11 Februari. Het was gisteren een dag vol indrukken van verschillenden
aard. Wij waren reeds vroeg opgestaan om met een van de eerste
stoombootjes, dat om acht uur vertrok, naar de Elephanta Caves te
gaan. Het is een tocht van anderhalf uur. De Elephanta Caves is ook
alweer een groote Hindoetempel, doch deze is niet opgebouwd, maar
geheel in de rotsen uitgehouwen. Al de prachtig bewerkte zuilen,
alle deelen van den tempel en al het beeldhouwwerk zijn uit de
rotsen gehouwen. Dit is inderdaad wonderwerk uit de 7e of 8e eeuw
na Christus en grootendeels goed bewaard gebleven. Deze tempel is
gewijd aan Siwa, maar vooral in zijne hoedanigheid als bevruchter. Het
voorttelingsvermogen wordt hier op al te duidelijke wijze verheerlijkt
en ofschoon de Portugeezen, toen zij voor het eerst als machtgevers
hier optraden, een groot deel van deze zinnelijke voorstellingen
verwoestten, is er toch nog genoeg overgebleven om het doel van dezen
tempel te verduidelijken en om nog jaarlijks duizenden mannelijke en
vrouwelijke bedevaartgangers hierheen te lokken, die in dezen tempel
de vruchtbaarheid afsmeeken, die hun ontbreekt. Kinderlooze mannen
en vrouwen brengen soms dagen en nachten in deze rotsholten door, om
door ootmoedig bidden gezegend te worden met nakomelingschap. Tegen
lunchtijd waren wij in Bombay terug.
Om vijf uur begaven wij ons eerst naar de woning van dr. Benzon, alwaar
wij eenige Parsee- en Eurasian-vrouwen-doktoren aantroffen. Eurasians
noemt men de inboorlingen in Indië, die geheel of gedeeltelijk van
Europeesche voorouders afstammen. Europeeërs, die hier eeuwen gewoond
hebben en wier nakomelingen voor een groot deel vereenzelvigd zijn met
de Indische bevolking, doch grootendeels Europeeërs gebleven zijn. Met
de Parsees zijn zij de vooruitstrevendste menschen hier. Behalve
deze dames waren er een paar toonaangevende Hindoe-vrouwen in de
vrouwenbeweging alhier. In mrs. Ranadaij ontmoetten wij de presidente
van de, het vorige jaar opgerichte en aan de lezers van het Maandblad
voor Vrouwenkiesrecht bekende vereeniging, de Sewa Sisterhood, eene
vereeniging, die zich ten doel stelt de Mohammedaansche, Hindoesche en
Parseesche vrouwen te vereenigen voor zelfontwikkeling. Zij hebben een
eigen clubgebouw, waarin elken Woensdagmiddag een bijeenkomst gehouden
wordt. Het eerste uur wordt gewijd aan het lezen van een werk van een
of ander groot schrijver, daarna wordt door een der leden een korte
voordracht gehouden over sociale of hervormende arbeid door vrouwen
in andere landen gedaan, en dan volgt vrije discussie in hoever zulk
werk ook voor Bombay of Britsch-Indië nut kan stichten. Mrs. Ranadaij
noodigde ons uit, indien wij a.s. Woensdag nog hier mochten zijn, die
bijeenkomst te komen bijwonen. Zij is eene vrouw van ongeveer 40 jaar,
de dochter van een Indischen prins, die een groot hervormer voor Indië
is geweest. Zij is nu getrouwd met een Hindoedokter. Zij vertelde ons
vele bijzonderheden uit het Hindoeleven. Een wettelijk huwelijk bestaat
in Indië niet. Feitelijk worden de echtverbintenissen niet voor het 12e
jaar der kinderen gesloten, maar dat verhindert de Hindoes niet, om de
kinderen reeds zeer jong aan elkaar te verbinden, zonder daarbij eenige
waarde te hechten aan de wenschen van de kinderen zelven. Als het jonge
meisje is uitgehuwelijkt, dan behoort zij de familie van haar man toe,
bij wie het kind verplicht is na haar 5e jaar minstens de helft van
het jaar door te brengen. Onder de welgestelde families loopt het
kind daar in ijdel niets-doen rond, onder de armere klasse wordt zij
als meid gebruikt Eerst wanneer zij de puberteitsjaren bereikt heeft,
wordt zij de feitelijke echtgenoote van den jongen man en heeft hij
verder alle macht over haar. Mrs. Ranadaij vertelde mij, dat hare
schoonmoeder niet wilde, dat zij iets leerde en ofschoon zij bij
hare ouders thuis in de helft van het jaar, die zij daar doorbracht,
leerde lezen en schrijven, mocht zij bij hare schoonouders geen
boek ter hand nemen of iets doen wat haar geest kon ontwikkelen. Op
haar 12e jaar werd zij de feitelijke vrouw van haren 19-jarigen man,
die aan de medische school in Bombay studeerde. Toen brak voor haar
een betere tijd aan. Na twee jaren ging hij naar Engeland om in
Edinburg zijn medische studiën te voltooien en nam haar mede. Hij
gaf haar daar eene uitstekende gouvernante. Van dien tijd af heeft
zij nooit opgehouden zich verder te ontwikkelen. Zij heeft in Bombay
een Hindoeschool gesticht, die wij morgen met haar gaan zien.
Na ons interessant bezoek bij dr. Benzon begaven wij ons om ongeveer
half zeven naar de bruiloft der Parsees. Alles was daar reeds in
vollen gang toen wij aankwamen. De mannen waren allen, zonder eenige
uitzondering, in een smetteloos wit costuum gestoken, alle volgens
hetzelfde model gemaakt. Zij zaten in den tuin. De bruidegom was
spoedig te herkennen aan den bloemenkrans, die om zijn hals hing
en de bouquet rozen, die hij in zijn hand hield. De dames waren
allen in een soort zaal gezeten, die aan alle kanten open was. Zij
droegen allen de mooie Indische kleeding, schitterend van goud en
edelsteenen. De bruid en de bruidsmeisjes hadden allen een wit kleed
aan, slechts spaarzaam met goud gegarneerd, doch van eene bijzonder
prachtige kwaliteit. Midden in de zaal was een kleine verhooging,
waarop de plechtige huwelijksinzegening zou plaats hebben. Zoowel in
den tuin als in de zaal waren groote tafels geplaatst met onnoemelijk
veel ververschingen en dranken. Het waren bijna alle zoetigheden,
vruchten, verschillende ijssoorten, limonades en zulke onschuldige
zaken meer, waaraan elke gast zich te goed kon doen. In den tuin
maakte een muziekkorps oorverdoovende muziek.
Spoedig na onze aankomst werden op een zilveren blad bloemen
aangedragen en kwam de moeder van de bruid ons beiden behangen met een
krans tuberozen en rozen. Mrs Sirnibai Maneckji Cursetji, die ons de
uitnoodiging bezorgd had en die zich tusschen ons beiden had neergezet
om ons alles te verklaren, fluisterde ons toe, dat wij daarvoor onzen
bijzonderen dank moesten uitspreken, omdat dit beteekende, dat onze
komst op hoogen prijs werd gesteld. Als de Aziaten iemand bijzonder
willen eeren, dan behangen zij hem met bloemen. Wij beiden gaven aan
de wenk van grootmoeder Cursetji gehoor.
Nu begonnen langzamerhand de ceremoniën. De bruidsmeisjes brachten de
geschenken binnen, die de bruid haar aanstaanden echtgenoot aanbood, en
deze, op zilveren schalen uitgespreid, werden in optocht door den tuin
gebracht en den jongen man aangeboden. Daarop kwamen de bruidsmeisjes
terug en brachten het bruidje de geschenken, die de bruidegom haar
aanbood. Het waren voornamelijk kostbare gewaden, een paar kostbare
oorringen, die haar onmiddellijk in de ooren werden gestoken,
eenige braceletten, die zij aandeed, en tal van huishoudelijke
zaken. Zij werd toen door de bruidsmeisjes op het huwelijksaltaar,
zooals de verhooging werd genoemd, geleid en achter een laag scherm
geplaatst. Daarna brachten de bruidsjonkers den bruidegom binnen, die
tegenover het bruidje, aan den anderen kant van het scherm, plaats
nam. Zij konden elkaar niet zien. Toen werden zij gezamenlijk door
een zijden band vijf-en-twintig maal omwonden. (Al wat verder volgt
is zuiver symboliek). Nu werd hun door den priester de heiligheid van
het huwelijk voor oogen gesteld en de plichten, die het voor man en
vrouw beiden meebrengt. Het speet mij zeer, dat ik niet kon verstaan,
de priester sprak een onverstaanbare taal, welke die plichten voor
beiden zijn. De band, waarmede beiden omwonden waren, beteekent,
dat eenmaal saâm verbonden, alleen door geweld een einde aan die
verbintenis kan worden gemaakt. Nadat de priester geëindigd had,
werd het jonge paar gevraagd, of zij de heiligheid van het huwelijk
begrepen, of zij bereid waren, de plichten ervan te aanvaarden, of
geen andere drijfveer dan liefde hen tot elkander had gevoerd. Toen
op al deze vragen een bevredigend antwoord was gegeven, werd het
scherm weggenomen, de band losgemaakt en namen bruid en bruidegom
naast elkaar plaats. Het bruidje was 17 jaar, de jongeman 21. Zij
waren neef en nicht, zij kenden elkaar van de geboorte af.
Toen zij naast elkaar gezeten waren, werd op een tafel naast
hen een soort komfoor met vuur geplaatst, waarop onophoudelijk
welriekende--tenminste sterkriekende--kruiden gestrooid werden, die een
bedwelmenden geur verspreidden. Dat vuur beteekent: dat in hun beider
harten het vuur der liefde eeuwig moge branden. Daarnaast werd op een
zilveren blad een bakje met rijst, een ander met amandelen en eenige
kokosnoten gebracht. Onderwijl de priester de huwelijksinzegening
uitsprak, bestrooiden hij en een andere priester bruid en bruidegom
onophoudelijk met de droge rijstkorrels. De beteekenis hiervan is: dat
zij in voorspoed mogen leven, zoo zelfs, dat het voedsel overal rondom
hen verspreid ligt en zij in staat zijn anderen van hun overvloed mee
te deelen. Ik vroeg, of aan dat bestrooien met rijst niet het Engelsch
begrip verbonden is, dat meer op de vruchtbaarheid van het huwelijk
betrekking heeft, doch dat werd door allen ontkend. De amandelen
beteekenen, dat er rust en vrede in het huwelijk moge heerschen, want
uit amandelen werd door de Parsees het eerst olie bereid en olie is
in staat bewogen golven tot stilstand te brengen. De kokosnoot heeft
een huiselijke beteekenis. De kokosnoot geeft voedsel en drank,
uit zijn bast worden kleederen zoowel als allerlei huishoudelijke
artikelen bereid, de boom geeft schaduw en zijn bladeren kunnen
voor honderdlei doeleinden aangewend worden. Zoo veelzijdig nuttig
als de kokosnoot moge ook het pasgesloten huwelijk worden. Toen al
deze plechtigheden waren afgeloopen, was het jonge paar getrouwd en
werden zij van alle kanten gelukgewenscht. Wij mochten het eerst
onze wenschen aanbieden. Vele familieleden brachten nu nog kleine
geschenken aan, er werd wat heen en weder gewandeld, veel gepraat,
onderwijl het diner werd voorbereid. Wij meenden, bij het diner niet
te moeten tegenwoordig blijven en gingen de gastvrouw daarom bedanken
voor het genotene, maar zij wilde niets hooren van weggaan, wij moesten
ten minste iets van het diner nuttigen. Het was een diner, zooals een
ander, maar er was geen enkel vleeschgerecht, wel vischsoorten. Toen
ik m'n buurman de reden daarvan vroeg, antwoordde hij, dat de Parsees
niet bepaald tegen het eten van vleesch zijn, doch bij groote diners
het eten van vleesch zooveel mogelijk vermijden, opdat nooit ter
wille van een feest een beest geslacht moet worden! Toen ik op de
vele vischgerechten wees, zeide hij: "Maar dat is toch geheel iets
anders, visschen zijn koudbloedige dieren." Om half tien gingen wij
tweetjes doodvermoeid hotelwaarts, alle bruiloftsgasten in vroolijke,
opgeruimde stemming achterlatend.
Nu ik dit bruiloftsverhaal overlees, lijkt mij de beschrijving zoo koud
en realistisch, terwijl het geheel toch zoo'n poëtischen, mooien indruk
op mij maakte. Zooiets te zien, in je op te nemen, het te overdenken,
is zoo geheel iets anders dan het in nuchtere taal, voor anderen,
die het Oostersche leven niet kennen, neer te pennen en begrijpelijk
te maken. Wij gaan het oude grootmoedertje Maandagmiddag bezoeken,
om van haar nog het een en ander van 't doen en laten der vrouwen hier
te vernemen. Het is nu Zondag; wij hebben heden een kalmen dag en gaan
alleen vanmiddag een bezoek brengen bij sir en lady Philoysha Meta,
een Parsee-familie, voor wie wij in Caïro een introductie ontvingen.
Wij troffen bij deze familie verschillende heeren en dames, die in
de nationale beweging alhier een rol spelen. Sir Meta staat aan het
hoofd van deze beweging, eene beweging die ten doel heeft om voor
Britsch-Indië home-rule te verkrijgen. Jaarlijks komen zij daarvoor
op verschillende plaatsen in Indië bijeen en houden congressen. Om
Sir Meta den mond te snoeren, want hij is een geweldig orator, heeft
de Engelsche regeering hem kort geleden in den adelstand verheven, en
dat heeft op de golven van zijne welsprekendheid een nog kalmeerender
effect gehad, dan amandelolie op de golven der zee. Wij hoorden daar
over vele belangrijke kwesties spreken, die echter van te ingewikkelden
aard zijn, om er hier van te gewagen.
12 Febr. Dezen dag wijdden wij aan het bezoeken van scholen voor
meisjes. Het eerst bracht mrs. Ranadaij ons naar een der Hindoesche
meisjesscholen. Deze school is uit private fondsen gesticht,
doch wordt thans door de regeering gesubsidieerd. Een derde van de
uitgaven wordt door de regeering bekostigd. De Hindoesche meisjes
komen hier van haar 10de tot en met haar 17de jaar, zeer enkelen zijn
ouder. Het is voor ons zeker merkwaardig, dat onder deze leerlingen
tal van gehuwde vrouwtjes en ook eenige weduwen waren. Sommige van
deze vrouwtjes werden door haar mannen naar school gestuurd. Op al
die soort scholen wordt de eigen taal en de Engelsche taal geleerd
en in de hoogere klassen tevens het Sanskriet. Of het onderricht er
inderdaad goed is, kon ik niet beoordeelen, wel werd mij verzekerd,
dat het gelijk stond met het onderricht op Engelsche scholen. Meisjes,
die den geheelen cursus hebben doorloopen, zijn klaar voor het
ontvangen van middelbaar en gymnasiaal onderwijs in Engeland. Aan
het hoofd van deze school staat een Hindoe-echtpaar, beiden leeraren,
die theosophen zijn en in Madras hun opleiding hebben genoten.
Na het bezoek van deze school nam mrs. Ranaday ons mede naar haar
woning, om een Hindoesche huishouding te zien. Het was een geheel
andere huishouding dan wij ooit gezien hadden, waarvan niemand zich
een voorstelling kan maken, die het zelf niet aanschouwd heeft. De
eetkamer bijv. is een leege, vierkante ruimte, zonder stoelen, tafels
of kasten. Alleen stonden er een paar lage, vierkante bankjes,
nog niet zoo hoog als onze voetenbankjes. Daarop wordt het eten
geplaatst in een bak of schotel. Alle gasten zitten of liggen rondom
en eten met de handen uit den bak. De mannen, vader en zonen, eten
eerst alleen en worden door de vrouwen bediend; als zij verzadigd
zijn, beginnen de vrouwen te eten op dezelfde wijze. Mrs. Ranaday
vertelde ons, dat zij altijd gelijk met haar man eet, maar dat dit
zoo iets vooruitstrevends is, dat zij het nooit aan haar familieleden
mededeelde en ook niet doet als zij gasten heeft. "Het zou mijn man
al zijne patiënten kosten, als men dit weet", zeide zij.
De keuken was een even onmogelijk ding en toen mrs. Catt den drempel
wilde overschrijden, om het geheel wat beter te kunnen overzien, werd
zij door mrs. Ranaday met een ruk teruggetrokken. Zij vertelde ons,
dat niet-Hindoes nooit in de nabijheid van hun eten mochten komen, of
zelfs bij iets wat voor hun maaltijden gebruikt wordt, want, wanneer
de schaduw van een van ons over het eten of over de keuken-utensiliën
valt, dan moet onmiddellijk alles vernietigd worden; het mag dan
niet meer door een Hindoe worden aangeraakt. Men moet niet vergeten,
dat wij hier bij eene voorname en radicale Hindoesche familie waren,
een doctor, die in Engeland zijn studiën voltooid heeft en een zeer
radicaal man is, en zij, de dochter van een Indischen prins, die als
hervormer bekend stond.
De provisiekamers, de slaapkamers en salon waren ook met de onze
niet te vergelijken. Ik weet nu reeds, dat ik nooit een invitatie
zal accepteeren om in een Hindoe-familie een nacht door te brengen,
maar ik behoef niet bang te zijn, dat zulk een uitnoodiging mij ooit
zal bereiken. Niet-Hindoe's worden nooit in den huiselijken kring
van Hindoe's opgenomen.
Vanmiddag zagen wij een Parsee-school. Ook hier waren ongeveer
200 meisjes-leerlingen met een twaalftal onderwijzeressen en een
directrice. Op school worden de meisjes zoo ver gebracht, dat
zij de hier bestaande universiteiten kunnen bezoeken. Ook deze
scholen worden door de regeering financieel gesteund, doch zijn
privaat-instellingen. Er zijn wel openbare scholen hier voor jongens
en meisjes, doch daarvan wordt door de meisjes nog weinig gebruik
gemaakt. Over het geheel genomen komt er in Britsch-Indië op elke 10
mannen één voor, die lezen en schrijven kan, doch bij de vrouwen is
die verhouding slechts één op de 144. Met de algemeene ontwikkeling der
vrouwen is het dus nog treurig gesteld, maar wij vinden het gelukkig in
Bombay verscheidene vrouwen ontmoet te hebben, die flink en onversaagd
voor de betere ontwikkeling der vrouwen in de bres springen en die
reeds op gunstige resultaten kunnen bogen. Hoewel deze strijdsters
voor de verheffing der vrouw hier eene zware taak hebben te vervullen,
vooral door te moeten oproeien tegen den tegenstand van de vrouwen
zelve, wordt die taak haar toch vergemakkelijkt, doordat zij op den
steun der overheidspersonen kunnen rekenen.
13 Febr. Wij hadden zooveel gelezen en gehoord over het werk der
vrouwen in de textielfabrieken alhier, dat wij meenden Bombay
niet te mogen verlaten, zonder een kijkje genomen te hebben in een
dezer fabrieken. Gemakkelijk was dat niet, maar door de invloedrijke
bemiddeling van onzen Hollandschen consul, den heer Bendien, werd ons
dit toch mogelijk gemaakt. Als men bedenkt, dat de textielnijverheid in
de stad en provincie Bombay groote afmetingen bezit, dat van de 20.000
inwoners in deze provincie 17% uitsluitend door dit bedrijf leven,
dan begrijpt men, dat de vele fabrieksschoorsteenen hier reeds lang tot
ons gesproken hadden en wij nieuwsgierig waren de fabrieken binnen te
treden om te zien hoe de toestanden daar waren. De heer Bendien had de
vriendelijkheid ons persoonlijk te geleiden en hier en daar voor ons
als tolk te dienen. Het is voor onze Europeesche oogen altijd weder
even vreemd, als men de mannen bezig vindt het werk te doen, dat bij
ons als "vrouwenwerk" gestempeld is, terwijl de vrouwen "mannenwerk"
verrichten. Dat men hier in een winkel mannen wit borduurwerk ziet
maken, of om fijne zijden zakdoekjes witte kantjes naaien, valt
niemand op, en als men vrouwen bij het bouwen van een huis zware
balken op haar hoofd naar boven ziet dragen, ook niet. Ook in deze
fabrieken was, naar onze westersche begrippen, de verhouding omgekeerd.
Over het algemeen genomen wordt hier echter door de vrouwen nog
slechts weinig gewerkt, alleen bij de heele lage kasten verrichten
de vrouwen werk in het openbaar.
De toestanden in de fabrieken schenen nog al goed, de vrouwen werkten
van 8 tot 12 en van 1 tot 5 uur. De mannen beginnen vroeger en eindigen
later. De loonen kwamen mij zeer laag voor, maar alle arbeid wordt
hier heel slecht betaald, misschien is het in verhouding tot anderen
arbeid niet laag. Kinderarbeid is uitgesloten, elke arbeider, man of
vrouw, moet boven de 14 jaar zijn. Er wordt hier in Bombay machinaal
alleen een soort grof katoen geweven en grove garens gefabriceerd,
waarvan grof ondergoed machinaal gebreid wordt.
De heer Bendien bracht ons daarna nog bij eene Hindoe-familie, waarvan
de vrouw en dochter zich zeer voor de vrouwenbeweging interesseeren
en die ons omtrent de toestanden in Indië goede inlichtingen konden
geven. Ook deze familie is door de Engelsche regeering in den adelstand
verheven. Dat lijkt mij een prachtige maatregel om invloedrijke
Indische mannen, die van hervormingen droomen, den mond te snoeren
en tot vrienden van Great-Britain te maken.
Wij gaan thans Bombay verlaten. Om 9 uur reizen wij vanavond af,
en hopen morgenochtend in Ahmedabad aan te landen.