V.

Langzamerhand begin ik te begrijpen, wat het te beteekenen heeft hier

te zijn in het regenseizoen en in den typhoontijd. De regenmoesson

duurt van Juni tot November en de typhoonmaanden zijn Augustus en

September. Wij genieten nu van beide. Het regent nu reeds meer dan 14

dagen en soms zoo erg, dat men er bijna doof van wordt. Onophoudelijk

klettert de regen in stroomen neer en het veroorzaakt daarbij soms

zoo'n geraas, dat het onmogelijk is zich alsdan verstaanbaar te

maken. Die de regens, zooals zij hier vallen, niet heeft bijgewoond,

kan er zich eenvoudig geen begrip van maken. Men berekent den regenval

hier niet in inches, maar in voeten; zooveel voet regen is er gisteren

gevallen, vindt men 's morgens in de couranten vermeld. Manilla staat

dan ook reeds voor een deel onder water, met schuitjes moeten de

menschen, die in dat deel wonen, zich over straat voortbewegen. Tal

van diners en avondpartijen hebben reeds moeten worden uitgesteld,

omdat het eenvoudig onmogelijk is het huis goedschiks te bereiken.

Heel erg ziet het er evenwel uit, wanneer deze regens vergezeld

gaan van een typhoon. Ik heb ze hier nu bijgewoond, al waren ze

dan maar van korten duur en niet van de hevigste soort. Het zijn

hevige wervelwinden, die niemand weerstand kan bieden en elkeen

tegen den grond werpen. Zoo'n storm doet boomen ontwortelen, hooge

palmen middendoor breken, haalt telegraaf- en telefoonpalen omver,

neemt de daken van de lichtgebouwde huizen en voert ze honderd meter

weg; kleine vaartuigen worden in de rivier of in de zee opgenomen en

onderstboven gekeerd en hij doet zelfs dit massief gebouwde hotel,

waarin wij ons bevinden, schudden alsof het van papier is. Ik weet

nu ook, waarom men hier geen glasruiten heeft: zij zouden in zulke

oogenblikken in honderden scherven uiteenvallen. Daarom heeft men hier

de vensters in kleine ruitjes verdeeld en met een soort micaplaatjes

ingevuld. Deze plaatjes laten slechts een zeer gedempt licht door. Maar

in gewone omstandigheden hindert dat niet, omdat de vensters nacht en

dag openstaan en alleen in dagen, waarop de regen door alle openingen

naar binnen wil dringen, gesloten zijn.

Wij ondervinden door dit weder de grootste teleurstellingen. De

ergste is wel, dat wij geen gebruik durfden maken van de ons

aangeboden gelegenheid om de voornaamste eilanden der Philippijnen te

bezoeken. Wij hadden in het begin van ons verblijf hier, onzen wensch

te kennen gegeven, om ook naar de andere eilanden van de Philippijnen

te gaan, en informeerden naar de meest geschikte gelegenheid. De

gouverneur-generaal had van onzen wensch gehoord en op een tea te

zijnen huize vroeg hij ons, of wij genegen waren als inspectrices van

onderwijs met een gouvernementstransportschip te reizen, dan zou hij

ons een aanstelling bezorgen en konden wij met het eerstvertrekkende

schip eene rondreis maken en alle voorname eilanden aandoen. Natuurlijk

namen wij deze prachtige aanbieding volgaarne aan, ontvingen spoedig

daarna onze stukken als staatsambtenaren en zouden 3 Augustus met de

"Merritt" vertrekken. Alles was zoo zorgvuldig voor ons voorbereid,

overal werd ons gedurende ons verblijf vriendelijke gastvrijheid

aangeboden en het zou een eenige gelegenheid zijn geweest om in

betrekkelijk korten tijd een goed overzicht te krijgen van de geheele

eilandenreeks. Maar het weder is zoo fataal, typhoons volgen elkander

zoo snel op, dat alle vrienden ons ten sterkste moesten ontraden in

dezen tijd op zee te gaan. Wel zouden wij in anderhalven dag buiten

de typhoonstreek geraken, maar in dat eerste anderhalve etmaal kon

toch nog genoeg gebeuren. Het was zoo'n groote teleurstelling, dat

wij deze gelegenheid moesten laten voorbij gaan en onder dankbetuiging

onze stukken moesten terugzenden, dat wij den dag tevoren nog eerst,

in een oogenblik waarin de regen het mogelijk maakte in een dichte

automobiel even uit te gaan, ons naar het Observatorium begaven, om

van de heilige vaders te vernemen, welk weder er in de eerstvolgende

dagen te verwachten was. Maar ook deze goede oude heeren vonden het

raadzamer in de eerste dagen geen zeereis te ondernemen en aan dien

raad hebben wij ons ten slotte gehouden. En zoo zitten wij nu hier

kalm af te wachten, wanneer regen en wind tot bedaren zullen komen en

als er dan een goed schip vertrekt, dan zullen wij van de gelegenheid

gebruik maken om weer naar Hongkong terug te keeren.

Heelemaal doelloos brengen wij onzen tijd daarom toch niet

door. Mrs. Catt hield reeds twee keeren een voordracht over

vrouwenkiesrecht. Den eersten keer sprak zij in de "Veertiendaagsche

Club van Amerikaansche vrouwen" en had toen tot onderwerp: "De

vrouwenkiesrechtbeweging in de verschillende landen". Vele harer

hoorders gevoelden zich na hare voordracht opgewekt om op de een

of andere wijze hare eigen landgenooten in den kiesrechtstrijd te

steunen en beraamden achterna plannen op welke wijze zij dat het

best kunnen doen. Om hier tot eene organisatie te komen, heeft voor

de Amerikaansche dames eigenaardige bezwaren, want zij behooren tot

verschillende staten in Amerika en elke staat heeft daar zijn eigen

organisatie. Zij zullen echter trachten op de een of andere wijze

hare gevoelens in dezen blijk te geven.

Hare tweede voordracht was in de Club Nacionalista Philippino. De

damesleden van deze club hadden ons voor een tea uitgenoodigd,

vergastten ons op bandoline-muziek, zang en Philippino-gebak en

een langen welkomstgroet van de presidente, een studentje in kunst

en literatuur, in de Spaansche taal. Deze groet werd later in het

kort voor ons vertaald in het Engelsch. Mrs. Catt sprak toen het

jeugdig auditorium toe over "de nieuwe plichten van de moderne

vrouw". Een groep uit deze vrouwen heeft zich nu georganiseerd om

een rapport over de wettelijke en maatschappelijke positie van de

Philippino-vrouwen samen te stellen en om een of meer dames uit haar

midden te benoemen om haar het volgend jaar te vertegenwoordigen

op het internationaal congres te Budapest en daar het rapport uit

te brengen. Twee meisjes-studenten, die tegen dien tijd hare studie

voleindigd zullen hebben, hebben zich reeds beschikbaar gesteld, om

op eigen kosten de reis daarheen te maken. Als het enthusiasme, zooals

dat thans is gewekt, laaiende blijft, dan zal het plan zeker gelukken.

De Philippino's die, zooals men weet, tot hetzelfde ras als onze

Javanen behooren, en in uiterlijk zeer veel overeenkomst met hen

vertoonen, staan in het algemeen genomen in geestelijke ontwikkeling

veel hooger. Dit is in hoofdzaak het meest in het oogloopend het

geval met de vrouwen. Hoogstwaarschijnlijk danken de vrouwen haar

grootere vrijheid en hoogere ontwikkeling aan het feit, dat de

Mohammedanen hier nooit grooten invloed gehad hebben, dat hier nooit

polygamie is kunnen ingevoerd worden en dat de vrouwen zich nimmer

hebben laten opsluiten of haar gelaat achter dichte sluiers hebben

verborgen. Overal waar wij tot nog toe polygamie en opsluiting der

vrouwen hebben aangetroffen, was de wettelijke en maatschappelijke

positie der vrouw eene allerbedroevendste.

De vrouwen in de Philippijnen doen ons het meest denken aan de vrouwen

in Burma, zooals wij die in Rangoon hebben aangetroffen. De vrouwen

hier hebben echter in de laatste jaren van de goede Amerikaansche

scholen kunnen profiteeren en daardoor staan de jongere vrouwen in

de Philippijnen in geestelijke ontwikkeling boven hare Burmeesche

zusters. Beiden zijn echter waardige vertegenwoordigsters van het

Maleische ras, die zich niet door godsdienstprofeten de plaats hebben

laten voorschrijven, waar de vrouw behoort te staan, noch "haar

Roeping" door mannen hebben laten vaststellen; zij hebben haar eigen

"Roeping" en eigen "Plaats" bepaald en die plaats is in de Philippijnen

eene zoo in het oogloopende en een zoo goede, dat president Taft,

toen hij in 1901 als gouverneur-generaal in de Philippijnen kwam, in

zijn eerst uitgegeven rapport Over deze eilanden als zijne meening

uitsprak, dat in alle eilanden hier de vrouwen superieurder waren

dan de mannen en deze superioriteit zoowel bestond in geestelijke

ontwikkeling, als in moreele levensopvatting en in energie en ijver.

Het is zeker vreemd, dat Spanje en de Katholieke kerk, welks macht

hier ruim drie eeuwen gevoeld werd, nooit zoozeer hun stempel op de

vrouwen als op de mannen hebben kunnen drukken; de vrouwen hebben veel

meer den oorspronkelijken vrijen geest behouden dan de mannen. In de

Philippino-revolutie van 1898, de opstand van dit Orientalisch volk,

om zich van de Spaansche overmacht te ontdoen, omdat die macht hen

niet tot verdere ontwikkeling liet komen, werd de rol, die de vrouwen

daarin speelden, zeer sterk gevoeld en ofschoon de vrouwen meer een

dicteerende rol achter de schermen hebben gespeeld, namen zij toch

ook aan den wapenstrijd op menig eiland daadwerkelijk deel.

Wij waren ook een avond de gasten van de Spaansche heeren- en

damesclub. Ook op dien avond maakte de gelegenheid tot dansen de

hoofdzaak van het programma uit. Met vele Spaansche dames hebben wij

toen kennis gemaakt, doch deze staan in geestelijke ontwikkeling

niet op één lijn met hare Philippino-zusters. De tijd, dien deze

laatsten gebruiken om zich wetenschappelijk te bekwamen en om zich in

of buiten huwelijk economisch vrij te maken, gebruiken de eersten om

allerlei Europeesche of Amerikaansche kunstjes aan te leeren en zich

vooral zeer Europeesch voor te doen. Zij spreken bij voorkeur Fransch,

kleeden zich bij Fransche modistes en leggen daarbij goeden smaak en

groot weeldevertoon aan den dag. Toch kunnen zij hun Carmencita-natuur

nu en dan niet geheel bemantelen. De Spaansche dames, zooals wij die

hier ontmoet hebben, bezitten voor ons weinig aantrekkelijks.

Beter hebben wij ons geamuseerd toen wij in een vooravond de

gasten waren van de 180 Philippino-meisjes-studenten, die allen

van buiten Manilla komen en gezamenlijk in een van de dormitories

door de regeering gehuisvest zijn. Alle meisjes, die geen ouders

of familieleden in Manilla hebben en een van de inrichtingen

van middelbaar of hooger onderwijs hier bezoeken, worden door de

regeering in groote pensions ondergebracht, waar zij kosteloos

voeding en huisvesting ontvangen. In de grootste dezer, waar,

zooals ik schreef, 180 meisjes bijeen zijn, hadden de meisjes, met

goedkeuring van de directrice, ons uitgenoodigd te komen. Er waren

leerlingen van de normaalschool, aanstaande onderwijzeressen dus,

studenten, in de pharmacie, medicijnen, rechten en philosophie,

leerling-verpleegsters en studenten in allerlei afdeelingen van kunst.

De versnaperingen ons dien avond aangeboden waren alle door de

meisjes zelven bereid, andere meisjes maakten muziek of dansten de

native-dansen voor ons en ten slotte vroegen zij ons om haar iets

te vertellen van meisjes-studenten uit Amerika en Holland. Zij

waren ten hoogste verbaasd, dat wij in Holland geen vrouwelijke

professoren hebben en dat wij eigenlijk niet veel verder zijn dan de

Philippino-vrouwen, en nog hooger steeg hare verwondering, toen ik

mededeelde, dat ons land met de ontwikkeling van 't Javaansche meisje,

dat met het Philippino-meisje zooveel punten van overeenkomst bezit,

pas kort geleden een begin heeft gemaakt en dat verreweg het grootste

aantal Javaansche vrouwen nog niet lezen of schrijven kan. Dat de

Mohammedaansche godsdienst, die op Java beleden wordt, die de vrouwen

en meisjes binnen de perken der woning houdt, grootendeels hiervan

de schuld is, heb ik getracht haar duidelijk te maken, zoodat onze

regeering geen al te poover figuur in dezen naast die van Amerika

maakt.

De Philippinoos houden van muziek en plezier maken, elke gelegenheid

wordt daartoe aangegrepen. Begrafenissen zijn hier familiefeesten. Met

de vroolijkste en soms allerzonderlingste muziek worden hier de

lijken grafwaarts gedragen en na de begrafenis keeren de treurende

familieleden en vrienden naar de woning van den overledene terug, om er

den heelen dag te smullen en den avond, soms tot den volgenden morgen,

in dans en muziek door te brengen. Als men zoo'n woning passeert,

gelooft men eerder dat er een bruiloft dan een begrafenis gevierd

wordt. De kerkhoven zijn hier ook zeer eigenaardig. Men begraaft de

lijken niet in den grond, maar in de nissen van dikke muren. Zoo'n

Philippino-kerkhof bestaat uit een klein Katholiek kerkje. Daaromheen

zijn cirkelgewijs drie of vier dikke wallen gebouwd, muren die een

dikte hebben van een man's lengte. De muren zijn vol nissen en elke

nis bevat een lijk. Het lijk wordt uit de kist genomen en zoo in de

nis geduwd. De sluitsteen van de nis bevat den naam etc. van den

gestorvene. De huur van zoo'n nis bestaat in 5 pesos per jaar en

moet voor 5 jaar tegelijk voldaan worden. Wordt na afloop van dien

termijn de huur door de familieleden niet vernieuwd, dan werden,

vóór de Amerikanen hier kwamen, de overblijfselen eenvoudig uit de

nis genomen en buiten de muren op een hoop gesmeten; thans, onder

Amerikaansch regime, worden ze gecremeerd. Op die wijze zijn er altijd

nissen vrij om nieuwe bewoners te ontvangen en maakt de kerk een goed

zaakje van de sterfelijkheid der Philippinoos.

Een allergekst contrast vormt de lawaaierige manier, waarop een

lijk naar de begraafplaats gebracht wordt en het totale gebrek aan

formaliteiten waarmede het in de nis geduwd wordt, zoodra het op het

kerkhof is aangekomen. Geen priester om daarbij een laatste woord

of een gebed uit te spreken is aanwezig, geen huilende of treurende

familieleden doen zich gelden, de kist wordt eenvoudig voor de nis

neergezet, geopend en het lijk er door een man uitgenomen, die voor

het verder werk zorgt. Met de ledige kist, die voor zoo'n gelegenheid

gehuurd wordt, aanvaardt men den terugtocht.

Het aanhoudende natte weder, dat ons zooveel binnen de muren van het

hotel houdt, heeft toch ook wel eens zijn aangename zijde en bezorgde

ons een dezer dagen een avontuurtje, dat ons steeds als wij er aan

terugdenken, zal doen lachen en vroolijk stemmen. Door het vele tehuis

zijn hebben wij langzamerhand met de meeste toeristen in het hotel

kennis gemaakt en toen wij een avond vertelden van de verschillende

bals, die wij hier bijgewoond hebben, vroeg een der heeren ons of

wij dan niet ook eens kennis moesten maken met de bals, die er alle

avonden op verschillende plaatsen buiten Manilla gehouden worden en

waarop de Amerikaansche militairen zich met de Philippino-meisjes

vermaken. Wij waren een groep van zeven, vier dames en drie heeren, en

allen dachten, dat het zeer interessant zou zijn daar eens gezamenlijk

heen te gaan. Het was tien uur 's avonds, de mooiste tijd, die men

voor zoo'n bezoek uitkiezen kon; de groote auto van het hotel kon

7 personen bevatten, er was dus geen reden om niet onmiddellijk de

daad aan het woord te verbinden. De auto kwam voor en zooals wij daar

zaten in onze lichte avondtoiletten en met dunne schoentjes stapten

wij in. Eerst gingen wij naar de balzaal in St. Anna, welke door de

militairen van het fort Mc.Kinley gefrequenteerd wordt. Het ging er

geanimeerd toe. De dansmeisjes zitten rechts, de danslustige heeren

links van de zaal. Alleen als de muziek begint mogen de heeren zich

van links naar rechts begeven, om een meisje uit te zoeken, doch

meestal treden de schoonen hen reeds halverwege tegemoet. Dan wordt

gedanst, vier minuten lang, en dan scheiden de paartjes zich voor één

minuut, doch niet voordat de cavalier uit zijn broekzak 20 centavos

(ongeveer een kwartje) opgediept heeft en die aan zijn schoone ter hand

gesteld. De helft van die som behoudt het meisje, de andere helft heeft

zij aan den eigenaar van het lokaal af te dragen. Voor eene goede orde

van zaken houdt de politie een oogje in het zeil. Zoo moeten de dames

en heeren als er niet gedanst wordt elk in eigen afdeeling blijven,

is het streng verboden alcoholische dranken te gebruiken en wanneer

een dansend paartje al te zinnelijk zich voortbeweegt, worden zij

door de politie uit elkaar gezet. In de balzaal kan er dan ook niets

onbehoorlijks gebeuren, maar het brengt de jeugd van beiderlei kunne

in nauw kontakt en als resultaat van zoo'n kennismaking volgt dikwijls

eene voortzetting buiten de balzaal en uit deze intiemere verhouding

wordt het aantal mestizos sterk vermeerderd.

Na dit bezoek zouden wij nog naar een andere dergelijke gelegenheid

gaan, aan de andere zijde van Manilla gelegen. Weldra zaten wij

weder in de auto en voort ging het in een stortregen en in het

middernachtelijk uur. Manilla was in een oogenblik bereikt, wij stoven

door de stille, nauwe straten van de oude stad en waren heel gauw aan

de andere zijde er weder uit. Een dorp of voorstad gingen wij door,

't was er zoo stil of het geheel was uitgestorven, toen een langen

modderigen landweg over, door een ander native-dorp en daarna sloegen

wij een zijweg in. Hier begon het. De auto begon te schudden alsof

zij ons wilde uitwerpen, hokte, met rare, sissende geluiden en ging op

eens niet verder. Het was alsof wij ons op een zinkend schip bevonden,

dat van achter af langzaam naar beneden zakt. Eerst sprongen de heeren

uit. Zij zonken tot aan de knieën in een dikke modderlaag en waren

volstrekt niet zeker, dat zij toen op vasten bodem stonden. Met behulp

van den chauffeur werd geprobeerd de achterwielen te lichten, doch

er was geen beweging in het zware voertuig te brengen. Toen moesten

wij er uit. Het zeildoek, waarmede de kap van den auto bedekt was,

werd los gepeld en op den grond uitgespreid en daarop zouden wij gaan

staan. Eerst was ik aan de beurt. Alleen op het zeildoek staande en

de lichtste van de partij zijnde, hield het mij goed, ik zonk niet te

diep in en stond droog. Toen kwamen mijne lotgenooten. Elken keer als

er een mijn standplaats kwam deelen, zonken wij dieper en ten slotte

kwam de modder aan alle kanten over de randen heen loopen en stonden

wij tot aan de knieën in de natte massa.

De pogingen van de heeren om toen de auto te lichten, mislukten en

eindelijk moesten wij van de sterke armen van een paar Philippinoos,

die waren komen kijken, gebruik maken, om ons naar den hoofdweg terug

te dragen en ons daar op een droog plekje neer te zetten. Doch hoe

konden wij naar Manilla terug komen? Wij waren vijf mijlen van ons

hotel verwijderd, geen voertuig bevond zich meer op den weg en de

beide mannen, die ons gedragen hadden, waren de eenige personen die

wij in het dorpje zagen. Deze mannen verstonden geen woord Engelsch

en wij verstonden niets van 't geen zij spraken. Ten slotte werd hun

toch aan het verstand gebracht, dat wij rijtuigen moesten hebben en

na eenig wachten kwamen zij dan ook, elk met een wagen, waarop zij

in den morgen groenten naar de markt brengen, met een sukkelpaardje

er voor, aanzetten. Op deze beide wagentjes verdeelden wij ons,

voor den regen overdekt met de heerenjassen en groote palmbladen en

toen ging het in een sukkeldrafje naar Manilla terug. Onderwijl zaten

wij aanhoudend in angst, dat het paardje het niet halen zou, zoodat

telkens de heeren uitstapten om te loopen, doch zij durfden ons toch

midden in den nacht met deze mannen niet alleen te laten. Om twee uur

kwamen wij eindelijk in het hotel terug, nat van boven en van onder,

nat door de modder, waarin wij gestaan hadden, door den regen, die

op ons neergekletterd had en door het transpireeren dat wij onder de

heerenjassen gedaan hadden. In de wagentjes, waarin wij gekomen waren,

zijn eenige werklieden met de noodige instrumenten teruggezonden,

om den chauffeur te helpen zijn wagen te lichten om terug te kunnen

keeren. Eerst tegen den morgen was die arme man komen aanzetten.

Van alles wat wij hier zien en beleven zal ik natuurlijk geen getrouw

verslag kunnen geven, maar ik zou toch een onvergeeflijke fout maken,

als ik brieven uit Manilla zond en met geen enkel woord gewaagde van

datgene waardoor deze stad in ons land het meest bekend is. Ik durf

wedden, dat er vele landgenooten zijn, die van Manilla niets anders

afweten, dan dat er Manilla-sigaren vandaan komen en die nooit iets

anders uit Manilla gelezen hebben dan "La Flor de la Isabela" op den

binnenkant van sigarenkistjes. De bevoorrechten, die Manilla-sigaren

kunnen rooken, kan ik de geruststelling geven, dat zij onder de uiterst

hygiënische voorzorgen alhier gemaakt worden en dat de Amerikaansche

regeering bij geen ander verbruiksartikel zoo'n groote mate van zorg

ten toon spreidt als in de surveillance der sigarenfabrieken. Er is

een afzonderlijke wet, gebaseerd op hygiënische voorschriften, waaraan

de sigarenfabrikanten hebben te gehoorzamen. Al de groote fabrieken

hebben dan ook hun eigen dokter, die dagelijks honderden werklieden

surveilleert en onmiddellijk elk verdacht ziektegeval uit de gelederen

verwijdert. Alleen de in elk opzicht gezonde jonge mannen en vrouwen

kunnen in de fabrieken als werklieden aangenomen worden en deze zijn

verplicht om zich twee keer in elke maand opnieuw aan een medisch

onderzoek te onderwerpen. Bovendien nemen alle werklieden, vóór zij

het werk aanvangen, telkens een desinfectiebad en doen een schoon

pak kleederen aan. In de badkamers, de W. C., de gelegenheden waar

de lunch gebruikt wordt, overal heerscht de uiterste zindelijkheid

en met zware boete wordt elkeen gestraft, die met lippen of tong

een sigaar aanraakt of die iets anders voor de bevestiging van het

dekblad gebruikt dan het daarvoor bestemde vocht. Eenige doktoren,

door de regeering aangesteld, hebben ten allen tijde het recht,

elke sigarenfabriek binnen te gaan en den een of anderen sigarenmaker

lichamelijk te onderzoeken, met het oog op zijn gezondheid. Wordt zoo

iemand ziek bevonden, dan wordt de fabrikant beboet, eene boete die

hooger wordt naarmate het meermalen voorkomt en zelfs, wanneer blijkt,

dat bij zoo'n fabrikant geen voldoende toezicht uitgeoefend wordt, in

gevangenisstraf kan worden omgezet. Geen wonder, dat Manilla-sigaren

duur betaald moeten worden. In de meeste fabrieken geschiedt het

sigarenmaken zoowel door mannen als vrouwen; voor zoover deze dezelfde

taak te verrichten hebben, is de belooning ook dezelfde. In de fabriek,

die wij hier bezochten, worden elken dag van het jaar eenige millioenen

sigaren vervaardigd.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 108 / 133 题