Een gedeelte der Slawen was zelfs Westwaarts over de Elbe in het

tegenwoordige Luneburgsche en Maagdenburgsche doorgedrongen, en kwam

het eerst met den naar het Oosten terugkeerenden Slawen-vloed in

aanraking. Zij werden reeds ten tijde van Karel den Groote onderdanig

aan de Saksers, en reeds toen begon de bloei der bij hen gestichte

stad Maagdenburg, die het lievelingsoord van den Saksischen Keizer

Otto I werd, en die met hare aartsbisschoppen en haar, overal in het

Oosten tot diep in Polen nagevolgd, stadsbestuur, een zoo grooten

invloed op de Zuid-Baltische Slawenlanden zou uitoefenen.

In het gebied der Slawen, aan deze zijde der Elbe, ontstond onder

Hendrik den Vogelaar, de Duitsche kolonie de Altmark, de wieg van den

Keur-Brandenburgschen staat. Zoo betrekkelijk snel het Slawische in

_politiek_ en _heerschappij_ ineenstortte, zoo langzaam is het--op

sommige plaatsen ten minste--in taal en _zeden_ verdwenen. Nog in

het einde der vorige eeuw predikte en sprak men aan deze zijde der

Elbe, Slawisch; en nog heden ten dage vindt men in het Lüneburgsche,

midden in Neder-Saksen, eene streek, het "Wendland" genoemd, waarin

Slawische kleeding, bouwtrant en gebruiken nog in zwang zijn.

Ook de Slawische stammen (Sorben), die over de Midden-Elbe tot naar

Thüringen doorgedrongen waren, overstelpten de Saksers en hunne

Koningen met doop en oorlog, en de Saksische Keizers stichtten hier

aan weerszijden der Elbe, verscheidene Markgraaf-schappen en Bisdommen

(Merseburg, Meiszen, de Lausitzen enz.) waarmede zij in de 11de eeuw,

een beroemden Neder-Saksischen Vorstenstam, de Graven von Wettin,

beleenden.

Door dit Saksische Vorstenhuis, dat zijn oorsprong van den ouden Sakser

Wittekind afleidde, en het stamhuis aller tegenwoordige Saksische

Vorsten-familiën geworden is, werd de naam "Saksen" op dit Duitsche

kolonie-land, ten Noorden van het Ertz-gebergte, overgedragen,

ofschoon, zooals boven reeds aangemerkt is, de kolonisten dezer

streek, de Duitsche edellieden, stad- en landbewoners, voor het

meerendeel niet van de Noord-Duitsche Neder-Saksers maar veeleer

van de Midden-Duitschers en Thüringers afkomstig waren; hiervan was

het gevolg, dat ten laatste de naam "Saksers," die in het eigenlijke

vaderland der Saksers uitstierf, ten laatste aan een Midden-Duitsch

volk verbleef, dat van de Saksers in hoofdzaak niets dan de eerste

Vorsten ontvangen had.

Ook in het Slawenland Oostwaarts van de Midden-Elbe, drongen de Saksers

reeds vroeg binnen onder Karel den Groote en Koning Hendrik I. Eerst

omstreeks het midden der 12de eeuw grepen zij hier ver en belangrijk om

zich heen, onder hunnen Hertog Albrecht den Beer, die van de Altmark

uit, de oude Slawische Vorsten-residentie "Brennabor" (Brandenburg)

veroverde, of voor altijd heroverde en haar tot het middelpunt van

een Markgraafschap maakte, dat in vervolg van tijd de voornaamste

provincie en de grondslag van een machtig Koningrijk geworden is,

en wier bewoners, als nakomelingen van koene, door zucht tot het

verrichten van groote daden en door strijdlust gelokte immigranten,

ten allen tijd een krijgshaftigen geest bewaard hebben.

In het midden van het zandige land der oude Slawische Havellers,

Wilzen en Ukriers, groeide de hedendaagsche Koninklijke en kerkelijke

residentie op, waarin zich het verstandige maar ietwat harde, meer

kritische dan poëtische, het heldere, intelligente, bedrijvige,

werkzame en scheppende karakter en geest van het "moderne Markerdom,"

dat zich op het met groote moeite tot groote beschaving gebrachte

Brandenburgsche zand, om Berlijn heen ontwikkelde en concentreerde.

Minder oorlogzuchtig en gewelddadig, dan de verduitsching der

Brandenburgsche Marken, schijnt die van het land der Obotriten aan

de Oostzee, geweest te zijn. De inheemsche Slawische Vorsten hebben

zich daar, kort na de bloedige oorlogen van Hendrik den Leeuw, die

hunne macht braken, tamelijk goedschiks naar het Duitschdom gevoegd,

hebben het Christendom aangenomen, Duitsche geestelijken, burgers

en kolonisten tot zich geroepen, en de Duitsche taal bevorderd. Ook

zijn zij zelfs reeds vroegtijdig, als Duitsche rijks-vorsten in het

rijksverband opgenomen en hebben ook aan het land zijnen tegenwoordigen

naam Mecklenburg gegeven, die afkomstig zijn zou van een oud Slawisch

Vorsten-slot "Mikilin-burgt."

Hieruit laat het zich verklaren, dat Mecklenburg, ofschoon in den

loop der tijden met betrekking tot de taal, geheel verduitscht, nu

nog ongeveer denzelfden omvang heeft, als de oude Obotriden-Vorsten

het gegeven hebben, zooals ook zijn adel voor een groot deel van

Slawischen oorsprong is, alsmede dat de boeren daar nu nog in eene

groote afhankelijkheid smachten, en over het algemeen de geheele

wetgeving en ook de sociale toestanden van het land, nog zooveel

ouderwets bewaard hebben.

Aan de "breitspurigen Mecklenburger" [72] en aan de stramme, hoekige,

oorlogzuchtige Markers, sluiten zich in het Noorden en Oosten, de

ruwe bewoners van Pommeren aan, wier geschiedenis en verduitsching

zeer veel overeenkomst heeft met die hunner Westelijke naburen.

De Pommeranen, een Slawische stam, wiens naam zooveel beteekent als

"bewoners van de oevers der zee," leefden aan weerszijden van den

Beneden-Oder aan de Oostzee, onder hunne inheemsche Hertogen, die

echter reeds omstreeks het einde der 12de eeuw Duitsche rijks-Vorsten

werden, tot aan de 17de eeuw toe, toen deze oude Slawische Vorstenstam

in Pommeren uitstierf, en zijne rechten en landen door erfenis op de

Vorsten van Brandenburg overgingen.

Slawische taal en zeden zijn daar langzamerhand in het Duitsch

opgegaan. Reeds in de 14de eeuw, was het, door de het land

binnengetrokkene West- en Oostfalen, ingevoerde Neder-Saksisch

(plat-Duitsch), de volks- en rijkstaal in Pommeren geworden, en de

oude Wendische adel, met de daarheen verplante Duitsche adellijke

geslachten, versmolten.

Vele Pommersche steden, Stettin, Colberg enz. schoeiden hun bestuur en

hunne wetgeving op denzelfden voet als de Neder-Saksische stad Lubeck,

wier wetten langs de zeekusten over eene even groote uitgestrektheid

werden nagevolgd, als die van het eveneens Saksische Maagdenburg in

het binnenland.

De Duitsche Pommeranen worden door hun ouden kroniekschrijver Kantzow,

reeds voor drie honderd jaren met de volgende woorden geschilderd:

"zij zijn een oprecht, trouw, stilzwijgend volk, dat alle vleitaal

haat; zij zijn meer goedhartig dan vriendelijk, meer eenvoudig dan

verstandig, niet lichtzinnig, ook niet vroolijk, maar eenigzins

grof en zwaarmoedig. Zij plegen altijd met hunne naburen overhoop

te liggen. Zoodra echter de eerste toorn voorbij is, schijnt die

zich spoedig weer te stillen. Zij verzoeken gaarne gasten bij zich

en komen op hunne beurt ook gaarne weder bij anderen te gast." Hunne

"grofheid" heeft zich, in vele veldslagen die zij tegen de Franschen

en anderen vochten, goed bewaard, en zij hebben den roem behaald,

de kern van het Pruissische leger uit te maken.

Met Pommeren in het Oosten van den Oder, werd de samenhangende

uitbreiding van den Neder-Saksischen stam afgebroken; want hier bij

de monding van den Weichsel, heeft het langen tijd machtige Polen een

dwarsstreep gemaakt. Door het Oostelijke Pommeren of het zoogenaamde

"Pomerellen", gaat eene breede strook, nog heden ten dage niet-Duitsch,

Slawisch gebied, het land der zoogenaamde Kassuben, dat de Poolsche

Koningen, met de geheele Weichselmonding en de stad Dantzig, langen

tijd onder hunne macht gehad hebben.

Die Duitsche kolonie, die tamelijk geïsoleerd van het lichaam van

het overige Duitschland, aan het Frische en het Kurische Haf in het

land der Lithauers gesticht werd, had bij haar eerste ontstaan weinig

met het oude land en volk der Neder-Saksers te maken. Zij werd op

verzoek van in het nauw gebrachte Poolsche Vorsten, en op aansporing

van den Paus, door de orde der Duitsche ridders, die hare bezittingen

in _geheel_ Duitschland had, en hare leden zoowel uit Noord-, als

uit Midden- en Zuid-Duitschland trok, gesticht.

De edellieden, die deze orde aan de monding van den Memel en het

Kurische Haf overbrachten, hadden hunne voorvaderen bij _alle_

Duitsche stammen.--De officieele taal dezer kolonie, werd dus ook niet

de Neder-Duitsche, maar de Hoog-Duitsche. Ook altijd zijn daarheen

kolonisten en immigranten uit _alle_ deelen van Duitschland, soms

uit Thüringen, van het Ertz-gebergte, uit Boheme en later zelfs uit

Salzburg, in dit land der ridders van de Duitsche orde gekomen. Wel

trok de orde de nieuwe kolonisten, tot wederbevolking van het door

haar veroverde land, waarin zij de oude Lithauïsche oorspronkelijke

bevolking uitroeide, uit alle landstreken, maar bij voorkeur

bezigde zij daartoe de bevolking der dichtbij gelegene Saksische

provinciën. Ook kwamen de burgers en kooplieden der Neder-Saksische

Hanze-steden langs de zeekusten, en bevolkten de handelsteden der

orde, Elbing, Dantzig en andere. En zoo kreeg dan ten slotte ook _deze_

Oost-Duitsche kolonie, langzamerhand eene hoofdzakelijk Neder-Saksische

tint en eene plat-Duitsche taal tot heerschend dialect.

Door dezelfde Hanzeatische schippers en kooplieden was het

Neder-Saksische kolonie-gebied, reeds sedert het midden der 12de eeuw,

nog verder Oostwaarts tot aan de rivier de Duna in het land der Liven

vooruitgeschoven. Zij en de aartsbisschoppen van Bremen stichtten hier

de Hanzeatische dochterstad Riga, als ook de "Zwaardbroederen-orde"

[73] die zijne leden voornamelijk uit Saksen en Westfalen trok,

en langzamerhand Lijf-, Esth- en Koerland veroverde en bezette.

Daar deze kleine orde, zich intusschen in het groote land te zwak

gevoelde, zoo sloot zij zich bij de orde der Duitsche ridders in

Pruissen aan, en erkende het opper-bestuur van deze. In de 14de eeuw

was deze Duitsche orde op het toppunt harer macht. Zij beheerschte

toen een groot land, dat met Duitsche steden versierd en in het bezit

van Duitsche grondeigenaars was; welk land van de Weichsel tot in de

nabijheid der Newa reikte, "en een tijdlang een der bloeiendste en

best bestuurde rijken van Europa was."

De opperhoofden van dit rijk, de grootmeesters, hadden zitting en

stem, in den Duitschen rijksraad, en de politieke invloed van den

Duitschen naam strekte zich toen hooger noordwaarts uit, dan ooit

vroeger of later. Sedert het midden der 14de eeuw zonk de zedelijke

tucht, en daarmede ook de macht der edele orde-ridders. Hun Duitsche

kolonie-staat werd verbrokkeld en kwam onder vreemde opperheerschappij.

De Polen, die reeds vroeger met de Duitschers om het bezit dier streken

gestreden hadden, veroverden bijna alle aan de orde behoorende landen,

eerst West-Pruissen als eigen land en Oost-Pruissen als leen, daarop

in de 16de eeuw Lijfland als eigen land en Koerland als leen.

In die provinciën had echter het Duitsche wezen zoo diepe wortelen

geschoten, dat bij alle wisselingen van bestuur en bij alle

verbrokkelingen, overal, zelfs in Lijfland, waar in de laatste 200

jaren, Poolsche, Zweedsche en Russische opperheerschappen elkander

afgelost hebben, het is blijven bestaan.

In Oost-Pruissen, dat in de 16de eeuw, door de keuze van Albrecht

van Brandenburg tot grootmeester der Duitsche orde, en daarna door

de erfelijk-verklaring van dit Hertogdom, in het Hohenzollernsche

huis met Brandenburg verbonden werd, heeft zich eene samenhangende

Duitsche grondbevolking over de helft van het land uitgebreid. Niet

te min werd of bleef de naam van dit Hertogdom, en van den grooten

met hem ten slotte verbonden Duitschen staat "Pruissen", helaas! niet

Duitsch; veeleer ontleende men dien aan de oude Lithauïsche bewoners

van die streek.

In Oost-Pruissen ("Pomerellen"), dat nog lang Poolsch bleef, en

eerst in het jaar 1772 (zijne hoofdstad Dantzig eerst in 1793)

met Pruissen verbonden werd, is de Duitsche grondbevolking minder

talrijk. In de afgelegene provinciën Lijf-, Koer- en Esthland,

waarheen de Duitschers nooit in groote menigte kwamen, heeft zich de

vreemdsoortige grondbevolking op het land staande gehouden, terwijl

in de talrijke sloten en steden, nog heden Duitsche burgerlijke en

adellijke geslachten bloeien.

Daar bij de verovering door de Duitsche ridders, de ingeborene

Slawen, Polen, Lithauers, Lyven en Esthen, hunnen oorspronkelijken

adel geheel verloren, en Duitsche geslachten het land onder elkander

verdeelden, zoo is dien ten gevolge de oorsprong van den adel dezer

landen zuiverder Duitsch, dan b.v. die in Pommeren en Mecklenburg,

waar zooals reeds aangemerkt is, de Wendische adel door zijne Vorsten

in massa, en slechts langzamerhand verduitscht werd. Men vindt daarom

noch in de rollen van den adel in Oost-Pruissen, noch in die van

Koer- en Lijfland zooveel Slawische "ows", "tzows", "itz" en "plitz",

als in de landen, nader bij Duitschland gelegen.

Ook onder de burgers der steden bleef de aangeborene Duitsche nationale

geest in hoogen graad bestaan. De Duitsche geest heeft daarom ook daar

vele krachten opgewekt, en Duitsche ontwikkeling heeft ook, van die

Noord-Oostelijke koloniën, geene geringe opwekking en steun ontvangen.

Wij behoeven ons slechts de philosophische zadelmakers-zoon uit

Koningsbergen, den grooten Kant, te herinneren. Ook de groote Herder

en later de scherpe denker Arthur Schopenhauer, zijn den Duitschers

uit die Noord-Oostelijke provinciën geworden, even als zij reeds

vroeger den grooten Copernicus, uit een Westfaalsch geslacht, hebben

voortgebracht.

Zelfs Koer-, Lijf- en Esthland hebben aan de Duitsche literatuur en

wetenschap, menigen geleerden onderzoeker en dichter geschonken. Ik

moet hier ook opmerken, dat de hoogere standen uit die streken, een

bijzonder welluidend en aangenaam klinkend Duitsch dialect spreken,

daar zij geene onontwikkelde Duitsch-sprekende klassen onder zich

hebben, door wier dialect zij hunnen tongval bederven kunnen.

In de steden Riga, Libau, Reval is bij de geringere volksklasse,

nog tot op onze tijden toe, een eigendommelijk plat-Duitsch in

gebruik geweest.

Ook de meer dan 60.000 zielen tellende Duitsche bevolking der Russische

Keizerstad Petersburg, welke stad een Duitschen naam draagt, is vooral

uit den schoot van Noord-Duitschland voortgekomen, de kooplieden en

burgers uit de Hanze-steden en uit de Pruissische zeeplaatsen, de adel

uit de kreitsen der Oostzee-provinciën. Men kan haar eenigermate als

de alleruiterste Noord-Duitsche of Neder-Saksische kolonie in het

verre Noord-Oosten beschouwen.

Hoe talrijk en menigvuldig naar het boven gezegde, de stammen

en stammetjes verschijnen, waarin ten allen tijde de Duitschers

verdeeld waren; hoe ver zich de natie ook verbreid en verstrooid

heeft, zoo hebben zich toch ten allen tijde zekere karakter- en

gemoedseigenschappen geopenbaard, die hun allen van den beginne af

eigen waren en gebleven zijn. Reeds de Romeinsche schrijvers hebben

veel gemeenschappelijks bij de Duitschers ontdekt, en hebben gezegd

dat men daaruit wel de gevolgtrekking kon maken, dat zij allen van

denzelfden stam en hetzelfde bloed, dat zij broeders waren.

De Duitsche natie heeft het zeldzame voorrecht gehad, reeds toen zij

nog in de wieg lag, door een Tacitus in haren natuurlijken aanleg

bestudeerd, met meesterhand geportretteerd te worden. De Duitschers

zijn daardoor, wat niet bij alle volken het geval is, in staat,

het bestaan en de geschiedenis van dien, al de Duitschers in hooge

mate eigen zijnden aanleg, eigenaardigheden in geest en in zeden,

tot zeer hoog op na te gaan.

Het beeld, dat Tacitus van die voorvaderen der Duitschers ontwerpt,

is nog heden in hoofdtrekken waar. Weinige eigenschappen, die hij hun

toekent, zijn bij de Duitschers verloren gegaan. In vele aanduidingen,

die in zijn kleinen ethnographischen katechismus voorkomen, erkent men

de kiemen en zaden der later daaruit voortgekomene, en ten deele eerst

in onze dagen gerijpte vruchten. En ofschoon deze katechismus reeds

zoo oud is, kan men den inhoud er van nog steeds zeer goed bezigen,

als grondslag eener algemeene karakterschildering der Duitschers.

In de eerste plaats en boven alles, prijst Tacitus de huiselijke

gewoonten en het familie-leven der oude Duitschers. "Heilig," zegt hij,

"is bij hen de band des huwelijks; hunne vrouwen, afstand doende van

alle verdere verwachtingen en hoop, bezitten even als een lichaam

en leven, ook slechts één echtgenoot, die het laatste doel harer

gevoelens en gedachten is.--Zij zijn de eenige onder de barbaren die

slechts _ééne_ vrouw nemen."

Is men niet bijna geneigd te gelooven, dat de oude heiden Tacitus,

de grondregels en geloften, waarmede onze jonge christelijke paren

zich aan elkander verbinden, in deze woorden geformuleerd heeft. Die

opmerking van den Romein alleen, is reeds voldoende om te bewijzen,

hoe ontvankelijk deze barbaren van den beginne af aan, voor het

christendom en zijne zuiverder zedeleer geweest zijn.

"De vrouw," zegt Tacitus verder, "staat bij de Duitschers in hooge

achting. Zij verachten hare raadgevingen niet, en gelooven zelfs,

dat er iets heiligs, iets profetisch in de vrouwen woont. Men heeft

voorbeelden gehad, dat eenige onder haar, onder anderen de Duitsche

Vorstin Veleda, als heiligen vereerd zijn geworden."

Eene dergelijke meening omtrent het schoone of zwakkere geslacht

bij barbaren, is eveneens iets zeer ongewoons; het was iets, dat de

Duitschers bijzonder kenmerkte. Zelfs te midden der hitte van twisten

en oorlogen, luisterden zij naar hunne vrouwen. "Het is wel bij de

Duitschers voorgekomen," zegt Tacitus, "dat hunne vrouwen door beden

en vermaningen de reeds geslagene mannen naar het tooneel van den

strijd terugvoerden, en dat deze, in de vrees dat hunne vrouwen den

vijand in handen mochten vallen, de overwinning bevochten."

Deze vereering der vrouwen, is door alle tijden heen, den Germaanschen

volken eigen gebleven. Niet zeer lang, nadat zij van het Romeinsche

rijk bezit genomen hadden, en tot het christendom toegetreden waren,

geraakte in het geheele, in meerdere of mindere mate gegermaniseerde,

Europa, de vereering "onzer lieve vrouw", van moeder Maria, tot eene

te voren nooit gekende hoogte. Ook ontwikkelde zich bij alle volken,

bij welke een oorspronkelijk Germaansche adel de kern uitmaakte,

de romantische en ridderlijke vrouwen-dienst, die zich gedeeltelijk

met de aanbidding der maagd Maria vermengde. De diep zedelijke

hoogachting, die de Engelschen voor de vrouwen hebben, en die ook den

Noord-Amerikanen eigen geworden is, hebben zij aan het vaderland van

Veleda te danken.

Vooral stonden bij de Duitschers de vrouwen in hoog aanzien, ter wille

harer kinderen. Hare zuigelingen brachten zij aan eigen boezem groot,

en lieten zij niet, zooals in de Romaansche landen nog heden even

als ook reeds ten tijde van Tacitus, dikwijls het gebruik is, aan

minnen en bedienden over. "Hare knapen," zoo meldt Tacitus verder,

"spelen onder het opzicht der moeders tusschen de huisdieren op de

deel en het erve rond, en groeien tot stevige knapen op."

Het huiselijk geluk, de liberale inrichting der huishouding, het daarin

ingevoerde stille medebestuur der vrouwen, de vrijere beweging en

opvoeding der kinderen, zijn zoovele heerlijke gaven, die de donkere

wouden van Germanië aan het nieuwe Europa geschonken hebben, en die

ook nog heden ten dage, vooral in de Germaansche landen op hoogen prijs

gesteld worden: in Duitschland, waar zooveel over huis, huiselijkheid,

familie en opvoeding gephilosopheerd, gedacht en geschreven is, en

in Skandinavië en in Engeland, waar de woorden "_home_", "_hjem_",

even hoog staan als in Duitschland het zooveel zeggende "_daheim_".

Een der schoonste getuigenissen, die Tacitus van de Duitschers

geeft, is vervat in deze weinige woorden: "niemand lacht bij hen om

de ondeugd." Dit woord van Tacitus zou men tot tekst kunnen nemen

voor eene lange lofrede op het Duitsche wezen, dat zich in den regel

afkeerig betoonde van het lichtzinnige, en daarentegen het ernstige

gaarne ernstig opvatte; dat een vijand was van vergoelijking, en

het woord "_frivolité_" niet eens in zijne taal teruggeven kon. Den

spot te drijven met heilige zaken, is den Duitschers van oudsher

eene afkeurenswaardige handeling geweest, en zij verschillen in dezen

karaktertrek niet weinig van het spotachtiger en lichtzinniger karakter

hunner naburen, de Franschen.

Ook wat Tacitus zegt over de wijze, waarop de Germanen hunne dooden

beklagen, schijnt een Duitscher recht uit het hart gesproken

te zijn. "Klagen en weenen," zegt hij, "geven zij _spoedig_ op,

smart en treurigheid zeer _laat_,--zij _gedenken_."--Moet men niet

gelooven, dat Tacitus een diepen blik geslagen heeft in het wezen

der Germaansche psyche, die niet van hartstochtelijken aard is,

die niet verlangt zich naar buiten te openbaren en de gevoelens van

het hart openbaar te maken; die haar leed in zich zelve verbergt;

die geen "smartkreet" kent, en geene Grieksche of Iersche zich zelve

pijnigende klaagvrouwen, maar alleen slechts "_leeddragers_." "Zij

gedenken," zegt Tacitus. Wie eens gelegenheid gehad heeft, de wijze,

waarop onze Germaansche broeders, de Engelschen en Nederlanders,

treuren--om van ons zelven te zwijgen--gade te slaan, dien zal de

waarheid dezer opmerking van den Romein, over het karakter der Germanen

niet weinig opgevallen zijn. Reeds alleen de woorden "_Eingedenk_",

"_Erinnerung_," waaraan de Duitsche dichters zooveel strophen wijdden,

doen eene snaar in ons binnenste trillen.

Ook op eenige andere eigenaardigheden der Duitschers, waarvan

twijfelachtig zou kunnen zijn, of men ze deugden moet noemen, wijst

Tacitus ons. Zoo, bij voorbeeld, is het zeer merkwaardig, dat hij

bij zijne ruwe Germanen ook reeds eene hun aangeborene gehechtheid

aan hunne Vorsten ontdekt heeft. "Bij hunne Vorsten de eerste plaats

in te nemen," zegt hij, "is bij alle Duitschers eene zeer begeerige

zaak, waarop zij allen ijverzuchtig zijn. Zij rekenen zich vooral

verplicht, hunne Vorsten te verdedigen en te beschermen, ja zelfs

hunne eigene daden tot den roem van dezen te rekenen, en het schijnt

hun zeer vernederend en voor het geheele leven onteerend toe, _na_

den val van hunnen Vorst levend uit den slag teruggekeerd te zijn."

Als Tacitus gezien had, wat de Duitschers al niet voor hunne Vorsten

gedaan en _geduld_ hebben, en welk een machtige spoorslag, zelfs nog

bij hunne jongste heldendaden, hunne liefde en toewijding aan hunne

Vorsten geweest is, dan zou hij geene redenen gevonden hebben iets

van die uitspraak terug te nemen.

Ook op menige der nationale _ondeugden_ en _gebreken_ der Duitschers,

die nog heden bij hen opgemerkt worden, op hunne overmaat in het

drinken en eten, op hunne speelzucht, op hunne neiging tot bijgeloof,

heeft Tacitus reeds gezinspeeld. Van den lust tot drinken der

Duitschers spreekt hij bijna op dezelfde wijze, als wij over die

der Indianen in Amerika. "Zij zijn daarin," zegt hij, "zoo onmatig,

dat, wilden wij deze neiging ondersteunen, en hun zooveel geven als

zij begeeren, zij gemakkelijk het onderspit voor ons zouden moeten

delven. Geen volk geeft zich hartstochtelijker over aan feestmalen

en aan de genoegens van drinkgelagen, dan zij."

Dit gebrek heeft zich bij eene vroegere gelegenheid, reeds vóór

Tacitus, bij de Duitschers geopenbaard. Reeds Cesar klaagde er

over, dat zijne Duitsche ruiters, die hij mede nam naar den slag van

Pharsalus, op den dag van den strijd niet strijdvaardig waren, omdat

zij niet nuchter waren. En van af dezen slag bij Pharsalus, hebben

de Zuidelijke volken bij al hunne ontmoetingen met de Duitschers,

geklaagd over dit gebrek, dat ook Luther veroordeelde, toen hij in

zijne aanmerking op den 10den psalm schreef: "daar nu eenmaal ieder

land zijn eigen duivel hebben moet, zoo heeft Duitschland als zoodanig

een wijnzak gekregen."

Volgens Lichtenberg heeft de Duitsche taal meer dan 50 uitdrukkingen

voor de verscheidenheden en graden, van den met behulp van Bacchus

verhoogden geestes-toestand, waarvoor de andere talen betrekkelijk

arm zijn. De Duitsche taal duidt met die uitdrukkingen zelfs gevoelens

en sensaties aan van geheel verschillenden aard, en spreekt b.v. van

"een _roes_ van genot", van "_dronken_ van wellust", van "_dorst_ naar

daden"; schenkt in stede van waarheid zuiveren wijn in, en verklaart

van een mensch met wien niets aan te vangen is, dat "_Hopfen und Malz_

an ihm verloren sei" (dat het met hem den moriaan geschuurd is), in het

oorspronkelijke Duitsche spreekwoord heeft men zich de ziel van den

onverbeterlijken mensch, als bierstof gedacht. De Duitsche dichters

zingen zelfs: "wer niemals einen Rausch gehabt, der ist kein braver

Mann" (die nimmer een roes aan gehad heeft, die is geen braaf man),

en verklaart hem "für einen Narren, der nicht liebt Wein und Gesang"

(voor een gek, die niet bemint wijn en gezang). Inderdaad, geloof

ik: het zou te wenschen zijn, dat de helft van alle wijn- drink-

en punschliederen uit de literatuur der Duitschers, en de voorliefde

tot het daarmede verwante, uit hun wezen kon weggewischt worden.

Eenige andere eigenaardigheden, die Tacitus aan de voorvaderen der

Duitschers berispt, schijnen echter eene eigenaardige wending genomen

te hebben. Hij schildert hen als ware dagdieven. "In het zweet

huns aanschijns iets te verdienen, wat zij door geweld verkrijgen

kunnen," zegt hij, "houden zij voor zwakheid. Zij waren bezwaarlijk

zoo gemakkelijk te overreden het land te bebouwen als wonden te

verdienen. Als zij niet ten oorlog of op de jacht gaan, is bij hen

zelfs de dapperste werkeloos. Dan leven zij, geheel overgegeven aan

ledigheid en slaap, in trage rust."

Zou men het kunnen gelooven, dat uit die luie beerenhuid-hoeders van

Tacitus, met den tijd het werkzaamste volk der wereld geworden is;

menschen, die zich door hunne spreekwoordelijk gewordene vlijt in

alle landen welkom maken, die meer in de ware beteekenis van het

woord dan eenig ander volk, het gebod vervullen: in het zweet uws

aanschijns zult gij uw brood verdienen;--bij wie de _lust_ tot den

arbeid zelfs tot geluk in arbeid geworden is.

De Duitschers hebben zich, niet _moeielijk_, zooals Tacitus

vreesde, maar veeleer _bijzonder gemakkelijk_ laten overhalen, de

ijverigste landbouwers der wereld te worden. Niet alleen hunne eigene

Hercynische [74] wouden en vuile moerassen hebben zij in bouwgrond

en tuinen veranderd, maar ook overal, waarheen in het buitenland

hunne landlieden geroepen werden, in Skythië (Rusland), in Dacië en

Pannonië (Hongarije), in Amerika, daar is de woeste natuur vriendelijk

en productief geworden.

Niet tevreden met de bebouwing van de oppervlakte der Aarde, hebben de

Duitschers ook vlijtig den bodem doorgewroet, en het moeielijkste aller

werkzaamheden, de bergbouw, is een echt Duitsch nationaal-handwerk

geworden. In alle bergwerken der wereld bedient men zich het liefst

van de ijverige, onvermoeide steenbrekers en ertsklovers, en zij zijn

in dezen kunsttak overal onontbeerlijk en toonaangevend.

Het bebouwen van het land, het woelen, het kloven, het graven naar

schatten voor een karig loon, is zoozeer eene eigenschap der Duitschers

geworden, ook bij hunne letterkundigen en geleerden, die overal in

verborgen schuilhoeken zoeken, ziften, verzamelen, schrapen, als in

bergwerken arbeiden en goudkorrels aan het licht brengen.

Wanneer Tacitus, met betrekking hierop, ook al geen profeet was,

zoo merkte hij daarentegen, van de godsdienstige beschouwing zijner

Germanen, weder iets op, wat als echt Duitsch bewaard is gebleven. "De

Germanen houden het," zegt hij, "de grootheid der Godheid onwaardig,

dat men haar binnen muren insluit of haar eene menschelijke gedaante

verleent. Zij aanbidden hunne Godheden in bosschen en wouden, die

bij hen geheiligd zijn en waarin zij iets geheimzinnigs met eerbied

aanschouwen.

Van dezen, door Tacitus met zulke opmerkelijke bewoordingen

geschilderden natuur-godsdienst, is den Duitschers, zelfs nadat zij

Christenen geworden waren, altijd nog veel eigen gebleven; eene groote

liefde voor Gods heerlijke schepping, die ook zeer goed overeenstemt

met de godsdienstleer van hem, die sprak: "ziet de leliën op het veld,

hoe zij groeien."--Op alle wegen der natuur ziet hij (de Duitscher)

het spoor eener Godheid. Meer dan de helft van alle door Duitschers

gedichte liederen, bevatten eene verheerlijking der natuur, zijn

lente- herfst- of winterliederen, nacht-, morgen- of avondliederen,

en bezingen op honderdvoudige wijze den wind, de zee, de rozen,

de viooltjes, de vogelen en alles, waarin slechts de wereldziel

ademt, geurt, suist of ruischt.--En wat meer in het bijzonder de

door Tacitus vermelde geheimzinnige bosschen en wouden aanbelangt,

zoo heeft geen volk eene zoo innige vereering en heilighouding voor

hen bewaard, dan de Duitschers. Voor "dat, wat het woud vertelt,"

voor de "eenzaamheid des wouds," voor "droomen des wouds" enz. hebben

hunne dichters steeds het meest opene oog en oor gehad. Duizende

uitdrukkingen in de Duitsche taal, en tallooze thema's van Duitsche

gedichten zijn aan het woud ontleend, en de bosch-cultuur is eene

lievelings-wetenschap en kunst der Duitschers.

"De tempeldienst en de _vorm_ der kerken is den Duitschers nooit zoo

diep in het vleesch gedrongen, als den Romaanschen volken." Hunne

philosofen zijn de universeelste en meest omvattende der wereld

geweest. Hunne Keizers hebben altijd tegen de priesters en Pausen

gestreden, die daarentegen in Frankrijk verdedigers vonden. De, den

Duitschers door Rome opgedrongen, beeldendienst hebben zij laten varen,

toen, ten tijde van Luther, hun oude, vrije, godsdienstige geest,

"die geene muren en beelden voor de Godheid wilde," die reeds in den

heidenschen tijd geene Druïden-kasten, zooals die bij de Galliërs

bestonden, duldde, zich weder verhief. Dat deze godsdienstige

vrijheid den Duitschers een diepe, nationale ernst was, is wel ten

duidelijkste daardoor gebleken, dat hunne kerkhervorming de echte,

en voor langen tijd de eenige omwenteling geweest is, die zij vast

en duidelijk, zelfstandig en alleen voor zich, en ten bate ook van

andere Germaansche stammen, doorgezet hebben, terwijl zij in hunne

staatkundige omwentelingen bijna altijd--tot op onze dagen--den

spoorslag van buiten ontvangen hebben en bijna niet dan navolgers

geweest zijn.

Maar in de menschelijke borst ligt naast ieder goeds, iets

kwaads. "Dezelfde ruimhartige, de wereldziel in al hare openbaringen

bespiedende Duitscher, neemt niet zelden eene geheele tegenovergestelde

richting aan,--wordt erge, ongeneeslijke twijfelaar, die tusschen

geloof en ongeloof heen en weer geslingerd wordt, die nu eens met

het hart zijne overtuigingen opbouwt, dan weder met het verstand zijn

eigen werk verwoest, en bij deze wankelmoedigheid niet tot _stellige_

zekerheid en vastheid komt.--De schrik voor dezen, onder de Duitschers

zoo veelvuldig voorkomenden ziels-toestand, is door eene geheele

eigenaardige Duitsche sage, op afschuw-inboezemde wijze verzinnelijkt,

en Goethe heeft deze stof gekozen tot het onderwerp van zijn meest

afgewerkt en meest nationaal Duitsch kunstwerk, waarin het van een

geretene van deze zijde van het Duitsche karakter, op klassieke wijze

blootgelegd en vereeuwigd geworden is, en waarin duivelbezweringen

en heksenkunsten, naast natuur-philosophie en het gevoelen van het

bestaan van eenen wereldgeest, eene even groote rol spelen, als zij het

in de geheele geschiedenis der ontwikkeling van het Duitsche volk doen.

Wanneer nu de Duitsche schrijvers melding maken van de contrasten, die

tusschen hunne landslieden en andere Europeesche volken bestaan, dan

hoort men hen meermalen spreken over hetgeen zij "romaansch formalisme"

noemen. Zij willen daarmede wijzen op den bepaald aangewezen vorm van

het wezen, de scherp afgeteekende nationaal-physionomie der geheele

uiterlijke verschijning, der zeden en der denkwijze van de Franschen,

Italianen, Spanjaarden enz., zoomede ook op de geneigdheid dezer

volken, om den innerlijken inhoud, terwille van den uiterlijken

vorm, over het hoofd te zien. In overeenstemming daarmede valt

onzen Romaanschen naburen hunnerzijds bij ons Duitschers, in al onze

uitingen en uiterlijkheden, eene groote mate van vormloosheid op. Zij

vergelijken zich zelven somwijlen met slakken, die zich een hecht

en lief huisje bouwden, en ons--ietwat dichterlijk--met weekdieren

zonder huis, figuur of schaal.

Een zeer duidelijk bewijs er voor, dat "formalisme" den Duitscher

niet in hart en nieren zit, ziet men daarin, dat zij allen zoo weinig

overeenstemmen in hunne uiterlijke of lichamelijke gedaante. Het

is bij de Duitschers moeielijker dan bij eenig ander volk, eene

nationaal-physionomie en een familie-type duidelijk aan te geven. Er

zijn volken, waarin ieder individu onmiskenbaar den stempel van den

geheelen stam op het gezicht draagt. De Israëlieten zien er allen

uit als broeders van een zelfden stam. De Armeniërs, als waren zij

gezamenlijk in éénen vorm gegoten. Ook bij de Britten is het bijna

onmogelijk zich te vergissen. De Italianen en Spanjaarden hebben zeer

scherpe, duidelijk denzelfden stempel dragende, trekken. De uiterlijke

nationaal-physionomie daarentegen, heeft even als de geographie van dat

"_indécise Allemagne_", iets zeer onzeker en vaags. Van de Adriatische

zee tot aan den Eider, vindt men de meest afwijkende wijzigingen in

lichaams-grootte, tint, kleur van het haar, vorm van het gelaat, ja! in

iedere Duitsche provincie, in iedere stad en in elk stadje stooten de

waarnemers op de meest bonte variëteiten en schakeeringen. Het komt

iemand meermalen voor, als had ieder Duitscher zijn eigen individueel

uiterlijk voor zich.

Hoe onzeker en onvast de Duitsche vorm is, kan men onder anderen

daaraan waarnemen, dat hij zich onder vreemden zoo gemakkelijk

verandert. Duitschers, die lang buiten hun vaderland gewoond hebben,

of hunne kinderen die in het buitenland geboren zijn, herkent men

later dikwijls niet meer. Zij hebben zeer spoedig geheel en al de

trekken van het vreemde volk aangenomen. Bij vele andere volken (moet

ik weder de Israëlieten noemen--ik kan even goed van de Engelschen

of de Franschen melding maken) valt het kenmerk van het ras nog bij

de laatste kindskinderen duidelijk in het oog.

Evenals in het lichamelijk omhulsel, zijn de Duitschers ook in

hunne zeden, in hunnen omgang, in het geheele gezellig verkeer,

veel vormloozer, veel minder gebonden dan andere volken. "Elders,

niet alleen in Frankrijk maar ook in Engeland, en zelfs bij de

republikeinsche Noord-Amerikanen, treft men eene bepaalde regeling

aan in den omgang, het gesprek, den briefstijl, in alle onderdeelen

en uiterlijkheden; eene regeling, die den Duitschers dikwijls eene

tyranieke keten toeschijnt, ofschoon zij, wanneer men er zich eens

aan gewend heeft, veel gemak oplevert."

Ook in de hoogere sfeeren van het menschelijke kunnen en voortbrengen,

ook in de voortbrengselen van den geest, der poëzie en literatuur,

spreekt bij de andere volken duidelijk hun zoogenaamd "formalisme"

evenals bij de Duitschers hun gebrek aan vaste en conventioneele

vormen. In de dichtkunst hebben de Romanen zich gewoonlijk meer

dan de Duitschers, gehouden aan de wetten der bekoorlijke en

kunstrechterlijke vormen. Bijna alle in Europa van kracht zijnde

metrische en prosodische soorten en regels, zijn afkomstig van

de Grieken, Italianen, Spanjaarden en Franschen. De poëtische

voortbrengselen der Duitschers hebben meer hunne zwakke zijde in

gebrek aan bevallig uiterlijk, dan wel in het innerlijk gehalte. De

treurspelen der Duitsche dichters bezitten zelden het rechte effect,

den kunstigen vorm. Hunne verhalen, novellen en romans, ontbreekt

het ook maar al te dikwijls aan den bondigen vorm en aan een goed

slot. Ook die hebben iets van dat _indécise Allemagne_, iets breeds,

vaags en vervloeiends. De Franschen en Engelschen hebben (echter

meer vroeger dan tegenwoordig) aan de Duitsche geleerden verweten,

dat zij geene boeken wisten te maken, dat zij hunne werken niet recht

wisten te rangschikken en af te ronden. Al de voortbrengselen van

hunnen geest, schenen hun toe in zekere eigenaardig nationale wolken

te drijven. Ook ontbrak het hun, evenals het Duitsche familie-gelaat,

aan duidelijke omtrekken en aan vorm.

Datzelfde gebrek aan figuur, vorm, slot, bondigheid en kenmerkenden

stempel heeft zich niet slechts in zulke, diep uit den volks- en

menschelijken geest te voorschijn tredende, openbaringen getoond,

als gedichten en literarische producten zulks zijn, maar ook in

oogenschijnlijk van geen wezenlijk belang zijnde kleinigheden,

zooals b.v. in kleeding en nationaal kostuum.--Bij vele Europeesche

volken heeft men in den loop der tijden, zoowel voor man als vrouw

een, wat snit en maaksel betreft, zeer eigenaardig fatsoen van

kleedingstukken gemaakt. De Hongaren, de Polen, de Russen, ja schier

alle Slawische stammen, bezitten zeker, dikwijls zeer schilderachtig,

nationaal-kostuum, waaraan zij met voorliefde vasthouden, en bij het

gebruik waarvan zich hun vaderlandsch gevoel evenzeer opgewekt gevoelt,

als het poëtische bij den toon-meester Arion, wanneer hij zegt:

"alleen in tooi, verrukt Apollo mij." Verscheidene dezer volken,

hebben zelfs aan hunne nationale kleedingen zoo vast gehouden, dat

zij daar moeielijker afstand van deden, dan van hunnen godsdienst,

hunne taal, zeden en al het overige hunner nationaliteit. Ik herinner,

ten bewijze daarvan, slechts aan de Altenburgers in Thüringen, de

nakomelingen der Serben, die zich nu nog op zijn Oud-Slawisch kleeden,

ofschoon zij voor het overige geheel Duitsch geworden zijn.

Eenige volken hebben zelfs, als zij tot invloed kwamen, aan het geheele

overige Europa, meer of minder hunne kleederdracht opgedrongen. Zoo

b.v. eens de Spanjaarden, een ander maal de Zweden, het langst de

Franschen, ten deele ook de Engelschen. De Duitschers hebben zoo iets

nooit tot stand gebracht. Menig kostuum en kleedingsLuk van deze of

gene natie, is geheel of gedeeltelijk in de geheele Europeesche wijze

van zich te kleeden overgegaan. Wilde men de geheele kostumeering

van alle klassen der Europeesche maatschappij analiseeren, zoo

zou men vinden, dat bijna alle volken van ons werelddeel nu en dan

daartoe een of ander stuk hebben bijgedragen. Op de rekening der van

uiterlijkheden weinig werk makende Duitschers, zou daarbij wel het

kleinste gedeelte komen.

"Als wij," zegt Falk, "de Duitsche kostumes, van de herders

en herderinnen uit het Berner-Hoogland af, tot aan de Friezen en

Hollanders toe, van den Rijn tot aan den Memel, onderzoeken, dan zullen

wij bijna overal, in de vormen dezer zoogenaamde Duitsche volks-

en landsdrachten, niets dan de verboerschte representanten van het

kostuum-tijdperk van een Lodewijk XIV en XVI, of misschien ook nog

een overblijfsel van den Slawischen volksdracht vinden.

Den Duitscher heeft dus op het veld der kostumeering, en over het

geheel in alles, wat op het uiterlijke betrekking heeft, nooit iets

recht goed willen gelukken. De kracht van het Duitsche genie was naar

eene andere zijde gekeerd.

Een geestig schrijver vergelijkt, terwijl hij eene parallel maakt

tusschen de constellatie onzer groote Europeesche volken-groepen

en ons planetenstelsel, de Franschen en andere Romaansche volken

met Mercurius en Mars, die zich dicht bij de zon bevinden, en langs

bepaalde, sluitende, nauwe, duidelijke banen loopen; Engeland, dat zich

vooral op het poëtische toelegt, geeft hij het teeken der Aarde. De

Slawen vergelijkt hij met Uranus en Saturnus. Zij verspreiden evenals

deze sterren een mat licht, zijn schemerdonker, ver verwijderd en

bewegen zich slechts langzaam,

De Duitschers echter, deelt hij in bij de kometen, daar zij dikwijls

even als deze, ver van de aardsche zon verwijderd, naar de onmetelijke

ruimte henen zweven, en dan eens door verlangen gedreven weder

naderen, terwijl zij zich krachtig en roerig in het licht dringen. Dit

komeetachtige in den Duitschen aard, de in hun geheele wezen ingewevene

lust tot reizen, hangt innig met hun geheelen verderen zin en karakter

samen. Overal, in hunne geschiedenis zoowel als in hun dagelijksch

leven, werken en denken, ontmoet men het.

Evenals dwaalsterren, spatten eens in de jeugd der natie hunne

stammen uit elkander, en verspreidden zij zich naar alle uiteinden

van ons werelddeel. Als kometen drongen eeuwenlang, hunne Keizers en

rijkslegers zuidwaarts Italië binnen, versmolten en verdampten daar

in het eene jaar, en zonden in het volgende nieuwe slachtoffers

van dien lust naar buiten, waardoor onder anderen bewerkt werd,

dat van oudsher in Duitschland eene talrijke menschenklasse, die

der zoogenaamde ruiters en voetknechten, bestond, die bereidwillig

iederen wenk in de verte gevolgd zijn.

Ook in nieuwere tijden is in geen land een vreemden legioen opgericht,

dat men niet juister een Duitsch-legioen had kunnen noemen. Alle

naburen hebben steeds bij Duitschland gerekruteerd, de Nederlanders

en Engelschen voor hunne Oost-Indische bezittingen, de Franschen voor

hunne Afrikaansche veroveringen.

Geen oorlogskreet is in eenig vreemd land geslaakt, waaraan niet de

reislustige en avontuurlijke Duitschers deelgenomen hebben, en zelfs

niet zelden bij beide tegenover elkander staande partijen.

Aan beweeglijke en op avonturen uitgaande figuren van anderen aard,

aan reizende handwerkslieden, rondtrekkende scholieren of speellieden

en reizigers van allerlei soort, hadden de Duitschers van oudsher

grooten overvloed. Hunne schilders, kunstenaars en geleerden begeven

zich allen op reis, niet alleen, zooals de Engelschen en Franschen,

om een bepaald nationaal of op hunne zaken betrekking hebbend doel

te bereiken, maar uit bloot poëtische lust tot reizen, evenals de

trekvogels de onmetelijke ruimte ingedreven worden, alleen ter wille

der schoonheid van de groote schepping en om algemeene aesthetische

of wetenschappelijke doeleinden na te jagen.

En dergelijk zwerven en dweepen, van even als duiven uitvliegende

toeristen, van afwisseling zoekende badgasten, van voetreizen

makende jeugd, van over den Rijn en de Belt bedevaarten doende

studenten-gezelschappen, zooals men iedere lente in Duitschland ziet

ondernemen, kent men noch in Italië, noch in Frankrijk of Spanje.

Zooveel liederen die betrekking hebben op den reislust, zooveel

"Oden" aan de wolken, de stuurlieden der lucht, aan de trekvogels, de

kraanvogels van Ibicus,--"wandelaars nachtliederen",--lofzangen op eene

wandeling, op eene herfstreis of een wintertocht--op herberg--verblijf

of tehuiskomst, op scheiden en vertrekken,--zooveel poëtische vragen

aan den bruisenden wind, vanwaar hij komt en waarheen hij gaat,--aan de

eenig landschap doortrekkende bronnen en rivieren,--als in de Duitsche

literatuur voorkomen, vindt men bij geen ander volk. De helderblauwe

lucht, de zich bewegende zon, maan en sterren, de groote eindelooze

horizon--de schemerende verte--zijn zaken die bij de Duitsche dichters

eene niet minder opmerkelijk groote rol spelen.

De reis-novelle is eene nieuwere literatuur-soort, die door de

Duitschers en hunne Engelsche broeders met voorliefde beoefend wordt,

en bij de Franschen en Italianen nauwelijks bekend is. Reisverhalen

hebben de Duitschers met de Engelschen, die als Germanen den lust

tot reizen met dezen deelen, meer geproduceerd en gepubliceerd dan

alle andere volken te samen. Verzamelingen van nieuwe en merkwaardige

reizen te land en te water, heeft geen volk zoo veel en uit zoovele

boekdeelen bestaande, als de Duitschers.

En toen de Engelschman Defoe, de lotgevallen van den eiland-bewoner

Robinson Crusoë, in zulke aantrekkelijke vormen schilderde, toen

werd dit boek in geen land zoo ijverig en zoo algemeen als in

Duitschland, 150 jaren lang, bewonderd, in honderde uitgaven gelezen

en nagevolgd. Zelfs in de laatste tien jaren, hielden eenige der

beste Duitsche teekenaars zich onledig, het met nieuwe teekeningen te

versieren. Naar het model van dien wilden Robinson van het eiland Juan

Fernandez, ontstonden bij de Duitschers ook Silezische, Thüringsche,

Schwartzwalder, Westfaalsche en Harts-Robinsons. De massa's navolgingen

van dien roman, bij de Duitschers, wien een ver afgelegen woest eiland,

een eenzaam leven in de vrije natuur en in het woud, zoo bijzonder

aanlokkelijk toescheen, werd zoo groot, dat de Robinsonaden bij hen

een afzonderlijke tak van literatuur uitmaakte.

Ook de pen der Duitsche geleerden toefde altijd gaarne, zoowel in

het Oosten en in het Westen, als in het hooge Noorden en het heete

Zuiden; zij haalden de stof voor hunne werken van verre af, om partij

te trekken van alles wat vreemd was. Even als bijen zijn zij overal

heengevlogen en hebben zij van alle kanten honig aangehaald. "De

Duitschers doorzoeken de geheele wereld. Zoo ver de zonnestralen

schieten en de winden waaien, willen zij naar buiten om alles te zien,

te leeren, te begrijpen, en te erkennen; om de talen, gewoonten,

eigenaardigheden, kunsten, te leeren en zich toe te eigenen."--Veel

vond bij de Duitschers alleen daardoor ingang, dat het "uit de verte"

kwam.

In het bijeenverzamelen en het overnemen van alles wat vreemd is, zijn

de Duitschers onvermoeid geweest. Er is geene literatuur in Europa,

die aan vertalingen uit alle oude en nieuwe talen zoo rijk is als de

Duitsche. Geen volk kan zich beroemen, zich de voortbrengselen van den

geest van alle landen en volken, zoo eigen gemaakt te hebben als de

Duitschers. "Zij hebben zich door hunne literarische veroveringen, de

geestelijke rijken der volken van den aardbol ontsloten, de bloesems

der poëzie, alsmede de vruchten der wetenschappen van de meest

verschillende luchtstreken en uit de meeste verschillende tijden, bij

zich inheemsch gemaakt," Het Duitsch is daardoor de sleutel tot groote

schatten geworden, en zeker schijnt het, dat als een vreemdeling zich

een levend taaleigen zou willen eigen maken, waardoor hij zich in alle

overige literaturen het gemakkelijkst te huis zou willen gevoelen,

hij geen ander zou moeten kiezen, dan het Duitsche.

"Hierdoor is den Duitscher, bij al zijne uiterlijke stijfheid, eene

innerlijke geestelijke vlugheid en buigzaamheid in hooge mate eigen

geworden, waardoor hij het niet-Duitsch verstaan, het vreemdste in

zich opnemen kan, waardoor hij zich zelven zoo gaarne uitdrukt, vermag

te verplaatsen in het wezen van anderen, en het hem mogelijk is zich

vreemde gedachten en zienswijzen eigen te maken." "En dit," zegt een

Duitsche schrijver (Arndt), "is een onzer kostelijkste gaven."--Zeer

waar. Maar merkwaardig is het toch, dat ook hier de uitersten elkander

raken en contrasten vormen. "Bij alle ontvankelijkheid hunner borst

voor groote gedachten uit het boek van het menschelijke natuurrecht,

bij al hunne gemakkelijk op te wekken deelname in de smart en de

vreugde dezer wereld, gaan zij toch ook van oudsher mank aan geheel

tegenovergestelde kwalen, aan klein-steedschheid en burgerlijkheid.

Wie zou het gelooven "de meest kosmopolitische aller wereldburgers,

zijn tegelijkertijd ook dikwijls genoeg de eenvoudigste kleinburgers

geweest." De breedvoerigste, Duitsche wandelaars zijn ook de echtste

huishennen geweest. Naast de waarachtig meest ruime zienswijzen en de

groothartigste gevoelens, die hunnen grooten geesten eigen waren,

en die een hunner dichters het vers ingaven: "Seid umschlungen

Millionen!" vindt men niet zelden juist onder de Duitschers

"de kleingeestigste beschouwingen, de kortzichtigste hoofden, de

bekrompenste verstanden, menschen van het meest beperkte begrip."

Duitschland, het land der Leibnitzen en Kanten, is tegelijk het

vaderland der echte Schöppenstädter en Schildaër. "Zulke kostelijke

botterikken (Einfalts-pinsel)," zegt een geschiedschrijver der Duitsche

nationaliteit (Prof. Wachsmuth), "als overal in Duitschland, vindt men

nauwelijks bij eenig ander volk, noch bij de Engelschen die daartoe

te weinig naïve kinderlijkheid hebben, noch bij de Franschen wien

het daartoe aan humor ontbreekt, noch ook bij de Slawische rassen

die daarvoor in den regel te veel sluwheid bezitten."

De vertelseltjes van Schwabische of Pommersche staaltjes van

eenvoudigheid, zijn volstrekt niet bij de Duitschers afzonderlijk

gebleven. Veeleer is het zaad daarvoor in alle Duitsche landen

opgekomen. Iedere volkstam, iedere provincie heeft bij hen zijne

plaats, die om hare onnoozelheid bekend is.

Ja! bij hen bestaan niet alleen de onbevooroordeeldste en vrijgevigste

geesten, _naast_ de meest beperkte verstanden; maar juist hunne

burgerluitjes (Philister, Kannegiesser, Spiessburger), die, waar

het praktische zaken geldt, op duizend hinderpalen stooten, zijn

meestal juist dezelfde menschen, die met betrekking tot het ver van

hen verwijderd liggende, een waar wereldburgerschap huldigen.

Men moet daarom gelooven, dat--ten minste gedeeltelijk--juist de

Duitsche kleinsteedschheid en kleinstaatschheid de broeikas van

het hun ingeplante kosmopolitisme geweest is. Juist omdat zij te

veel in eene, tusschen muren eng ingeslotene Schwabische stad,

aan een pijnlijk klein Thüringsch hof leven moesten, juist daarom

gevoelde hun geest, nog meer dan hij het reeds van nature deed,

zich tot eene grootere ideale wereld getrokken, en leed hij dan ook

aan wereldsmart, aan Europa-moêheid en dergelijke kwalen. Zoo eenige

natie, dan had de Duitsche, om haar van dergelijke kwalen te genezen,

en om van hare "kostelijke gaven" gebruik te kunnen maken en ze voor

ontaarding te bewaren, behoefte aan verzameling, concentreering en

verharding.--Maar ook juist een volk van zoo groote universaliteit,

van zoo groote kosmopolitische gezindheid als het Duitsche, dat veel

meer humaniteit dan gevoel van eigenwaarde en egoïsme bezat, en dat

in Europa een met bijna alle andere volken en machten saamgegroeid

gebied bewoonde, moest zijne pogingen, om nationale en politieke

eenheid bij zich in het leven te roepen, bijzonder moeielijk vallen.

Zij zijn later met elkander saamgesmolten en hebben later hunne

uiterlijke vestiging tot stand gebracht, dan de meeste andere groote

volken van Europa. "Het is een opstandings-proces geweest, dat

eeuwen geduurd heeft, en met allerlei wisselingen en veranderingen

te kampen had."

De gunstige uitslag en de zege, die de pogingen der Duitschers om

tot eenheid te komen, eindelijk gehad hebben, werden aanhankelijk

door Luther's kerkhervorming voorbereid. Deze groote beweging der

geesten, waarbij vele andere Europeesche volken de Duitschers, die de

vaan droegen, volgden, gaf hun vrijheid van denken en verschafte aan

hunne philosophen een terrein, waarop zij zich vrij bewegen, waarop

zij gedijen konden. Bijna alle groote nieuwere denkers en verlichte

geesten van Duitschland, die aan het volk roem en kracht verschaften,

ontstonden uit het protestantisme, dat, naar te hopen is, in zijne

verdere ontwikkeling, in nog hoogere mate dan tot nu toe het geval

geweest is, de zuurdeesem van de Duitsche eenheid worden zal.

Door zijne bijbelvertaling en wat haar volgde, gaf Luther aan de

Duitschers tegelijk een begin tot eene algemeene schrijftaal, die

langzamerhand ook als taal van het dagelijksch verkeer, in het gebied

van alle Duitsche stammen binnendrong, en die nu allen als hunne

moedertaal, als een dierbaar goed, beschouwen. Daar deze taal ook

steeds meer en meer, ook in de laagste klassen van het volk, doordrong,

werd zij een machtige hefboom ter versterking van het nationaal gevoel

en ter vereeniging. In haar ontbloeide langzamerhand, vooral in de

18de eeuw, eene heerlijke literatuur. Groote dichters en schrijvers,

die bij het volk algemeen bijval vonden, en in alle Duitsche landen

met steeds toenemende geestdrift bemind werden, stonden op.

Even als in de poëzie en in de fraaie letteren, zoo stonden ook bijna

gelijktijdig op het gebied van andere kunsten, vooral op dat van

muziek, groote talenten en geesten onder de Duitschers op, die met

hunne heerlijke composities het geheele volk aangrepen, en weldra,

even als de dichters, als de geestelijke Koningen der Duitschers

vereerd werden. Zij spanden en slingerden, even als de dichters,

onzichtbare banden om alle stammen van het volk, die op deze wijze

vele beroemde mannen verkregen, waarop zij trotsch konden zijn,

en in wier bewondering zij allen eenstemmig waren.

Dezelfde beweging, die de algemeene Duitsche schrijf- en

literatuur-taal en dichters en denkers in het leven riep, deed ook

onder de Duitschers eene sterke staatsmacht, waarom zij zich scharen

konden, ontstaan. Het protestantsche Pruissen greep, klein beginnende,

steeds verder om zich heen. Reeds in de 17de en 18de eeuw verrichtte

het, onder flinke Vorsten en veldheeren, groote daden, die aan de

wapens der Duitschers algemeene achting verschaften, en in het begin

der 19de eeuw redde het in roemrijke volkenslagen--wel niet zonder

de hulp van vreemdelingen,--Duitschlands onafhankelijkheid uit

de klauwen van zijn erfvijand aan gene zijde van den Rijn. Steeds

toenemende in aanzien, getalsterkte en gebied, werd het van nu af

aan, als Duitschlands zwaard gevierd. Daar echter in den, na den val

van Napoleon opgerichten, Duitschen Bond, nevens Pruissen nog eene

andere groote macht, het slechts half-Duitsche Oostenrijk opgetreden

was, zoo ontstond nu tusschen beide machten een langdurig tijdperk,

waarin steeds onbeslist, een politieken strijd om de opperheerschappij

gestreden werd.

Hoe treurig het er ook, gedurende de geheele eerste helft der 19de

eeuw, met die uitwendige of staatkundige eenheid der Duitschers

dikwijls uitzag, zoo werkte het volk zelf toch, den eens ontvangen

spoorslag volgende, in vele takken en gebieden des levens, aan zijne

innerlijke samensmelting voort. Er ontstonden groote vereenigingen

en vergaderingen der Duitsche natuur-onderzoekers, de Germanisten,

Turners, zangers en later ook de algemeene Duitsche "Schützenbund",

die patriotten uit alle klassen en uit alle streken des lands

samenbrachten, en niet weinig bijdroegen tot eene inniger verbroedering

van alle Duitsche stammen, landen en steden; ook begon de natie al ras,

de herinnering aan hunne meest populaire "geestelijke Koningen," in de

"Schiller-feesten" en dergelijke, met algemeene deelname te vieren.

Ook de vroeger zoo universeele geleerden en onderzoekers werden steeds

patriotischer. Vooral begonnen zij hunne moedertaal, de bron van alle

nationale gevoel, hare geschiedenis, hare vorming, hare verbreiding,

grondiger dan te voren te bestudeeren. Zelfs de afzonderlijke dialecten

der Duitsche taal werden ijverig bestudeerd. En dit geschiedde

niet meer, zooals vroeger, met kleingeestige en partikularistische

bedoelingen, maar met betrekking tot het geheel, zoodat dan ook

schrijvers of dichters in een bijzonderen tongval optraden en veel

voortreffelijks voortbrachten, zooals b.v. de Alleman Hebel, of later

de Neder-Saksische Fritz Reuter, Klaus Groth enz. of de Beier Kobel

en niet alleen in hunne provincie roem inoogstten, maar hunne werken

door geheel Duitschland genoten en toegejuicht werden.

Niet minder ijverig legde men zich toe op de studie en de opheldering

der geschiedenis van het eigen volk en van het vaderland. Zelfs de

Duitsche Bond eischte dien arbeid, doordien hij het, reeds door den

grooten Duitschen Stein opgevatte denkbeeld, ter daarstelling eener

authentieke verzameling van alle bronnen der Duitsche geschiedenis,

hielp verwezenlijken. Ook enkele Duitsche Vorsten, zooals b.v. de

Beiersche, werden door dezen ijver bezield en riepen stichtingen

in het leven, die datzelfde doel beoogden, het Germaansche museum

in Neurenburg, de historische commissie in München enz. "Het veld

der Duitsche geschiedenis werd ten slotte," zooals Giesebrecht zich

uitdrukt, "mikroskopisch bearbeid." Iedere Duitsche historische vraag,

ieder tijdperk der geschiedenis, iedere Duitsche provincie, iedere stad

kreeg haren onderzoeker, hare "monumenta", hare beschrijvers. Dit alles

was een gevolg van de algemeene patriotische vlucht in Duitschland,

die het tegelijkertijd bevorderlijk was.

Evenveel als men deed voor de verduidelijking der politieke

geschiedenis van het volk, deed men ook voor die zijner literatuur. Ook

daaraan werd "met ijverige miskroskopie" gearbeid, zoodat bijna iederen

Duitschen dichter, niet alleen een Lessing, Schiller en Goethe, waar

ook bijna iederen ouden minnezanger, eene eigene, door eene menigte

lichtjes geïllumineerde kapel gebouwd werd, en dat het geheele volk

in de scholen en elders, alle bijzonderheden in het leven en werken

hunner dichters en in de wijze waarop de werken van hunnen geest

ontstonden, om zoo te zeggen van buiten leerde.

Een nog hechter en sterker band ter vereeniging, brachten echter

de practische en handige Pruissen tot stand, namelijk het Duitsche

"Zollverein", dat, verscheidene phasen doorloopende, langzamerhand

schier alle Duitsche staten en stammen omslingerde, eene menigte

oude scheidingsmuren tusschen de staten en stammen afbrak, en ten

slotte eene bijna algemeene eenheid in Duitschen handel en verkeer

in het leven riep. Het werd, door het zich langzamerhand over geheel

Duitschland uitbreidend spoorwegnet, aanzienlijk in de hand gewerkt.

Op deze en andere wijze werden de wegen tot vereeniging, in vele

richtingen gebaand. De geest der Duitschers, hun nationaal-gevoel,

hunne gezindheid was reeds één geworden. Het kwam er nu nog alleen maar

op aan, dien geest den uiterlijken vorm te geven, de _staatkundige_

banden der eenheid te smeden. De gebeurtenissen, die dit bewerkten,

volgden slag op slag, en de Pruissen stonden ook daarbij weder als

vaandeldragers vooraan. Zij gaven zich eene vrijzinniger wetgeving. Zij

schiepen een groot parlement, waarin zich vele politieke talenten

ontwikkelden en vormden. Pruissen werd dien ten gevolge weldra zoozeer

en algemeen aangezien als het hoofd van Duitschland, dat zijnen Koning

reeds in het jaar 1848, door liberaal gezinde en vaderlandslievende

mannen, die te Frankfort samenkwamen en poogden een algemeen, eenig

Duitsch parlement tot stand te brengen, de Duitsche Keizerskroon

aangeboden werd. Maar ter aanneming eener dergelijke opdracht

waren de zaken toen nog niet rijp genoeg. Keizerskroonen zijn in de

geschiedenis zelden door parlements-besluiten of besprekingen van

geleerden en ontwikkelden, in het leven geroepen. Zij kunnen ook niet

saamgeschreven of gezongen worden. Meestal worden zij op slagvelden

geboren. Zeker was steeds de geboorte gemakkelijker, als zij door

zangvereenigingen, dichters en allerlei andere gunstige uitwerking

hebbende bemoeiingen, voorafgegaan werd, maar de meeste menschen zijn

niet door zingen of door praten, maar door daden te overreden. "Alleen

de veldslagen, die voor het bestaan van een volk geleverd worden,

wekken de massa, ook de bloodsten, op, en brengen geestdrift en een

waas van het hoogere, tot zelfs in de armste hut. Bloed en ijzer

moesten Duitschland aaneensmelten.

Het eerst werd dat kleine, vijandige Noordsche volk, dat zoo dikwijls

den toorn van Duitschland opgewekt had, met schitterend gevolg binnen

zijne grenzen teruggeworpen. Vervolgens nam Pruissen den strijd met

de half-Slawische Donau-macht op, voerde dien met gunstig gevolg en

maakte een einde aan het, de eenheid meer dan iets anders hinderlijke,

dualismus der opperheerschappij in het inwendige van Duitschland. Het

met Slawen, Magyaren en Italianen saamgegroeide Oostenrijk, werd in

weinige, krachtig gevoerde veldslagen uit Duitschland geschoven,

en in dit land gebood nu slechts één wil, eene enkele politieke

macht en wèl eene Duitsche. Zeer beslist trad deze echter in midden-

en Noord-Duitschland op. De Zuidelijke Duitschers, de Allemannen,

Schwaben en Beieren, aarzelden een weinig, en wisten nog niet goed

wat zij doen zouden.

Maar tot geluk der Duitschers, maakten hunne oude tegenstanders aan

gene zijde van den Rijn, de Franschen, die reeds lang het begin van

het vereenigings-werk der Duitschers met bezorgdheid en jaloezie hadden

gadeslagen, zich op en vermanden zij zich tot het doen eener poging, om

den voortgang van het werk der Duitschers tegen te houden. Plotseling

vielen zij Duitschland aan, in de hoop, even als vroeger meermalen,

een gedeelte van het volk op hunne zijde te zullen vinden. Tot hun

schrik en nadeel bemerkten zij, dat zij te laat gekomen waren, dat

door al de boven aangegeven voorvallen en gebeurtenissen, eene niet

geringe versmelting en vereeniging in gezindheid en nationaal-gevoel

reeds tot stand gekomen was. De Duitsche stammen en Vorsten volgden

allen hunnen vaandeldrager Pruissen en bevochten--ditmaal alleen

en zonder de hulp van vreemde machten--eene reeks der roemrijkste

overwinningen op hunnen Westelijken erfvijand. In een zeer korten,

met bewonderingswaardig talent geleiden en door een ongehoord succès

bekroonden veldtocht, wierpen zij Frankrijk ter neder en namen

het de beide oude heerlijke Duitsche provinciën, die het eens aan

het Duitsche rijk en volk ontroofd had, weder af. En nu, nu de oude

rijks-grenzen weder hersteld waren en de geheele natie van de ergste

der haar dreigende gevaren gered was, nu nam ook Pruissen, de hem

door de dankbare Duitsche Vorsten en volken andermaal aangebodene

Keizerskroon aan.

Op deze wijze is dus een rijk in het leven geroepen, dat ten minste

de verreweg grootste massa der Duitschers, tot een machtig en een

vereenigd lichaam samenvat. Wanneer ook al nog niet alles, wat men

zou kunnen wenschen, bereikt is, en wanneer het ook al niet op die

wijze bereikt is, als velen het verwacht hadden, zoo is ons (den

Duitschers) toch meer ten deel geworden, dan de meesten der levenden

durfden te droomen, of hoogstens als iets durfden te beschouwen,

dat zij misschien in het verloop der tijden zouden kunnen verkrijgen.

De gevolgen en resultaten van den grooten oorlog van 1870 en 1871, zijn

niet alleen voor de Duitschers, maar ook voor alle volken van Europa

gelukkig. Het vasteland kon zich niet rustig en wel te moede gevoelen,

zoo lang zijn hart- en middel-volk zwak was, en tot aanhoudende

aanvallen, botsingen en verwikkelingen, van alle zijden uitnoodigde. Nu

is dit rustige, dit beschaafde midden-volk van Europa, dat zooveel

scholen doorloopen heeft, tot kracht gekomen en heeft het onrustige,

vredelooze volk der Galliërs, den ouden Europeeschen rustverstoorder,

den schepter uit de hand gewrongen. Dat het Duitsche rijk van heden,

niet met zulke ver reikende ideeën van wereld-heerschappij, zooals

het vroegere oude "Romeinsche Keizerrijk der Duitsche natie," in den

kring der Europeesche machten getreden is; dat het niets wil dan de

herstelling der onafhankelijkheid en de bevestiging van het eigenlijke

Duitschland; dat het er niet aan denkt, buiten-Duitsche veroveringen te

maken; dat het een rijk des vredes is, heeft de tegenwoordige Duitsche

Keizer Willem, reeds bij verscheidene gelegenheden geproclameerd. Maar

ook het gezamenlijke Duitsche volk heeft het reeds sedert geruimen

tijd bewezen, dat het gebroken heeft met de, den vrede van Europa

verstorende, neigingen van hun middeneeuwsch Keizerschap. Het dweept

niet meer met tochten naar Rome, met Donau-expedities en zulke, ver

naar buiten voerende ondernemingen. Door al zijne organen (dichters,

staatslieden, patriotten enz.) heeft het verklaard, dat het niets

wil, dan hun Duitsch vaderland, den ouden Duitschen bodem, en het

oude Duitsche taalgebied. Zeer duidelijk heeft het juist daardoor te

kennen gegeven, dat het er reeds sinds langen tijd naaf gestreefd

heeft, zich te scheiden van dien staat, dien nog veel van de oude

verkeerde Duitsche Keizer-politiek der Otto's en der Hohenstaufens

aanhing; die Italië, Hongarije enz. niet wilde laten varen; dat het

zich daarentegen liet leiden door dien Noord-Duitschen staat, die,

evenals eens de edele Duitsche koning Hendrik de Vogelaar, niets dan

Duitschland wil.

Schijnt het na het bovengezegde, dat men de vereeniging en versterking

der Duitschers, als eene voor geheel Europa nuttige gebeurtenis

beschouwen mag, zoo mag men uit een ethnographisch gezichtspunt

ook op al de ontwikkelingsprocessen, die de meeste hoofdvolken van

Europa in den loop der laatste drie of vier eeuwen doorgemaakt hebben,

en op de resultaten, welke zij met behulp van het, hun meer en meer

beheerschende "nationaliteits-principe," en van het steeds krachtiger

geworden streven naar het verkrijgen van "natuurlijke grenzen,"

met eenige bevrediging terugzien.--

De _Spanjaarden_ hebben niet alleen de hun land binnengedrongene

Afrikanen van hunnen bodem verjaagd, maar ook al de kleine rijkjes,

waarin zij gesplitst waren, tot eene monarchie vereenigd. Zij hebben

eene algemeene schrijf- en omgang-taal bij zich ontwikkeld, in Madrid

een politiek en nationaal middelpunt, en de door zee en Pyreneën

gevormde natuurlijke grenzen gewonnen.--Wel is hun verlangen, ook de

Portugeezen, hunne broeders, naburen en medebewoners op het Pyreneesche

schiereiland, politiek en nationaal met zich te vereenigen, nog niet

tot vervulling gekomen. [75]

De _Italianen_ hebben, nadat bij hen eene gemeenschappelijke taal en

literatuur tot bloei en in zwang gekomen is, in den jongsten tijd

hun geheele schiereiland, met de er toe behoorende eilanden, van

staatkundig particularisme gezuiverd, en van de Alpen tot Sicilië,

een, het geheele volk vereenigend, Koningrijk tot stand gebracht.

De _Franschen_ hebben, deels door verovering, deels door gelukkige

erfenissen die hunne Koningen deden, alle deelen van het oude Gallië

om hun Parijs vereenigd, en zijn nu tusschen de Vogezen, Pyreneën en

Alpen, alsmede door de zee, als hunne natuurlijke grenzen, ingesloten.

De _Nederlanders_ hebben eene scheiding der beide hoofdelementen der

bevolking van hun land, de Germaansche Nederlanders en de Fransche

Walen en Belgen, wier grenzen volgens het nationaliteits-principe over

het geheel op bevredigende wijze aangegeven werden, tot stand gebracht.

De _Engelschen_ hebben bijna al hunne vroegere, zoo groote Europeesche

veroveringen en bezittingen op ons vasteland opgegeven, hebben zich

tot hunne beide groote eilanden bepaald, en hunne bevolkingen,

in taalkundige en politieke beteekenis, meer en meer vereenigd,

ofschoon Ierland hen altijd slechts met tegenzin volgt.

De _Denen_ zijn uit Noorwegen en Zweden geweken, en het groote

Skandinavische schiereiland is tot aan den rand in het politiek

bezit hunner oorspronkelijke bewoners, de Zweden en Noorwegers,

die beiden binnen hunne natuurlijke grenzen tot een dubbel-staat

vereenigd zijn. Ook tegen de Duitschers hebben zich de Denen binnen

het natuurlijk gebied van hun eilanden-archipel en het daarmede

samenhangende schiereiland Jutland teruggetrokken.

De _Duitschers_ hebben de Zweden uit Pommeren, de Polen uit Pruissen,

de Denen uit Schleeswijk-Holstein en onlangs de Franschen uit Elsasz

en Lotharingen verdreven, en hun oude Germania tusschen Alpen en

zee bijna geheel weder bijeengebracht en het taalkundig, krijgs-

en staatkundig in hooge mate vereenigd, ofschoon hun daarbij echter

nog veel te wenschen en te voltooien overblijft.

De _Russen_ hebben zich van de opperheerschappij der Tataren bevrijd en

tusschen de hun als natuurlijke grenzen gegevene zeeën, een krachtig,

in taal en nationaliteit vereenigd, rijk gesticht.

De _Magyaren_ hebben, met behulp der Oostenrijkers, de Turken uit hun

land verdreven, en zijn onder het Oostenrijksche Vorstenhuis, tot de

herstelling van een nationaal staats-organisme en tot literarische

en taalkundige zelfstandigheid gekomen.

De _Grieken_ zijn insgelijks, nadat zij zoo lang onderdrukt en

van het schouwtooneel der gebeurtenissen afgetreden waren, als een

nieuwgeboren en zelfstandig geworden volk, weder in den kring der

Europeesche volken opgenomen.

Zelfs den _Rumeenen_ is het gelukt, zich tusschen den beneden-Donau

en de Karpathen een huis te bouwen, en eene soort nationale

zelfstandigheid te erlangen.

In elk geval, zeg ik, zijn dit voor een ethnograaf toch eenige

zeer merkwaardige, en stof tot dankbaarheid gevende uitkomsten

van het, in de natuur als ingeweven, nationaliteits-principe, dat

de Europeesche volken sedert meer of minder langen tijd, gehuldigd

hebben. Echter hebben geschiedenis en politiek eenige zeer grootsche

ethnographische vraagstukken en knoopen, vooral de Poolsche quaestie

en mede de zoogenaamde Oostersche vraag, die hoofdzakelijk draait om

de grondvesting of het herstel der zelfstandigheid van de Slawische

volken van Europeesch Turkije, nog niet opgelost. En zeker zullen

in geheel Europa wel _nimmer_ toestanden in het leven geroepen

worden, die in staat zijn alle nationale belangen en wenschen

en _détail_ te bevredigen, en waarop een ethnograaf en vriend der

ongestoorde ontwikkeling van het nationaal-karakter, met onverdeelde

vreugde blikken kan. Nog minder kan helaas de vervaardiger der hier

medegedeelde proeve van schildering dier toestanden en ontwikkelingen

er op hopen, de eischen van zich zelven en van zijne lezers op

voldoende wijze bevredigd te hebben. Misschien zal men wel geneigd

zijn, hier de spreuk: _in magnis voluisse sat est_, (In groote zaken

is het voldoende, gewild te hebben), een weinig in zijn voordeel te

doen gelden. Mocht het hem slechts gelukt zijn, ten minste hier en

daar het rechte getroffen, en op aangename wijze tot verder nadenken

opgewekt te hebben.

Geschiedenis der Europeesche Volken · 第 31 / 62 题