I.

Vrijdagavond, den 16en Aug., verlieten wij Manilla onder een prachtigen

sterrenhemel. Den geheelen dag hadden wij het druk gehad, doordat

onophoudelijk goede vrienden ons kwamen bezoeken om adieu te zeggen

en velen ons een of ander als souvenir aan de gezellige dagen in deze

stad doorgebracht, kwamen brengen, wat dan nog weder ingepakt moest

worden. In welk ander land dan in Amerika of in een Amerikaansche

kolonie zal het echter kunnen gebeuren, dat de Gouverneur-Generaal en

zijne vrouw persoonlijk twee onofficieele personen goeden dag zeggen,

en dat deze twee bovendien voor ieder van ons een doos met versche

rozen naar onze hut op de boot hadden gezonden, om ons het verblijf

in de hut op dit stuk onhebbelijke zee te veraangenamen? Wij waren

door dit bewijs van eenvoudigheid en beleefdheid niet weinig verrast.

Voor het eerst op onze lange reis maakten wij nu eens gebruik van een

Duitsche boot. De "Prinz Sigismund" is een van de kleine booten van

de Nord Deutsche Lloyd; deze lijn onderhoudt een geregelden dienst

tusschen Japan en Australië, waarbij op de heen- en terugvaart

Manilla wordt aangedaan. De "Prinz Sigismund" was vol passagiers,

zoodat mrs. Catt en ik een hut moesten deelen; de hutten zijn

echter groot en zindelijk en gerieflijk ingericht. Ook het eten en

de bediening laat op de booten niets te wenschen over. Maar toch in

gerieflijkheid, zoowel als in alle andere zaken, kunnen deze booten

bij onze Hollandsche booten niet in de schaduw staan. Het was niet ik,

maar mijne Amerikaansche vriendin, die vanmorgen tot mij zeide, zullen

wij niet probeeren om van Hongkong naar Shangaï weder een Hollandsche

boot te krijgen, die zijn toch in elk opzicht de beste van alle,

die wij tot dusver geprobeerd hebben. Om slechts een kleinigheid te

noemen: op de "Prinz Sigismund" was geen gelegenheid om buiten te

zitten als men zelf geen stoel had medegenomen. Het schip had geen

enkelen dekstoel aan boord, ook niet om te verhuren, en de stoelen

in den salon zaten allen vastgeschroefd, zoodat wij die niet naar

buiten konden brengen. Op het dek kon men alleen staan of loopen, om

een oogenblik ergens rustig te gaan zitten, gaf men den passagiers

geen gelegenheid. Deze onhebbelijkheid hebben wij nog nergens zoo

sterk aangetroffen.

Op den gezetten tijd, Maandagmiddag om één uur, stoomden wij de

schilderachtige en drukke haven van Hongkong weder binnen. De

gloeiende middagzon deed het groen der heuvels en het rood der

zandbergen nog sterker uitkomen. Niettegenstaande wij op het dek

stonden te smelten, bleef toch elkeen van het begin tot het einde

dit binnenkomen aanschouwen. De "Prinz Sigismund" blijft 1 1/2 dag

in deze haven liggen; van deze gelegenheid maakten bijna alle eerste

klasse-passagiers gebruik om aan wal te gaan om Hongkong te leeren

kennen. Wij zullen hier tot 27 Augustus blijven, om gelegenheid te

hebben Macao en Canton, deze twee merkwaardige steden in Zuid-China,

die in de geschiedenis van China zoo'n belangrijke rol hebben gespeeld,

te bezoeken. Woensdagmorgen zullen wij met de eerste boot naar Macao

afreizen en daarmede onzen tocht door China beginnen.

Men verwachte echter niet, dat het mij mogelijk zal zijn, den lezers

ook maar bij benadering een beeld te geven van een volk, dat in elk

opzicht zooveel verschilt van het onze en dat daarbij op het oogenblik

in dit oeroude land, met zijne oude gebruiken en instellingen, een

nieuw leven is begonnen.

De Chineezen, een volk, dat met zijn 426 millioen, een derde van de

geheele menschheid uitmaakt, moest eenmaal als de eerste onder de

volkeren gerekend worden, omdat het toen in ontwikkeling en beschaving

bovenaan stond. Langzamerhand is het evenwel zoo gedaald, dat het tot

de laatsten is gaan behooren en elk volk het zich tot oneer rekent,

"de Chineezen van Europa" genoemd te worden. Het idee, dat dit volk

zich van zijne overheerschers trachtte te ontdoen en een republiek

wou gaan stichten, bracht nog niet lang geleden een glimlach op elks

gelaat; niemand geloofde hen tot zoo iets in staat. Toch hebben zij het

feit volbracht, zich van de Manchu-regeering ontdaan en een republiek

gesticht, maar of deze republiek genoeg levensvatbaarheid bezit om

zich te kunnen handhaven, is voorloopig nog een open vraag. Het

is niet alleen gebrek aan de noodige geldmiddelen, waardoor het

voortbestaan van dezen democratischen regeeringsvorm bedreigd wordt;

oneenigheid, wantrouwen, onderlinge jaloezie in eigen gelederen

is een veel ernstiger factor voor den mogelijken ondergang van dit

pasgeboren wicht. Een zeer ontwikkeld en vrijzinnig Chinees met wien

wij dezen middag den politieken toestand van het land bespraken,

sprak onomwonden zijn vrees uit, dat een wijd verspreide anarchie

weldra zal volgen en dat de geheele opstand ten slotte zal eindigen

in eene verbrokkeling van dit groote land.

Het reizen in China is voor toeristen nog maar voor een gedeelte

mogelijk, alleen waar men met booten of per trein kan komen, en dat is,

in verhouding tot de uitgestrektheid van het land, niet zoo heel ver,

kan men gerust gaan. Van de prachtige bergen, duizenden dichtbevolkte

steden, die ieder op zich zelf door de godsdienstige of heilige

reliquien, die zij bevatten, een bezoek overwaard zijn, zullen wij

niets kunnen zien. Wij mogen blijde zijn dat Canton en Macao, de twee

merkwaardigste steden in het zuiden van het land, op dit oogenblik zoo

rustig zijn, dat wij er onbevreesd kunnen heengaan. Weichow, dat wij

in dezen tocht ook wilden opnemen, moesten wij opgeven, omdat daar de

bevolking nog volstrekt niet rustig is en vreemden er niet veilig zijn.

Woensdag 21 Augustus. Toen de Hongkongsche toren, deze sta-in-den-weg

op het kruispunt van de twee drukste straten, hedenmorgen met 7 slagen,

die in staat waren heel Hongkong tot nieuw leven te wekken, het

vroege morgenuur aankondigde, stonden wij met onze handbagage gereed

om elk in een rickshaw te stappen om ons naar de werf te begeven,

vanwaar de boot naar Macao afvaart. De rickshaws worden hier en in

Japan Jinrikshaw genoemd, hetgeen beteekent "een door menschenkracht

voortbewogen wagen". Onze vlugge dravers brachten ons twintig minuten

lang door de drukste straten van Hongkong, voorbij de vischhal,

de vleeschhal, de groentemarkt, door dichtbevolkte volksbuurten

en naar dat deel van de haven, waar ontelbaar vele booten liggen,

die het verkeer in het binnenland onderhouden. Niettegenstaande het

vroege morgenuur, was toch overal reeds zoo'n groote levendigheid en

bedrijvigheid, dat het geheel op een groote mierenhoop geleek. Elkeen

rende volbeladen naar en van de haven, mannen en vrouwen betwistten

elkaar een zware vracht, en kinderen van 5, 6 tot 8 jaar oud, met

een nog kleiner broertje of zusje op den rug gebonden, raapten den

afval op en stopten al het bruikbare--en voor een Chinees schijnt

alles bruikbaar--in een meegebrachten zak.

De Sui Ann, die ons in vier uren naar Macao zou brengen, was een

mooi bootje, met een zeer mooi bovendek vol gemakkelijke stoelen. Wij

hadden in het hotel zoo vroeg geen ontbijt kunnen krijgen en daarom

vroegen wij op de boot, of men iets voor ons kon gereed maken. Wij

waren zeer verrast, toen ons een ontbijt ten deel viel, beter,

smakelijker en rijker van goede vruchten voorzien dan wij in lang

genoten hadden. Wij waren weder de eenige eerste klasse passagiers.

Nauwelijks waren wij de haven uit en een eindje door het Lamma-kanaal

gevaren, toen een bijzondere drukte van politiebootjes met Engelsche

politie en militairen bemand, onze aandacht trok. "Wat beteekent

dat?" vroeg ik den kapitein. "Houden zij oefeningen of is er iets

bijzonders?" De kapitein glimlachte even en vertelde ons, dat in

den afgeloopen nacht een troep zeeroovers, ongeveer 50 man sterk,

het dorpje Cheung-Chau, op het eiland Lamma gelegen, letterlijk hadden

uitgeplunderd en vier der politie-autoriteiten hadden gedood. Het leek

ons bijna ongelooflijk, dat zoo iets zoo nabij Hongkong heeft kunnen

gebeuren en dat deze mannen hebben kunnen ontkomen, zonder een spoor

achter te laten. Maar toen wij wat verder tusschen de onophoudelijke

heuvelenreeks doorvoeren, was het toch ook wel duidelijk, dat het

zelfs voor een tienmaal grootere politiemacht niet mogelijk zou

zijn deze misdadigers op te sporen. Het dorpje Cheung-Chau, door

de Engelschen Dump-Bell-eiland genoemd, lag er zoo rustig, toen

wij er voorbij stoomden. Op elken heuveltop--en het waren er zeer

vele--stond een zendelingengesticht en aan den voet van den heuvel

lagen de tallooze kleine visschershuisjes, zoo kalm, alsof er niets

gebeurd was. Het zijn voornamelijk Amerikaansche zendelingen, die in

den zomer naar dit eiland trekken. Ik had reeds van een onzer vroegere

kapiteins vernomen, dat dit heele gedeelte, van Hongkong tot Macao,

vroeger berucht was door de vele staaltjes van brutaal optreden der

zeeroovers, maar dat zulke dingen nu nog konden voorkomen en dat

nog wel op Britsch grondgebied, waar men zich zoo veilig waant, dat

was meer dan ik verwacht had. Er schijnt echter nog steeds gevaar te

bestaan, want onze kapitein zeide zeer geruststellend, dat geen schip

dezen tocht maakt, zonder voorzien te zijn van de noodige gewapende

Europeanen aan boord, om in geval van nood het leven en de have der

aan boord zijnden te beschermen. Vandaag waren wij natuurlijk al heel

veilig, omdat nu dit stukje zee van politie wemelt.

Maar wat klonk dat alles in disharmonie met de prachtige natuur,

die ons daar omgaf. Wij gingen onophoudelijk dicht langs de kust en

genoten van hetgeen wij zagen. De tijd vloog om, zoodat, eer wij er

aan dachten, Macao reeds op het smalle, heuvelachtige eiland voor

ons lag. Reeds bijna vier eeuwen verheugen de Portugeezen zich in

het bezit van dit mooie stukje grond, waar zij echter dikwijls voor

groote moeilijkheden staan. De alhier wonende Chineezen schijnen

bijzonder revolutionnair gezind te zijn, waarvan trouwens op Java

ook genoeg last wordt ondervonden. Mij werd ten minste in Semarang

en Soerabaja verzekerd, dat het bijna altijd de Macaoërs waren,

die daar de moeilijkheden onder de Chineezen teweegbrengen.

Daar lag dan Macao half cirkelvormig langs de zeekust, aan weerszijden

geflankeerd door ouderwetsche forten. Het was alsof wij Nice of

een der andere steden aan de Riviera voor ons zagen. Maar toen wij

den hoek omgingen naar het achtergedeelte van het eiland, naar de

binnenhaven, en daar de honderden Chineesche visschersvaartuigen

zagen, visschersschuiten, zooals men ze nergens anders ziet, toen

was het Europeesche beeld geheel verdwenen; het Chineesche leven,

zooals dat voor een deel op het water afgespeeld wordt, lag voor

ons. In dit waterleven spelen de vrouwen een groote rol. Booten,

uitsluitend bemand met vrouwen, of booten, waarop de hoofdfuncties

door vrouwen worden waargenomen, zagen wij er ontelbaar. Sommige

van die vrouwen hadden haar baby op den rug gebonden en hanteerden

de zware roeispanen alsof het veertjes waren. Barbiers, acteurs en

bootmenschen behooren in China tot de laagste klasse der bevolking, zoo

laag zelfs, dat het drie generaties vereischt, alvorens men uit deze

klasse oprijst en een of andere burgerpositie kan innemen. Maar dat

schijnt den Chineeschen bootvrouwen niet te deren; zij zien er gezond,

krachtig en opgewekt uit en schijnen zich van de zorgen des levens

niet veel aan te trekken. Men ziet ze steeds lachen en gekheid maken.

De stad Macao is verdeeld in twee gedeelten, een zeer druk en levendig

lager gedeelte van de stad, waarin uitsluitend Chineezen wonen en

het zeer fraai en hooger gelegen deel, waar de Portugeezen zijn

gehuisvest en waar de officieele gebouwen zijn. Dit Portugeesche

gedeelte lijkt geheel niet op een Orientale stad, het zijn alle

Europeesche huizen, met prachtige tuinen, huizen echter, die in niets

beantwoorden aan de behoeften van het heete klimaat. Wij bezochten

in Macao de weelderig ingerichte woning van den gouverneur-generaal,

met den daarbij behoorenden merkwaardigen tuin en kwamen tot de

conclusie, dat de Portugeesche regeering haar vertegenwoordiger hier

schitterend heeft gehuisvest. Wij zagen een paar Chineesche tempels,

eenige bijzonder fraaie of liever oude Katholieke kerken, een Pagoda,

de openbare tuinen, en maakten een rickshawtocht door de stad.

In het Chineesche gedeelte liepen de varkentjes in zoo grooten getale

en zoo genoegelijk met de kippen samen in de straten, dat men telkens

vreesde over ze te vallen. Varkens schijnen hier gewone huisdieren

te zijn, want ze liepen in de open winkels en huizen rond alsof ze er

thuis behooren. Men weet, dat de Chinees wel kip- en varkensvleesch,

maar geen ossevleesch bij zijn rijst nuttigt; het laatste is verboden

vrucht voor hem.

De Chineesche straten in Macao zijn vol speelhuizen; heele reeksen

huizen geven naast het Chineesche opschrift ook in de Engelsche

taal te kennen, dat zij "gambling houses" zijn. Bovendien zijn

zij door hun opzichtig vertoon van groote gekleurde Chineesche

lantaarns, beelden, die beschermgeesten van het spel voorstellen,

en andere in het oog loopende dingen, direct van andere huizen te

onderkennen. De Portugeesche regeering staat niet alleen dit spelen

toe, maar verpacht die speelhuizen, of liever zij heeft het monopolie

van het houden van die walgelijke inrichtingen voor 700.000 dollars

aan een syndicaat verpacht, dat nu honderden van die inrichtingen

in het Chineesche gedeelte van de stad heeft gevestigd, waar dag in

dag uit, het geheele jaar door, zonder een dag rust, gespeeld kan

worden. Deze huizen zijn altijd open, elke seconde van de 24 uren van

een etmaal kan men er binnengaan en zijn geluk beproeven of zijn geld

verliezen. Wij bezochten er een paar en sloegen eenige oogenblikken

het spel gade. Mij werd verteld, dat nooit een uur van den dag of

van den nacht deze huizen ledig zijn; ten allen tijde vindt men er

menschen, die hun soms zuur verdiende penningen daar in een oogwenk

verliezen. Het is geen roulette, maar een Chineesch spel, waarvan ik

de finesses nog niet begrijp, dat daar gespeeld wordt.

Maar niets in de stad interesseerde ons zoo sterk als het leven in

de binnenhaven, dat wij niet moede waren van het dek van de boot af

gade te slaan, tot wij om 9 uur de reis naar Canton aanvaardden. Reeds

om 6 uur ging de zon onder en daarmede begon ook de verlichting der

tallooze schepen. Zij hadden alle één licht in den mast, maar sommige

hadden, er zooveel, alsof zij aan het illumineeren waren. Bovendien

zagen wij telkens vliegers in den vorm van mannetjes en vrouwtjes de

lucht invliegen, die op betrekkelijk geringe hoogte in brand werden

gestoken. Vuurpijlen vlogen onophoudelijk de lucht in en vuurknappers

hoorde men telkens met langgerekt geraas ontbranden. Van verschillende

booten bereikte een vervelende en eentonige muziek onze ooren en dat

alles geschiedde met de goedige bedoeling om de geesten van afgestorven

familieleden, die 's avonds om de schepen dwalen, aangenaam bezig te

houden en goedgezind te stemmen.

Het Chineesche volk is verschrikkelijk bijgeloovig; het zal de

nieuwe regeering, als die zich weet te handhaven, nog heel veel

moeite kosten, om alle hervormingen, die zij op haar program heeft,

te kunnen invoeren. Hoeveel moeite het gekost heeft om de eerste

telegraaflijnen en spoorlijnen hier tot stand te brengen, daarvan

kan het volgend verhaaltje een denkbeeld geven.

De eerste telegraaflijn, die in China tot stand werd gebracht, verbindt

Hongkong met Canton en is het werk van Engelschen. Nu gelooven de

Chineezen vast, dat Hongkong de stad der "negen Draken" is en Canton

wordt de stad der "schapen" genoemd. Canton ontleent dezen bijnaam

aan de legende, waarin verteld wordt, dat eenmaal 5 geniën op rammen

door de lucht kwamen rijden en in Canton nederdaalden. Onmiddellijk

daarop versteenden de rammen; deze versteende beesten worden thans

nog in een tempel verheerlijkt, doch de vijf geniën bleven in Canton

nog langen tijd hunne wijsheid verkondigen. Bovendien wordt de mond

van de Cantonrivier, waarover de telegraaflijn loopt, de "tijger's

mond" genoemd. De Chineezen waren nu van oordeel, dat de nieuwe

telegraaflijn ontegenzeggelijk ongeluk moest aanbrengen, omdat zij

de vijf schapen regelrecht in des tijgers mond of in de macht der

negen draken bracht. Dat moest verhinderd worden en telkens werden

de nieuwe telegraafpalen uit den grond getrokken en het werk der

ondernemers zeer bemoeilijkt. Eerst nadat de Engelschen door een

groote politiemacht het werk langs de geheele lijn lieten bewaken,

kon het tot een einde gebracht worden.

Met den aanleg der spoorwegen ging het niet beter. Telkens werden de

ondernemers bemoeilijkt bij het aanleggen van een nieuwe lijn, omdat

Fung-Shui er tegen is. Fung-Shui is een denkbeeldig iets, een geest,

die geluk of ongeluk aanbrengt, die zich overal kan nestelen. Als een

spoorlijn loopt over een stuk grond waar Fung-Shui huist, dan kan men

zeker zijn, dat er telkens ongelukken gebeuren. Wat Fung-Shui op zijn

geweten heeft, zou een geheel boek kunnen vullen.

Maar over deze spokerijen schrijf ik vanavond niet meer, 't is reeds

bijna middernacht en morgenochtend komen wij reeds vroeg in Canton

aan en dan moet ik vroeg gereed zijn.

Hebben wij vandaag een stuk Chineesch leven gezien, dat geheel

verschilt van dat in Hongkong, het echte was het toch nog niet. Er

liepen nog te veel Portugeesche soldaten en officiertjes en te veel

Europeesch gekleede dames door de straten van Macao en er waren te

veel Katholieke kerken, om ons niet elk oogenblik te herinneren,

dat wij ons in eene Portugeesche kolonie bevonden.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 112 / 133 题