IN DEN TREIN DOOR RHODESIA EN AANKOMST IN ZAMBESIE.

Rhodesia, het grondgebied dat zijn naam ontleent aan zijn stichter

Cecil Rhodes, grenst ten zuiden aan de Transvaal, ten oosten en

westen aan Portugeesch Oost- en West-Afrika en ten noorden aan den

Congo en Duitsch-Oost-Afrika. Door de rivier Zambesie is het in twee

deelen verdeeld, het eerste Zuid-Rhodesia en het tweede Noord-Oost en

Noord-West-Rhodesia. Het grondgebied van geheel Rhodesia is grooter

dan dat van geheel Duitschland en Oostenrijk-Hongarije te zamen.

Dit grondgebied behoort niet tot de Unie van Zuid-Afrika. Het behoort

aan eene Engelsche maatschappij, die er alleenheerschappij voert. Deze

maatschappij heeft het indertijd, toen de Zuid-Afrikaansche Unie

gevormd werd, voor vijf en twintig honderd duizend pond aan de Unie

aangeboden, welk aanbod echter niet door de Unie werd aanvaard. Het

heeft nu zijn eigen wetten en staatsregeling.

Drie keer in de week gaat er een trein van Kaapstad naar Bulawayo, de

hoofdstad van Rhodesia, en verder naar de Victoria Falls, in Zambesie,

en naar Livingstone, en vandaar neemt de Mashonaland-spoorweg de lijn

over om de passagiers in nog eens vier en twintig uur naar den Congo

te brengen.

In Kimberley, alwaar wij Zaterdagavond in den trein kwamen, neemt

de Rhodesia-spoorweglijn de taak van de Kaapkolonie-lijn over. De

treinen zijn comfortabel ingericht en voorzoover doenlijk op deze

stoffige lijn, wordt er de noodige zindelijkheid betracht.

Toen wij Zaterdagavond in den trein kwamen, hadden wij een vrij

vermoeienden dag achter ons en begaven ons dus weldra ter ruste. Wij

wisten, dat wij den volgenden morgen om zeven uur in Mafeking zouden

aankomen en daar ongeveer een half uur zouden stoppen. Wij wilden

zorgen dan gereed te zijn om even een kijkje in Mafeking te kunnen

nemen, de stad ons allen uit den Zuid-Afrikaanschen oorlog zoo goed

bekend, door zijne belegering en de rol door Baden-Powell aldaar

gespeeld. Wij hadden daarvan in Kimberley zooveel hooren vertellen,

ook natuurlijk van de bezetting van Kimberley. Het was voor ons heel

interessant dezelfde toestanden en omstandigheden het eene oogenblik te

hooren vertellen door de Britsch-gezinden, het andere oogenblik door

de Afrikaanders. Hoe gevoelig zijn zij nog van beide zijden over de

gebeurtenissen in Kimberley en wat willen de Engelschen gaarne allen

lof aan Rhodes schenken, die hen gedurende de dagen van bezetting zoo

in elk opzicht schijnt te hebben geholpen, terwijl de Afrikaanders

juist aan zijn verderfelijken invloed hun val toeschrijven.

Maar over één punt zijn de Britten niet goed te spreken. Wil men

met hen op goeden voet blijven, dan doet men goed het gesprek over

"de concentratiekampen" te mijden. Dat is hun wondeplek. Wel is waar

hebben zij er op gevonden, dat die waren opgericht om de vrouwen daarin

te beschermen, maar zoodra zij met goed ingelichten te doen hebben

en dat voorwendsel niet goed kunnen volhouden, dan worden zij boos en

als zij beleefd zijn, vragen zij het onderwerp liever te laten rusten.

Toen wij Zondagmorgen een eindje buiten het station een kijkje in

Mafeking namen, zagen wij natuurlijk niets bijzonders en niets dat

ons nog aan den oorlog herinnerde. Wij kwamen daarom ook in den trein

terug met geen ander gevoel, dan dat wij tegenover deze stad onzen

plicht gedaan hadden, door zoo vroeg gereed te zijn en er even onze

opwachting te maken.

Reeds spoedig merkten wij dien Zondag, dat wij steeds meer den

equator naderden, de hitte in den trein was bijna onuitstaanbaar en

voor de witte, roode en grijze stof, die in dikke rookwolken langs

den weg opstoof, moesten wij zooveel mogelijk de raampjes gesloten

houden. Dikwijls zuchtten wij elkander dien dag toe, dat de Victoria

Falls al buitengewoon imposant moesten zijn om ons te vergoeden wat

wij dien dag door de warmte en stof leden.

Toch was de reis hoogst belangwekkend. Wel is waar was het landschap

eentonig door zijn altijddurende woestenij, met slechts weinige lage

bergen op den achtergrond en zagen wij geen enkelen olifant, leeuw,

tijger, rhinoceros of ander wild gedierte, die daar toch in menigte

zijn, maar wij zagen steeds meer, bij elke halte, de inboorlingen in

hun natuurlijken staat, nog zeer weinig door aanraking met de blanke

bevolking bedorven en zoogenaamd beschaafd. Zij kwamen bij elke halte

in groote groepen aan den trein, om vruchten, melk of eieren of wel de

door hen vervaardigde nijverheidsproducten te koop aan te bieden. Deze

laatste gaven ons geen groot denkbeeld van hun ontwikkelingsstaat

en ook hunne uitrusting plaatste hen niet op een hooge trap van

beschaving. De kinderen liepen geheel naakt rond en de grootere

menschen waren dikwijls alleen gekleed met een leeren vijgeblaadje en

eenige strengen koralen of koperen ringen, om verschillende deelen

van het lichaam gewonden. Sommigen zagen er allerdwaast uit. Zoo

liep een geheel naakte man met een oude heerensmoking om zijn naakte

schouders, een ander had alleen een oud heerenvest aan, een ander jong

mensch had een streng blauwe koralen om zijn hals, een blauw en geel

gestreept jersey, zonder mouwen, om zijn body en een paar gele leeren

beenbekleedsels van den een of anderen cavalerist om zijn beenen. Alle

mannen en vrouwen droegen evenwel het een of ander om hun middel,

om zedelijk voor den dag te komen. Met zekerheid kan ik verklaren,

dat ik in mijn leven niet zooveel verscheidenheid van toiletten heb

aanschouwd, dan den Zondag in den trein door Zuid-Rhodesia.

Hadden wij den heelen dag geen avontuurtje gehad, des avonds zouden

wij toch iets hebben. De gloeiende heete zon had mijlen ver al het

uitgedroogde gras, alle boomstronken en zelfs de hooge boomen op den

achtergrond in brand gezet en tot wij ten slotte ons te slapen legden,

gerustgesteld door den hoofdconducteur, dat er geen gevaar was,

gingen wij aan beide zijden door een vuurzee, die den geheelen weg

stralend verlichtte. Het was soms alsof op geringen afstand een heele

stad in brand stond en omdat wij wisten, dat er geen menschenlevens

en geen groote waarde door verloren ging, konden wij ons gerust de

weelde gunnen er met welgevallen naar te zien.

Gelukkig bracht de avond de gewenschte koelte en des nachts was

de temperatuur onverbeterlijk. Daarbij volle maan en een heldere

sterrenhemel, die het hoornvee in de weiden juist genoeg verlichtte,

om ons in elke koe een olifant of een rhinoceros te doen zien.

Op den geheelen afstand tusschen Mafeking en Bulawayo passeerden wij

geen enkel dorp waar andere blanke bevolking woonde dan die door de

spoorwegmaatschappijen was aangesteld of een soort politie vormde,

en zelfs deze laatste was in vele dorpen nog uit de zwarte bevolking

gerecruteerd. Men moet zoo'n zwarten politieman zien met bloote beenen

in een kort khakibroekje, een los jasje aan en een zweepje in de hand

(dat is zijn wapen) en dan een vilten hoedje op den zwarten kop,

op en neer langs den stilstaanden trein loopen en al zijne zwarte

medeburgers, die naar zijne meening te dicht bij den trein komen,

met een zweepslag terug dringen. De waardigheid in zijne houding en

gelaatsuitdrukking, waarmede hij toont, dat hij zijn taak hoog opvat,

is allergrappigst.

Maandagmorgen om 8 uur, wij waren juist gereed, kwam de conducteur

ons mededeelen, dat wij in Bulawayo waren en daar tot twaalf uur

zouden blijven. Wij konden het nauwelijks gelooven. Niets had ons

eenigszins kunnen doen vermoeden, dat wij een stad naderden en nog wel

de hoofdstad van zoo'n groot grondgebied. Wij waren nog steeds in een

woestenij en het houten stationsgebouwtje leek ook niet op wat wij

verwacht hadden. Toch waren wij in Bulawayo en wij volgden den raad

van den conducteur, om onze bagage stil in den waggon te laten,--hij

zou dien afsluiten en er toezicht op laten houden--om rustig de stad

in te gaan. Onze introductiebrief doet nog steeds wonderen.

Buiten het station stonden enkele dos-à-dos en andere kleine

wagentjes gereed om de reizigers stadwaarts te brengen, doch wat ons

het meest aantrok, dat waren de vele rickshaw's, voor één of twee

passagiers bestemd, en met een kleurling als trekdier. Mrs. Catt en

ik namen direct in een van deze voertuigjes plaats en onze beide

andere medereizigsters volgden in een tweede. Dat was een nieuwe

sensatie. Deze lichte wagentjes op caoutchouc wielen worden door

kleurlingen zoo snel voortbewogen, dat een paard het bijna niet

sneller doet. Die mannen springen meer vooruit dan dat zij loopen,

en hun lichte tred voorkomt, dat er veel stof opwaait. Het heerschap,

dat ons voertuig voortbewoog, droeg door elk oor een ongeveer tien

centimeter lang houtje, waardoor het onderste oorlelletje sterk naar

onder toe verlengd werd. Ringen van hoorn, koper en zilver droeg hij

om zijn armen en beenen, en eenige strengen gekleurde koralen maakten

zijn halsversierselen uit. Overigens had hij niet veel kleeren aan.

Wij stapten vóór 't Grand Hotel uit om daar ons ontbijt te nemen en

wilden dan verder de stad zien. Als men in aanmerking neemt, dat er

nog niet zoo heel veel jaren verstreken zijn sedert Lobengula met zijn

vele vrouwen hier den scepter voerde en op de plek, waar nu groote

koopmanshuizen en betrekkelijk groote hotels staan, de maïs groeide

voor het onderhoud van den machtigen monarch, dan is alleen van uit dat

oogpunt de stad reeds het bezichtigen waard. Maar alles verkeert er nog

in een stadium van wording; alle winkelhuizen en kantoren en hotels

waren, als het ware, zoo op een plek in de woestenij neergeworpen en

alleen hier en daar een blok winkelhuizen duidt aan dat Bulawayo weldra

een stad zal worden. Toch is er reeds een interessant museum....pje,

een openbare bibliotheek, een theater......tje, een clubgebouw, een

park, dat echter nog groeien moet, de aanleg is er, en nog het een

en ander meer, wat een stad rijk moet zijn. In het midden van de stad

staat een zeer groot bronzen standbeeld van Cecil Rhodes, vanwaar hij,

zooals men zegt, "de wereld inkijkt." Hij staat daar met ongedekten

hoofde, wat de bijgeloovige inboorlingen met vreeze heeft bezield,

omdat zij meenen dat, zoolang Rhodes zonder hoofddeksel daar stond,

Allah het niet zou laten regenen.

Wij hadden om twaalf uur van deze heete, stoffige stad genoeg gezien

om ons plan op te geven hier op den terugweg eenige dagen over te

blijven. Nog eens vier uren hier te vertoeven bij het teruggaan zal

genoeg zijn om den indruk te vestigen, dat er eens in het midden van

Rhodesia een groote stad zal verrezen zijn, waar men, de tropische

hitte niet in aanmerking genomen, even genoegelijk en comfortabel

zal kunnen leven, als in andere wereldsteden. Maar dat zal nog wel

enkele jaren duren.

Om ruim twaalf uur zette onze trein zich weder in beweging, om ons nu

regelrecht naar Zambesie te voeren, naar de plaats, waar zestig jaren

geleden Livingstone de grootste watervallen van de wereld ontdekte. Het

landschap veranderde nu een beetje. Er kwamen wat meer boomen op de

geel verbrande grasvlakten. Hier en daar zagen wij wilde abrikoos-

of perzikboomen in vollen bloei, mimosaboomen met bloemen, driemaal

zoo groot als de gewone soort, wilde olijfboomen en nog tal van andere

soort boomen, waarvan wij den naam niet kenden en de vruchten nooit

gezien hadden. Ook daar weder overal inboorlingen aan den trein,

die soms door hun woest geschreeuw ons reeds van verre verkondigden,

dat wij in een kleurling-dorp aangekomen waren. De mandjes, lepeltjes,

grillig gevormd aardewerk, stokken, etc., die zij te koop aanbieden,

geven door hunne asymetrische lijnen en onregelmatige afwerking geen

grooten dunk van hun ontwikkeling. Al deze inboorlingen behooren tot

de Zambesie-, Matabele- of Barotsestammen. Ik zou wat gaarne eenigen

tijd in deze buurten blijven om wat meer van deze volksstammen te weten

te komen, maar dat zou veel te lang duren, want heel gauw vertrouwen

deze menschen de witmenschen niet en zoo lang kunnen wij hier niet

blijven, daarvoor zijn wij ook niet naar Zuid-Afrika gekomen.

Ook dien avond zagen wij weder, doch toen op grooteren afstand, groote

boschbranden en vertelde men ons, dat die na zulke heete dagen bijna

steeds voorkomen.

Dinsdagmorgen om 7 uur waren wij aan het doel van onze reis. Zambesie

bestaat ook al weder uit niets anders dan het groote hotel, dat aan

den Rhodesian Railway Co. behoort, eenige huizen van spoorwegemployé's

en verder kleurling-hutten. Men spreekt echter altijd van de Victoria

Falls en die maken dan ook wel de aantrekking van deze plaats uit.

Een blanke man met een paar dozijn kleurlingen maakte zich spoedig

meester van onze bagage en van die van andere gasten en toen ging het

door het mulle, roode zand, naar het op vijf minuten afstand gelegen

hotel. In minder dan geen tijd hadden wij allen onze bagage in onze

kamers en konden wij een verfrisschend bad nemen. Het personeel in

dit hotel bestaat uit niets dan kleurling-mannen, geen vrouw doet

er eenig werk. In de eetzaal zijn het Indiërs, die in nette, witte

kleeding rondloopen, maar onze kamermeisjes zijn naakte jongens,

enkel met een zwembroekje gekleed. Het zijn echter voorbeeldige

kamermeisjes, zoo netjes doen zij hun werk, alleen voor het vasthaken

van een vanachter sluitende japon of blouse niet goed te gebruiken.

Nadat wij ons ontbijt genomen hadden, waren wij allen frisch genoeg om

onzen eersten tocht naar de wereldberoemde watervallen te ondernemen;

onze verwachting was te hoog gespannen dan dat wij daarmede tot des

middags konden wachten.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 40 / 133 题