22 Augustus. Om half zeven arriveerden wij vanmorgen in de haven van
Canton, waar direct door allerlei bijzonderheden onze belangstelling
werd gewekt. Voor het eerst zagen wij hier van alle schepen de nieuwe
vlag van China wapperen, de vlag der Chineesche republiek. Het is
een vlag uit vijf even breede strepen rood, geel, grijs, wit en blauw
bestaande. Ook zagen wij hier voor het eerst Chineesche militairen,
Chineesche douanen en Chineesche politie. Na dezen eersten dag van ons
verblijf in Canton heerscht er in mijn hoofd zoo'n chaos van alles
wat wij hier zagen, hoorden en ondervonden, dat ik er dagen lang
van zou kunnen vertellen, als ik eerst alles goed gezift heb. Het
is alles zoo vreemd, zoo geheel iets anders dan wij verwacht hadden,
zoo in niets gelijkend op wat wij tot dusver gezien hebben.
Canton, een verbastering van den eigenlijken naam Kwang Tung, is de
hoofdstad van de provincie van dien naam. Zij is echter tevens de
eerste commercieele stad van China en de tweede stad van beteekenis
van dit rijk. Zij ligt aan den voet van de Witte Wolken Bergen en
aan de Paarl Rivier.
Canton was de eerste stad in China, die in handelsrelatie trad
met Europa; al ons oud Chineesch porselein en andere Chineesche
bijzonderheden, zijn uit deze stad ingevoerd. Men kan den handel
met Canton tot op twee eeuwen vóór Christus nasporen, maar men
vermoedt, dat hij reeds van vóór dien tijd dagteekent. Tegenwoordig
komt voornamelijk nog het Canton-linnen, zijde, thee en porselein
naar Europa.
Eerst in het midden der 17e eeuw kwam dit district, het Zuidelijkste
van China, onder de Manchu-regeering. De Cantonneezen hebben zich
echter nooit goedwillig onder den druk van deze overheersching
gedragen, er heerschte altijd een revolutionnaire geest. Deze laatste
revolutie, waarvan de Chineesche republiek een gevolg is, heeft van
hieruit haar oorsprong genomen, had in Canton haar hart, waaruit
steeds nieuw voedsel, in den vorm van geld en strijdkrachten, naar
het revolutionnaire kamp gezonden werd. Dr. Sun Yat Sen, de eerste en
provisoire president der republiek, is hier geboren en gekweekt en de
Cantonneezen zijn er niet weinig trotsch op, dat de mannen van groote
beteekenis in deze laatste omwenteling alle van hier afkomstig zijn.
Canton, de stad alleen, bevat tusschen de 2 1/2 tot 3 millioen
inwoners, waarvan echter een half millioen op schepen en schuiten in de
rivier en in de kanalen door de stad huist. Dat leven op die schuiten
is allermerkwaardigst. Zoo'n sampan lijkt niet groot genoeg om één
mensch te huisvesten en er leven en tieren soms een dozijn menschen
nacht en dag, hun geheele leven lang op. Generatie na generatie wordt
op zoo'n schuitje geboren en verlaat het alleen na den dood. Dikwijls
zagen wij er vier generaties tegelijk, waartusschen dan nog de kippen
en zwijnen vroolijk ronddartelden. En, zooals ik reeds vroeger schreef,
de meeste menschen op die schuiten zijn vrouwen. Deze vrouwen verdienen
voornamelijk hun schamelijk stukje brood, zou ik willen zeggen, maar
brood eten ze bijna niet, hun bakje rijst komt beter de waarheid
nabij, met menschen en goederen van het eene schip naar het andere
te brengen. Men moet ze hooren schreeuwen en kijven als er zich een
vrachtje voordoet, om er het groote belang voor haar van te beseffen.
Al dadelijk toen wij vanochtend van de boot kwamen, bleek, dat het
eenige vervoermiddel, waarvan men zich in Canton bedient, kan bedienen,
de sedan-chair (de draagstoel) is. De Cantonsche draagstoel is echter
bijzonder nauw, men past er net tusschen, hij wordt gedragen door
twee, drie of vier man, die echter achter elkaar loopen en daardoor
den stoel niet zoo doen schudden als op Java. Een stoel met twee
dragers is erg burgerlijk, deftige menschen, zooals wij, moesten er
drie hebben, zei onze kapitein, en officiëele personen, hooge oomes,
laten zich door vier koelies dragen.
De kapitein van de boot had twee stoelen, met dragers, die aan de
boot bekend waren, voor ons laten komen, om ons naar het hotel te
brengen. Al spoedig werd ons duidelijk, waarom men zich hier alleen
van dit vervoermiddel bedient. Onophoudelijk toch ging onze tocht
door straten, waar onze stoelen juist door kunnen. Als er menschen
van den anderen kant ons passeerden, dan moesten die zich tegen den
kant wringen, of in de open winkeltjes gaan staan, om ons te laten
passeeren. Zonder ophouden schreeuwden onze koelies om plaats te maken,
om ons een doortocht te verleenen. Na een kwartier lang door deze nauwe
straatjes, waarvan elk huis een open winkeltje is, heen gedrongen te
zijn, daarbij herhaaldelijk over steenen bruggen komende, die over de
kanalen liggen, die vele straten doorkruisen, kwamen wij ten slotte
aan een breede brug, door een zwaar ijzeren hek gesloten en aan den
binnenkant door Europeesche militairen en een Chineeschen politie-agent
bewaakt. De poort werd van binnen geopend en er doorgaande bevonden wij
ons aan den anderen kant op het zoogenaamde Victoria-eiland, Shameen
genaamd. Dit is een aan alle kanten door de rivier ingesloten ruimte,
waarbinnen de Europeeërs wonen en de consulaten gevestigd zijn. Het
staat onder Fransche en Britsche regeering, van beide rijken zijn er
militairen, die hier de wacht houden.
Op Shameen lag ook het Victoria-Hotel, het eenige Europeesche hotel,
dat hier bestaat, doch nu in handen is van een Amerikaanschen
eigenaar. Het hotel is vrij goed, doch bezit de pretentie van
Amerikaansche prijzen te vragen, in geen enkel opzicht in verhouding
van hetgeen het den gasten biedt en de goedkoope omstandigheden,
waarin het hier verkeert. Wil men in Canton echter een of meer dagen
vertoeven, dan moet men in dit hotel terechtkomen, tenzij men in de
Chineesche stad in een Chineesch hotel wil gaan. Dat zou natuurlijk
veel interessanter zijn geweest, maar daarvoor misten wij alsnog
den moed.
Nu was het ons plan om in Canton in de eerste plaats uit te visschen
wat wij hadden te gelooven van al de courantenberichten, die wij in het
afgeloopen jaar gelezen en vernomen hadden, waarin de Cantonneesche
vrouwen zoo'n groote rol spelen. Wij hadden gelezen, dat de vrouwen
in Canton persoonlijk en daadwerkelijk aan de revolutie hadden
deelgenomen, dat een regiment Cantonneesche vrouwen naar Nanking en
Peking was opgetrokken, dat de vrouwen onder de nieuwe regeering in
Canton het kiesrecht uitoefenden en er vele van deel uitmaakten van
de regeering van Canton. Ook van een suffragette-optreden der vrouwen
in Nanking, doch dit laatste hebben wij daar na te sporen.
Al deze feiten waren in Manilla, toen wij er naar informeerden,
tegengesproken en in Hongkong had de Amerikaansche consul mrs. Catt zoo
vast verzekerd, dat niets van dien aard in China tijdens de revolutie
was voorgevallen, dat mrs. Catt zich verplicht gevoelde naar ons
Internationaal Vrouwenkiesrecht-orgaan "Jus Suffragii" en naar de
twee belangrijkste vrouwenkiesrechtbladen in Amerika te melden,
dat van al deze sensationeele berichten niets waar was.
Onze consul was in zijne uitlatingen voorzichtiger; hij zeide, dat hij
er niets van wist, dat hij het meest omtrent den politieken toestand
in China uit de mail-editie van de "N. Rott. Ct." leerde kennen, omdat
de in China verschijnende Engelsche bladen den feitelijken toestand
niet altijd uitvoerig vermelden. Hij was echter zoo vriendelijk mij
eenige waardevolle introducties voor Canton te bezorgen, waarmede
ik misschien de waarheid zou kunnen opsporen. Ook mrs. Catt had van
haar consul eenige introducties ontvangen en verder had de Chinees,
dien wij in Hongkong spraken, ons een paar brieven medegegeven.
Met deze brieven gewapend, begaven wij ons onmiddellijk na onze
aankomst op weg. Twee voor het hotel staande draagstoelen, heel
burgerlijk met slechts twee dragers, namen wij in beslag en lieten ons
het eerst brengen naar dr. Mary Fulton, een Amerikaansche vrouw-dokter,
die hier aan het hoofd van een Amerikaansch hospitaal staat, waaraan
een medische school voor Chineesche vrouwen en een opleidingsschool
voor verpleegsters verbonden is.
Na een vol half uur door al die schilderachtige, maar vuile, nauwe
straten gedragen te zijn, zetten onze dragers ons neder voor een
groote poort, die op ons geklop onmiddellijk werd opengedaan. Daar
achter bevonden wij ons in een groote, vierkante ruimte, een groot,
groen grasveld, rondom omzoomd met in bloei staande witte lelies en
hooge palmboomen. Aan drie zijden van dit vierkant stonden vele kleurig
onderhouden gebouwen, die naderhand bleken links uit het hospitaal,
met de daarbij behoorende inrichtingen, in het midden de woonhuizen,
en rechts uit schoolgebouwen van een Amerikaansche missionary te
bestaan. Wij vernamen weldra, dat dr. Mary Fulton op reis was. Het
is de vacantietijd en de dokter had deze drie maanden gebruikt, in
hoofdzaak ter wille van de zeereis, om eens even naar de Vereenigde
Staten te gaan. Zij was op de terugreis en zou binnen veertien dagen
terug zijn. Haar schoonzuster, getrouwd met den broeder van dr. Mary
stond ons echter te woord. Zij en haar man staan aan het hoofd van
de onderwijsinstelling van dit Amerikaansch Zendelingeninstituut,
maar zij kon ons geen inlichtingen geven omtrent alles wat wij
wilden weten. Nadat wij de school, die juist begonnen was, vol van
Chineesche kleine jongens en meisjes, die hier tot goede, deugdzame
Chineesche Christenen worden opgevoed, vluchtig hadden bezichtigd,
met een jonge Chineesche lady-dokter het keurig ingerichte, up to
date-hospitaal voor vrouwen en kinderen hadden doorloopen, zetten wij
ons weder in onze stoelen en begaven ons naar een ander Amerikaansch
zendelingeninstituut. Ook daar wist men ons geen inlichtingen te
geven en toen wij nog eerst een dokter aan het Canton-hospitaal
hadden getracht te spreken en vernamen, dat deze dokter ernstig
ziek was, begaven wij ons naar de woning van een Chineesche dame,
wier dochter lid van den Raad van Canton zou zijn, zoo had men ons
althans verzekerd. Deze dame ontving ons zeer vriendelijk, zij was een
weduwe en onderwijzeres aan een school. Zij sprak een klein beetje
Engelsch, te weinig om een geregeld gesprek te voeren en ons altijd
goed te begrijpen, maar genoeg om ons toch eenige inlichtingen te
geven. Haar dochter was werkelijk gekozen tot lid van den Cantonschen
Raad, zij was ook eene onderwijzeres, maar de moeder hield niet van
dit publieke optreden van haar dochter en daarom had zij haar eenige
maanden geleden voor twee jaar naar Amerika gezonden, om daar een
cursus in de philosophische Wetenschappen door te maken. Zij wist
ons te vertellen, dat er vrouwen in den Raad zaten, maar dat was
alles wat wij na een lang onderhoud te weten kwamen. Nog een ander
Chineesch adres probeerden wij, doch vonden de geadresseerde persoon
niet thuis. De afstanden in Cantor zijn groot, wij waren van 8 uur
af reeds aan het dwalen, wij gaven daarom onzen dragers last om ons
eerst naar het hotel terug te brengen, waar wij om half één aankwamen.
De hotelier stond ons buiten in groote vertwijfeling op te wachten en
verraste ons met de mededeeling, dat wij een hoogst onvoorzichtige
daad hadden verricht, door zonder geleide en in gewone draagstoelen
de stad in te gaan en ons overal te laten ronddragen. De stad was
nog vol gespuis, de koelies, die ons gedragen hadden, waren hem
volmaakt vreemd, wij hadden evengoed in alle moeilijkheden kunnen
geraken als veilig terug te keeren. Wij gaven daarom onze mannetjes
een extra-belooning, omdat zij ons zoo goed en veilig overal gebracht
hebben waar wij wilden komen en beloofden den hotelier verder zijn
raad te zullen volgen.
Na een half uur rust en na onze lunch genoten te hebben, begaven
wij ons weder op weg; nu echter onder het vertrouwde geleide van een
Engelsch sprekenden Chineeschen gids. Wij zouden nu mijne speciale
introducties beproeven. Eerst bezochten wij dr. Emilie Bossoni, een
Italiaansche lady-dokter, die hier aan het hoofd van een Chineesch
hospitaal staat, geen stad- of staatsinrichting, maar een privaat
hospitaal, door giften en gaven onderhouden. Dr. Bossoni is een
aardige babbelaarster, levendig en vroolijk als al hare landgenooten,
maar de inlichtingen, die zij ons gaf, leken naar niets. Ook de onder
haar werkende Chineesche jonge mannen en vrouwen wisten niets te
antwoorden op de vragen, die wij hun stelden; zij hadden van dat alles
nooit gehoord. Dr. Bossoni wilde ons volstrekt rondvoeren door haar
hospitaal, maar na eenige oogenblikken werd mij dat te machtig. Alleen
in Italië en onder Italiaansche doktoren kunnen zulke hospitalen,
beter ware het ze lijkenhuizen te noemen, bestaan. De operatiekamer,
waar armen en beenen en vingers, etc. geamputeerd worden alsof het een
dood kalf geldt, een heele bak vol afgezette ledematen, had ze daar
staan--'t was haar morgentaak geweest--leek meer op een ouderwetsch
waschhuis bij een oude boerenwoning dan op een operatiekamer. Het hok,
waarin de apotheek, als men de verzameling medicamenten, die daar
stonden, zoo noemen mag, gehouden werd, zag er zóó smerig uit en
stond zoo vol gebruikte pannen en potten, dat ik haar vroeg of zij
dat heusch een plaats noemde, waarin medicijnen voor zieken klaar
gemaakt konden worden. O ja, dat was de apotheek, en bij gebrek
aan eert apotheker bereidde zij zelf de door haar voorgeschreven
recepten. Ziekenzalen waren er niet; hokken, waar geen licht en
geen lucht kon doordringen, waar het stonk en vreeselijk smerig was,
herbergden zieltogende menschen. 't Was te erg, ik wilde niet verder
doorgaan, want ik ken zulke toestanden van hospitalen in Italië.
Nu restte ons nog één introductie, die wij voor het laatst bewaard
hadden, omdat wij er niet veel van verwachtten. Het was een introductie
van onzen Nederlandschen consul aan den Commissioner for foreign
trade. Hoe ik dien titel in het Nederlandsch moet vertalen, weet ik
niet, wij bezitten zulk een ambtenaar niet. Hij zetelt direct onder
den gouverneur van de provincie Canton en zijn zittingslokaal is
gevestigd op den grond, waar de gouverneur woont en zijne bureaux
zijn. Wij begonnen te vreezen daar met een kluitje in het riet
weggestuurd te zullen worden en ten slotte Canton te moeten verlaten,
zonder veel wijzer geworden te zijn omtrent de zaken, die ons bovenal
interesseeren.
Toen wij aan de buitenste poort, die de gouverneurswoning omgeeft,
aangekomen waren, en onzen wensch te kennen gaven den commissioner--wij
wisten zelfs zijn naam niet--te spreken, werden wij, na veel gedoe,
tusschen een drievoudige rij soldaten doorgelaten, naar de tweede poort
en daarna naar de eerste poort geleid. Daar ontving ons een Chineesch
burger, die den introductiebrief in ontvangst nam en ons verzocht,
een oogenblik te wachten. Spoedig daarna kwam hij ons halen, om ons
naar binnen te geleiden. Reeds bij de deur kwam ons een vriendelijk,
jong man, in Europeesche kleeding, tegemoet, zichzelf voorstellende
als dr. Lou, de commissioner. "En wie van u is dr. Jacobs en wie is
mrs. Catt?" vroeg hij onmiddellijk, na ons beide handen toegestoken
te hebben. Wij keken hem verbaasd aan, want de introductiebrief
sprak alleen van mij. "O, ik wist, dat gij komen zoudt," zeide hij,
"de Chineesche bladen hebben ons reeds van uw werk in Manilla en uwe
plannen in China op de hoogte gebracht." En nu vertelde deze ongeveer
30-jarige man ons, in volmaakt Engelsch, dat hij een groot feminist
is. Hij heeft zijn opleiding gedeeltelijk in Amerika en gedeeltelijk
in Engeland genoten. Weldra kwam ook mr. Li--ik schrijf deze namen
maar zoo eenvoudig, zooals zij in de wandeling genoemd worden, maar
feitelijk hebben deze heeren een veel langeren naam--, een man van
ongeveer denzelfden leeftijd, zich bij ons voegen. Deze laatste is in
Amerika uit een Chineeschen vader en 'n Duitsche moeder geboren, heeft
in New-York gestudeerd en woont sedert 6 jaren weder in Canton. Hij
is op het bureau van dr. Lou werkzaam en is tevens redacteur van
"The China Outlook", een in het Engelsch uitgegeven dagblad van de
politieke partij van dr. Sun.
Met beide jonge mannen waren wij weldra in een belangrijk gesprek
omtrent den politieken toestand van het land, waaruit bleek met
hoeveel jeugdig optimisme zij bezield zijn. Zij twijfelen geen
oogenblik omtrent het voortbestaan der republiek en toen wij hen op de
bestaande moeilijkheden wezen, loochenden zij die niet, maar had niet
elke republiek in den beginne voor groote moeilijkheden gestaan? Zij
herinnerden mrs. Catt aan de eerste dagen der Amerikaansche republiek
en spraken hunne verbazing uit, dat de Vereenigde Staten niet vooraan
staan om elke jonge republiek onmiddellijk met uitgestoken handen
te begroeten en te helpen de moeilijkheden te overkomen. Dr. Sun Yat
Sen is hun afgod. Zij gaven toe, dat de tegenwoordige president met
leede oogen aanziet, dat dr. Sun zoo vereerd wordt, maar dat dr. Sun's
leven in gevaar zou zijn, negeerden zij volkomen. Het is waar, dat
de president twee hunner generaals heeft laten doodschieten, maar
vergissingen zullen er nog wel eens meer gemaakt worden en dr. Yuan
Shi-kai heeft daarna toch een ode gewijd aan den afgestorven vriend
en zijn eigen zoon gestuurd, om hen te eeren bij hunne begrafenis. Hoe
vindt men zoo'n naïeviteit? Over de financieele moeilijkheden, waarin
de republiek thans verkeert, spraken zij zeer luchthartig. Dat geld
zal weldra komen; kleine sommen hadden zij reeds van verschillende
kanten kunnen krijgen, maar zij willen een groote som ineens, met
het oog op moeilijkheden bij de aflossing. Weldra zullen echter de
eerste belastingen geïnd worden en daarmede kunnen de groote gaten
voorloopig gestopt worden.
Omtrent de bijzonderheden der Cantonneesche vrouwen verkregen wij alle
gewenschte inlichtingen. Het is waar, dat een 50-tal jonge meisjes,
meest studenten, onderwijzeressen, verpleegsters, in den revolutietijd
de wapens hebben opgevat en een eigen regiment hebben gevormd. Zij
hadden zich vooraf in het hanteeren der wapenen en andere militaire
wetenswaardigheden geoefend, een kapitein uit hun midden gekozen
en zich bij het leger gevoegd. Zij werden voornamelijk gebruikt
om een deel van de stad te bewaken, zoodat zij meer defensief dan
offensief behoefden op te treden. Nadat in Canton de groote strijd
was afgeloopen, zijn zij naar Nanking getogen en hebben zich ook
daar op dezelfde wijze verdienstelijk gemaakt. Wij waren het met
de heeren eens, dat meer het feit van dit optreden merkwaardig
was, dan dat deze fijn gebouwde, kleine, tengere vrouwtjes op
die wijze veel daadwerkelijke hulp hebben kunnen verleenen. Dit
regiment is nu ontbonden, doordat nu eenige hunner als militaire
hospitaalverpleegsters dienst doen, anderen administratieven arbeid
in het leger verrichten en anderen haar studie weder hebben opgevat.
Het kiesrecht der vrouwen is in China nog niet geregeld, zooals nog
niets wettelijk geregeld is. Iedere provincie leeft nog onder een
provisoir bestuur en regelt voorloopig haar eigen zaken. De provincie
Canton nu heeft gemeend, de vrouwen, die in alle opzichten zoo'n
werkzaam aandeel in de revolutie geleverd hadden, die steeds ijverige
leden waren geweest van de geheime genootschappen, deel te moeten
laten nemen aan de voorloopige provinciale regelingen en van de 120
zetels minstens tien door vrouwen te moeten laten bezetten. Men heeft
verder gemeend, vrouwen zelf te moeten laten bepalen, welke vrouwen
daarvoor gekozen moesten worden. De vrouwen van de provincie Canton
hebben dus alleen gestemd voor de verkiezing van de tien vrouwen-leden.
De Provinciale Raad houdt elken middag van 1-5 zitting; de twee
heeren zouden het op prijs stellen als wij zoo'n zitting wilden gaan
bijwonen. Op onze verzekering, dat wij niets liever wenschten, gaf
dr. Lou ons een introduceerend schrijven aan den president van den
Raad, dien hij ook nog persoonlijk over ons zou spreken en bovendien
gaf hij ons een brief aan den waarnemenden voorzitter van de politieke
vereeniging Tung Ming Hui, waarvan dr. Sun de oprichter en voorzitter
is. Hij wilde, dat wij dien heer gingen opzoeken, omdat wij van hem
alle persoonlijke bijzonderheden omtrent de vrouwen-leden van den
Raad zouden kunnen vernemen.
Het was toen half vijf; wij meenden nog een uurtje eenige
bijzonderheden te kunnen gaan zien en daarmede onzen dag als welbesteed
te kunnen eindigen. Van alle indrukken, die wij op onzen tocht door
de stad 's morgens en des middags ontvingen, van de stad zelf en van
alles wat wij er zagen, zal ik later vertellen. Het is nu reeds lang
over den tijd, dat ik in bed had moeten liggen en slapen.