De Vervolging.
Howland liep achter de slee en Croisset rechts van het span. Een paar
maal als hij omkeek, ontmoette zijn blik dien van den ingenieur. Hij
klapte dan met de zweep en lachte en Howland's tanden glinsterden koud
terug. Die blikken verrieden genoegzaam, dat zij elkaar begrepen. Door
een plotselinge spurt zou de half-ras gemakkelijk een grooten afstand
tusschen hen kunnen brengen, maar de kogels van zijn tegenpartij zouden
dien kunnen dekken. Howland had zijn ziel opgemaakt om vastberaden
en met algeheele toewijding te vuren, zoodra Croisset maar de minste
poging waagde om te ontsnappen. Werd hij gedwongen om hem te dooden
of ernstig te wonden, dan wilde hij toch alleen de reis voortzetten
met de honden; het spoor van Meleese en Jackpine moest toch even
duidelijk zijn als dat, waarlangs zij nu—voorloopig weer in zuidelijke
richting—terugtrokken.
Voor de tweede maal sinds hij naar het Noorden was gekomen, voelde
Howland zijn bloed door de aderen bruisen, als op den eersten avond in
Prince Albert, toen hij op den berg het gehuil van den eenzamen wolf
had gehoord en later door het raam van het hotel het mooie gelaat had
gezien. Hij was een van die weinige menschen, die een onbeperkt geloof
in zichzelf bezitten, die tot op zekere hoogte trotsch zijn op hun
physieke, zoowel als op hun verstandelijke vermogens—en ook nu was hij
vol zelfvertrouwen. Zijn succes in de worsteling met de hinderpalen
van een groote stad had dit vertrouwen tot een onafscheidelijk deel
van zijn persoon gemaakt. Het was dit vertrouwen, dat zijn wangen deed
kleuren van opgewekte geestdrift, terwijl hij achter de honden aanliep.
Jean Croisset leek het een raadsel.
„_Mon Dieu_, ik moet bekennen, dat ge een flinke vent zijt,” riep
de half-ras, toen hij de honden stapvoets liet gaan na eenigen tijd
gedraafd te hebben. „Bij alle Heiligen, ge lacht en ik verzeker u, dat
het allerminst lachwekkend is.”
„Spreekt het dan niet van zelf, dat een man schik heeft, wanneer hij op
weg is naar zijn eigen bruiloft, Jean?” hijgde Howland, terwijl hij een
oogenblik stond uit te blazen.
„Maar hij heeft geen schik, wanneer hij op weg is naar zijn eigen
begrafenis, M'sieur.”
„Als ik een van je gelukzalige Heiligen was, Croisset, dan zou ik een
bliksemstraal op je afsturen. Goede God, draag je dan geen hart onder je
kleeren, man? We gaan naar een oord, waar zich het mooiste meisje van de
wereld bevindt. Ik heb haar lief. Zij heeft mij lief. Waarom zou ik niet
gelukkig zijn, nu ik weet, dat ik haar gauw zal weerzien—en haar zal
meenemen naar het Zuiden?”
„Duivels!” mompelde Jean.
„Misschien ben je jaloersch, Croisset—” opperde Howland, „_great
Scott_, dààr heb ik nog nooit aan gedacht!”
„Ik heb mijn eigen vrouw, M'sieur en ik heb haar lief; ik zou haar voor
niemand ter wereld willen ruilen.”
„Verd.... als ik je begrijp!” vloekte de ingenieur. „Je lijkt maar half
menschelijk; je zegt, dat je zelf liefhebt en toch wil je liever je
eigen leven wagen dan Meleese en mij voort te helpen. Hoe zit dat toch?”
„Maar, M'sieur—ik help Meleese juist voort! Ik zou haar alleen nog
meer dienst hebben gedaan, als ik u daar ginds op het Pad had gedood
en uw lichaam, van kleeren beroofd, had laten liggen ten prooi aan de
dieren—die het zouden willen verslinden. Ik heb u al dikwijls gezegd,
dat uw dood een Godsgericht zal zijn. En sterven zult ge—en gauw ook,
M'sieur.”
„Neen, Jean, ik ga niet sterven. Ik ga naar Meleese en zij trekt
met mij naar het Zuiden. En als je heel lief bent, dan mag jij ons
terugbrengen naar de Wekusko, Croisset en dan word je bruidsjonker bij
mijn huwelijk. Wat zeg je er van?”
„Ik zeg, dat ge gek zijt—of onnoozel!” gaf Jean terug, nijdig met de
zweep klappend.
Kort daarna verlieten de honden op eens het spoor naar het Zuiden om
zich noordwestelijk te richten.
„Op die wijze sparen we een dagreis uit,” zei Croisset in antwoord op
een achterdochtige vraag van zijn metgezel. „We zullen het andere spoor
op een twintig mijl westelijk van hier ontmoeten—en als wij teruggingen
tot aan het punt waar zij afsloegen, dan zouden wij zestig mijl moeten
afleggen om diezelfde plek te bereiken. De eene kans ten honderd, die
gij hebt, M'sieur, hangt daarvan af. Als de andere slee al voorbij is—”
Hij haalde de schouders op en zette de honden aan.
„Zeg eens,” riep Howland, die nu naast hem liep,—„wie zijn er in die
andere slee?”
„De mannen, die op het Pad en in de coyote beproefden om u te dooden,
M'sieur,” antwoordde Jean snel.
Howland viel een pas of wat terug. Na een uur zag hij zich verplicht
om telkens even uit te rusten door op de slee te gaan zitten—wat hun
voortgang vertraagde. Jean luisterde niet langer naar zijn vragen. De
half-ras liep knorrig rechts van den voorsten hond en Howland zag, dat
hij, om welke reden dan ook, evenzeer verlangend was om vooruit te komen
als de ingenieur zelf. Diens ongeduld groeide aan naarmate de uren
voorbijsnelden. Jean's verzekering, dat de geheimzinnige vijanden, die
hem tot tweemaal toe naar het leven hadden gestaan, zich op betrekkelijk
korten afstand achter hen bevonden, vervulde hem opnieuw met allerlei
wanhopige plannen. Hij voelde, dat die mannen van de Wekusko zijn
voornaamste vijanden waren; had hij hen afgeschud en behield hij
Croisset in zijn macht, dan zou de strijd dien hij daar ginds ging
voeren, al half gewonnen zijn. Daar toch zou Meleese de eenige zijn,
die hem kende.
Zijn hart was vol hoop en vol blijdschap en hij boog zich voorover in de
slee om het geweer van Croisset na te kijken, dat niet geladen was. Het
was een repetitie-geweer en de half-ras, die over de hoofden van zijn
dravende huskies heen, af en toe naar den ingenieur gluurde, zag dat
deze glimlachte. Howland begon nu weer meer te loopen en zelfs over
langere afstanden. Met elke mijl, die werd afgelegd, stond zijn besluit
om een beslissenden strijd uit te lokken, nog vaster. Bereikten zij
het spoor van Meleese en Jackpine nog eer de tweede slede daar was
gepasseerd, dan wilde hij zich verdekt opstellen en zijn vijanden
afwachten; waren die hem vóór geweest, dan zou hij trachten hen in te
halen en hen 's nachts in hun kamp overvallen; hoe ook, het voordeel zou
altijd aan zijn kant zijn.
Met dezelfde attentie voor onderdeelen, die hij bij het ontwerpen van
een brug of van een tunnel aan den dag legde, maakte hij nu in zijn
geest het schema op voor een volledig plan van aanval met al de daaraan
verbonden eventualiteiten. Er zouden waarschijnlijk twee mannen op
die slee zijn en misschien wel drie. Gaven zij—uit angst voor zijn
geweer—zich zonder vechten over, dan zou hij Jean dwingen om hen met
hondenstrengen te knevelen, terwijl hij zelf het heele troepje onder
schot hield. Spartelden de vijanden tegen, dan zou hij vuren. Met het
repetitie-geweer kon hij er minstens drie à vier dooden of verwonden,
nog vóór zij de wapens van de slee hadden gegrepen. De toestand was nu
zóó gespannen, dat hij ten eenenmale vergat in hoeverre de belangen van
Meleese met dit alles gemoeid konden zijn.
Al voortgaande in noord-westelijke richting, merkte Howland op, dat het
dichte woud langzamerhand overging in breede uitgestrektheden van lage
naaldboomen en dat de talrijke rotspartijen en dichtbegroeide moerassen,
die eerst hun voortgang hadden bemoeilijkt, nu minder vaak voorkwamen.
Een uur vóór den middag nog wees Croisset, nadat zij met veel moeite een
bevrozen bergtop hadden beklommen, hem op een groote, effen vlakte, die
zich tusschen hen en den eerstvolgenden heuvelrug, vèr in het Noorden,
uitstrekte.
„Dit is een stukje van het woeste land, dat langs gindsche bergen naar
beneden is gekropen, M'sieur,” zei hij. „Ziet ge, dat donkere woud, dat
tegen de sneeuw op een verkoold stuk hout gelijkt? Dat is de pas, die
naar het land van de Athabasca leidt. Ergens tusschen hier en daar
moeten we het spoor tegenkomen. Ik had half en half verwacht, dat wij
hen hier op de vlakte zouden zien.”
„Wie? Meleese en Jackpine, of—”
„Neen, de anderen, M'sieur.—Zullen we hier den maaltijd gebruiken?”
„We rusten niet vóór en aleer we het spoor hebben,” antwoordde Howland.
„Ik ben zoo benieuwd om te weten te komen, welke die eene kans ten
honderd is, Croisset, waar je mij hoop op hebt gegeven. Als zij voorbij
zijn—”
„Als zij voorbij zijn, zoudt ge evengoed daarginds kunnen gaan staan en
mij vragen om u een kogel door het hoofd te jagen, M'sieur.”
Jean ging naar de honden en leidde die langs de ruwe helling naar
omlaag, terwijl Howland de toboggan tegenhield. Drie kwartier slingerden
zij zwijgend tusschen de struiken door over de vlakte. Van elken
sneeuwheuvel af verkende Jean de witte wildernis om hen heen en telkens
keerde hij—als er geen menschelijk wezen te bespeuren viel—bij den
ingenieur terug niet een weinig goeds voorspellend schouderophalen. Eens
ontlokten een stuk of drie kariboe's, op misschien een mijl afstands,
hem een snellen uitroep; Howland zag hoe een plotselinge blos zich op
het donkere gelaat afteekende, onmiddellijk gevolgd door een blik van
teleurstelling. Van dit oogenblik af hield hij zijn metgezel nog meer
in het vizier. Zij hadden nog niet de helft van den afstand afgelegd,
die hen van de kariboe's scheidde, toen Croisset—op een open ruimte
gekomen, waar geen enkel sprietje groeide—plotseling luid zijn stem
verhief en het span stilstond.
„Wat denkt ge van dàt, M'sieur—wat denkt ge van dàt?” riep hij, op de
sneeuw wijzend.
Op den zoom van de open plek was de dikke ijskorst hier en daar
gebroken; het leek alsof de boomen van een slee er over heen waren
gegaan. Gedurende één seconde vergat Howland om voorzichtig te zijn;
volijverig boog hij zich, met den rug naar zijn metgezel gekeerd,
voorover om de sporen te onderzoeken. Toen hij weer opkeek, zag hij een
wonderlijke, lachende uitdrukking in Jean's blik.
„_Dieu!_ wat zijt ge onvoorzichtig, M'sieur!” riep de half-ras. „Pas
toch op! Breng me niet in verzoeking!”
„Voor den duivel! je hebt gelijk!” zei Howland, snel terugwijkend. „Dank
je, Jean. Als het niet was om het moreele effect, dan zou ik je de hand
willen drukken. Hoe ver denk je, dat ze ons vóór zijn?”
Croisset lag nog op zijn knieën bij het spoor.
„De ijskorst is hier versch gebroken,” zei hij na een oogenblik. „Zij
kunnen ons niet meer dan twee of drie uur vóór zijn—misschien sedert
vanmorgen.—En zie nu eens naar dit witte, glinsterende laagje op
het eerste spoor, M'sieur, met wel een millioen scherp opstaande
naaldpunten. Dat moet het werk zijn van drie of vier dagen vorst. Zóó
lang is het dus al geleden sedert de eerste slee—die van Meleese en
Jackpine—hier voorbij trok.”
Howland keerde zich om en greep naar zijn geweer. De half-ras keek
aandachtig toe, toen hij het met een aantal patronen laadde.
„Als er nog koude spijs in het pak zit, haal die er dan uit,” beval de
ingenieur. „We zullen onder het loopen ons maal gebruiken—tenminste,
als je wat hebt, dat zich daartoe leent. Heb je dat niet, dan zullen we
honger lijden. We moeten die laatste slee vanmiddag of vanavond inhalen
of—we zijn geschochten!”
„Bij alle Heiligen, M'sieur—dan zijn we geschochten!” hijgde Jean. „En
als wij het niet zijn, dan toch in elk geval de honden. Neen—het is
niet mogelijk!”
„Is er wat te eten?”
„Een stuk koud vleesch, dat is alles. Maar ik herhaal, dat het
onmogelijk is. Die slee—”
Met een gebaar van ongeduld viel Howland hem in de rede.
„En ik zeg, dat je dat eten te voorschijn moet halen—en gauw ook,
Croisset! We zullen die kostelijke vrienden van je inhalen en ik
waarschuw je, dat het zal spannen, als je een poging doet om tijd te
verliezen. Snap je?”
Jean had zich al gebogen om het pak, dat op de slee lag, open te maken;
er kwam een nijdig licht in zijn oogen bij het dreigement van den
ingenieur. Een oogenblik was het alsof hij ging spreken, maar hij hield
zich in en reikte Howland de grootste helft van het vleesch. Daarop nam
hij zijn oude plaats weer in naast de honden. In het eerstvolgende uur
keek hij maar een- of tweemaal om en na elk van die keeren verdubbelde
hij zijn pogingen om de huskies tot meerderen spoed aan te zetten.
Intusschen—nog hadden zij den rand niet bereikt van het lage, zwarte
pijnwoud, dat Jean hem van de overzijde van de vlakte had gewezen, of
Howland zag al, dat hun span het niet langer volhield. De voorste hond
hinkte en af en toe legden al de dieren zich om eerst weer voort te
gaan, wanneer Croisset de lange zweep liet klappen. Daarbij merkte de
ingenieur, dat ook hij zelf niet langer bij machte was om Jean en de
honden bij te houden en verzwaarde hij de slee door zijn gewicht, dan
sleepten de huskies nog meer.
Zoo trokken zij tot diep in het lage woud en nu liep
Jean—klaarblijkelijk de uitputting van mensch en dier vergetend—vóór
het span uit, aldoor den blik gevestigd op het ijle spoor vóór hen.
Het kon wel niet anders of Howland moest merken, dat de noodelooze
bedreiging een uur of wat geleden tegen den half-ras geuit, dezen nog
hinderde en herhaaldelijk deed hij van zijn kant een poging om de stilte
te verbreken. Maar Jean bleef, in nijdig zwijgen gehuld, voortloopen,
alleen antwoordend op rechtstreeksche vragen. Ten laatste sprong de
ingenieur van de slee en voegde hij zich weer bij zijn metgezel.
„Hou in, Jean!” riep hij. „Ik heb er genoeg van. Jij hadt gelijk en ik
vraag je nederig om excuus. Wij zijn geschochten—dat wil zeggen—de
honden en ik, we zijn geschochten en we kunnen het eigenlijk wel
opgeven, totdat we wat te eten hebben gehad. Wat zeg jij?”
„Ik zeg, dat ge juist bijtijds hebt stilgehouden, M'sieur,” antwoordde
Croisset gedwee. „Nog een half uur en we zouden uit het bosch zijn en
juist daarvóór, op den rand van de vlakte, bevinden zich de menschen,
die gij zoekt—Meleese en haar vrienden. Ik had u dat daarginds al
willen vertellen, maar ge liet me niet uitspreken. _Mon Dieu_, als het
niet was om Meleese, dan zou ik u laten voorttrekken. En dan—wat zou er
dan wel geschieden, M'sieur, wanneer ge zoo op klaarlichten dag bij hen
aankwaamt?—Luister!”
Waarschuwend hief Jean de hand op. Heel flauw drong het vèr verwijderde
geblaf van een hond tot hen door.
„Dat is een van onze Mackenzie's,” ging hij zacht voort met geheimen
triomf in zijn stem. „En nu, M'sieur, welke zijn uw verdere plannen, nu
ik u eenmaal tot hier gebracht heb? Zullen we doorgaan en zien om het
middagmaal te gebruiken bij de lui, die u willen dooden, of wenscht ge
hier een uur of wat te wachten? Wat zal het zijn?”
Eén seconde bleef Howland roerloos staan, als was hij onder den indruk
van Jean's woorden. Maar hij herstelde zich snel. Zijn oogen schitterden
met metaalachtigen gloed, toen zij de bedekte uitdaging van Croisset's
koelen glimlach opvingen.
„Als ik je niet had tegengehouden, zouden we dan voortgegaan zijn?”
vroeg hij kortaf.
„Zeker, M'sieur,” gaf Croisset, altijd nog glimlachend, ten antwoord.
„Ge hadt immers gezegd, dat ik geen tijd mocht verliezen en dat het zou
spannen als ik dat wèl deed!”
Met een snelle beweging trok Howland zijn revolver en richtte die op het
hart van den half-ras.
„Als je ooit tot je Heiligen hebt gebeden, Jean Croisset, doe het dan
nu. Ik maak een eind aan je leven!” riep hij woest.