Kimberley is een eigenaardige stad, men riekt er de diamanten,
zoo te zeggen. Niettegenstaande de aanleg van de stad eene zeer
mooie is--ruime, breede straten, mooie alleeën, smaakvolle villa's,
één prachtig hotel en vele kleine hotels, smaakvol uitgestalde
winkels--zou ik er toch voor geen geld ter wereld willen wonen. Het is
een parvenu-stad; met uiterlijken schijn steekt men elkaar de oogen
uit en al wie met De Beer's mijnen in connectie staan, voeren er het
hoogste woord. Het heele stadje bestaat uit ongeveer 13.000 witte
en 20.000 gekleurde bevolking, die voor het meerendeel in of door
de diamantmijnen leven. Het peil van beschaving en van moraliteit is
precies zoo hoog als in zulk eene omgeving te verwachten is.
Het was dan ook niet te verwonderen, dat wij in deze omgeving tal van
tegenstanders voor onze zaak zouden vinden en wij hier eene moeilijke
taak te vervullen hadden. Van Kimberley was dan ook indertijd het
adres van de anti-kiesrechtsters uitgegaan, dat aan de regeering was
aangeboden en waarin gevraagd werd het kiesrecht aan de vrouwen niet
te verleenen.
Toch was de zaal geheel gevuld met belangstellenden, toen wij 's avonds
binnentraden. Hier ontmoetten wij voor het eerst een burgemeester,
die een tegenstander was en zich dan ook had laten verontschuldigen,
dat hij de openbare vergaderingen niet kon presideeren en niet
tegenwoordig kon zijn. Dat was jammer, want daardoor misten wij de
gelegenheid: hem van zijne dwaling te overtuigen.
Mrs. Catt en ik kwamen spoedig overeen, dat ik dien avond; slechts
een paar woorden zou zeggen, en zij dien avond alleen, zou spreken,
en dat in de volgende vergadering wij de rollen zouden omkeeren, opdat
wij meer gelegenheid hadden, ons beiden goed uit te spreken. Prachtig
begon mrs. Catt hare toespraak in te zetten met de vraag: "What
is the matter with Kimberley?" Zij zeide, als er iets vreemds,
iets bijna ongeloofwaardigs van een of ander persoon verteld wordt,
men dan in Amerika die vraag doet, en dat zij diezelfde vraag omtrent
Kimberley gedaan had, toen men haar had medegedeeld, dat die stad tegen
vrouwenkiesrecht was. Zij was goed op dreef en sprak bijna anderhalf
uur, tot aan het einde met de grootste aandacht gevolgd. Wat zag ik
van de tribune af menig gezicht af en toe schaamrood worden, als de
spreekster rake woorden aan de zoogenaamde "bourgeois satisfaits"
richtte en er op wees, dat de vrouwen in de wereld nog hoogere
belangen te behartigen hebben, dan het geld door den man verdient,
in eigen kring op te gebruiken.
Men had ons verteld, dat "the Beers people", zooals al die hooge
ambtenaren genoemd worden, met hunne vrouwen tegenwoordig waren en
onze vrienden vreesden, dat de spreekster, die door hare woorden
bitter zou hebben gestemd. Doch blijkbaar was dat niet het geval,
want den volgenden morgen kwam reeds vroeg de prachtige auto voor van
den hoofdambtenaar van de mijnen om ons te vragen, daarvan dien dag
gebruik te willen maken om de mijnen te zien en, voor zoover wij er
verder van profiteeren wilden. Ook hoorden wij des middags, dat al die
dames die eerst geweigerd hadden deel te nemen aan de "gardenpartij",
die ons Vrijdagmiddag werd aangeboden, aan het bestuur der vereeniging
voor vrouwenkiesrecht gevraagd hebben, alsnog van de partij te mogen
zijn, omdat zij zoo gaarne nader met ons in kennis wilden komen.
Donderdagmorgen om half tien gingen wij dan reeds per auto uit om de
diamantmijnen, met alles wat er mede verbonden is, te zien en kwamen
eerst om twee uur in ons hotel terug. Overal werden wij verwacht
en van het moment, dat de stukken steen uit de mijnen losgewerkt,
naar boven gebracht, gewasschen, gesorteerd, etc., etc. worden,
totdat de diamanten naar het syndicaat in Londen worden afgezonden,
hebben wij alles gezien.
Ook, en dat is niet het minst interessante, hoe er gewerkt wordt door
de arbeiders, welk werkvolk er wordt aangewend en hoe dat behandeld
wordt.
Al het ondergeschikte werk geschiedt door kleurlingen, van welke
een paar duizend dwangarbeiders zijn. Voor deze menschen ontvangt
de Staat een shilling per dag en per persoon, terwijl de voeding en
huisvesting door den werkgever moet geschieden. Door elkaar kost zoo'n
dwangarbeider den diamantmijnen een gulden vijftig cent per dag. Die
menschen moeten daarvoor twaalf uur werken en zijn in hun vrijen tijd
in een soort gevangenis ondergebracht, waar zij onder streng toezicht
leven. Dat huis van bewaring hebben wij niet gezien. Die arme kerels
dragen allen gevangeniskleeding, met een nummer op den rug.
De andere kleurling-arbeiders worden uit vrijwilligers gerecruteerd,
die zich voor niet minder dan vier maanden moeten verbinden. In
die vier maanden zijn zij hun vrijheid kwijt, zij mogen de poorten,
rondom de mijnen, niet verlaten. Maar zij hebben er ruimte van beweging
genoeg en verdienen een vrij hoog loon. Deze arbeiders werken in een
3-ploegenstelsel en lossen elkaar na 8 uur af. In die 8 uur verdienen
zij van twee tot drie gulden daags. In de omheining, waarin deze
kleurlingen wonen, het leven wat zij er leiden, de slaapgelegenheden,
de winkels, waarin zij hunne benoodigdheden voor zeer lage prijzen
kunnen koopen, het hospitaal, de keuken enz. alles werd door ons
bezichtigd en zag er buitengewoon goed onderhouden en zindelijk
uit. Als deze werklieden willen, dan kunnen zij in de vier maanden,
zoolang hun contract bindend is, een mooi sommetje over houden. De
directeur, die ons rond geleidde, vertelde ons, dat het verdiende
geld maar al te dikwijls moest dienst doen om een of ander stuk vee
te koopen. Voor dat stuk vee werd dan later eene vrouw gekocht, die
dan verder het werk moest verrichten. Het eerste wat een kaffer in
den regel koopt, als hij wat geld over heeft gespaard is eene vrouw;
niet om haar lief te hebben en met haar een gezin te vormen, maar om
eene slavin te hebben, die voor hem kan werken.
Eene zuster, die tot de Engelsche Katholieke missie behoort, die ik
in Bloemfontein bezocht, vertelde mij, dat in geheel onbeschaafden
staat de Kaffer niet meer werkt, zoodra hij eene vrouw heeft. Werken
is in zijn oog iets laags, dat men alleen doet, door honger of hooger
macht gedreven. Zoodra hij eene vrouw heeft, is hij de hooger macht en
dwingt zijne vrouw tot arbeid! Wij zagen dan ook in sommige plaatsen
vrouwen in de laatste maanden van zwangerschap en met een klein
kind op den rug gebonden, het zwaarste werk verrichten, terwijl de
echtgenoot als een opzichter stond toe te zien. Zoodra nu de eerste
zaden van christelijkheid beginnen te ontkiemen, dan begint de man
weder te werken en brengt zijn verdiend geld tehuis, maar dan meent
de vrouw niets meer te mogen doen en is met de grootste moeite er toe
te brengen, haar beetje huiswerk te verrichten en voor den man het
eten te koken. Den geheelen dag slingert zij dan, met haar kind op
den rug gebonden, voor hare hut om in niets-doen. Eerst het volgend
stadium doet haar begrijpen, dat ook zij een taak te vervullen heeft
en zijn zij eenmaal zoover, dan vormen zulke menschen soms heel
gelukkige gezinnen, die de kinderen naar school zenden en dan door
de ontwikkeling der kinderen, zelven ook een hoogere ontwikkeling
bereiken. In één van zulke gezinnen vonden wij zelfs eene vrouw met
een Singer-naaimachine, bezig lakens te zoomen voor hare bedden.
Donderdagavond hadden wij de argumenten te weerleggen van eenige
anti-vrouwenkiesrecht-heeren tegen de rede van Mrs. Catt ingebracht
en werden daardoor enkelen overtuigd, dat hunne argumenten niet
steekhoudend zijn. Velen hunner moesten toegeven, "dat hun hoofd
overtuigd was, doch dat hun hart nog tegenstribbelde."
Vrijdag was mijn zwaren dag. Reeds om elf uur moest ik weder spreken
over "vrouwenkiesrecht in verband met openbare zedelijkheid" voor een
veertigtal christelijke vrouwen, eene vergadering, die tot bijna één
uur duurde; toen snel lunchen, want om twee uur kwam de burgemeester
met zijne vrouw ons met twee auto's afhalen om eene tocht naar en
door Kenilworth te maken (een prachtige rit, doch alles vol Cecil
Rhodes-verheerlijking) en om vier uur bracht hij ons naar het hotel
Alexanderfontein, zes mijlen buiten de stad, alwaar de "garden-party"
gegeven werd. Alles wat in Kimberley voornaam is, was daar bijeen. Wij
moesten ieder een korte speech houden en met vele tegenstanders
spreken. Om half zeven kwamen wij tehuis, doodvermoeid, juist nog
tijd vindende om ons om te kleeden, te eten en naar de vergadering te
gaan, alwaar ik, voornamelijk voor Hollandsch sprekenden, dien avond
alleen het woord had. Mrs. Catt was zoo moe, dat zij tehuis moest
blijven. Onze lezingen hebben een zoo gunstig resultaat gehad, dat
wij met de stellige overtuiging Kimberley vanavond verlaten kunnen,
dat van uit die stad nooit meer een anti-adres aan de regeering
zal worden gezonden, als vrouwenkiesrecht weder in het parlement
behandeld zal worden. De opstelsters en eerste onderteekenaarsters
van dat adres zijn nu leden van de vereeniging voor vrouwenkiesrecht.
Hedenmorgen hebben wij weer per auto een paar uren in de omgeving van
Kimberley rondgedoold en toen onze koffers gepakt en nu zitten wij
den tijd die ons rest, vóór ons vertrek van hier, met brievenschrijven
te vullen.
Vanavond om acht uur reizen wij in eens door naar Victoria-Falls,
het grootste wonder der wereld, zooals men zegt. Dit is een reis,
die van Kimberley af nog drie nachten en twee dagen duurt en die ons
dwars door Rhodesia voert, tot op betrekkelijk korten afstand van de
Congo. Volgens 't geen wij over deze reis gelezen en gehoord hebben,
kunnen ons allerlei avonturen overkomen, en verkeeren wij daarover in
groote spanning. Sedert wij Kaapstad verlaten en tot deze reis besloten
hebben, hebben wij aan de voorbereiding tot deze reis reeds menig
uur van groot vermaak te danken. Ieder die er geweest is, of het van
hooren zeggen heeft, gaf ons goeden raad, hoe wij ons moesten kleeden,
wat wij voor voorzorgsmaatregelen hebben te nemen voor nachtelijke
overvallen van leeuwen en olifanten, en voor slangenbeten; welke
boot wij over de Zambesie-rivier moesten gebruiken om niet door een
hypopotamus omver gesmeten te worden, enz. enz. Hoewel men ons den
raad gaf, niet veel bagage mede te nemen, omdat het goederenvervoer
er zoo duur is, zouden wij toch, als wij alles medenamen wat men ons
aanprees, met ons vieren zeker een scheepslading hebben.
Toch zijn er genoeg praeparatieven gemaakt en de wonderlijkste
inkoopen gedaan. Een uitrusting van Tartarin de Tarascon haalt niet
bij de uitstoffeering van mijn medereizigsters.
En met het toilet zijn de voorbereidselen niet voltooid. Men heeft
ons gewaarschuwd, dat het water op reis niet te drinken is en
men wilde zelfs, dat wij blazen gevuld met gesteriliseerd water,
van hier zouden medenemen. Wij hebben er de voorkeur aan gegeven
een mand met keukengereedschappen te koopen, waardoor wij onderweg
het water en de melk kunnen koken, onze eigen koffie en thee kunnen
zetten en voor een deel voor ons voedsel kunnen zorgen. Ieder heeft
voor eigen beddegoed en handdoeken te zorgen en een groote mand met
fruit is voor allen te zamen gekocht. Sinaasappelen, mandarijnen,
bananen, ananassen en appelen vullen een flinke aardappelmand,
die mede in de wagen moet worden genomen. Doozen met chocolade en
andere zoetigheden, voor een deel ons geoffreerd, voor een ander deel
aangekocht, voltooien onzen proviandvoorraad. Mocht het nu blijken,
dat wij van al die dingen niets noodig hebben, dan hebben wij van de
voorbereiding en met het aankoopen toch reeds de noodige pret gehad.
Dat wij Kimberley over een paar uur verlaten, spijt ons geen van
allen. Wel hebben wij hier zeer nuttig werk verricht en goede
resultaten gehad en waren de menschen zeer voorkomend, maar 't
is niet alleen de zwaveldamp, die uit de mijnen opstijgt, die de
lucht hier verontreinigt, het is iets anders, dat men voelt, niet
ziet, doch dat onaangenaam aandoet. Niet alleen de geheele stad,
maar ook de grond ongeveer 10 mijlen rondom Kimberley behoort
aan de Beer's maatschappij. Men leeft er geheel onder den indruk
van diamantkoningen. Alles wat die grond nog ooit zal produceeren,
eigenen zich de aandeelhouders van die maatschappij toe. Hier hapert
iets in onze menschelijke verhoudingen en rechten.
Ik kon hier de gedachte niet onderdrukken, dat Kimberley de tweede
stad in Zuid-Afrika is, waar wij aankomen, die geheel leeft en
geheel bestaan kan van de ijdelheid der vrouwen. Als eens de vrouwen
verstandiger worden en zich niet meer sieren met struisveeren en
diamanten, dan is het met Port-Elisabeth en Kimberley gedaan. Wat
zou er dan zelfs van geheel Zuid-Afrika worden, als deze twee
producten,--voor zoover wij nu door Zuid-Afrika gekomen zijn, de
eenige werkelijke Zuid-Afrika-producten,--eens geene marktwaarde meer
bezitten? Dan zou in Zuid-Afrika weder een landbouwende bevolking
de boventoon voeren, wat voor het land en de bewoners, naar het mij
voorkomt, verreweg het beste zou zijn. In Port-Elisabeth werd ons
gezegd, dat meer dan de helft van alle struisveeren door Amerikaansche
handelaren wordt opgekocht, hier in Kimberley vernamen wij, dat
tweederde van alle opgedolven diamanten naar Amerika gaan. Dat geeft
te denken. Onze Amerikaansche reisgezellinnen zijn er volstrekt niet
trotsch op, dat het land harer geboorte in dit opzicht bovenaan staat.