OP DEN TERUGTOCHT.

Bij een opkomende zon op een prachtigen herfstmorgen verliet ik Kyoto,

in een dankbare stemming voor al het schoone en aangename wat Japan

mij in korten tijd van mijn verblijf geboden heeft. Alle voorzorgen

waren door den hotelier van het Kyoto-hotel genomen, dat mijne bagage

goed bezorgd werd en ik eene goede plaats in den trein kreeg. Hij

had zelfs naar een zijner collega's in Tsuruga getelefoneerd om aan

den trein te zijn en daar te zorgen dat ik goed op de boot, die mij

naar Vladivostock moest voeren, met al mijne bagage terecht kwam. De

vriendelijkheid en voorkomendheid der Japansche hoteliers, de goede

bediening, de zindelijkheid en de goede keukens in hunne hotels,

wordt in geen enkel land overtroffen. In het algemeen genomen, kan ik

gerust zeggen, dat Japan in dit opzicht zeer zeker boven alle andere

landen in Azië staat en dat slechts weinige Europeesche landen het

daarin evenaren. Japan trekt met elk jaar meer toeristen, die er bijna

allen met het grootste enthusiasme vertoeven; alle krachten werken er

samen om het verblijf in en het reizen door het land gemakkelijk te

maken en te veraangenamen. In de grootste en beste hotels worden matige

prijzen gevraagd, de spoorwegen zijn goedkoop en de meeste winkels zijn

betrouwbaar. Het is mogelijk, dat de Japanner zich er vroeger op heeft

toegelegd, om door bedrog rijk te worden, tegenwoordig doet elkeen

echter zijn best om eerlijk te handelen. Toen wij in China waren,

hebben wij steeds gehoord, dat de Chineezen betrouwbaarder dan de

Japanners zijn, dat men in China de handelaars kan vertrouwen en in

menigen winkel, waar wij trachtten koopjes te doen, werd ons gezegd

"gij zijt niet in Japan, wij Chineezen bedriegen de menschen niet",

wat zooveel beteekende, als dat wij den gevraagden prijs betalen

moesten of konden heengaan. En in Japan nu hoorden wij precies het

omgekeerde. Als wij probeerden af te dingen, dan werd ons herhaaldelijk

verzekerd, dat Japan geen China is en dat men de Japanners vertrouwen

kan. In hoeverre dit laatste waar is, weet ik niet, maar wel weet ik,

dat in Japan alles veel mooier en veel goedkooper is dan in China,

en dat verschillende winkels ons attent maakten op het verschil in

kwaliteit der goederen en wij voor zeker soort goed bijna overal

denzelfden prijs moesten betalen. Ik heb zeer sterk den indruk

gekregen, dat Japan betrouwbare winkeliers bezit en men in geen land

in de wereld voor weinig geld zooveel kan koopen als daar.

Op mijn reis van Kyoto naar Tsuruga, had ik nog de gelegenheid het

mooie landschap in Japan te bewonderen. De geheele weg toch voer

tusschen prachtige bergen, soms tot boven toe beplant met theeboompjes,

langs rivieren en meren en bracht mij om één uur in Tsuruga. Er

was nog één heer van Kyoto, ook met bestemming voor de boot naar

Vladivostock, met mij medegekomen. De sneltrein die van Tokyo en

Yokohama de reizigers van de Trans-Siberische lijn vervoert, was

reeds een uur te voren gearriveerd en de agenten voor die lijn waren

met deze passagiers op weg naar de boot en zouden niet vóór drie uur

voor de tweede maal gaan. Ik ging dus met den vertegenwoordiger van

het Kaimugo-Hotel, tot wien de hotelier uit Kyoto getelefoneerd had,

mede om daar eerst te lunchen, om tegen drie uur met het kleine

stoombootje naar de Portawa, zoo heet de boot, te gaan. Eerst

moest echter mijn paspoort nagezien worden. Gelukkig had de heer

von Zeppelin, onze consul-generaal in Shanghaï, er voor gezorgd,

dat mijn paspoort in elk opzicht in orde was, ook had hij het door

den Russischen consul laten viseeren. Het werd dan ook op het bureau

van den Russischen Volunteer fleet, waar ik het moest laten nazien,

goedgekeurd en om drie uur kon ik aan boord gaan.

Het is een Russische boot, met Russische bemanning. Een onoogelijke

stewardess ontving mij in mijn hut, eene vrouw, die geen vertrouwen

en geen toenadering uitlokt. De groote hut, die er zindelijk uitziet,

miste alle comfort. Op het tweede, leege bed moest ik mijne zeven

zaken uitstallen. De kapitein en de bedienden spreken Russisch, in

de Russische taal met Russische letters is het menu geschreven en

het ergst van al, het eten is Russisch. Dikke, vette soep en al het

verdere klevende van vet en zwemmende er in. Daarbij ruw, stormachtig,

mistig weder, dat de bijna niet geladen boot rollen en zwaaien doet,

zoodat de maag alleen naar wat licht verteerbaar voedsel vraagt. Ik

was de eenige vrouw met achttien heeren passagiers aan boord, en werd

daardoor buitengewoon goed bediend.

Om één uur kwamen wij Woensdagmiddag in Vladivostock aan en daar maakte

ik voor het eerst kennis met Rusland en Russische gebruiken. Al de

bagage der passagiers werd gevisiteerd, maar dat geschiedde op een

wijze als ik nog nooit te voren heb bijgewoond. Zelfs de bagage die

transit naar Holland ging, of van andere reizigers naar Londen of

Berlijn, werd nagezocht, elk doosje opengemaakt en alleen als men

het verzegeld wilde doorzenden, behoefde men de inkomende rechten

er voor niet opbrengen. Een Duitscher, die een paar mooie zijden

pantoffels bij zich had, die hij niet kon verzenden, omdat hij ze op

reis draagt, moest de rechten er voor betalen. Van eenige Japansche

heeren, die zijden overhemden bij zich hadden, werden de inkomende

rechten opgeëischt, niettegenstaande hunne verzekering, dat die hemden

gedragen en reeds gewasschen waren.

Ik werd nog al genadig behandeld. Men stond mij toe alles uit mijn

handbagage, wat de Russische heeren, die er meer als bandieten dan

als heeren uitzagen, verdacht voorkwam, in mijn koffer over te

laden en die dan verzegeld transito naar Holland te zenden. Een

man werd aangewezen, die mij daarbij behulpzaam zou zijn en die,

nadat ik alles had ingepakt, mijn goed sluitende koffer met één

touw omwond en dat touw met een loodje bezegelde. Nadat dit alles

was afgeloopen, werd de koffer voor Amsterdam ingeschreven. Voor de

hulp, het touw en het loodje moest ik den man 4 roebels 75 kopeken

betalen. Waarom het juist die som was, of dat de man mij niet veel

te veel liet betalen, wie zou dat uitmaken? Er was niemand die ik

het vragen kon en in Rusland mag men blij zijn, als men met geld en

goede woorden heelhuids de handen van beambten ontkomt. Dit alles

ging nu niet zoo gemakkelijk als ik het hier neerschrijf, want geen

der beambten sprak iets anders dan Russisch of verstond een woord in

een andere taal. Als niet een der Russische heeren, die met mij de

bootreis van Tsuruga naar Vladivostock had gemaakt en Engelsch sprak,

mijn tolk was geweest en mij door het moeilijkste deel had geholpen,

dan weet ik niet of ik het ooit met die lui had klaar gespeeld. Met

dat alles was het drie uur geworden. Met den Duitscher met wien ik van

Kyoto naar Tsuruga was gereisd en die ook dezelfde moeilijkheden had,

nam ik een rijtuig, dat ons een uur lang door Vladivostock zou rijden.

Vladivostock maakt geen grooten indruk. De stad is vrijwel onvoltooid,

overal ziet men groote huizen en vrij groote winkels en kantoorgebouwen

en daarnaast nog een heele open ruimte, wachtende op ondernemers,

die er wat op bouwen willen. Straten zijn nog niet voltooid, en

de wegen daardoor slecht. Het meest interesseerde mij de bevolking

in de straten. Het begon reeds bij den koetsier op den bok, die er

met zijn groote bontmuts en zijn jas met lange, wijde rokspanden,

die er uitzagen alsof zij een lange sleepjapon moesten voorstellen,

reeds recht Russisch uitzag. Had ik het nog niet genoeg bij de

douanen ondervonden dat ik nu in Rusland was, hier in de straten

zag ik Russen, typische Russen, zooals wij ze op het tooneel en in

de illustraties te zien krijgen. Maar spoedig hadden wij genoeg van

het ritje en daar wij wisten dat er nog allerlei formaliteiten te

vervullen waren, alvorens wij rustig in de coupé konden plaats nemen,

spoedden wij ons maar weder terug naar het station. Onze paspoorten,

die bij aankomst op de boot in Tsuruga door den eersten officier waren

in beslag genomen, zouden ons vóór ons vertrek uit Vladivostock weder

overhandigd worden. Toen wij dan ook aan het station kwamen, stond

de trein reeds gereed en was een hooge politiebeambte bezig de namen

der reizigers af te roepen, die dan uit zijn handen hunne paspoorten

konden terug bekomen. Precies op tijd, 4.51, begon onze twaalfdaagsche

treintocht. De trein bestond uit een waggon eerste en een waggon

tweede klasse, benevens een restauratiewagen en een goederenwagen.

Het begin van de reis was niet zeer interessant, wij gingen door een

bergland, met nog uitgestrekte, ongecultiveerde dalen. Alleen aan

de verschillende stations zagen wij de armoedig in dierenhuiden

gekleede Russen en vele Chineezen, die er altijd even vuil en

verkommerd uitzagen. De Manchurische Chineezen in dit Noordelijk

gedeelte dragen allen nog hunne staarten. Het was reeds echt koud,

overal op de wegen lag reeds een dunne laag sneeuw en elk riviertje

of meertje lag reeds onder een ijslaag.

Midden in den nacht bereikten wij de grens van China, alwaar een

Chineesche douane in de coupé kwam om te vragen of er ook iets "zu

verzollen" was. Ik lag in diepe rust en wist niet wat er gebeurde, toen

plotseling met een ruk mijn goed afgesloten coupé werd opengemaakt en

twee mannen binnentraden. Ik had hen er echter spoedig uitgebonjoerd

en nog voor zij iets van mijne plunje met hunne vuile vingers konden

betasten, stonden zij al weder buiten de deur. Men vertelde mij dat wij

's nachts een mooi gedeelte gepasseerd waren, maar ik kan daar niets

van navertellen, want 't was een stikdonkere nacht, die ik vrijwel

geheel slapende doorbracht. Bovendien waren in den vroegen ochtend

de coupé-raampjes zoo dik bevroren, dat ik er niets doorheen kon

zien. Verder op den morgen gingen wij door een onafzienbare woeste,

dorre streek, tot wij om twee uur, Donderdagmiddag, in Charbin

aankwamen. Daar hadden wij drie kwartier rust. Wij moesten wachten

op den trein die van Peking door Mukden hier zich met den trein van

Vladivostock vereenigt. En dezen keer zou die trein Prins Heinrich

van Pruisen met zijn heele gevolg met zich voeren.

Op het perron in Charbin stond de kleine Duitsche kolonie, die in

deze stad woont, allen in Zondagsche plunje, gereed om hun prins

te verwelkomen, en ook de Russische en Chineesche autoriteiten

uit Charbin, waren voor dat zelfde doel aanwezig. Drie groote

photographietoestellen stonden opgesteld, om gauw een kiek te nemen,

indien de prins zich ten minste zou willen vertoonen. Een kwartier

later kwam de Peking-trein binnen en zeer spoedig daarna trad de

prins, in generaalsuniform gekleed, naar buiten. Eerst hield hij

een huiselijk praatje met zijn landgenooten en daarna schudde hij de

vreemde autoriteiten hartelijk de hand. Ik zag prins Heinrich voor den

eersten keer, en was gefrappeerd door zijn groote gelijkenis met den

tsaar van Rusland en den koning van Engeland. Maar ook viel mij het

oude uiterlijk op. Hij ziet er veel ouder uit dan zijn oudere broeder,

de keizer van Duitschland. Hij lijkt op een man van 60 jaar.

Charbin staat bekend om zijn vele bandieten; men had mij reeds

gewaarschuwd, als om de een of andere reden de trein daar langer zou

stoppen, de stad niet in te gaan. Allerlei verhalen omtrent diefstal en

oplichterij daar bedreven, doen de ronde. Nadat wij Charbin verlaten

hadden, gingen wij een korten tijd door een pijnbosch en zilverberken

en daarna begonnen de troostelooze vlakten weder. De trein gaat dan

eens over bergen, 2 à 3 duizend voet hoog, om direct daarna weder te

dalen. Het verschil in temperatuur boven of beneden is zelfs in mijn

verwarmde coupé goed te voelen en bovendien zichtbaar aan de dikkere

sneeuwlagen en de ijsmassa's boven. De trein wordt door twee kolossaal

groote machines, die met hout gestookt worden, voortbewogen.

Twee vertegenwoordigers van de Trans-Siberische spoorweglijn maken

van Charbin de reis met den trein mede. Dit is ter wille van Prins

Heinrich. Met den oudsten van beiden houdt prins Heinrich, als hij aan

de verschillende stations op en neder wandelt, vrij luide gesprekken

in het Fransch. Die zit ook naast den prins aan tafel. Door het

gezelschap van den prins is onze eetzaal nu propvol. De prins zelf

en vijf volgelingen eten, nadat wij gegeten hebben. Zij zitten dan in

het kleine vertrekje, dat buiten de etensuren voor conversatiekamer en

speelclub etc. dient. Men moet steeds dat vertrekje passeeren als men

uit de eetzaal naar de coupé wil en soms is de prins wat ongeduldig

en begint met zijn heeren reeds den maaltijd, alvorens wij goed en

wel geëindigd hebben. Dat schijnt den prins echter niet te hinderen;

hij doet trouwens alles zoo doodeenvoudig, dat niemand in hem een

hooggeplaatst persoon zou vermoeden, als men het niet vooruit wist.

Gistermorgen had een treffend tafereeltje plaats. Wij waren aan het

station genaderd, waar in de nabijheid, op de heenreis den trein

van prins Heinrich gederailleerd is. Opeens kruipt een armoedig

uitziende Rus naar den prins en begint met opgeheven handen iets te

prevelen. Den armen kerel biggelden de tranen langs de wangen, met

smeekende oogen zag hij den prins aan. De prins liet zich door den

Russischen spoorwegautoriteit verklaren, wat de man wilde, en vernam

toen, dat hij de bestuurder der locomotief was, waarmede de prins

gederailleerd was. Die arme man was het slachtoffer van het ongeluk

geworden, hij werd gestraft en uit zijn ambt ontslagen. Hij smeekte den

prins nu om vergiffenis, welke hem van harte gegeven werd en de prins

hoopte, dat men hem weder in zijn vroegere positie plaatsen zou. Toen

de autoriteit dat vertaald en den armen man medegedeeld had, voegde

hij er aan toe, dat hij spoedig een nieuwe aanstelling zou ontvangen.

Tegen den middag bereikten wij Zaterdag de oevers van het uitgestrekte

Baikalmeer, waar wij tot middernacht dicht langs bleven gaan. Dat gaf

een prachtige afwisseling in het natuurtafereel. Oneindig grootsch

was hier het landschap. De spoorweglijn langs dit bergachtig gedeelte

is een meesterstuk van constructie. Het eene oogenblik kromde de baan

zich vlak langs het meer, om een grooten berg, het andere oogenblik

doorboorde hij een andere reuzenrots. Het was bitter koud hier,

de sneeuw lag ruim een halven meter hoog, de pijnboomen konden de

vracht van die losse, droge sneeuwmassa bijna niet torschen en het

geheel zag er uit, alsof het onveranderlijk zoo zou blijven liggen,

totdat in 1913 de voorjaarszon hare krachtige stralen zal zenden.

Zaterdag te middernacht bereikten wij Irkutsk, waar wij van trein

moesten verwisselen. Elkeen kreeg in den nieuwen trein weder precies

dezelfde coupé en dezelfde plaats als in den voorgaanden. Mijn bed

was reeds netjes gereed toen ik in mijn afdeeling kwam, zoodat ik

mij onmiddellijk kon ontkleeden en te slapen leggen.

Irkutsk, de hoofdstad van Oost-Siberië, schijnt de eenige stad te

zijn, waar men, als men wil, de reis tusschen Vladivostock en Moscou

onderbreken kan. Daar zijn goede hotels, en genoeg bezienswaardigs,

om eenige dagen interessant te maken.

Zondagmorgen was het uitzicht geheel veranderd. Even onafzienbaar

als voorheen de kale vlakten waren geweest, even uitgestrekt waren

toen de bosschen. Boomen, boomen en niets dan boomen, en eeuwigdurend

dezelfde soort. Pijnboomen en zilverberken, deze laatste bladloos,

kaal. Geen afwisseling den geheelen dag. Daarbij ging de trein uiterst

langzaam, wij stegen steeds. De temperatuur was buiten 12 gr. C. onder

nul en een vinnige wind, soms van een sneeuwstorm vergezeld, maakt

het alleen voor de heel moedigen mogelijk, bij een halte even naar

buiten te gaan om een luchtje te scheppen.

Maandagmorgen hadden de bosschen weder plaats gemaakt voor de oneindig

groote, troostelooze steppen. Alles leek weder meer op Siberië,

zooals wij dit uit de boeken van Dostojevsky en anderen kennen. Om

6 uur kwamen wij Maandagavond in Taiga, vanwaar een zijlijntje Tomsk

met de hoofdlijn verbindt, Tomsk, de hoofdstad van West-Siberië. Hier

hadden wij een kwartier rust, de eenige groote rust, die wij sedert

Charbin gehad hebben. Er waren daar tal van tentjes, waar men voor veel

geld allerlei zaken van Russische bergproducten gemaakt, kon koopen.

Dinsdagmiddag om twee uur bereikten wij Omsk, de plaats waar een halve

eeuw geleden Dostojevsky als een banneling heeft geleefd. Omsk is nu

een vrij belangrijk stadje, al ligt het ook nog verlaten in de steppen.

Langs den geheelen weg, van Vladivostock af reeds, is men druk

bezig met het leggen van een dubbel spoor. Op het oogenblik loopt

de Trans-Siberische trein op enkel spoor. Dit werk is een enorme

onderneming, want niet alleen moeten daarvoor de rails verdubbeld

worden, maar over vele der tallooze rivieren moeten ook de bruggen

verdubbeld worden. In Oost-Siberië is men reeds voor een groot

deel gereed, waardoor 50.000 arbeiders nu vandaar weder naar hunne

woonplaatsen teruggevoerd moeten worden. Dat doet de Russische

staat op Russische wijze. Dagelijks passeeren wij eenige van die

arbeiderstreinen. Deze menschen worden vervoerd in beestenwagens. In

ieder van die wagens huizen 40 mannen. Iedere trein vervoert twintig

wagens. Vijf zulke treinen gaan elken dag. Die arme kerels zitten,

of liever, liggen daar dag en nacht; zij moeten daar hun eigen

potje koken en alles doen, wat men gedurende zoo vele dagen, als

die mannen daar vertoeven moeten, te doen heeft. Als onze trein

passeert, zien wij door de vierkante openingen koppen van menschen

steken, zooals er anders koppen van koeien of paarden door zichtbaar

worden. 't Zijn koppen van ruwe, stoere kerels, mannen, die niets dan

hun ruwe, ongeleide spierkracht aan te bieden hebben in ruil voor

hun levensonderhoud. Dezulken zijn er blijkbaar velen in Rusland,

anders zou die kracht beter betaald worden, althans door den staat

op hoogere waarde worden gesteld.

Woensdagmorgen om 8 uur waren wij in Cheliabinsk, alwaar dat deel van

den trein, dat naar Petersburg gaat, ons verliet. Wij hadden daar ruim

een half uur oponthoud, maar de sneeuw viel in zulke dikke vlokken

neder, dat het niet doenlijk was, om naar buiten te gaan, om wat

op en neder te loopen. Van daar af wordt de reis interessanter. Wij

komen door een meer bewoond gedeelte. Herhaaldelijk passeeren wij nu

Russische sleden met in vliegende vaart rennende paarden, zien wij

de bergen, waaruit goud, kwikzilver en steenkool gedolven worden en

passeeren wij tallooze kleine stations, altijd vol mannen, vrouwen

en kinderen, maar mannen vooral, die met hun heele bezitting in een

groote zak gebonden of in een doek geknoopt, op een boemeltrein staan

te wachten, die hen naar een beter oord moet voeren. Emigranten,

zoowel zij, die over Europa naar Amerika trekken, als zij, die

in het uitgestrekte Rusland een ander oord zoeken om zich daar te

koloniseeren. Deze laatste emigratie wordt door den Russischen staat

zeer in de hand gewerkt, vooral als men zich wil vestigen in het

verre Oosten van het land.

Een trein passeerden wij, uit beestenwagens bestaande, waarvan de

luchtgaten door zware ijzeren bouten afgesloten waren. Het was een

volle trein met veroordeelden, die naar een der mijnstreken vervoerd

worden.

Spoedig hadden wij nu Siberië achter den rug en bevonden ons

in het eigenlijke Rusland. In den namiddag zagen wij van uit

onze coupé-raampjes de groote, witte obelisk, die Azië van

Europa scheidt. Den geheelen middag hadden wij een prachtig mooi

winterlandschap. Reinwit lag een dik sneeuwkleed over bergen en

velden, de rivieren waren dichtgevroren, de huizen in de dorpjes

en stadjes gaven alleen eenige kleur, Vroolijk scheen de zon over

dit glinsterend witte natuurtafereel, zij had de bewoners der lage

huisjes naar buiten gelokt en tal van snorrende Russische sleden,

met gezonde, lachende menschen bevolkt, passeerden wij op hunnen tocht.

Naarmate wij Moscou naderden nam ook de koude af en werd de omgeving

interessanter. Maar toch ligt alles nog onder de sneeuw. In het midden

van den dag passeerden wij Donderdag Samara en kort daarna ging de

trein de Volga over. De Alexanderbrug, die dit mogelijk maakt, is

meer dan een kilometer lang en is de trots der Russen.

Toen ik Vrijdagmorgen ontwaakte en uit mijn coupé-raampje keek, was

alle sneeuw verdwenen. Een nachtvorstje had nog wel het groen der

velden wit getint, maar van sneeuw was hier geen sprake meer. Toen

ik in den restauratiewagen kwam, zat reeds de prins met zijn heele

gevolg aan de ontbijttafeltjes. Allen waren in groot uniform. Ook de

prins. Hij zag er opgewekt en veel jonger in zijn prachtige uniform

uit, dan toen ik hem in Charbin voor het eerst zag.

Om half tien kwamen wij in Moscou aan het Koursk-station. Daar

stonden prinses Heinrich en vorstin Sergeï en vele hooge Russische en

Duitsche autoriteiten reeds te wachten. De begroeting tusschen den

prins en zijn vrouw was allerhartelijkst, zooals trouwens na zoo'n

lange scheiding van een gelukkig echtpaar te wachten is. Daarna werd

vorstin Sergeï, die in een grijs nonnenkleed was, hartelijk door den

prins de hand gedrukt. Sedert vorst Sergeï, nu zes jaren geleden,

werd doodgeschoten, is de vorstin in een klooster gegaan, waarvan zij

nu de overste is. Zij is een oudere zuster van de Czarina, een prinses

van Hessen en dus met den prins verwant. Zij liep tusschen den prins en

prinses Heinrich in, toen zij het perron verlieten. Prachtig blonken de

gouden helmen met de dubbele adelaars van de Russische autoriteiten,

die hen met het gevolg van den prins op den voet volgden. De hooge

vorstelijke personen onderbreken blijkbaar hun reis in Moscou, want

al hun bagage is uit den trein gezet.

Ik had ook graag mijn reis in Moscou onderbroken, maar mijn plicht

roept mij nu thuis. Ik bleef derhalve zitten tot de trein mij naar het

station Moscou-Brest bracht, waar de Nord Express, die, in aansluiting

aan den Trans-Siberischen trein, eenmaal in de week de passagiers in

36 uren naar Berlijn voert, reeds gereed stond. Er was juist genoeg

tijd om van trein te verwisselen, toen de Nord Express, die alleen

uit een restauratiewagen, een goederenwagen en drie eerste klasse

waggons bestaat, het station en daarmede ook Moscou verliet.

Deze trein vindt in Berlijn directe aansluiting met den sneltrein

naar Brussel en heeft een waggon, die direct doorgaat naar Ostende

ten behoeve der reizigers voor Londen, en een waggon die doorgaat naar

Parijs. Ik moest in Berlijn ervaren, de nachttrein naar Holland juist

vertrokken was; die verlaat Berlijn juist tien minuten eerder vóórdat

deze sneltrein aankomt. Ik moest derhalve voor den nacht een hotel

zoeken, om den volgenden morgen mijn reis naar Holland voort te zetten.

De natte koude, die Holland's klimaat zoo onaangenaam maakt, overviel

mij plotseling toen de trein de grenzen van ons land bereikte. Maar

ook daaraan gewent men spoedig. Het maakte alleen "home sweet home",

minder aantrekkelijk.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 132 / 133 题