24 Oct. 1911. De laatste twee dagen in Durban, waarin zooveel
uitstapjes voorgenomen waren en nog aan zooveel afspraken moest worden
voldaan, vielen leelijk tegen, omdat wij door hevige onweersbuien,
storm en stortregens het hotel niet konden verlaten en gebonden waren
in onze kamers te blijven. Een goede gelegenheid om de koffers te
pakken en ons voor de langdurige zeereis voor te bereiden.
Toen wij gistermorgen moesten afreizen, was het weder nog niet weer
bedaard en de hevige storm, die de zee recht woelig maakte, deed ons
een beetje tegen de reis opzien. Maar er viel niet veel aan te doen,
de boot zou om twaalf uur vertrekken en wij moesten mede. Wij hadden
ons erg bang laten maken voor de Avondale Castle; het was een klein
schip, een oud schip, niet zeewaardig schip en nog veel meer en enkele
vrienden drongen er zelfs op aan, om ons vertrek uit te stellen,
omdat men het gewaagd vond, met zoo'n schip een zoo groote reis te
ondernemen. Het kon ons niet erg meer tegenvallen, hoewel de kleinheid
van het schip en de nauwe, kleine hutten, ons toch een kleine schok
gaven. Niettegenstaande men voor ons de vier beste hutten, en elk
een geheele hut, gereserveerd had, moesten wij ons toch eerst aan het
gezicht er van gewennen, alvorens wij er mede verzoend raakten. Zeer
lastig was het al reeds, dat onze hutkoffers, in alle gewone booten
in de hut passende, te groot waren voor deze hutten, zoodat wij onze
bagage in onder- of bovenbed moesten opstapelen. Van eenige comfort
was ook geen sprake. De Avondale Castle is een vrachtboot, die ook
passagiers medeneemt. Het is jammer, dat de Union Castle lijn, als zij
zulke booten onverwacht in de plaats van een goede boot stelt, niet de
reiskosten er van verlaagt, zoodat de passagiers weten, waarvoor zij
al de ongemakken te verduren hebben. Nu verbittert de omwisseling der
booten menigeen aan boord en daarvan zal de Duitsch-Oost-Afrikalijn
de rijpe vruchten plukken.
Het was te voorzien en iedereen had het ons ook voorspeld, dat wij het
op deze geheele reis snikheet op de boot zouden hebben, zoodat wij
alleen de dunste zomerkleederen gebruiken konden. Daarom hadden wij
alle warme kleederen zorgvuldig weggeborgen. Het onweder, de regen
en de storm heeft de temperatuur echter zoo afgekoeld, dat het er
meer van heeft, dat wij ons op den weg rond de Noordkaap bevinden,
dan in het warme seizoen in den Indischen Oceaan.
Spoedig na de lunch, gistermiddag, vonden al de met zeeziekte geplaagde
menschen het raadzaam zich te bed te leggen, want nauwelijks waren wij
in zee of de woeste golven deden ons kleine vaartuig op en neer en naar
rechts en links slingeren en een enkele keer kwam zelfs een brutale
golf ons opperdek geheel besproeien. Toch hielden mrs. Catt en ik
het kranig vol in onze dekstoelen en lazen ieder een heel boekdeel uit.
Om eerlijk te zijn, moet ik evenwel bekennen, dat ik het theeuurtje
liet passeeren en om 7 uur mijn diner maar boven liet brengen; ik
waagde het niet naar de eetsalon te gaan.
Er zijn nog slechts weinige passagiers aan boord, omdat de meesten
eerst in Lorenzo Marquez arriveeren, waar wij vanmiddag om vier
uur landen. Een vlugvarende boot zou ons er eerder brengen, maar de
Avondale Castle kon niet sneller tegen den wind inkomen. We zullen
echter tot Woensdagavond in Lorenzo Marquez blijven, lang genoeg om
van dit stadje eenige indrukken mede te nemen.
25 Oct. Het was half vier gistermiddag toen wij de Delagoabaai
binnenstoomden, maar het werd toch vijf uur, alvorens wij in Lorenzo
Marquez aan de aanlegplaats vastgemeerd lagen en ons aan wal konden
begeven. Evenals in Europeesche havens bij het binnenkomen der
booten steeds tal van stoere kerels staan, die niets anders dan
ruwe arbeidskracht--een paar stevige armen en beenen--in ruil voor
levensonderhoud hebben aan te bieden, zoo stonden ook hier eenige
honderden groote, steviggebouwde Zulumannen gereed om aangemonsterd
te worden voor het laden en lossen van het schip. Een klein deel kon
maar gebruikt worden; sommigen bleven wachten of er misschien toch nog
iets voor hen te verdienen viel, alle anderen dropen teleurgesteld af.
Lorenzo Marquez is een aardig Portugeesch stadje, dat een vroolijker,
vriendelijker en meer afgewerkten indruk geeft, dan alle andere steden,
die wij in Zuid-Afrika zagen. Het is klein, heeft ongeveer 10.000
inwoners, waarvan zoowat de helft blanken zijn, maar het vertoont eene
levendigheid in winkeluitstalling, openlucht-café's en straatverkeer,
dat het den indruk maakt, alsof het minstens tienmaal zooveel grooter
bevolking heeft.
Wij gingen eerst de stad doorkruisen, om een algemeenen indruk te
krijgen en vanochtend, direct na het ontbijt, gingen wij weer de
bijzonderheden zien. Wij begonnen met een tramrit door en rondom
het stadje en zagen toen de talrijke mooie villa's met prachtige
tuinen. Daarna begaven wij ons naar den stadstuin, die tegelijkertijd
een botanischen tuin is. Daar zagen wij een groote verscheidenheid
van voor ons de vreemdste bloemen en planten, allen met de latijnsche
namen gemerkt, zoodat wij tenminste de familie konden vaststellen.
Het schilderachtigste en amusantste was de marktplaats. Het was een
gedeeltelijk overdekte hal, waar vleesch, visch, groenten, vruchten,
bloemen en planten en bovendien alles, wat onze Nieuwmarkt oplevert
te koop werd aangeboden. Het waren bijna allen kleurlingen die er
kochten en verkochten. Om ongeveer elf uur kwam er plotseling een
groote levendigheid op het open gedeelte van de marktplaats, door
de aankomst van eenige dozijnen Zuluvrouwen, velen met een kind op
den rug gebonden, doch allen voorzien van een groote ijzeren pan
vol eten en eenige tinnen borden en een soort van houten lepels,
die veel van platte houtjes hadden. Deze vrouwen zetten zich in
een ronden kring op hare hurken neder en begonnen den inhoud van
den ijzeren pot aan den man te brengen. Het was gekookte rijst of
maïspap of vruchtenbrei, dat voor een of twee pennies een bordvol
aan de mannen verkocht werd. De moedertjes hadden drukke nering en
elken keer als een der mannen zijn bord geledigd had en verzadigd was,
werd het bord door het moedertje eerst met haar voorvinger en daarna
met haar rooden tong zorgvuldig schoongelikt, alvorens het opnieuw
gevuld en het maal te koop aangeboden werd. De volgende kooper liet
zich echter door deze wijze van reiniging niet afschrikken en hapte
de pap of brei met groote smaak op.
Vroeger dan wij verwacht hadden, verlieten wij hedenmiddag de
Delagoabaai weder. De lading was reeds om twee uur gelost en er viel
niet veel in te laden, zoodat wij met een bijna geheel leeg schip de
reis voorloopig moeten voortzetten. Even vóór den Johannesburgtrein om
vier uur binnen kwam, die verscheidene passagiers voor ons medebracht,
brak plotseling zulk een hevig onweder los, als wij in ons land zelden
bijwonen. Van twee kanten zette het vuur van den hemel ons telkens
in een lichtgloed en de daarop volgende donder barstte met zoo'n
geweld vlak boven onze hoofden los, dat het ons allen in zenuwachtige
spanning hield, en de regenvloed, die met dit onweder vergezeld ging,
bracht al de nieuwe passagiers drijfnat aan boord. Niettegenstaande wij
vastgemeerd lagen, bracht toch de storm de zee zóó in beweging, dat het
schip onophoudelijk heen en weer bewoog. De storm was zóó hevig, dat de
kapitein het veiliger vond vooralsnog de haven niet te verlaten, doch
wij hoorden, hoe de loods hem wist over te halen toch maar te gaan,
omdat het toch minstens twee uren zou duren, alvorens wij de baai
uit waren en tegen dien tijd zou het weder reeds lang bedaard zijn.
26 Oct. De storm was echter na twee uur niet bedaard en was na afloop
van het diner nog zóó hevig, dat alles, wat niet vastzat, van het
dek af vloog, als het niet tijdig door de stewards in veiligheid
was gebracht. De golven sloegen onophoudelijk over het schip en het
was voor ons, die op het opperdek huisden, onmogelijk van de eetkamer
naar onze hutten te komen zonder door een stortzee drijfnat gegooid te
worden. Niet alleen de deuren, maar ook de raampjes van onze hutten
moesten gesloten blijven, omdat de golven zelfs daardoor naar binnen
ploften. Het schip hield zich onder deze omstandigheden, zooals een
klein, bijna ongeladen schip zich in zulke omstandigheden gedragen
moet, het--om het poëtisch uit te drukken--dobberde op de baren.
Onder onze medepassagiers is er tot dusver slechts één de vermelding
waard. Het is een nog betrekkelijk jongmensch, die reeds vijf keer de
heele wereld doorreisde, in alle vijf werelddeelen was en die grondig
doorzocht. Hij is reizend agent voor eenige groote Engelsche huizen,
voor zoover hij met zijn reizen zijn levensonderhoud verdient, maar
voor zijn persoonlijk genoegen bestudeert hij verschillende sociale
toestanden in de verschillende deelen van de wereld. Het is een
genot met dien man te spreken en daar hij aan tafel mijn buurman is,
maakt hij elken maaltijd tot een geestelijk genoegen. Hij voorziet
Mrs. Catt en mij voor onze verdere reis van de meest waardevolle
inlichtingen. Jammer, dat hij ons in Mombasa reeds verlaat, omdat hij
van daar per trein naar Nairobi wil, om Centraal Afrika te bestudeeren
en dan in Mombasa terugkeert, om van daar naar Britsch-Indië te gaan.
Met vele onzer medereizenden maken wij niet eens kennis, omdat er
velen onder zijn, die gerangschikt kunnen worden onder "vlottende
bevolking". Zij komen in de eene haven aan boord en verlaten ons in
de volgende weder.
27 Oct. Vanmorgen, om tien uur, kwamen wij voor de baai van Beira aan,
doch door den lagen waterstand konden wij de baai niet opvaren. Het
anker werd uitgeworpen en daar lagen wij doodkalm te wachten tot de
vloed zou opkomen, die ons vergunde verder te gaan. Om ruim vier uur
kwam de loods aan boord en bracht ons toen weldra veilig tot dicht
voor Beira. Doch het was reeds zeven uur, voor den Portugeeschen
dokter en de Portugeesche politie zich overtuigd hadden, dat alles
"wel was aan boord" en dat wij geen contrabande binnensmokkelden.
Deze kalme dag gaf al de zeezieken aan boord gelegenheid om te bekomen,
en daar wij morgen niet eerder kunnen vertrekken, vóór de vloed ons
weder ruim sop geeft, valt er voor hen in elk geval nog op een kalmen
dag te rekenen. 't Is te laat, om vanavond nog aan land te gaan,
daarom vermaken wij ons maar met het gezicht op de lichten van Beira,
het Portugeesche stadje, dat van verre zoo vlak en onbeduidend lijkt.
Toen zoo even ons orkestje, dat uit vijf personen bestaat, die
ook als kellner, schoenpoetser, koperpoetser en meer dienst doen,
zijne valsche tonen de lucht inzond, kwamen op die muziek tal van
roeibootjes met zwarten bemand, van de landzijde aanroeien, en is nu
het schip totaal omsingeld met stil luisterende negers.
28 Oct. Vanochtend gingen wij direct na het ontbijt, met een van
de electrische bootjes, die onophoudelijk om het schip ronddolen,
naar land om een kijkje in Beira te nemen. De zon stond reeds hoog
aan den hemel en ofschoon het op het schip aangenaam frisch was,
was het in het stadje toch snikheet. Beira is een heel eigenaardig
Portugeesch stadje met nog geen 4000 inwoners, waarvan ongeveer het
vierde deel Europeanen zijn. De inboorlingen gaan hier weder geheel
naakt, alleen een broekje of, in de meeste gevallen, een sarong,
dragende. Het zijn meerendeels groote, mooie, stevig gebouwde mannen;
vrouwen zagen wij bijna niet. Al deze zwarten maken een bijzonder
goedaardigen indruk en doen al het zware en vuile werk, dat hen door
de witmenschen, voor zoo goed als geen betaling wordt opgedragen.
Waar zij die zwarten niet voor durven gebruiken! Wij passeerden hier
en daar een kantoor, waarin eenige blanken zaten te schrijven. Boven
hunne hoofden hingen een soort van zware gordijnen, die door een
daaraan bevestigd touw, dat door een opening in den muur ging, door
buitenstaande zwarte mannen heen en weder werd bewogen, zoodat op
die wijze de kantoorheeren een koeltje wordt toegewaaid, zonder dat
zij de geur, die de zwarte mannen verspreiden, in hun kantoor krijgen.
Beira lijkt in geen enkel opzicht op de kleine of groote steden,
die wij in Zuid-Afrika zagen. Het heeft zijn eigen en eigenaardig
aspect. De huizen, bijna allen houten gebouwen, zien er met hunne open
voorgalerijen min of meer Oostersch uit en de heele stad is langs
de wegen en op open plekken ruimschoots beplant met allerlei soort
tropische vruchtboomen. Vooral de vruchtdragende cocosnootboomen,
die wij hier voor het eerst opmerkten, trokken bijzonder onze
aandacht. Verder tal van andere vruchtboomen, waarvan ik te voren het
bestaan niet kende en van welks vruchten men eerst aan de smaak moet
gewennen, om ze goed te kunnen waardeeren. Vele van de vruchten die
wij hier aan den weg vonden, en die bij de maaltijden op het schip op
de tafels verschenen, zijn zeer smakelijk, doch zij bezitten geen
marktwaarde, omdat zij niet verscheept kunnen worden en niet te
bewaren zijn. Zoodra zij rijp zijn, moeten zij genuttigd worden.
De groote eigenaardigheid van Beira is, dat het geene bestrating heeft;
alleen een smal trottoir vlak langs de behuizing. Overigens bestaat
de grond uit droog, wit zand, waar men tot over de enkels inzakt als
men den weg wil oversteken. Het eenige middel van vervoer in de heele
stad is een soort trolley, die door inlanders voortbewogen wordt. In
elke trolley kan slechts één of twee menschen vervoerd worden. Door de
heele stad zijn vierdubbele, smalle rails gelegd, waarover de trolleys
gerold worden. Elke Europeaan heeft zijn eigen trolley en een jongen
om hem voort te bewegen. Alleen van de hotels kan men soms één of meer
dier dingen huren. Wij moesten natuurlijk van dat voor ons nieuwe
vervoermiddel gebruik maken, alvorens wij tevreden waren en daarom
stapten wij naar het hotel in Beira en verzochten ons voor eenigen tijd
zoo'n ding te verhuren. Voor goed geld werd aan ons verzoek voldaan en
weldra trollieden wij, twee aan twee, door Beira's straten. Nadat wij
op die wijze het stadje aan alle kanten hadden doorkruist, in eenige
winkels waren afgestapt, om wat curiositeiten te zien en te koopen,
lieten wij ons naar de haven brengen, waar wij weldra het bootje
vonden, dat ons weder veilig naar onze boot terugvoerde.
Om vier uur was de lading binnen, die voor een deel uit rubber en
voor een ander deel uit ruwe katoen bestond; dit laatste met de
bestemming naar Rotterdam. Om vijf uur stoomden wij weg, nu door
mooi weder begunstigd. Het kleine briesje is juist sterk genoeg,
om het op het schip aangenaam koel te maken. Van overgroote hitte
hebben wij tot dusverre aan boord nog geen last.
29 Oct. Toen ik vanochtend mijn hoofd voor het eerst naar buiten stak,
lagen wij tot mijn groote verrassing, midden in zee, zooals het scheen,
voor anker. Ik had er niets van gemerkt en door al de daaraan verbonden
geluiden heen geslapen. Wij waren voor Chinde aangekomen. Het bootje
van de Duitsch-Oost-Afrikalijn (die maatschappij schijnt meester van
deze haven te zijn) bracht ons een paar nieuwe passagiers aan boord
en kwam de passagiers afhalen, die voor Chinde bestemd zijn. De
kapitein van dit scheepje kwam echter de mededeeling doen, dat de
vertrekkende passagiers niet voor 's avonds onze boot konden verlaten,
omdat het onmogelijk was Chinde te bereiken, alvorens de vloed weder
opgekomen zou zijn. Wij waren nog vijf mijlen van Chinde verwijderd,
door den lagen waterstand was het onmogelijk, nader bij dit plaatsje
te komen en zelfs het kleine, Duitsche bootje moest blijven liggen
tot de vloed hoog genoeg was, om het terugkeeren mogelijk te maken.
Daar lagen wij nu, doodstil, en dat nog wel op een Zondag op een
Engelsche boot. Er zijn onder de passagiers echter nog al veel
Amerikanen, Belgen, Denen en Noren, zoodat de Zondagsheiliging niet
zoo heel strikt wordt genomen. De Engelschen vormen eigenlijk hier
een kleine minderheid. Het was toch een volmaakt rustige dag, zooals
ik er langen tijd geen doorbracht.
Om acht uur werden eindelijk vanavond de vertrekkende passagiers
overgeladen in het Duitsche bootje. Dat gebeurde op een voor mij geheel
nieuwe wijze. Bij groepjes van twee en drie werden zij in een groote
mand uit onze boot geheschen en in de kleine boot neergelaten. Net
hoopjes pakgoed!
30 Oct. Nadat wij de passagiers van Chinde kwijt waren, koos onze
boot weder zee en begaven wij ons op weg naar Mozambique. Daar hopen
wij morgen aan te komen en aan wal te kunnen gaan. De kapitein kon
ons echter daarvan niets verzekeren, hij en de eerste officier, de
scheepsdokter en eigenlijk de heele bemanning, doen de reis voor de
eerste keer en op al onze vragen, krijgen wij steeds ten antwoord:
"Ik kan er U niets van zeggen, 't is voor ons alles even nieuw als
voor U". Wij zitten nu in afwachting wat de dag van morgen ons voor
verrassing zal brengen.
31 Oct. Het was inderdaad eene verrassing, die dezen dag ons
bracht. Direct na het ontbijt kregen wij Mozambique in het gezicht,
dat daar lag, romantisch mooi onder den strak blauwen hemel en aan
het witte strand. Van verre gezien, leek het een stad van kasteelen,
allen pas nieuw gebouwd. Maar wij wisten, dat Mozambique, eens de
hoofdplaats van Portugeesch Oost-Afrika, meer dan vier eeuwen oud is
en dat de meeste groote gebouwen daar reeds eenige eeuwen staan. Eerst
passeerden wij het eilandje St. George, met niets dan een bijzonder
groote en vreemdgebouwde lichttoren er op. Al de huizen, die er eens
gestaan hebben, zijn door de zee weggespoeld. Daarna naderden wij
Mozambique, het eeuwenoude stadje, dat gebouwd is op een eiland van
koraalrif. Wij wisten niet, wat meer was te bewonderen, het gezicht op
de stad, of de prachtige kleurschakeering, die de zee rondom het eiland
te zien gaf. De sterk groene en violette kleuren gingen ongemerkt in
elkaar over en gaven een kleureffect, dat zelden overtroffen wordt.
Nog vóór het schip voor anker lag, waren wij door talrijke zeil- en
roeibootjes omstuwd, die de passagiers aan wal wilden brengen of die
vol geladen waren met de mooist gekleurde en zeldzaamste schelpen
en stukken rood en wit koraalrif, die de passagiers voor enkele
pennies konden koopen. Geheele manden vol werden door velen voor
een shilling gekocht. Het was een gejoel en gekibbel daar beneden
onder dat zwarte volkje, om het eerst naar boven op het schip te
komen, en dit geroezemoes werd nog versterkt door de tallooze kleine
zwarte joggies, die soms geheel van de wal kwamen aanzwemmen, om een
in het water geworpen penny van den bodem op te rapen. Sommige van
deze duikertjes kwamen in een zeer primitief bootje, een uitgehouwen
boomstam, aanroeien. Het roeien deden ze met de handen en zoo vlug,
dat zij een gewone boot konden bijhouden.
Wij hadden spoedig één van de bootjes aangeklampt om ons aan wal te
brengen en ofschoon de zon fel door onze witte blouses brandde, stapten
wij toch moedig aan land, om de bijzonderheden van dit stukje wereld
in oogenschouw te nemen. Onze Amerikaansche reisgezellinnen gaven
het echter spoedig op, tenzij zij een rickshaw konden krijgen. Dit
was niet gemakkelijk omdat deze dingen er niet te huren zijn, een
witmensch heeft zijn eigen rickshaw en verhuurt die niet. Wij, twee
Hollanders, stapten door en nadat wij de stad en daarna de buurt,
waar de inlanders wonen, door waren, stonden wij plotseling voor een
zeer groot gebouw, uit witte en gele kalksteen opgebouwd, dat rondom
door een tuin met groote palmboomen, cocosnootboomen, peperboomen,
in vollen bloei, en andere tropische boomen, omgeven is. Het was
het gouvernements-ziekenhuis; dat zag er zoo belangwekkend uit,
dat wij besloten naar binnen te gaan. Allervriendelijkst werden
wij er ontvangen en tot onze verbazing bemerkten wij, dat in dit
eeuwenoude gebouw de tijdgeest toch was doorgedrongen en er zijn goeden
hygiënischen invloed heeft uitgeoefend. De republikeinsche regeering
van Portugal heeft hier de verpleegsters, Fransche nonnen, tot de
Franciskanerorde behoorende, nog niet verdreven en door zoogenaamde
wereldsche verpleegsters laten vervangen.
Wij ontmoetten in dit gebouw een Engelsch jongmensch, die behalve de
moderne talen, ook Portugeesch en drie inlandsche talen sprak. Hij
bood aan ons te vergezellen en ons de merkwaardigheden van het stadje
te laten zien. Hij had bovendien ook een rickshaw en een paar zwarte
bedienden, om ons te trekken.
Gaarne maakten wij van dat vriendelijke aanbod gebruik en de paar
zeer aangename uren in zijn gezelschap doorgebracht, hebben hem tot
onzen vriend gemaakt.
Wij zullen de vriendschap met hem onderhouden, door hem op zijn
verzoek, van tijd tot tijd geïllustreerde tijdschriften toe te zenden,
om hem een beetje met de beschaafde wereld in contact te doen blijven.
Het meest interesseerde ons het oude kasteel, dat in het begin der 16e
eeuw daar was nedergezet, en waarvan elke steen op de toen primitieve
booten van Lissabon moest worden aangevoerd. Op architectonisch
gebied moge dit stuk bouwwerk een meesterstuk zijn, de historische
herinneringen er aan verbonden, strekken het land echter niet tot
eer. Alleen 't gezicht van de plek, waar de slaven nog niet zoo heel
lang geleden verkocht werden, en de ondergrondsche gangen, waar zij,
aan ketenen gebonden, wachten moesten tot zij voorgevoerd werden,
veroorzaakten bij mij eene huivering op dezen snikheeten morgen. Nu
wordt deze plaats gebruikt voor de zoogenaamde misdadigers, allen
zwarte, dikwijls jonge mannen, die de wetten overtreden hebben, door
ons witmenschen ingesteld, waarvan zij onmogelijk de beteekenis kunnen
vatten en de waarde kennen.
Toen wij 's middags door onzen jongen, sympathieken geleider aan boord
teruggebracht waren, was 't inladen van het schip afgeloopen en kon
de reis worden voortgezet. De lading bestond hier in honderden tonnen
copra, een stof uit cocosnoot verkregen en voor de bereiding van
zeep gebruikt. Verder boonen, waaruit ricinus-olie geperst wordt,
die hier aan struiken in het wild groeien, koffieboonen en ruw
katoen. Katoenboomen komen hier overal in menigte voor.
Onwillekeurig vraagt men zich af, wanneer men dit smalle streepje
grond, dat Portugal hier aan Oost-Afrika's kust bezit, bekijkt en
dat voor Duitschland en Engeland, die er rondom hunne bezittingen
hebben, toch begeerenswaard lijkt, "hoe lang zullen deze twee groote
mogendheden Portugal nog in het bezit er van laten?" Het antwoord,
dat ik op die vraag kreeg, is nog al karakteristiek. Het was een
Britsch officier, die het mij gaf: "Zoolang dat plekje grond Portugal
nog geld kost, kan het gerust in het bezit er van blijven, zoodra
het winstgevend kan gemaakt worden, zullen Engeland en Duitschland
over de verdeeling er van wel tot overeenstemming komen."
Op het oogenblik wordt dat grondgebied door een Engelsche mijncompagnie
grondig onderzocht of er iets van waarde uit den grond of van de
bergen te halen is. Het komt mij voor, dat het te hopen is, dat
er niets gevonden wordt. Het goud en de diamanten, in Zuid-Afrika
gevonden, hebben rijkdom, aan enkelen, doch ellende aan onnoemlijk
velen gebracht.
1 Nov. Wij zijn nu op weg naar Zanzibar, de meest interessante van
alle havenplaatsen, die wij aandoen. Wij hopen er morgen te landen.
De hitte op het schip was vandaag zeer groot.