Bij een opkomende zon op een prachtigen herfstmorgen verliet ik Kyoto,
in een dankbare stemming voor al het schoone en aangename wat Japan
mij in korten tijd van mijn verblijf geboden heeft. Alle voorzorgen
waren door den hotelier van het Kyoto-hotel genomen, dat mijne bagage
goed bezorgd werd en ik eene goede plaats in den trein kreeg. Hij
had zelfs naar een zijner collega's in Tsuruga getelefoneerd om aan
den trein te zijn en daar te zorgen dat ik goed op de boot, die mij
naar Vladivostock moest voeren, met al mijne bagage terecht kwam. De
vriendelijkheid en voorkomendheid der Japansche hoteliers, de goede
bediening, de zindelijkheid en de goede keukens in hunne hotels,
wordt in geen enkel land overtroffen. In het algemeen genomen, kan ik
gerust zeggen, dat Japan in dit opzicht zeer zeker boven alle andere
landen in Azië staat en dat slechts weinige Europeesche landen het
daarin evenaren. Japan trekt met elk jaar meer toeristen, die er bijna
allen met het grootste enthusiasme vertoeven; alle krachten werken er
samen om het verblijf in en het reizen door het land gemakkelijk te
maken en te veraangenamen. In de grootste en beste hotels worden matige
prijzen gevraagd, de spoorwegen zijn goedkoop en de meeste winkels zijn
betrouwbaar. Het is mogelijk, dat de Japanner zich er vroeger op heeft
toegelegd, om door bedrog rijk te worden, tegenwoordig doet elkeen
echter zijn best om eerlijk te handelen. Toen wij in China waren,
hebben wij steeds gehoord, dat de Chineezen betrouwbaarder dan de
Japanners zijn, dat men in China de handelaars kan vertrouwen en in
menigen winkel, waar wij trachtten koopjes te doen, werd ons gezegd
"gij zijt niet in Japan, wij Chineezen bedriegen de menschen niet",
wat zooveel beteekende, als dat wij den gevraagden prijs betalen
moesten of konden heengaan. En in Japan nu hoorden wij precies het
omgekeerde. Als wij probeerden af te dingen, dan werd ons herhaaldelijk
verzekerd, dat Japan geen China is en dat men de Japanners vertrouwen
kan. In hoeverre dit laatste waar is, weet ik niet, maar wel weet ik,
dat in Japan alles veel mooier en veel goedkooper is dan in China,
en dat verschillende winkels ons attent maakten op het verschil in
kwaliteit der goederen en wij voor zeker soort goed bijna overal
denzelfden prijs moesten betalen. Ik heb zeer sterk den indruk
gekregen, dat Japan betrouwbare winkeliers bezit en men in geen land
in de wereld voor weinig geld zooveel kan koopen als daar.
Op mijn reis van Kyoto naar Tsuruga, had ik nog de gelegenheid het
mooie landschap in Japan te bewonderen. De geheele weg toch voer
tusschen prachtige bergen, soms tot boven toe beplant met theeboompjes,
langs rivieren en meren en bracht mij om één uur in Tsuruga. Er
was nog één heer van Kyoto, ook met bestemming voor de boot naar
Vladivostock, met mij medegekomen. De sneltrein die van Tokyo en
Yokohama de reizigers van de Trans-Siberische lijn vervoert, was
reeds een uur te voren gearriveerd en de agenten voor die lijn waren
met deze passagiers op weg naar de boot en zouden niet vóór drie uur
voor de tweede maal gaan. Ik ging dus met den vertegenwoordiger van
het Kaimugo-Hotel, tot wien de hotelier uit Kyoto getelefoneerd had,
mede om daar eerst te lunchen, om tegen drie uur met het kleine
stoombootje naar de Portawa, zoo heet de boot, te gaan. Eerst
moest echter mijn paspoort nagezien worden. Gelukkig had de heer
von Zeppelin, onze consul-generaal in Shanghaï, er voor gezorgd,
dat mijn paspoort in elk opzicht in orde was, ook had hij het door
den Russischen consul laten viseeren. Het werd dan ook op het bureau
van den Russischen Volunteer fleet, waar ik het moest laten nazien,
goedgekeurd en om drie uur kon ik aan boord gaan.
Het is een Russische boot, met Russische bemanning. Een onoogelijke
stewardess ontving mij in mijn hut, eene vrouw, die geen vertrouwen
en geen toenadering uitlokt. De groote hut, die er zindelijk uitziet,
miste alle comfort. Op het tweede, leege bed moest ik mijne zeven
zaken uitstallen. De kapitein en de bedienden spreken Russisch, in
de Russische taal met Russische letters is het menu geschreven en
het ergst van al, het eten is Russisch. Dikke, vette soep en al het
verdere klevende van vet en zwemmende er in. Daarbij ruw, stormachtig,
mistig weder, dat de bijna niet geladen boot rollen en zwaaien doet,
zoodat de maag alleen naar wat licht verteerbaar voedsel vraagt. Ik
was de eenige vrouw met achttien heeren passagiers aan boord, en werd
daardoor buitengewoon goed bediend.
Om één uur kwamen wij Woensdagmiddag in Vladivostock aan en daar maakte
ik voor het eerst kennis met Rusland en Russische gebruiken. Al de
bagage der passagiers werd gevisiteerd, maar dat geschiedde op een
wijze als ik nog nooit te voren heb bijgewoond. Zelfs de bagage die
transit naar Holland ging, of van andere reizigers naar Londen of
Berlijn, werd nagezocht, elk doosje opengemaakt en alleen als men
het verzegeld wilde doorzenden, behoefde men de inkomende rechten
er voor niet opbrengen. Een Duitscher, die een paar mooie zijden
pantoffels bij zich had, die hij niet kon verzenden, omdat hij ze op
reis draagt, moest de rechten er voor betalen. Van eenige Japansche
heeren, die zijden overhemden bij zich hadden, werden de inkomende
rechten opgeëischt, niettegenstaande hunne verzekering, dat die hemden
gedragen en reeds gewasschen waren.
Ik werd nog al genadig behandeld. Men stond mij toe alles uit mijn
handbagage, wat de Russische heeren, die er meer als bandieten dan
als heeren uitzagen, verdacht voorkwam, in mijn koffer over te
laden en die dan verzegeld transito naar Holland te zenden. Een
man werd aangewezen, die mij daarbij behulpzaam zou zijn en die,
nadat ik alles had ingepakt, mijn goed sluitende koffer met één
touw omwond en dat touw met een loodje bezegelde. Nadat dit alles
was afgeloopen, werd de koffer voor Amsterdam ingeschreven. Voor de
hulp, het touw en het loodje moest ik den man 4 roebels 75 kopeken
betalen. Waarom het juist die som was, of dat de man mij niet veel
te veel liet betalen, wie zou dat uitmaken? Er was niemand die ik
het vragen kon en in Rusland mag men blij zijn, als men met geld en
goede woorden heelhuids de handen van beambten ontkomt. Dit alles
ging nu niet zoo gemakkelijk als ik het hier neerschrijf, want geen
der beambten sprak iets anders dan Russisch of verstond een woord in
een andere taal. Als niet een der Russische heeren, die met mij de
bootreis van Tsuruga naar Vladivostock had gemaakt en Engelsch sprak,
mijn tolk was geweest en mij door het moeilijkste deel had geholpen,
dan weet ik niet of ik het ooit met die lui had klaar gespeeld. Met
dat alles was het drie uur geworden. Met den Duitscher met wien ik van
Kyoto naar Tsuruga was gereisd en die ook dezelfde moeilijkheden had,
nam ik een rijtuig, dat ons een uur lang door Vladivostock zou rijden.
Vladivostock maakt geen grooten indruk. De stad is vrijwel onvoltooid,
overal ziet men groote huizen en vrij groote winkels en kantoorgebouwen
en daarnaast nog een heele open ruimte, wachtende op ondernemers,
die er wat op bouwen willen. Straten zijn nog niet voltooid, en
de wegen daardoor slecht. Het meest interesseerde mij de bevolking
in de straten. Het begon reeds bij den koetsier op den bok, die er
met zijn groote bontmuts en zijn jas met lange, wijde rokspanden,
die er uitzagen alsof zij een lange sleepjapon moesten voorstellen,
reeds recht Russisch uitzag. Had ik het nog niet genoeg bij de
douanen ondervonden dat ik nu in Rusland was, hier in de straten
zag ik Russen, typische Russen, zooals wij ze op het tooneel en in
de illustraties te zien krijgen. Maar spoedig hadden wij genoeg van
het ritje en daar wij wisten dat er nog allerlei formaliteiten te
vervullen waren, alvorens wij rustig in de coupé konden plaats nemen,
spoedden wij ons maar weder terug naar het station. Onze paspoorten,
die bij aankomst op de boot in Tsuruga door den eersten officier waren
in beslag genomen, zouden ons vóór ons vertrek uit Vladivostock weder
overhandigd worden. Toen wij dan ook aan het station kwamen, stond
de trein reeds gereed en was een hooge politiebeambte bezig de namen
der reizigers af te roepen, die dan uit zijn handen hunne paspoorten
konden terug bekomen. Precies op tijd, 4.51, begon onze twaalfdaagsche
treintocht. De trein bestond uit een waggon eerste en een waggon
tweede klasse, benevens een restauratiewagen en een goederenwagen.
Het begin van de reis was niet zeer interessant, wij gingen door een
bergland, met nog uitgestrekte, ongecultiveerde dalen. Alleen aan
de verschillende stations zagen wij de armoedig in dierenhuiden
gekleede Russen en vele Chineezen, die er altijd even vuil en
verkommerd uitzagen. De Manchurische Chineezen in dit Noordelijk
gedeelte dragen allen nog hunne staarten. Het was reeds echt koud,
overal op de wegen lag reeds een dunne laag sneeuw en elk riviertje
of meertje lag reeds onder een ijslaag.
Midden in den nacht bereikten wij de grens van China, alwaar een
Chineesche douane in de coupé kwam om te vragen of er ook iets "zu
verzollen" was. Ik lag in diepe rust en wist niet wat er gebeurde, toen
plotseling met een ruk mijn goed afgesloten coupé werd opengemaakt en
twee mannen binnentraden. Ik had hen er echter spoedig uitgebonjoerd
en nog voor zij iets van mijne plunje met hunne vuile vingers konden
betasten, stonden zij al weder buiten de deur. Men vertelde mij dat wij
's nachts een mooi gedeelte gepasseerd waren, maar ik kan daar niets
van navertellen, want 't was een stikdonkere nacht, die ik vrijwel
geheel slapende doorbracht. Bovendien waren in den vroegen ochtend
de coupé-raampjes zoo dik bevroren, dat ik er niets doorheen kon
zien. Verder op den morgen gingen wij door een onafzienbare woeste,
dorre streek, tot wij om twee uur, Donderdagmiddag, in Charbin
aankwamen. Daar hadden wij drie kwartier rust. Wij moesten wachten
op den trein die van Peking door Mukden hier zich met den trein van
Vladivostock vereenigt. En dezen keer zou die trein Prins Heinrich
van Pruisen met zijn heele gevolg met zich voeren.
Op het perron in Charbin stond de kleine Duitsche kolonie, die in
deze stad woont, allen in Zondagsche plunje, gereed om hun prins
te verwelkomen, en ook de Russische en Chineesche autoriteiten
uit Charbin, waren voor dat zelfde doel aanwezig. Drie groote
photographietoestellen stonden opgesteld, om gauw een kiek te nemen,
indien de prins zich ten minste zou willen vertoonen. Een kwartier
later kwam de Peking-trein binnen en zeer spoedig daarna trad de
prins, in generaalsuniform gekleed, naar buiten. Eerst hield hij
een huiselijk praatje met zijn landgenooten en daarna schudde hij de
vreemde autoriteiten hartelijk de hand. Ik zag prins Heinrich voor den
eersten keer, en was gefrappeerd door zijn groote gelijkenis met den
tsaar van Rusland en den koning van Engeland. Maar ook viel mij het
oude uiterlijk op. Hij ziet er veel ouder uit dan zijn oudere broeder,
de keizer van Duitschland. Hij lijkt op een man van 60 jaar.
Charbin staat bekend om zijn vele bandieten; men had mij reeds
gewaarschuwd, als om de een of andere reden de trein daar langer zou
stoppen, de stad niet in te gaan. Allerlei verhalen omtrent diefstal en
oplichterij daar bedreven, doen de ronde. Nadat wij Charbin verlaten
hadden, gingen wij een korten tijd door een pijnbosch en zilverberken
en daarna begonnen de troostelooze vlakten weder. De trein gaat dan
eens over bergen, 2 à 3 duizend voet hoog, om direct daarna weder te
dalen. Het verschil in temperatuur boven of beneden is zelfs in mijn
verwarmde coupé goed te voelen en bovendien zichtbaar aan de dikkere
sneeuwlagen en de ijsmassa's boven. De trein wordt door twee kolossaal
groote machines, die met hout gestookt worden, voortbewogen.
Twee vertegenwoordigers van de Trans-Siberische spoorweglijn maken
van Charbin de reis met den trein mede. Dit is ter wille van Prins
Heinrich. Met den oudsten van beiden houdt prins Heinrich, als hij aan
de verschillende stations op en neder wandelt, vrij luide gesprekken
in het Fransch. Die zit ook naast den prins aan tafel. Door het
gezelschap van den prins is onze eetzaal nu propvol. De prins zelf
en vijf volgelingen eten, nadat wij gegeten hebben. Zij zitten dan in
het kleine vertrekje, dat buiten de etensuren voor conversatiekamer en
speelclub etc. dient. Men moet steeds dat vertrekje passeeren als men
uit de eetzaal naar de coupé wil en soms is de prins wat ongeduldig
en begint met zijn heeren reeds den maaltijd, alvorens wij goed en
wel geëindigd hebben. Dat schijnt den prins echter niet te hinderen;
hij doet trouwens alles zoo doodeenvoudig, dat niemand in hem een
hooggeplaatst persoon zou vermoeden, als men het niet vooruit wist.
Gistermorgen had een treffend tafereeltje plaats. Wij waren aan het
station genaderd, waar in de nabijheid, op de heenreis den trein
van prins Heinrich gederailleerd is. Opeens kruipt een armoedig
uitziende Rus naar den prins en begint met opgeheven handen iets te
prevelen. Den armen kerel biggelden de tranen langs de wangen, met
smeekende oogen zag hij den prins aan. De prins liet zich door den
Russischen spoorwegautoriteit verklaren, wat de man wilde, en vernam
toen, dat hij de bestuurder der locomotief was, waarmede de prins
gederailleerd was. Die arme man was het slachtoffer van het ongeluk
geworden, hij werd gestraft en uit zijn ambt ontslagen. Hij smeekte den
prins nu om vergiffenis, welke hem van harte gegeven werd en de prins
hoopte, dat men hem weder in zijn vroegere positie plaatsen zou. Toen
de autoriteit dat vertaald en den armen man medegedeeld had, voegde
hij er aan toe, dat hij spoedig een nieuwe aanstelling zou ontvangen.
Tegen den middag bereikten wij Zaterdag de oevers van het uitgestrekte
Baikalmeer, waar wij tot middernacht dicht langs bleven gaan. Dat gaf
een prachtige afwisseling in het natuurtafereel. Oneindig grootsch
was hier het landschap. De spoorweglijn langs dit bergachtig gedeelte
is een meesterstuk van constructie. Het eene oogenblik kromde de baan
zich vlak langs het meer, om een grooten berg, het andere oogenblik
doorboorde hij een andere reuzenrots. Het was bitter koud hier,
de sneeuw lag ruim een halven meter hoog, de pijnboomen konden de
vracht van die losse, droge sneeuwmassa bijna niet torschen en het
geheel zag er uit, alsof het onveranderlijk zoo zou blijven liggen,
totdat in 1913 de voorjaarszon hare krachtige stralen zal zenden.
Zaterdag te middernacht bereikten wij Irkutsk, waar wij van trein
moesten verwisselen. Elkeen kreeg in den nieuwen trein weder precies
dezelfde coupé en dezelfde plaats als in den voorgaanden. Mijn bed
was reeds netjes gereed toen ik in mijn afdeeling kwam, zoodat ik
mij onmiddellijk kon ontkleeden en te slapen leggen.
Irkutsk, de hoofdstad van Oost-Siberië, schijnt de eenige stad te
zijn, waar men, als men wil, de reis tusschen Vladivostock en Moscou
onderbreken kan. Daar zijn goede hotels, en genoeg bezienswaardigs,
om eenige dagen interessant te maken.
Zondagmorgen was het uitzicht geheel veranderd. Even onafzienbaar
als voorheen de kale vlakten waren geweest, even uitgestrekt waren
toen de bosschen. Boomen, boomen en niets dan boomen, en eeuwigdurend
dezelfde soort. Pijnboomen en zilverberken, deze laatste bladloos,
kaal. Geen afwisseling den geheelen dag. Daarbij ging de trein uiterst
langzaam, wij stegen steeds. De temperatuur was buiten 12 gr. C. onder
nul en een vinnige wind, soms van een sneeuwstorm vergezeld, maakt
het alleen voor de heel moedigen mogelijk, bij een halte even naar
buiten te gaan om een luchtje te scheppen.
Maandagmorgen hadden de bosschen weder plaats gemaakt voor de oneindig
groote, troostelooze steppen. Alles leek weder meer op Siberië,
zooals wij dit uit de boeken van Dostojevsky en anderen kennen. Om
6 uur kwamen wij Maandagavond in Taiga, vanwaar een zijlijntje Tomsk
met de hoofdlijn verbindt, Tomsk, de hoofdstad van West-Siberië. Hier
hadden wij een kwartier rust, de eenige groote rust, die wij sedert
Charbin gehad hebben. Er waren daar tal van tentjes, waar men voor veel
geld allerlei zaken van Russische bergproducten gemaakt, kon koopen.
Dinsdagmiddag om twee uur bereikten wij Omsk, de plaats waar een halve
eeuw geleden Dostojevsky als een banneling heeft geleefd. Omsk is nu
een vrij belangrijk stadje, al ligt het ook nog verlaten in de steppen.
Langs den geheelen weg, van Vladivostock af reeds, is men druk
bezig met het leggen van een dubbel spoor. Op het oogenblik loopt
de Trans-Siberische trein op enkel spoor. Dit werk is een enorme
onderneming, want niet alleen moeten daarvoor de rails verdubbeld
worden, maar over vele der tallooze rivieren moeten ook de bruggen
verdubbeld worden. In Oost-Siberië is men reeds voor een groot
deel gereed, waardoor 50.000 arbeiders nu vandaar weder naar hunne
woonplaatsen teruggevoerd moeten worden. Dat doet de Russische
staat op Russische wijze. Dagelijks passeeren wij eenige van die
arbeiderstreinen. Deze menschen worden vervoerd in beestenwagens. In
ieder van die wagens huizen 40 mannen. Iedere trein vervoert twintig
wagens. Vijf zulke treinen gaan elken dag. Die arme kerels zitten,
of liever, liggen daar dag en nacht; zij moeten daar hun eigen
potje koken en alles doen, wat men gedurende zoo vele dagen, als
die mannen daar vertoeven moeten, te doen heeft. Als onze trein
passeert, zien wij door de vierkante openingen koppen van menschen
steken, zooals er anders koppen van koeien of paarden door zichtbaar
worden. 't Zijn koppen van ruwe, stoere kerels, mannen, die niets dan
hun ruwe, ongeleide spierkracht aan te bieden hebben in ruil voor
hun levensonderhoud. Dezulken zijn er blijkbaar velen in Rusland,
anders zou die kracht beter betaald worden, althans door den staat
op hoogere waarde worden gesteld.
Woensdagmorgen om 8 uur waren wij in Cheliabinsk, alwaar dat deel van
den trein, dat naar Petersburg gaat, ons verliet. Wij hadden daar ruim
een half uur oponthoud, maar de sneeuw viel in zulke dikke vlokken
neder, dat het niet doenlijk was, om naar buiten te gaan, om wat
op en neder te loopen. Van daar af wordt de reis interessanter. Wij
komen door een meer bewoond gedeelte. Herhaaldelijk passeeren wij nu
Russische sleden met in vliegende vaart rennende paarden, zien wij
de bergen, waaruit goud, kwikzilver en steenkool gedolven worden en
passeeren wij tallooze kleine stations, altijd vol mannen, vrouwen
en kinderen, maar mannen vooral, die met hun heele bezitting in een
groote zak gebonden of in een doek geknoopt, op een boemeltrein staan
te wachten, die hen naar een beter oord moet voeren. Emigranten,
zoowel zij, die over Europa naar Amerika trekken, als zij, die
in het uitgestrekte Rusland een ander oord zoeken om zich daar te
koloniseeren. Deze laatste emigratie wordt door den Russischen staat
zeer in de hand gewerkt, vooral als men zich wil vestigen in het
verre Oosten van het land.
Een trein passeerden wij, uit beestenwagens bestaande, waarvan de
luchtgaten door zware ijzeren bouten afgesloten waren. Het was een
volle trein met veroordeelden, die naar een der mijnstreken vervoerd
worden.
Spoedig hadden wij nu Siberië achter den rug en bevonden ons
in het eigenlijke Rusland. In den namiddag zagen wij van uit
onze coupé-raampjes de groote, witte obelisk, die Azië van
Europa scheidt. Den geheelen middag hadden wij een prachtig mooi
winterlandschap. Reinwit lag een dik sneeuwkleed over bergen en
velden, de rivieren waren dichtgevroren, de huizen in de dorpjes
en stadjes gaven alleen eenige kleur, Vroolijk scheen de zon over
dit glinsterend witte natuurtafereel, zij had de bewoners der lage
huisjes naar buiten gelokt en tal van snorrende Russische sleden,
met gezonde, lachende menschen bevolkt, passeerden wij op hunnen tocht.
Naarmate wij Moscou naderden nam ook de koude af en werd de omgeving
interessanter. Maar toch ligt alles nog onder de sneeuw. In het midden
van den dag passeerden wij Donderdag Samara en kort daarna ging de
trein de Volga over. De Alexanderbrug, die dit mogelijk maakt, is
meer dan een kilometer lang en is de trots der Russen.
Toen ik Vrijdagmorgen ontwaakte en uit mijn coupé-raampje keek, was
alle sneeuw verdwenen. Een nachtvorstje had nog wel het groen der
velden wit getint, maar van sneeuw was hier geen sprake meer. Toen
ik in den restauratiewagen kwam, zat reeds de prins met zijn heele
gevolg aan de ontbijttafeltjes. Allen waren in groot uniform. Ook de
prins. Hij zag er opgewekt en veel jonger in zijn prachtige uniform
uit, dan toen ik hem in Charbin voor het eerst zag.
Om half tien kwamen wij in Moscou aan het Koursk-station. Daar
stonden prinses Heinrich en vorstin Sergeï en vele hooge Russische en
Duitsche autoriteiten reeds te wachten. De begroeting tusschen den
prins en zijn vrouw was allerhartelijkst, zooals trouwens na zoo'n
lange scheiding van een gelukkig echtpaar te wachten is. Daarna werd
vorstin Sergeï, die in een grijs nonnenkleed was, hartelijk door den
prins de hand gedrukt. Sedert vorst Sergeï, nu zes jaren geleden,
werd doodgeschoten, is de vorstin in een klooster gegaan, waarvan zij
nu de overste is. Zij is een oudere zuster van de Czarina, een prinses
van Hessen en dus met den prins verwant. Zij liep tusschen den prins en
prinses Heinrich in, toen zij het perron verlieten. Prachtig blonken de
gouden helmen met de dubbele adelaars van de Russische autoriteiten,
die hen met het gevolg van den prins op den voet volgden. De hooge
vorstelijke personen onderbreken blijkbaar hun reis in Moscou, want
al hun bagage is uit den trein gezet.
Ik had ook graag mijn reis in Moscou onderbroken, maar mijn plicht
roept mij nu thuis. Ik bleef derhalve zitten tot de trein mij naar het
station Moscou-Brest bracht, waar de Nord Express, die, in aansluiting
aan den Trans-Siberischen trein, eenmaal in de week de passagiers in
36 uren naar Berlijn voert, reeds gereed stond. Er was juist genoeg
tijd om van trein te verwisselen, toen de Nord Express, die alleen
uit een restauratiewagen, een goederenwagen en drie eerste klasse
waggons bestaat, het station en daarmede ook Moscou verliet.
Deze trein vindt in Berlijn directe aansluiting met den sneltrein
naar Brussel en heeft een waggon, die direct doorgaat naar Ostende
ten behoeve der reizigers voor Londen, en een waggon die doorgaat naar
Parijs. Ik moest in Berlijn ervaren, de nachttrein naar Holland juist
vertrokken was; die verlaat Berlijn juist tien minuten eerder vóórdat
deze sneltrein aankomt. Ik moest derhalve voor den nacht een hotel
zoeken, om den volgenden morgen mijn reis naar Holland voort te zetten.
De natte koude, die Holland's klimaat zoo onaangenaam maakt, overviel
mij plotseling toen de trein de grenzen van ons land bereikte. Maar
ook daaraan gewent men spoedig. Het maakte alleen "home sweet home",
minder aantrekkelijk.