II.

In den regel begin ik mijn volgenden brief voor de courant, alvorens

ik mijn voorgaanden verzend, om te voorkomen in herhalingen te treden;

maar den laatsten brief sloot ik af en verzond dien, toen ik op het

punt stond een kijkje te gaan nemen in Concordia, waar de Batavische

jeugd zich vermaakte, met op de maat van de muziek, op een marmeren

terras rolschaatsen te rijden. Eens in de veertien dagen wordt hun

daartoe gelegenheid gegeven en de hitte, die mijne metgezellin en mij

het leven hier heel zwaar maakt, verhindert de jongens en meisjes van

Batavia niet om daar uren achtereen rond te tollen op een heel klein

baantje. Ik zou die kinderen gaarne even een lesje in het rolschaatsen

rijden willen laten nemen bij onze straatjongens op het Leidscheplein

of voor het Paleis van Volksvlijt, waar men zulke mooie draaiers

ziet maken en zulke verrukkelijke kunstjes ziet doen op het slechte

materiaal, waarover de meesten hunner beschikken, jongens die mij

altijd een genot verschaften als ik 'n poosje naar hun kunstig gedoe

kon blijven kijken. De kinderen hier hebben geene leiding gehad bij

het leeren rijden, zij rollen allen in groote snelheid voort, alsof

zij verplicht zijn in een minimum van tijd een maximum aantal malen

het kringetje rond te komen, geen enkele er onder, die ook maar een

poging doet er wat sierlijks, wat oogenstreelends van te maken.

Maar nu ben ik op eene ontboezeming over het rolschaatsen rijden

gekomen, terwijl ik eigenlijk had willen zeggen, dat ik, na een week

niet meer tot schrijven te zijn gekomen, niet meer weet, waarmede

ik mijn laatsten brief afsloot en waarmede ik dezen zou moeten

beginnen. Dat is nu wel niet zoo erg, want na 'n week van zooveel

afwisseling en na zooveel wetenswaardige dingen te hebben gezien en

te hebben leeren kennen, kan ik er gerust een greep in doen en van

het een en ander melding maken.

Het eerst wil ik vertellen van onzen tocht naar Buitenzorg. Van

drie kanten waren wij aangezocht om daar eene lezing te komen

houden. Eerstens van eenige dames, leden van de Vereeniging voor

Vrouwenkiesrecht en verder door een heeren-debatingclub. Beide

uitnoodigingen golden natuurlijk het vrouwenkiesrecht-vraagstuk. De

derde uitnoodiging was persoonlijk tot mij gericht en kwam van

eene afdeeling van het Nederl. Taalverbond en met de bedoeling,

dat ik zou spreken over de toestanden in Zuid-Afrika, in betrekking

tot de Nederlandsche taal. Daar wij echter deze week maar één dag in

Buitenzorg kunnen vertoeven, hadden wij geantwoord, dat de drie groepen

zich maar met elkander in contact moesten stellen en gezamenlijk

eene vergadering uitschrijven, waar wij over vrouwenkiesrecht zouden

komen spreken.

Op Donderdag den 18en April was die vergadering uitgeschreven en op

dienzelfden dag was ons ook een particulier onderhoud met Z. Exc. den

gouverneur-generaal toegestaan. Reeds vóór acht uur 's morgens stonden

de heer en mevrouw Wevers Bettink met hun auto voor de deur om ons

naar Buitenzorg te brengen, waar wij even vóór tien uur aankwamen. Ik

heb reeds geschreven dat ik over Java's natuurschoon niet uitweiden

zal, omdat daarvoor vroeger en ook thans nog bevoegder pennen dan de

mijne, in beweging zijn gezet; alleen wil ik even aanstippen, dat de

ongeveer 66 kilometer lange weg, die Batavia van Buitenzorg scheidt,

zooveel mooie gezichtspunten levert, dat de autotocht in elk opzicht

eene genotvolle was. Bij onze aankomst in Buitenzorg werden wij

door eenige dames en heeren vandaar opgewacht en verwelkomd, maar

ons oponthoud kon slechts kort zijn, omdat de gouverneur-generaal

ons om tien uur wachtte. Met de grootste voorkomendheid werden wij

beide door Z. Exc. ontvangen en werden ons alle gegevens verstrekt,

die wij noodig hadden om een goed inzicht in vele toestanden

hier te verkrijgen. Het was ons een waar genoegen te vernemen,

dat Z. Exc. in zeer vele opzichten onze gevoelens deelt, omtrent

de opvoeding en het onderwijs van het Javaansche meisje en omtrent

de opleiding van eenige dezer meisjes tot onderwijzeres. Ook bij

de bespreking van vrouwelijke doctoren voor de inlandsche vrouwen

en voor hospitalen voor deze vrouwen, met uitsluitend vrouwelijke

medische hulp en de opleiding van vrouwelijke doctor djawas, stond

Z. Exc. veel dichter bij ons dan menige zijner ambtenaren met wie

wij deze kwesties reeds vroeger bespraken. Tot dusver worden nog alle

inlandsche meisjes, die zich aanmelden voor de doctor djawa-school,

teruggewezen, altijd onder een of ander voorwendsel, doch eenvoudig

omdat de machthebbenden bij dat departement de moeilijkheid van het

gezamenlijk met de jonge mannen te ontvangen medisch onderwijs te

zwaar inzien en de wenschelijkheid van het hebben van vrouwelijke

doctoren voor de inlandsche vrouwen niet genoeg voelen. Ik hoop en

vertrouw evenwel, dat daarin spoedig verbetering komt, dat men het

Javaansche meisje, dat die moeilijke studie en die latere zware taak

aanvaarden wil, steunen zal in plaats van moeilijkheden op haar weg

te plaatsen, dat men ook in Nederlandsch-Indië eindelijk zal gaan

inzien, dat voor de inlandsche vrouwen, die door godsdienst, zeden en

gewoonten geen mannelijke doctor aan haar ziekbed kunnen toelaten,

het verschaffen van vrouwelijke medische hulp eene noodzakelijkheid

is. In dat opzicht is Britsch-Indië ons een reuzensprong voor, daar

kan elke inlandsche vrouw, in tijd van ziekte, door een vrouwelijke

doctor behandeld worden.

Het komt mij voor, dat de Nederlandsche vrouwen in Nederlandsch-Indië,

enkele zeer gunstige, niet genoeg te prijzen, uitzonderingen

daargelaten, haar maatschappelijke taak in dit opzicht geheel

verwaarloosd hebben, dat zij niet gevoeld hebben, dat de zedelijke

verplichting op haar rustte, beter voor hare native-sisters te

zorgen. Als zij wat dieper in het leven van de inlandsche vrouw waren

doorgedrongen, het vertrouwen van hen hadden weten te verwerven en

de spreekbuis waren geweest, die hunne nooden en behoeften aan de

regeering of aan het groote publiek had geopenbaard, dan, ik ben er

zeker van, zouden ook in onze koloniën voor de inlandsche vrouwen

betere toestanden reeds bestaan. Was het niet een man, dr. H. van

Buuren, die een noodkreet heeft geuit om betere verloskundige hulp

voor de inlandsche vrouw te verkrijgen, een noodkreet, die nog lang

niet hard genoeg is geweest om de regeering ten volle de verplichting

te laten gevoelen, die zij in dezen tegenover de inlandsche vrouwen te

vervullen heeft? In Britsch-Indië was het eene vrouw, Lady Dufferin,

die hare stem over deze kwestie luide deed klinken, en toen de Britsche

regeering niet spoedig genoeg handelend optrad, zelve de handen

aan den ploeg sloeg en een fonds bijeenbracht, dat na haar dood het

Lady-Dufferinfonds werd genoemd, waaruit zij al vast begon vrouwelijke

doctoren aan te stellen en kleine hospitaaltjes te stichten. Deze

hospitalen zijn nu allen door de Engelsche regeering overgenomen, de

vrouwelijke doctoren daaraan werkzaam, regeeringsambtenaren geworden

en in alle steden van eenige beteekenis kan nu de Engelsche inlandsche

vrouw goede geneeskundige hulp van vrouwen ontvangen. Ook de vorming

van inlandsche vrouwelijke doctoren wordt daar gesteund en in de

hand gewerkt.

Wij bezochten in Buitenzorg verder een inlandsche school van jongens

en meisjes en maakten er met een achttal Soendaneesche en Javaansche

meisjes kennis, die allen in den loop van dit jaar haar diploma

voor onderwijzeres zullen halen, doch thans nog als kweekeling op

die school werkzaam waren. Het is bedroevend te zien, hoe weinig

meisjes nog aan het onderwijs deel nemen; in alle scholen, die wij

tot dusver bezochten, zitten er in elke klasse van ongeveer twintig

of vijf-en-twintig leerlingen niet meer dan een of twee meisjes. In

sommige aanvangklassen zaten er drie of vier, maar dikwijls worden deze

meisjes door de ouders weder van school genomen, zoodra zij een paar

klassen doorloopen hebben. Voor een deel moet dat worden toegeschreven

aan de zeden der inlanders, waardoor het niet welvoegelijk gevonden

wordt, dat een meisje na de puberteitsjaren, en die treden in dit

warme klimaat reeds op tien à twaalfjarigen leeftijd in, met jongens

of mannen in aanraking komt.

Ook maakten wij in Buitenzorg kennis met de zeer interessante familie

Motman, waarvan moeder en dochter een school in het weven en batikken

voor inlandsche meisjes hebben. Met de grootste belangstelling

sloegen wij de verschillende procedé's gade, die zoo'n lap katoen

heeft te ondergaan, alvorens het in mooie harmonieerende kleuren en

met artistieke figuren kan worden afgeleverd, maar brengt men den

tijd, die zulk werk kost, en de vele vrij kostbare benoodigdheden

om het geheele proces ten einde te brengen in rekening, dan is

zulk werk niet te betalen en daardoor voor de markt ongeschikt en

voor meisjes, die in eigen onderhoud willen of moeten voorzien,

geen geschikte levenstaak. Het is heel mooi, dat wij nog eens in de

gelegenheid waren, dat kunstige werk te zien verrichten, te weten,

dat vrouwen en meisjes zoo uit het hoofd die aardige figuren met hare

wasstaafjes op het doek kunnen tooveren, maar in den tegenwoordigen

tijd, nu al meer en meer de tijd van de vrouw ook geld waard wordt,

nu is deze kunst gedoemd van de aarde te verdwijnen, omdat zij te

tijdroovend en daardoor te kostbaar wordt. Het gaat er mede als met

onze mooie oude gobelins, over afzienbaren tijd zullen wij de uit de

hand gebatikte doeken nog alleen in onze musea kunnen bewonderen.

Dien middag om half zeven was de vergadering voor vrouwenkiesrecht

uitgeschreven en toen wij in de smaakvol met bloemen en groen versierde

zaal van de Buitenzorgsche Sociëteit kwamen, werden wij aldaar door

verschillende dames en heeren, die de vergadering hadden georganiseerd,

opgewacht en werd ons ieder door een paar kleine, schattige meisjes

een mooie bouquet, die van Mrs. Catt met de Amerikaansche, de mijne

met de Nederlandsche vlag, geoffreerd. Op het podium prijkten een

paar manden met witte lotusbloemen, lotusbloemen van zulk eene

enorme afmeting en zoo fluweelig en vol, als ik nooit te voren

gezien heb. De president van de debatingclub leidde deze vergadering,

waarin ook de acht inlandsche onderwijzeressen en tal van inlandsche

onderwijzers aanwezig waren. Mrs. Catt sprak slechts kort, omdat vele

der aanwezigen haar niet verstonden, ik moest toen de lange speech

houden en daarna gelegenheid geven tot debat. Het is te begrijpen,

dat een debatingclub de gelegenheid gebruikte om te debatteeren en

toen er om 9 uur nog vele strijdlustigen bleken te zijn en wij nog

moesten eten en naar Batavia terug autoën, kon ik niet anders doen dan

aan aller wensch toegeven om bij ons volgend bezoek aan Buitenzorg,

waar wij nog de botanische tuinen en tal van andere bijzonderheden

hebben te zien, opnieuw een avond te geven voor debat. Dat zal in

't midden van Mei zijn. Ruim twintig leden hadden zich onderwijl

reeds als lid van de vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgegeven en

den wensch geuit eene afzonderlijke afdeeling Buitenzorg te vormen,

waaraan dan ook in Mei zal worden voldaan.

Om half een 's nachts bracht de heer Wevers Bettink ons veilig tehuis,

een kunststukje van chauffeurs accuratesse, want de weg is over 't

geheel genomen veel te smal en heeft tal van zeer gevaarlijke bochten.

Eene instelling, waarvoor de regeering aller dank toekomt, leerden wij

in Batavia kennen. Het zijn de regeeringspandhuizen. De heer Nittel,

onder-directeur dier instelling, liet ons deze in alle finesses zien

en bracht ons met de geheele instelling op de hoogte. In aanmerking

genomen, dat de inlander gaarne zijne bezittingen beleent, hetzij

om in tijdelijke extra uitgaven, voor een ziekte, een begrafenis,

een bruiloft etc. te voorzien, hetzij om dingen van waarde veilig

opgeborgen te hebben, of om tal van andere redenen, is het goed

gezien van de regeering om daarin den kleinen man te helpen en

hem uit de handen der Chineezen--de vroegere pandhuishouders--te

houden, Als men bedenkt, dat in één pandhuis in Batavia, er zijn

er aldaar acht, dagelijks gemiddeld 800 à 1000 panden ingebracht

en even zoovele uitgehaald worden en dat de gemiddelde waarde van

de ingebrachte panden niet meer dan f 1.75 bedraagt, dan komt men

tot de conclusie, dat deze instelling in eene behoefte voorziet,

die vooral voor den kleinen man zeer groot is. Het is verblijdend,

dat na 1913 heel Java deze van regeeringswege opgerichte huizen zal

tellen en dat daarmede een einde is gemaakt aan de afpersing, die

in dit bedrijf voorheen door de Chineezen werd gedreven. Ik durf in

een dagbladartikel niet in détails treden over het pandhuisbedrijf in

Nederlandsch-Indië, doch de wijze, waarop die is ingericht, de kalmte,

die er in deze huizen heerscht, de vlugge en regelmatige wijze, waarop

die stroom van publiek bediend wordt en de contrôle, die over alles

wordt uitgeoefend, is boven allen lof verheven. Men voelt hier, dat

de goedaardige, eenvoudige Javaan beschermd wordt tegen uitzuigerij,

eene bescherming, die hij maar al te zeer behoeft. Dat de regeering

met dit bedrijf nog een kleine winst maakt, vermindert m.i. den lof

niet, die er haar voor toekomt, als die winst maar op de een of andere

wijze ten bate van den Javaan wordt aangewend.

Ook de inrichting en de werking van het instituut Pasteur is iets,

waarop wij met rechtmatigen trots kunnen wijzen. Dat wij met

zooveel meer veiligheid, voor zoover het onze gezondheid betreft,

in onze koloniën dan in Britsch-Indië kunnen reizen, danken wij

voor een goed deel aan deze instelling. Onder de kundige leiding

van den bekwamen directeur, dr. Nijland, heeft dit instituut zich

ontwikkeld tot het zich ver verheft boven de meeste dier inrichtingen

in het buitenland. Dat pest, cholera en pokken niet meer zoo de

verschrikkingen hier zijn als in andere tropische landen, is zeker

waard om dankbaar vermeld te worden.

Ik zou willen, dat ik met even groote nationalen trots kon schrijven

over een andere regeeringsinstelling, waarvan ik ook met de grootste

belangstelling kennis nam, de opiumfabrieken en de opiumregie. Wij

zagen daar de bollen, zooals die uit Britsch-Indië worden ingevoerd,

waaruit de opium bereid moet worden en gingen met den directeur alle

stadia door, die de inhoud van deze bollen doorloopt, alvorens de

daaruit verkregen opiumsiroop in nette, tinnen buisjes verzameld en

als geschikt voor het gebruik afgeleverd kan worden.

Maar op dat gebruik, daarop komt het aan. Al die glinsterende tinnen

buisjes, honderdduizenden in aantal, die daar door tal van inlanders

met behulp van prachtige machines, in regeeringsdienst bereid worden,

zijn uitsluitend bestemd om door inlanders en Chineezen gerookt,

of, zooals die term luidt, "geschoven" te worden. Onze regeering,

leverancier en fabrikant van een zoo verderfelijk genotmiddel,

omdat..... ja, om geen andere reden, dan dat zij er jaarlijks zoovele

millioenen op verdient. Hoe beschamend! Niettegenstaande de herhaalde

en besliste verzekeringen van den directeur, dat het opiumschuiven,

mits er onvervalschte opium wordt gebruikt, niet nadeelig voor de

gezondheid is, kan ik dit toch niet aannemen. De toestand, waarin de

opiumschuiver na zijn pijpje geschoven te hebben, verkeert, de begeerte

naar een volgende pijp, het niet meer er zonder kunnen leven, zoo hij

er eenmaal aan gewend is, toonen genoeg aan, dat het opiumschuiven

niet zoo'n onschuldig vermaak is, als men ons wel wilde doen gelooven.

In één opzicht kan ik vrede hebben met onze opiumregie. Door de wijze,

waarop de verkoop is geregeld en door, nu reeds, over geheel Java

en Sumatra de Chineezen uit dit bedrijf gestooten en de geheele

verkoop in eigen handen genomen te hebben, kan de regeering de

verdere uitbreiding van dit kwaad tegengaan en zoodra zij het wil,

geheel uitroeien. Zoo wij eens eenmaal het voorrecht mogen hebben een

regeering te bezitten, die haar taak ethischer opvat, die in plaats van

jaarlijks millioenen te besteden voor leger en vloot, millioenen, die

voor een deel verkregen worden uit die opiumfabricage, de gelden der

schatkist besteedt tot opvoeding van het volk, ook het Indische volk,

dan is het bij de tegenwoordige regeling mogelijk, binnen betrekkelijk

korten tijd aan dit mensch-bedervend en mensch-onteerend opiumschuiven

in onze koloniën een einde te maken. Dat dit nu gemakkelijker gaat dan

wanneer de handel in handen van gewetenlooze Chineezen is, daarvan

getuigt het volgende staaltje, dat wij in Medan vernamen en op Java

bevestigd vonden. In een kampong boven Medan kende de bevolking het

opiumschuiven niet. Op zekeren dag ontvingen de bewoners aldaar, huis

aan huis, een eenvoudig toestel om opium te schuiven met een buisje

opium en de gebruiksaanwijzing van een Chinees ten geschenke, en binnen

geen tijd waren tal van dorpelingen daar opiumschuivers geworden

en daarmede tevens trouwe koopers van opium bij den goedgeefschen

Chinees. Den 1en April van dit jaar verloor ook die Chinees het recht

tot verkoop van opium en wordt ook in Medan dit kostbaar en kostelijk

stroopje door onze regeering geleverd. Aan zulke praktijken om met

opzet nieuwe ongelukkigen te kweeken, zal natuurlijk de regeering zich

niet schuldig maken, en met groot ongeduld zie ik den tijd tegemoet,

waarop een regeering aan 't bewind komt, die den moed heeft de sluiting

van de opiumfabriek voor te bereiden en binnen niet al te langen

tijd te bewerkstelligen. De overweging dat degene, die eens aan het

schuiven verslaafd is er niet meer zonder kan leven, is m.i. de moeite

van een discussie niet waard. Laten er daardoor, als dat waar is,

eenige duizenden opiumschuivers, voor de maatschappij halfwaardige

of nietswaardige individuen, ten gronde gaan of vroeger dan anders

sterven, dit verlies weegt niet op tegen de millioenen uit deze en

de volgende geslachten, die dit verderfelijk kwaad dan niet zullen

leeren kennen en daardoor een hooger en beter leven kunnen leiden.

Nog op een ander beschamend feit moet ik wijzen. In de opiumfabriek

zagen wij niet alleen Indische mannen en opgeschoten jongens aan het

werk, maar ook tal van jongens, die zeker en gewis nog geen tien jaar

oud waren. Met bevreemding vernam ik, dat onze wetten, die kinderarbeid

beneden den 12-jarigen leeftijd verbieden, voor Indië niet gelden en

dat in dit zonnige land, zelfs door onze regeering kleine jongens

in een fabriekslokaal dagelijks uren en uren achtereen voor eenige

centen aan het werk worden gezet.

Dat de lokaliteit waarin de kinderen werken, ruim en luchtig is,

dat de jongens als hun kistje volgepakt is, van hun plaats opstaan om

zelf een nieuw kistje te halen en daardoor nu en dan eens een verzetje

hebben, dat er in Java nog lang en lang niet genoeg scholen zijn om de

kinderen te onderwijzen en die jongens dus, als zij niet in de fabriek

werken, zich bij den weg zouden vervelen en kattekwaad uitrichten en

nog meer zulke overwegingen, verminderen in mijn oog het kwaad niet,

dat daar door de overheid bedreven wordt. Niet alleen werken die jonge

kinderen daar dagelijks 7 uren onafgebroken aan dat machinale werk,

een veel te lange dagtaak voor zulke nietige wezentjes, maar ook moet

het spoedig tot hen doordringen, dat opiumschuiven niet kwaad is en

heel prettig moet zijn, als de fabricage en verkoop door de regeering

geschiedt en als er dagelijks zooveel moet afgeleverd worden om aan

de aanvraag te kunnen voldoen.

Ik was blijde, dat wij de opiumfabriek zagen, nadat wij reeds met het

Instituut Pasteur en met den pandhuisdienst hadden kennis gemaakt,

zoodat mijn Amerikaansche medereizigster geen al te slechten indruk

van onze overheidszorg voor den Javaan krijgt en er toch ook wel wat

te prijzen valt.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 87 / 133 题