Den 2en November arriveerden wij op den vastgestelden tijd in
Zanzibar. Reeds om ongeveer twee uur kregen wij de oevers van dit
wereldbekende eiland in het gezicht. Hoe dichter wij het naderden,
hoe belangrijker het ons geleek. Om ongeveer drie uur kwamen wij
zoo dicht langs de oevers, dat wij met het bloote oog de huizen en
de verschillende boomen gemakkelijk onderscheiden konden. Het meest
belangrijke gebouw met zijne prachtige omgeving was het zomerpaleis
van den jongen sultan, dicht aan den oever gelegen. Weldra volgde
eene interessante ruïne, van wat eens een kasteel van de favorite
van een der oude sultans was. Nog een eindje verder en daar lag het
stadje Zanzibar in al zijn schilderachtige schoonheid voor ons. De
gewitte en gegeelde huizen gaven het geheel weder een aanzien, alsof
alles nieuw was, doch nauwelijks waren wij aan wal, of wij zagen de
eerwaardige oudheid van alles. Vlak voor het paleis van den sultan
met de twee groote bijgebouwen, waarin de 100 vrouwen van den jongen
sultan huizen, wierp onze boot zijn anker neder, en wij vieren waren
de eersten die met een van de vele onmiddellijk aan boord komende
gidsen, een contract hadden gesloten, en die daarna met hem in eene
der roeibootjes aan wal gingen.
Het lijkt vreemd, dat men in zoo'n klein plaatsje een gids noodig
heeft, en ook wij dachten eerst dat het een overbodige zorg was om een
gids te engageeren, maar een medepassagier, die reeds eenige keeren
deze reis gedaan heeft, en steeds in Zanzibar was afgestapt, zagen
wij hetzelfde doen, waardoor wij van de noodzakelijkheid overtuigd
werden. En toen wij eenmaal aan wal stonden, begrepen wij onmiddellijk,
dat dit de eenige zekerheid is om weder op het schip terug te komen. In
dien doolhof van enge straatjes moet ieder vreemdeling verward raken.
Doch wat een wonderbaar schouwspel levert dit stadje op. Het
is gewis de vreemdste plaats die ik ooit in de wereld heb
aanschouwd. Orientalischer oord is, dunkt mij, niet denkbaar. Het
geheele eilandje is niet grooter dan 14 mijl in omtrek en daarop huizen
ongeveer 70.000 inwoners, voor het overgroote deel allen in het stadje
opeengehoopt. Van deze 70.000 menschen zijn er slechts 250 Europeanen
en Amerikanen, alle anderen zijn Arabieren, Britsch-Indiërs, Turken,
Swahili's, Sinhaleezen en Duitsch West-Afrikaners, de laatsten er als
slaven heengevoerd, doch sedert Zanzibar onder Britsche protectie staat
en de slavernij langzamerhand wordt afgeschaft, vrij levende en vrij
werkende menschen. Al deze menschen leven er naar hunne eigen zeden en
gewoonten en dragen geen kleederen, of hun eigen dikwijls zeer vreemd,
doch ook dikwijls zeer schilderachtig costuum. Wat een verscheidenheid
van Orientalische menschen ziet men soms op een oogenblik in een der
nauwe straten bijeen.
Wij waren het er over eens, dat wij de drie uren vóór het diner
gebruiken wilden om het stadje in alle hoeken te doorkruisen en een
algemeenen indruk op te doen. De gids, een Arabier, die goed Engelsch
sprak, moest ons natuurlijk alles verklaren, wat wij tegenkwamen, dat
niet voor zich zelf sprak. Wij zagen echter zooveel dat onze grootste
verbazing wekte. In dit antieke stadje met straten als nauwe stegen,
ontmoetten wij alle denkbare middelen van vervoer. Rijtuigen met
paarden of muildieren bespannen, die net tusschen de muren der huizen
door kunnen en waarvoor, om ze te laten passeeren, de voetgangers in
eene deuropening moeten gaan staan; rickshaws, kameelen, rijwielen,
motorrijwielen, automobielen en een tram. En toen het donker begon
te worden, zagen wij de straten en menig huis en winkel electrisch
verlicht. Maar dat is ook al het moderne wat er te zien is.
De hooge, kalksteenen huizen hebben geen van allen vensters, maar
hier en daar groote, vierkante openingen met zware, ijzeren tralies,
die licht en lucht toegang geven. De deuren der woningen, die bijna
steeds open staan, zijn groot, zwaar, met koper beslagen en in vele
gevallen prachtig oud-Arabisch gebeeldhouwd. Sommige gevels der huizen
zijn met gekleurde tegels ingelegd, wat een mooi bont geheel vormt.
De Sinhaleezen, die uit Ceylon naar hier zijn overgekomen, en de
Britsch-Indiërs hebben bijna allen hunne winkels en werkplaatsen
binnenhuis, doch met wijd openstaande deuren, zoodat men naar binnen
kan gaan, de mooie Japansche ivoorwerken, de Indische borduurselen en
andere fraaie kunstwerken kan bewonderen, zonder een kooper te willen
zijn. De Arabieren en andere volkeren oefenen hun heele bedrijf op
straat uit en daar liggen ook alle te koop aangeboden zaken. En wat
daar niet te koop wordt aangeboden! Herhaaldelijk moest de gids ons
eene uitlegging geven van hetgeen wij zagen.
In eene nauwe straat, het was de barbiersstraat, zagen wij eene heele
rij oude mannen, Arabieren, die elk een geknielden man, een Swahili,
voor zich hadden, die zij hoofd en gezicht scheerden. De Swahili's
gaan allen geheel geschoren.
Hoewel in de winkels der Indiërs en Sinhaleezen vele artistiek
bewerkte ivoren, zilveren, gouden en zijden artikelen te koop worden
aangeboden, staat toch de kunstnijverheid op het eiland op een zeer
laag niveau. De bewoners kunnen alleen de primitiefste dingen zelf
maken. De kunstwerken worden alle uit Britsch-Indië, Ceylon, Java,
China en Japan ingevoerd om aan de vele vreemdelingen verkocht
te worden.
De Sinhaleezen zijn rare heeren. Zij zien er heelemaal uit als vrouwen,
alleen de snor geeft sommigen iets mannelijks. Hun lang, zwart haar
hangt soms in lange krullen over hunne schouders, doch is meestal in
een wrong achter op het hoofd saamgebonden en met schildpad haarnaalden
en een schildpad kam bijeengehouden. Hunne kleeding bestaat uit een
sarong en kabaai, de sarong heeft soms veel van een lange, nauwe rok
en de witte kabaai is prachtig geborduurd. Zij hebben ook in stem en
gebaren iets onuitstaanbaars sentimenteels.
De Britsch-Indische vrouwtjes zien er snoezig uit. Wij zagen ze om
zes uur in groote menigte naar de kerk gaan, allen in dunne, zijden
doeken van hoofd tot voeten kunstig gedrapeerd. De verscheidenheid
van mooie, zachte kleuren vormde een mooi bont geheel. De Indische
vrouwen mogen naar de kerk gaan, alhoewel hun kerk geheel afgescheiden
is van die der mannen, en natuurlijk van binnen en buiten lang zoo mooi
niet. Dat hebben zij voor bij de meeste andere Oostersche vrouwen. De
Mohammedanen, de meeste secten ten minste onder hen, houden niet
van biddende vrouwen; zij gelooven niet dat God zich verlaagt om een
vrouw aan te hooren, en zij zijn vast overtuigd dat een vrouw nooit
in den hemel kan komen. De weinige Mohammedaansche secten die een
vrouw toestaan te bidden, laten haar toch niet naar de kerk gaan, en
zij zijn vast overtuigd dat als er zoo iets als belooning hiernamaals
voor eene goede vrouw bestaat, dan is het ergens in een apart hoekje
daar boven, ver gescheiden van den hemel der mannen.
Terwijl wij bovenstaande wijsheid stonden op te doen, trok een
voorbijgaande groep van drie personen onze bijzondere aandacht. Het
waren twee groote, stevig gebouwde mannen, waartusschen een heel
klein ventje liep, niet grooter dan een jongentje van vijf jaar,
doch met een omvang van een volwassen man. Het was een allerdwaast,
ongeproportionneerde verschijning. Het kereltje met zijne beide
trawanten werd door elkeen met eenig ontzag den weg gebaand. Het
was de dwerg, de clown van den sultan, die, zooals wij dat nog uit
onze kinderverhalen weten, als levensdoel heeft den sultan met zijne
grimassen te amuseeren.
De sultan, een jonge man van 27 jaar, is op het oogenblik in
Europa. Hij is eigenlijk meestal in Europa, waar hij zich beter schijnt
te kunnen amuseeren dan op zijn klein eiland. Hij heeft zijne opvoeding
in Engeland gehad en schijnt zich daar goed ontwikkeld en vele moderne
begrippen opgedaan te hebben. Als hij op reis gaat, laat hij meestal
zijne honderd vrouwen tehuis; hij schijnt zich in Londen en Parijs
op moderne wijze te kunnen amuseeren. Zijne twee echte vrouwen zijn
Arabieren, de acht en negentig anderen zijn Swahili's. Nu is het
een jongmensch, al is hij ook zelf van moederszijde een Swahili, die
eene Engelsche opvoeding genoot en Europeesche vrouwen heeft leeren
beminnen, niet kwalijk te nemen, dat hij zijn harem onaangeroerd laat,
want tusschen eene Swahilische schoone en een baviaan is net zoo'n
groot verschil als tusschen een villa en een buitenverblijf.
Sedert 1840 heeft Engeland hier een consulaat en van dien tijd af is
ook langzamerhand de slavenhandel er onderdrukt, die echter eerst
twaalf jaren geleden geheel werd afgeschaft, toen Zanzibar geheel
onder Engelsch protectoraat kwam. De marktplaats, waar de slaven
geveild werden, staat er nog alsof hij morgen weder in gebruik kan
worden genomen en onze gids zeide doodkalm, toen wij een groepje
West-Afrikaansche vrouwen voor ons zagen loopen, "twaalf jaren geleden
hebben elk van die vrouwen twee pond opgebracht."
Het eiland Zanzibar dankt zijne wereldbekendheid niet aan zijne mooie
ligging, zijne schilderachtige schoonheid of zijne interessante
bewoners, maar aan het feit, dat dit klein stukje grond voor 90%
de heele wereld voorziet van kruidnagelen. Een deel van het eiland
is geheel met kruidnagelboomen beplant en deze en de copra zijn
de voornaamste artikelen, die van hier over de geheele wereld
verzonden worden. Het geheele jaar door geschiedt de uitvoer van
kruidnagelen, omdat de boomen terzelfder tijd bloesem, bloem en vrucht
opleveren. Elken dag kunnen de rijpe vruchtjes geplukt worden.
Wij spraken met onzen gids, die den romantischen naam Romeo draagt,
af, om voor den volgenden morgen een rijtuig voor ons te bestellen,
dat ons naar de kruidnagelplantages zou brengen. Om 8 uur liep
Romeo den volgenden morgen reeds op het dek van ons schip rond, om
ons op te wachten en direct na het ontbijt volgden wij hem naar het
aan land gereed staande rijtuig. Eerst gingen wij, zooals wij dat
overal deden, waar er gelegenheid toe bestond, naar de marktplaats,
om de groenten, vruchten, koopers en verkoopers in oogenschouw te
nemen. Het was een kleurige, woelige, druk pratende en nog drukker
gesticuleerende menigte, waaronder vrij wat lepralijders en menschen,
die met vieze huid- en oogziekten rondwandelden. Wij zagen een school
waar de kindertjes Arabisch en Indisch leeren; de leerlingen waren
allen kleine jongens; of de meisjes naar afzonderlijke scholen gaan,
of niet onderricht worden, hebben wij niet vernomen. Het zou mij niet
verwonderen, dat hier nog de leer gehuldigd wordt, dat "een wetend
wijf brengt groot gekijf", en dat met vrouwen te leeren schrijven,
de onzedelijkheid in de hand gewerkt wordt. Zij zouden dan maar die
kennis gebruiken om den minnaars briefjes te zenden.
Door een mooie allee van manga- en cocosnootboomen, dadel- en
banaanpalmen en langs verschillende groepen van woningen, waarin de een
of andere Indianenstam zich opeen gehoopt had, kwamen wij in Bububu,
de plaats, waar de kruidnagelplantages zijn. Het zijn vrij groote
boomen, met bladen, die in vorm, kleur en geur aan laurierbladeren
doen denken. Deze mooie, groenbladige boomen, met de roode bloesem,
bloem en vrucht, leveren onder dien strakblauwen hemel en met de
blauwgroene zee op den achtergrond een schitterend effect. Alleen
door de goedkoope arbeidskracht der zwarten kan deze specerij zoo
goedkoop aan den man worden gebracht. Mannen, vrouwen en kinderen
plukken de vruchtjes, spreiden ze op doeken in de zon uit, om ze
te drogen, dan eerst worden zij zwart, en dan zijn zij gereed om
verpakt en verscheept te worden. Elk jaar, tusschen Maart en Mei,
het regenseizoen, worden nieuwe boompjes geplant, die dan eerst na
tien jaar vruchtdragend zijn. Op die wijze wordt gezorgd, dat er
steeds nieuwe boompjes in aanplant zijn.
De uitvoer van kruidnagelen, copra en andere artikelen, een beetje
tabak, rubber, tropische vruchten en groenten, is blijkbaar belangrijk
genoeg, om hier van bijna alle landen een consulaat te vinden,
alleen een Nederlandsche consul was er niet te ontdekken, hetgeen
mij daarom verwonderde, omdat de invoer van Javaansche producten er
nogal belangrijk is.
Kort voordat het schip het anker ging lichten keerden wij van Zanzibar
terug. Wij hadden er gaarne nog langer gebleven en zeer zeker zal ik
het bezoek aan dit eiland nimmer vergeten. Om Zanzibar alleen is het
de moeite waard, de reis naar of van Zuid-Afrika langs de Oostkust
te maken.
Om vijf uur 's middags zette het schip zich in beweging en zonden
wij dit eiland onzen laatsten afscheidsgroet. Toen wij den volgenden
ochtend onze oogen openden passeerden wij vlak langs de oevers van
Mombasa. Zij gaven ons een beteren indruk van wild Afrika dan wij
tot dusver gehad hebben. Echte wilde, ongecultiveerde bosschen en
vlakten gingen aan onze blikken voorbij.
Ook het eiland Mombasa ligt op een koraalrif, waardoor de groei van
vruchten en groenten beperkt is. Het is echter door een spoorweg met
het binnenland verbonden, zoodat er veel kan worden aangevoerd. Deze
spoorweg, de Uganda-spoorweg, die tot Nairobi doorloopt, geeft Mombasa
zijne belangrijkheid. Hierdoor toch staat het met Centraal-Afrika
in verbinding en alles wat van daaruit verscheept moet worden, moet
vooralsnog zijn weg door Mombasa vinden.
Ook Mombasa is een aardig, oud-Arabisch stadje, al is het dan ook
lang zoo schilderachtig niet als Zanzibar. Wij vinden er dezelfde
nauwe straatjes, dezelfde soort huizen, dezelfde soort winkels en
een ongeveer gelijke markt, maar alles is er kleiner, armoediger en
onbelangrijker. Het eenige middel van vervoer is de trolley en de
rickshaw. Paarden komen er niet voor. Men zegt, dat paarden er niet
kunnen leven, omdat de tetsemug [1] er existeert. Er zijn ook slechts
heel weinig koeien, weinig ezels (tenminste, die op vier beenen gaan)
en eenige muildieren. Van deze laatsten zouden er niet meer dan vijf
op het heele eiland zijn.
Door de weinig in Mombasa wonende Europeanen is buiten het stadje,
naar den zeekant toe, een aardige streek gebouwd, waar zij wonen en
dat in vergelijking met het stadje een gezond oord kan genoemd worden.
De uitvoer van ivoor van hieruit is een zeer belangrijke en voor 7/8
deel gaat dit alles naar Amerika. Heele hoopen olifantstanden, voor
een groot deel komende van het oostelijk deel van den Congo, alle met
"New-York" gemerkt, vindt men in de havenplaats opgestapeld. Ons schip
moest hier een onnoemlijk aantal zakken maïs en ruw katoen en eenige
schuiten vol huiden laden.
Mombasa is nog niet opgewassen tegen het drukke verkeer en den drukken
uitvoer, die de aanwezigheid van den spoorweg heeft meegebracht. Als
er, zooals wij het treffen, eenige schepen tegelijkertijd in de haven
liggen, die lading moeten innemen, dan kan Mombasa geen arbeidskrachten
genoeg leveren. Het handjevol Swahili's, die de lading in ons schip
moeten brengen, zullen ons lang aan de praat houden. Wisten wij maar
vooraf hoe lang wij hier bleven liggen, dan hadden wij met den trein
eenige honderden mijlen landwaarts kunnen gaan en zien wat daar te
leeren valt. Elk oogenblik kan echter een der andere schepen gereed
komen en de arbeidskrachten naar onze boot overgeplaatst worden en
dan schieten wij sneller op en zijn tot verder gaan gereed, alvorens
wij terug zouden zijn.
Mombasa is rijk voorzien van zendingshuizen. Protestanten
en Katholieken kampen hier om den voorrang om deze eenvoudige
Mohammedaansche of andere bevolking een ander geloof te geven. Heel
Afrika is bezaaid met deze instellingen, die over het algemeen
weinig geliefd zijn. Overal hoort men dezelfde appreciatie, dat zij
zeer veel kwaad en weinig goed stichten. Het is heel moeilijk uit te
maken, waarom het beter is, dat deze eenvoudige menschen den God der
Christenen dan hun eigen God aanbidden, en waarom het Protestantsche
of Katholieke geloof beter zou zijn dan het Mohammedaansche. Het
laatste leeraart tenminste nog geheelonthouding van alcoholische
dranken en eenvoud in voeding en levenswijze. Eenige missions hier,
in Mombasa, drijven hun opvoedenden en veredelenden invloed tot in
't potsierlijke. Zij voeden hun volgelingen niet alleen op, om onze
zeden--die zoo hoogst beschaafd zijn--en gewoonten over te nemen, maar
ook om zich Europeesch te kleeden. Verbeeldt u, hier, in dat woeste,
heete klimaat, vlak bij de Equator, waar elke rechtgeaarde Europeaan
benijdend neerziet op de doelmatige naaktheid der bruine broeders, en
wat graag in dat toilet zou willen verschijnen als onze beschaving ons
niet geleerd had dat dit onzedelijk is, hier die eenvoudige menschen
te leeren, hun mooie, bruine ruggen te bekleeden en zich des Zondags
naar de kerk te begeven, gehoed en gelaarsd, in witte overhemden en
blouses, is toch wel het toppunt van stomme kortzichtigheid en blinde
ingenomenheid met eigen gebruiken en gewoonten.
Dinsdagmorgen, na drie volle dagen en nachten in Mombasa geankerd
gelegen te hebben, gingen wij verder. Den laatsten avond had nog een
treurig ongeval op onze boot plaats. De zwarte jongens, met het laden
van de vracht belast, hadden reeds 26 uren onophoudelijk--slechts
kleine rustpoozen om wat te eten hadden zij gehad--doorgewerkt, toen
een vracht met twaalf zakken ruw katoen uit de haak schoot, juist
toen het in de lucht en boven het ruim zweefde. Twee van de daaronder
werkende mannen werden er als het ware onder verpletterd. De een liep
belangrijke kneuzingen op en de ander werd zieltogende naar boven
gebracht. Een oogenblik werd er gevreesd, dat nu alle anderen het
werk zouden neerleggen en weigeren door te gaan, maar dat gebeurde
niet. Na een oogenblik wachten gingen allen onder diepe stilte weder
aan het werk.
Wij hebben nu een langen tijd voor ons alvorens wij weder land
zullen zien. Eerst na zes dagen komen wij in Aden, de eerstvolgende
aanlegplaats. Wij zullen ons in Aden slechts zeer kort ophouden,
misschien niet lang genoeg om er iets van te zien, maar wel lang
genoeg om dezen brief aldaar te posten, die dan met een mailboot
verder gaat en Port Said en daardoor Holland eenige dagen eerder dan
met onze boot bereikt.