zooals Jean hem had verteld—uit haar

venster straalde.

Hij zakte den heuvel af en ging de vlakte in, zorg dragend om zijn

voeten zóó vast en zóó diep in de sneeuw te planten, dat hij bij zijn

terugkeer naar de hut gebruik zou kunnen maken van dit spoor. In den

beginne had hij nog te kampen met laag hout. Maar al spoedig werd de

ruimte meer open en nu wist hij, dat alleen de nacht en de sneeuw

zijn visioen nog verborgen hielden. Nog steeds had hij geen enkele

beweegreden, geen bepaald doel voor zijn handelingen. De sneeuw zou vóór

den morgen zijn voetstappen uitwisschen. Wat hij deed, kon in elk geval

geen kwaad en misschien zou het hem een glimp geven van het licht—van

_haar_ licht!

Maar op eens begon zijn hart sneller te kloppen en bleef hij

bewegingloos staan. Hij had het blaffen van een hond vernomen en wel van

heel dichtbij, terwijl onmiddellijk daarop het heldere licht van een

lamp zich door den nevel boorde. In minder dan geen tijd begreep hij

wat er was gebeurd. In den chaos vóór hem was als het ware een gordijn

opgetrokken. Hij stond nagenoeg onder de muren van de nederzetting en

het licht, dat hij waarnam, kwam van omhoog, uit een venster boven aan

de trap!

Een oogenblik bleef hij zoo staan, luisterend en uitkijkend. Er

vertoonde zich geen ander licht. De hond liet zich niet meer hooren. Om

hem heen viel de sneeuw, dicht en stil—en dat gaf een zeker gevoel van

veiligheid. De scherpste oogen konden hem niet zien, de scherpste ooren

konden hem niet hooren. Hij worstelde weer voort tot er vlak vóór hem

uit de duisternis een dichte, zwarte massa oprees, nog donkerder dan

de nacht zelf. Het eenige verlichte raam was nu duidelijk zichtbaar,

de gordijnen waren voor twee derden weggetrokken en toen hij opkeek,

zag hij er een schaduw langs heenglijden. Was het de schaduw van een

vrouwengestalte? Het raam werd donkerder, toen zij die daar binnen

toefde, er dicht bij kwam en Howland stond met saamgeknepen vuisten en

wild bonzend hart bijna gereed om zacht een naam te roepen. Nog een

beetje dichter bij—één schrede maar—en hij zou weten! Hij zou een

patroon uit zijn gordel kunnen nemen en die, in een sneeuwbal gewikkeld,

tegen het raam kunnen werpen om attentie te trekken en dan—?

De schaduw verdween. Flauw teekende de met sneeuw bedekte trap zich af.

Howland sloop er heen. Het licht kwam uit een raam een voet of tien

boven hem. Hij zag om zich heen in de duisternis, waaruit hij gekomen

was. Niets—niets dan de sneeuwstorm. Snel kroop hij de trap op.

Op het onheilspad · 第 19 / 26 题