Van het hooge terras van het Mount Palace Hotel, met een heerlijk
uitzicht naar de zee over een weelderige planten- en bloemenschat,
zit ik dezen brief in den vroegen morgen te schrijven. Wel beloofde
Madera veel, toen ik van het dek van de Walmer Castle de lange, zacht
golvende lijn van de baai, met zijne witmurige, rooddakige huisjes,
overal verspreid, volgde, maar toch is mijne verwachting overtroffen,
toen ik Madera wat nader leerde kennen.
Mag Madera voor een groot deel zijn beteekenis als herstellingsoord
voor longlijders verloren hebben, als plaats voor een streng
doorgevoerde rustkuur is het misschien eenig in zijn soort. Rust,
kalmte, spreekt uit bijna elken boom, elke plant en uit elk huisje, dat
tusschen wijndruifranken en suikerriet te voorschijn piept, en nog meer
uit de traag voortsukkelende ossen voor de velerlei soorten voertuigjes
en de nog tragere jonge mannen die zich als gidsen aanbieden. Het is
alsof niemand haast heeft en niemand veel uitricht. Zelfs het kleine
tandradbaantje, dat zes keer daags van Funchal naar den top van den
berg voert, het eenige spoorlijntje in Madera, doet dit zoo bedaard,
dat de inzittenden op verschillende plaatsen onder het rijden het
treintje uitstappen, wanneer zij op het punt zijn aangekomen, waar
hun woning ligt. Ook ons werd den eersten dag gezegd bij het hotel
uit te stappen, wat ons eerst wat griezelig leek, doch waaraan ook
wij ons spoedig gewenden.
Den meesten bezoekers van Madera moeten wel 't eerst de groote
rijkdom van plantengroei en de overvloed van bloemen opvallen. Zelfs
in zoogenaamd het centrum van de stad is er geen enkel plekje tusschen
de huizen, waar niet een of meer bloeiende planten tusschen de muren
en over de daken, in blauwe, gele, roode of witte kleurenpracht
naar beneden hangt, of waar de reuzenrozebosschen hunne prachtige
trossen helkleurige rozen niet hoog boven den omheinenden muur laten
uitsteken. En verlaat men de stad, dan wordt de verscheidenheid van
kleur en geur van den bloemenschat overstelpend.
Deze bloemenrijkdom bestaat niet alleen in den zomer; integendeel,
men beweert hier, dat er in den winter en het zeer vroege voorjaar nog
veel grooter verscheidenheid en hoeveelheid bloeit. En wat in mijn
oog dit alles hier zoo mooi maakt, is de zekere soort nonchalance,
waarin bloemen en planten van allerlei aard dooreen groeien. Men heeft
hier gelukkig de tuinen niet veel aangelegd; men heeft de natuur in
vele opzichten vrij spel gelaten.
Allen, die beweren, dat men Madera kan zien in de vijf uren, die
de meeste booten hier stil liggen, kennen Madera niet. In die vijf
uren kan men een zeer oppervlakkigen indruk van het stadje Funchal
krijgen, wat Madera-borduurwerk koopen en naar het schip terugkeeren,
zonder iets te hebben genoten van het vele natuurschoon, wat hier te
genieten valt. Een oponthoud van eene week, waarin elk uur van den dag
goed besteed wordt met sight-seeing en met het bezoeken van eenige
openbare instellingen, is juist genoeg om den indruk te verwekken,
dat Madera oneindig schoon is en dat men die week tot een maand zou
willen rekken, om al dat schoone voor goed in zich op te nemen.
Velen meenen, dat Madera in de zomermaanden ongenietbaar is door
de warmte, die hier, door de vochtige lucht, benauwend zou zijn. Wij
merken daarvan niets. Hier boven op den berg is het den geheelen dag en
nacht aangenaam warm, doch niet te warm. Zelfs midden op den dag hebben
wij verschillende wandelingen gedaan, zonder het te warm gevonden te
hebben. Maar toch schijnt 's winters het klimaat nog aantrekkelijker
te zijn, alhoewel het dan hier boven des avonds en des morgens soms
zoo koud is, dat een houtvuurtje moet worden aangelegd. In de stad
wordt de temperatuur echter zelden, ook in den winter niet, lager
dan 60 gr. Fahrenheit en is dan nog in het midden van den dag tien
graden hooger.
Met zulk een klimaat kan de bevolking bijna den geheelen dag
buitenshuis doorbrengen, wat de groote armoede, die hier heerscht,
minder pijnlijk maakt te dragen. Want arm schijnt de bevolking
in de hoogste mate te zijn. Van waar die armoede, vraagt men zich
onwillekeurig af. Het eiland is niet overbevolkt: elk plekje grond is
of kan vruchtdragend zijn; de dagelijks van alle landen aanleggende
schepen brengen stroomen vreemdelingen, al is het dikwijls maar voor
eenige uren, die meest allen op de een of andere wijze hier eenig
geld besteden; de grond, de levensbehoeften en het meeste wat een
mensch dagelijks noodig heeft, is niet duur; van waar komt dan zooveel
armoede? Toen ik die vraag aan iemand, die het weten kon, voorlegde,
was het antwoord, "de loonen zijn te laag". Een werkman, die hier 14
of 15 uren daags ruwen spierarbeid verricht, hetzij als wegwerker of
als veldarbeider, verdient niet meer dan een gulden. De vrouwen, die
hier het fijne en misschien het fijnste borduurwerk maken wat bestaat,
kunnen daarmede niet meer dan hoogstens dertig cent per dag verdienen,
niettegenstaande zij dat werk verbijsterend vlug verrichten.
Toch moeten er nog andere oorzaken voor de armoede zijn. Het volk is
ongeletterd. Bijna geen enkele volwassen man of vrouw uit het volk
kan lezen of schrijven. Een vak hebben zij niet geleerd. De vrouwen
borduren allen en leeren dit haar dochtertjes meestal reeds van het
derde jaar af. Ik heb kinderen van zes en acht jaren zien zitten
borduren, zoo vlug en zoo netjes, als bij ons geen groot mensch kan
doen, ook al zoekt zij in handwerkjes haar levensgenot. Overal waar men
een klein witkalkig huisje met een rieten dak ziet, kan men zeker zijn,
vóór het woninkje moeder met dochters of dochtertjes te zullen vinden,
die als machines zitten te borduren, zoo snel en zoo rythmisch ziet
men de naald door de stof rijgen en den arm opwaarts gaan, om weer
opnieuw neer te dalen en den volgenden steek te doen. Het is alsof
alles op het gevoel gaat, want tijd om te bepalen waar de volgende
steek gezet moet worden, laat men zich niet.
En de jongens gaan reeds vroeg met vader mede om of door veldarbeid of
langs den weg wat geld te verdienen. Aan de opvoeding, ontwikkeling
der kinderen, werd tot dusver geen zorg besteed. Dan mag zeker ook
als bron van armoede gelden, het vreeselijk misbruik dat hier gemaakt
wordt van alkoholische dranken. Op elk uur van den dag kan men hier
dronken menschen aantreffen en voor de toonbanken der openstaande
kroegen ziet men, naast en tusschen de mannen, jongens en jongentjes,
die men nog zoo graag naar de schoolbanken zou willen zenden.
Wat is hier voor hervormers handenvol werk! Zou de nieuwe regeering
overal in Portugal zooveel wat verbetering behoeft vinden als hier
in Madera? Het schijnt dat zij snel wil ingrijpen en de fouten wel
ziet. Maar er zal zeker nog wel eens misgetast worden. Zoo werd hier
een school van religieuse zusters gesloten, alwaar 700 kinderen
goed of slecht onderricht ontvingen, kinderen die nu op de enkele
openbare school geen plaats kunnen vinden en zoolang moeten rondloopen,
totdat er nieuwe openbare scholen gebouwd zijn. Ware het niet beter
geweest eerst voor nieuwe scholen te zorgen en dan de niet goede te
sluiten? Als de 700, nu bij den weg loopende kinderen eerst eenige
maanden, die jaren kunnen worden, hebben gevagebondeerd, zullen zij
dan weder gemakkelijk aan de schoolbanken gewennen?
Ook zag ik hier het stedelijk hospitaal, waar al de religieuse
verpleegsters op regeeringsbevel weggezonden zijn en waar nu twee
zusters met eenige tijdelijk gehuurde bedienden de dienst verrichten,
in afwachting van de verpleegsters, die van hoogerhand gezonden
zullen worden.
En zoo zijn er tal van instellingen, die in overgangsvorm verkeeren;
instellingen, waar religieuse mannen of vrouwen vroeger den dienst
verrichten, die door de nieuwe regeering zijn weggezonden en waarin de
open plaatsen nog niet door de plaatsvervangers zijn ingenomen. Van
dezen toestand zijn de armen en lijdenden thans dupe, tenzij de
dienst vroeger inderdaad zoo slecht was, als mij een medicus wilde
doen gelooven, die mij verzekerde, dat het beter is, niet verzorgd,
dan zoo verzorgd te worden, als het vroeger was. Van wat ik van dien
aard vroeger in Italië en in sommige ziekenhuizen in Frankrijk zag,
kan ik dit gelooven; doch de Portugeesche doctoren, met wie ik hier in
aanraking kwam, staan op een hooger medisch- en beschavingspeil, dan
de collega's die ik in de hospitalen in Italië en Frankrijk aantrof,
en dat waarborgt ook eenigszins een betere verzorging der zieken, zelfs
al ging die uit van niet getrainde en onontwikkelde religieuses. De
twee verpleegsters, die nu in het stedelijk ziekenhuis de geheele
leiding der verpleging hebben, kunnen ook niet lezen of schrijven en
kunnen derhalve niet anders dan door ondervinding het verplegen der
zieken geleerd hebben. Die ondervinding kan nog niet heel groot zijn,
want daarvoor zijn de beide meisjes nog te jong.