I.

Laat mij eerst vertellen, hoe wij hier in Batavia gehuisvest zijn, want

het hotelleven hier is in vele opzichten anders dan in Europa. Wij

zitten dan met ons beidjes in een eigen huisje, een paviljoen

genaamd. Daarin hebben wij een groote, luchtige slaapkamer met wat

daarbij behoort, een binnenkamer en een voorgalerij. Van de voorgalerij

hebben wij een ruim uitzicht over het Koningsplein. Denk niet, dat

dit plein eenige overeenkomst biedt met dat in Amsterdam. Hier is het

een onafzienbaar groote, groene weide met koeien en ander gedierte

er in. Over den drukken en breeden grintweg, die ons van het plein

scheidt, defileert Batavia's bevolking voor onze oogen. Door kalmpjes

in een luien stoel in de voorgalerij te gaan zitten, zien wij genoeg

om onze gedachten bezig te houden en op een gemakkelijke manier het

leven hier te bestudeeren. Twee keer daags, voor de hoofdmaaltijden,

moeten wij eene wandeling van zoowat een halve mijl maken om naar

het hoofdgebouw te komen, het overige van den dag merken wij van het

hotelleven niets en zitten wij samen knusjes in ons eigen huis.

Nu eens deze, dan gene van de dames hier stelt zichzelf met haar

auto voor een deel van den dag te onzer beschikking, zoodat wij in

korten tijd veel hebben kunnen zien. Ik zal mij echter niet wagen

aan eene beschrijving van Batavia, nu in den laatsten tijd zoovele

literair hoog staande personen hunne pennen in dienst hebben gesteld

van dit doel. Alleen wil ik deze opmerking maken. Hoe vele mooie

lanen, hoe vele verrukkelijke plekjes, hoe vele belangrijke gebouwen

Batavia ook bezit en hoe welvarend de geheele stad er ook uitziet,

men krijgt toch telkens den indruk, dat Batavia nog niet af, nog in

wording is. In dat opzicht verwekt Medan een beteren indruk.

Wij zijn thans een week in Batavia en hebben nu, om het zoo maar eens

te noemen, de werkweek achter den rug. Wij blijven nog een week hier

om verschillende inrichtingen van onderwijs te bezoeken, eenige sociale

instellingen te zien en nog een avond te gaan spreken in Buitenzorg.

De werkweek, die achter ons ligt, vergde geen hard werk van ons en

werd door heele prettige bijeenkomsten onderbroken, maar in een land

zóó heet en in een klimaat, waaraan wij nog niet gewend zijn, en in

een week, waarin ik familieleden en ook vrienden wederzag, die ik in

vele jaren niet had ontmoet en in een stad, waar ik bij aankomst een

groot pakket correspondentie uit Nederland op mij wachtende vond, twee

avonden in de eerste week te vullen met spreken over vrouwenkiesrecht,

deed ons toch wel een beetje opzien tegen dien plicht. Zij ligt nu

gelukkig goed en wel achter ons.

Direct Dinsdag na de Paaschdagen, was er in Maison Versteegh een thee

georganiseerd, waarop de heeren- en damesleden van de Vereeniging van

Vrouwenkiesrecht alhier met ons en wij met hen konden kennismaken. De

dames, die zich tot een feestcommissie of tot eene commissie van

ontvangst geformeerd hadden, hadden voor dit doel de mooie bovenzaal

artistiek versierd met groene en witte en goudgele bloemen en linten,

zoodat alles in den toon was van onze vrouwenkiesrechtkleuren. Een

groot aantal heeren en dames werd ons voorgesteld, vele van hen

voor mij oude vrienden of bekenden uit het vaderland. Mrs. Catt won

stormenderhand de harten van de aanwezigen en heeft in deze eene

week in Batavia tal van warme vrienden gemaakt. Door de presidente

van de ledengroep in Batavia, de apothekeres mej. Charlotte Jacobs,

werd ons uit naam van de Nederl.-Indische leden een hartelijk welkom

toegeroepen, waarop eerst mrs. Catt en daarna ik een korte toespraak

hielden. Dat was het eenige officieele van dien dag, maar onofficieel

in gezellige gesprekken, waarin wij dikwijls zeer wetenswaardige

bijzonderheden vernamen van het leven op Java en van de verhoudingen

tusschen de verschillende rassen, die hier leven, bleven wij zóó lang

bijeen, dat het etensuur, dat hier zeer laat is, het ligt tusschen

8 en 9 uur 's avonds, reeds verstreken was vóór allen uiteen gingen.

Woensdagavond was de groote voordrachtsavond. Daarvoor was de groote

schouwburgzaal afgehuurd, die zich tegen 9 uur, niettegenstaande de

bijna ondragelijke hitte, met heeren en dames uit alle rangen der hier

levende Nederlanders zoo goed als geheel vulde. Behoorde er voor ons

doorzetting en kracht toe om in die heete atmosfeer te spreken, niet

minder energie werd er aan den dag gelegd door al die toehoorders,

die tot aan het eind van den avond bleven zitten luisteren naar

de bespreking van een zoo droog en nu langzamerhand zoo afgezaagd

onderwerp als vrouwenkiesrecht. Door mej. Haarman, vice-presidente van

de ledengroep alhier, werd deze vergadering geleid en werden wij tweeën

aan het publiek voorgesteld. Mrs. Catt sprak over de internationale

beteekenis van den strijd voor vrouwenkiesrecht en hoe door, of

gepaard gaande met de nu ruim een halve eeuw bestaande beweging

voor vrouwenkiesrecht, de positie van de vrouw in de maatschappij

overal gaandeweg een andere, een betere is geworden. Dat zij met

hare gloedvolle voordracht, hare klankvolle stem en hare sympathieke

persoonlijkheid, elkeen voor zich innam en allen twijfel aan het goed

recht van onze zaak overwon, behoeft voor wie haar kennen eigenlijk

niet meer gezegd te worden.

Het is niet aanmoedigend en het vereischt eene groote mate van

overtuiging, dat het moet, om na zoo'n spreekster te durven opstaan

en voor dezelfde zaak op andere wijze een lans te breken. Ik gevoel

dat telkens zeer sterk, als ik na Mrs. Catt het woord moet nemen om

met andere argumenten ons goed recht te bepleiten. Voortgaande op

hetgeen Mrs. Catt in groote, breede trekken begonnen was, schetste ik

de evolutie der menschheid met betrekking tot de veranderde positie

der vrouw, vooral met het oog op de Nederlandsche vrouw en toonde aan,

dat onze verouderde wetten, die met deze evolutie geen gelijken tred

hebben gehouden, den toestand in Nederland thans voor menige vrouw

onhoudbaar hebben gemaakt. Nadat ik gesproken had, was er eenige

oogenblikken pauze, waarvan vele aanwezigen gebruik maakten om de

lijsten, die in eene bijzaal ter teekening waren neergelegd, voor hen,

die als lid tot de vereeniging wenschten toe te treden, te teekenen.

Na de pauze werd gelegenheid tot debat gegeven, waarvan zoo goed

als geen gebruik werd gemaakt. Toen werd geannonceerd, dat zij, die

na langer nadenken toch nog bedenkingen hadden, deze schriftelijk

konden indienen, en dat Mrs. Catt en ik genegen waren, die dan alsnog

des Vrijdagsavonds te bespreken. Voor Vrijdagavond was een openbaar

debat uitgeschreven, waar ieder met bedenkingen tegen de invoering

van vrouwenkiesrecht voor den dag kon komen, waarop wij hadden te

antwoorden. Van de gelegenheid om schriftelijke bedenkingen te mogen

indienen, werd een ruim gebruik gemaakt, zoodat wij Vrijdagavond

in de prachtig met bloemen en vlaggen versierde logezaal ruimschoots

gelegenheid hadden, de ook bij ons bekende en eigenlijk overal gehoorde

argumenten tegen vrouwenkiesrecht te weerleggen.

Mrs. Catt nam voor haar deel de drie bezwaren, die min of meer

een internationaal karakter droegen en die daarop neer kwamen, dat

vrouwen geen dienstplicht vervullen en daarom geen kiesrecht moeten

hebben, dat vrouwenkiesrecht, waar het is ingevoerd, de vrouwen ook

geen hemel op aarde gebracht heeft en dat de militante strijdsters

voor vrouwenkiesrecht in Engeland deze zaak voor de vrouwen overal

bederven. Hoog en breed vatte zij de weerlegging dezer argumenten

op, wees aan, dat oorlogvoeren in den regel beteekent huis en haard

beschermen tegen de indringing van vreemden en om de maatschappij,

waarin wij leven gaande en staande te houden. Evenals in tijden van

vrede, bestaat er ook in tijden van oorlog verdeeling van arbeid. De

mannen trekken met het zwaard in de vuist ten strijde, de vrouwen

blijven tehuis om huis en haard te beschermen en de productie in den

staat voort te zetten, deze niet te doen stilstaan. Zouden in een land

de vrouwen met de mannen uittrekken ten strijde, dan zou spoedig in

zoo'n land alle voortbrenging stil staan en het voortbestaan van den

oorlog onmogelijk maken. Zij wees er op, hoe Engeland onbewust dit de

wereld heeft getoond door in den onrechtvaardigen Zuid-Afrikaanschen

oorlog de vrouwen in de concentratiekampen op te sluiten en haar

zoodoende te verhinderen verder te produceeren. Uit den mond

van president Stein hadden wij vernomen, dat de Zuid-Afrikaansche

vrouwen in één jaar tijds zooveel hadden voortgebracht, dat daarmede

de oorlog drie jaren door de mannen kon worden staande gehouden,

"maar", zoo zeide de heer Steijn, "toen eenmaal onzen vrouwen de

handen gebonden waren, moesten wij den strijd opgeven, was verder

strijden nutteloos en noodeloos." Dat vrouwen strijden kunnen en

als het noodig is ook strijden willen, dat hebben zij in zoo menige

episode in de wereldgeschiedenis bewezen; het komt er maar op aan,

en dat houden zij steeds voor oogen, waar zij in een gegeven tijd en

onder gegeven omstandigheden het meeste nut kunnen stichten.

Het tweede bezwaar, dat vrouwenkiesrecht nog nergens voor de vrouwen

een hemel op aarde getooverd had, gaf zij grifweg toe, doch het had

wel overal eene menigte andere goede zaken tengevolge gehad. De

voornaamste gevolgen, gevolgen, die direct de geheele menschheid

ten goede komen, gevolgen, die overal geconstateerd kunnen worden,

waar vrouwenkiesrecht reeds eenigen tijd heeft bestaan, zijn in de

eerste plaats het verhoogd zelfrespect der vrouwen, en eene verhoogde

waardeering van den man, grooter belangstelling in de zaken van

algemeen belang en de instaatstelling der vrouw om hare private en

huiselijke belangen zelve te behartigen en zichzelf en haar gezin te

beschermen op eene wijze, zooals alleen een politiek ontvoogde vrouw

kan doen. Met enkele gegevens lichtte zij deze voordeelen toe.

Op de suffragette vraag antwoordde spreekster, dat deze vrouwen

ongetwijfeld het vrouwenkiesrecht-vraagstuk hebben gediend en

bevorderd, overal in het buitenland; dat het door haar optreden is,

dat de aandacht op deze zaak overal gevestigd werd en het nu "het alles

overheerschende vraagstuk" is geworden. Door haar gewelddadig optreden

hebben zij de wereld wakker geschud en, ofschoon Mrs. Catt persoonlijk

tegen geweld is en gelooft in een vredige oplossing van dit vraagstuk,

meende zij toch de suffragettes niet te mogen onthouden de waardeering,

waarop elk aanspraak heeft, die den moed zijner overtuiging niet

alleen durft uitspreken, doch er ook voor wil strijden en lijden.

Ik had toen nog de beantwoording der vragen voor mijne rekening, of

de vrouwen wel kiesrecht noodig hebben, nu toch langzamerhand wordt

ingezien, dat de grieven der vrouwen gegrond zijn en er in den loop

van den tijd wel gaandeweg betere wetten zullen komen.

"Geduld" werd ons van dien kant toegeroepen. Verder kwam het afgezaagde

bezwaar van oneenigheid in de gezinnen, als de gehuwde vrouw ook

kiesrecht zal hebben; de vrees, dat de vrouw, die kiesrecht heeft,

hare huiselijke en moederplichten zal verwaarloozen; dat er op

een schip geen twee kapiteins kunnen zijn, voorafgegaan door een

vergelijking van het huwelijk met een schip; het argument, dat de

vrouw geen belasting betaalt en als zij het doet, dan is het van het

geld van haar man en wie geen belasting betaalt, mag ook geen invloed

hebben op de besteding der belastingsommen; dat er meer vrouwen dan

mannen in de meeste landen zijn en bij invoering van vrouwenkiesrecht

de mannen overstemd zullen worden en nog enkele andere dergelijke

argumenten, die wij ook kennen van de vergaderingen in Holland. Bij

de beantwoording dier bezwaren zal ik niet stilstaan; wie er belang

in stelt, ga naar de eerste de beste vrouwenkiesrechtvereeniging in

Holland en hoore naar de weerlegging er van.

De vergadering, die weder zeer druk was bezocht door personen

van beiderlei geslacht, hield ons weder van kwart over negen tot

na middernacht bezig en droeg een bijzonder vriendschappelijk en

sympathiek karakter.

Zaterdagavond werd ons door tal van heeren en dames een diner

aangeboden, weder bij Versteegh. De tafelversiering, die bijzonder

aantrekkelijk voor ons was, omdat weder wit en goud de hoofdtonen

waren, was door eenige dames zelf tot stand gebracht. Vroolijke muziek

luisterde het bijzijn op, doch die bleek niet bepaald noodig te zijn

om eene vroolijke, gezellige, prettige stemming gaande te houden. De

nacht was reeds voor een goed deel verstreken toen wij uiteengingen;

wij met den wensch in het hart, dat wij de aanzittenden nog menigmaal,

ook hier in Indië, zullen mogen ontmoeten.

De ochtenden werden door ons telkens besteed om met een der dames een

autotocht te maken en het een of ander van Batavia te zien, zoodat wij

met een gevoel van zelfvoldoening kunnen terugzien op deze welbestede

week. Wel vragen wij ons telkens af, "hoe lang zullen wij dit drukke

leven in zulk een heet klimaat volhouden" en gevoelen wij, dat wij

tot beperking van ons arbeidsveld moeten overgaan. Ik heb dan ook

reeds moeten bedanken voor vele aanvragen om voor vereenigingen of

debatingclubs te komen spreken, die niet regelrecht de bevordering

van de belangstelling in het vrouwenkiesrechtvraagstuk beoogen.

Ik wil dezen brief niet eindigen, alvorens nog eens terug te komen

op de allerdwaaste maatregel door de Nederlandsche regeering hier

ingevoerd om het binnenkomen in Java voor landgenooten en vreemdelingen

te bemoeilijken. Wij waren er met het ons op het schip verstrekte

toegangsbewijs, waarvoor Mrs. Catt vijf-en-twintig gulden moest

betalen, nog niet af, want het bleek, dat wij dat bewijs nog eerst in

Tandjong Priok voor een ander hadden moeten inwisselen. Daarvan was

met geen enkel woord op de boot melding gemaakt, geen der passagiers

was gewaarschuwd dat men eerst na inwisseling van het op het schip

ontvangen bewijs, tegen een definitieve toelatingskaart, die op

Tandjong Priok werd afgegeven, Java verder mocht binnentrekken. Daar

kwamen al die menschen na een uur sporen in Batavia aan om daar te

vernemen, dat het bewijs, dat zij hadden, eigenlijk niets waard was

en zij naar Priok terug moesten, om een nieuwe, 'n andere kaart te

halen. Heeft men ooit van zoo'n onbesuisden maatregel meer gehoord? En

is het wonder, dat vreemdeling en Nederlander vragen, of wij in een

land van gekken in plaats van in eene der koloniën van het verlichte

en beschaafde Nederland zijn aangekomen?

Door middel van het Toeristenverkeer-Bureau en met hulp van den

Resident werd het ons gespaard naar Priok terug te keeren en werden

ons een paar dagen later de toegangsbewijzen overhandigd, nadat wij

beiden daarvoor, of voor wat anders, f 1.50 hebben moeten betalen. In

welk land is Nederland ter schole gegaan, om zulk een maatregel te

leeren nemen? Mij is geen enkel land bekend, waar men vreemdelingen en

wat meer zegt, eigen landgenooten, het reizen zoo bemoeilijkt. Zelfs

Turkije, en dat was op het oogenblik, toen wij er kwamen, in oorlog,

ontvangt vreemdelingen gastvrijer.

Ik heb van de vreemdelingen gehoord, dat zij bij de ontscheping

voor de groote moeilijkheid stonden geen vijf en twintig Hollandsche

guldens te bezitten en dat de ambtenaar, belast met de inning dier

gelden, geen vreemd geld in ontvangst nam. Zelfs op vertoon van een

credietbrief, die over ettelijke duizenden guldens liep, kon men de

vijf en twintig gulden niet geborgd krijgen en moest men ten slotte

door een mede-passagier geholpen worden.

Hoe spoediger deze zotte maatregel wordt opgeheven, hoe beter, wij

hebben er ons nu reeds in het buitenland belachelijk door gemaakt. Laat

het spoedig blijken, dat de regeering zich in dezen vergist heeft en

haar fout ongedaan wenscht te maken. De Nederlandsche regeering is de

eenige niet die wel eens fouten maakt; het strekt den feministen alleen

ten bewijs, dat eene regeering, uitsluitend uit mannen bestaande,

wel eens zeer onverstandig kan doen en dat de logica, die alleen uit

mannenbrein zou kunnen voortspruiten, wel eens ver te zoeken is in

de handelingen, die van de logische overwegingen het resultaat zijn.

Als vrouwen zoo eens handelden?

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 86 / 133 题