DUITSCHLAND EN DE DUITSCHERS.

Spanje, Engeland, Frankrijk, Italië en ook Skandinavië zijn tusschen

zeeën en bergen gevatte en scherp van elkander onderscheidene, leden

van ons werelddeel, met zeer duidelijk afgeteekende physionomie. Het

zijn stevig gebouwde, natuurlijk begrensde volken-gebouwen. Duitschland

dat in het midden dier landen geplaatst is, doet zich als het hoofdstuk

van den romp van Europa voor, waaraan genoemde leden zich vasthechten.

Terwijl Italië, Spanje, Engeland hunne lichamen in eene en dezelfde

zee baden, is Duitschland als tusschen drie verschillende zee-bekkens

uitgespannen.

In het Noord-Westen heeft het eenige lucht naar den Oceaan, in het

Noord-Oosten omslingert het met een langen arm de Oost Zee, en in

het Zuiden stapt het met eenen teen in de Middellandsche Zee.

Terwijl de rivieren van andere landen, b.v. van Frankrijk een compact

geheel, een innig in elkander gevlochten systeem vormen, loopen

de stroomende wateren van Duitschland, om zoo te zeggen, naar alle

windstreken uit een. Behalve de Wezer is er bijna geen een andere,

zuiver Duitsche rivier te noemen. De Rijn grijpt met zijne zijtakken,

Maas en Moezel, en ook met zijne bronnen in Romaansche gebieden in. De

Elbe en Oder reiken met hunne bovenste gedeelten tot in Slawische

streken. De Weichsel is alleen bij hare monding Duitsch. En de Donau

stroomt met de helft van haren loop ver buiten de Duitsche grenzen

in Oostelijke richting, terwijl zij zich in het binnenbekken van den

ver verwijderden Pontus verliest.

Laten zich de natuurlijke grenzen van Duitschland, met betrekking

tot zeeën en water-afloop, moeielijk bepalen, zoo is het ook, wat de

gesteldheid van den bodem en de oppervlakte betreft, ver verwijderd

van den eenvoud, dien men bij andere landen waarneemt. Rusland vormt,

over het algemeen genomen, eene onmetelijke, samenhangende, zeer

gelijkvormige vlakte. Het Illyrisch-Grieksche schiereiland is in al

zijne deelen een doolhof van bergen en rotsen; het Italiaansche, eene

alleen door eene bergketen gespleten landtong; het Pyreneesche een,

overal door dalen en bergruggen doorsneden, vierkant hoogplateau;

Frankrijk een door bergen omgevene, golfvormige vlakte; Engeland bijna

geheel eene liefelijke heuvelenrij midden in de zee; Skandinavië in

hoofdzaak een kolossaal granietblok.

Voor Duitschland is geen zoo eenvoudig, alles omvattend, de natuur

van het land zoo duidelijk uitdrukkend beeld te vinden. In het

Noorden helt het langzamerhand af, tot het eindelijk eene breede,

effene vlakte vormt. In het Zuiden verheft het zich tot hooge

bergmassa's. In het midden is het verbrokkeld in verscheidene met

elkander verbondene hooggelegen streken, bergketels en berg-plateaux,

die, even als die Noordelijke vlakte en die Zuidelijke bergen, zich

niet tot Duitschland alleen bepalen, maar zich rechts en links in

de naburige landen voortzetten, door de Karpathen naar de Slawen,

door de Argonnen en Ardennen naar de Galliërs.

Ook met betrekking tot klimaat, lucht en temperatuur, laat zich in

Duitschland moeielijker eene eenheid bepalen, dan bij menig ander land

van Europa. Terwijl b.v. Rusland van den Pontus tot aan de Witte Zee,

een Noordsch klimaat, dat overal _hetzelfde karakter_ heeft, bezit;

terwijl Italië _van Sicilië tot aan den Zuidelijken voet der Alpen_

Zuidelijk, half tropisch is; terwijl Frankrijk zich schier overal

als een wijnland met eene gematigde temperatuur voordoet; terwijl

Groot-Brittanje zich van het eene eind tot het andere in de, uit den

Oceaan opstijgende dampen, doopt, neemt _Duitschland_ in meerdere of

mindere mate aan al deze toestanden deel.

In zijne Noordelijke Oostzee-provinciën, heeft het de lange winters

en de producten van Sarmatië. In zijne Noord-Westelijke laaglanden,

druppelt het even als in Engeland van nevel en regen. In het

Zuid-Westen is het even als Frankrijk, een zacht wijn- en ooftland,

en in vele zijner Alpendalen dringen zelfs Italiaansche luchten,

jaargetijden en vruchten binnen.

Met het oog op al deze geographische en de daaruit ontstane politieke

toestanden, hebben de Franschen Duitschland te recht "l'indécise

Allemagne" (het onbepaalde, vage, onduidelijk begrensde Duitschland)

genoemd, en het heeft lang genoeg geduurd voor de Duitschers dit

verwijt konden afwijzen. Zij zijn later dan schier alle andere

Europeesche volken, wien de natuur een vaster huis gebouwd had,

tot politieke en nationale eenheid gekomen.

Dat dit groote centrale hoofdstuk van den romp van Europa eens, nog

voor de Duitschers het bezetten, door andere rassen bewoond werd,

is vrij zeker; want daar de geheele bevolking van Europa uit het

_Oosten_ kwam, zoo lijdt het geen twijfel, dat de voorouders van alle

bewoners van het Westen: van Engeland, Spanje, Frankrijk enz.--ten

minste grootendeels--door de bosschen en bergen van Duitschland

getrokken zijn.

De steen-monumenten in het Noorden van Duitschland, worden door

verscheidene onderzoekers, aan een vroeger hier woonachtigen, geheel

vreemdsoortigen, vermoedelijk Finschen stam toegeschreven, en in het

Zuiden van Duitschland schijnen nog kort voor de tijden der Romeinen

Celtische volken gewoond te hebben. Ook hadden de Celten aan de linker

zijde van de Rijn-linie, toen eene nog grootere uitbreiding naar het

Oosten, dan nu.

De _Germaansche_ stammen, wier komst in Europa, die der, eene andere

geaardheid hebbende, oorspronkelijke bewoners, en ook vooral die

der Celten opvolgde, terwijl zij deze langzamerhand naar het Westen

drongen, kwamen even als _zij_, uit Midden-Azië, waar zij bij de

Zend-volken, de voorouders der Perzen en der zoogenaamde "Ariërs,"

hunne oudste stamvaders gehad hebben. Verscheidene geleerden en

reizigers hebben nog heden ten dage, verscheidene kenteekenen van het

Germanendom: blond haar, blauwe oogen, blanke tint, nu bij dezen, dan

bij genen hedendaagschen Aziatischen volksstam meenen te ontdekken,

zooals bij de Osseten, in de bergkloven van den hoogen Kaukasus en

aan de bronnen van den Tezek, bij de bergbewoners in de Krim en bij

andere volken.

Het schijnt, dat de Germanen van Perzië, van den Kaukasus en van den

Pontus, het eerst naar de vlakten van Oost-Europa, westwaarts gestroomd

zijn, en, de Karpathen en gebergten van Midden-Europa omtrekkende,

zich oorspronkelijk over het vlakke Noorden van Duitschland verbreid

hebben. Want hunne traditiën wijzen naar de oevers der Oost-Zee,

als het door hen aanvankelijk bezette deel van hun nieuw Europeesch

vaderland, als naar het _oudste_ Duitschland, van waar uit zij zich

het Zuidelijke en Westelijke deel, dat nog langen tijd na hunne eerste

komst in Europa, door anderen bezet bleef, veroverden. Even als de

overleveringen van het volk, zoo schijnt ook de hooge ouderdom der

Duitsche taal in de noordelijke lage streken, datzelfde te bewijzen. De

_Noord-Duitsche_ dialecten hebben in hunne woorden en de vorming hunner

klanken, meest de oudste vormen, die zich nauwer aansluiten aan die der

Perzen en andere oorspronkelijke Indo-Germanen, dan die der Zuid- en

West-Duitschers, die meer het kenmerk van nieuw ontstane talen dragen.

Toen de Romeinen Duitschland leerden kennen, en het licht der

geschiedenis het eerst op dat land viel, was intusschen ook de

Germaniseering van het geheele nieuwe of Zuidelijke en Westelijke

Duitschland, hare voltooiing nabij. Den Rijn hadden de Duitschers

in zijne middelste en benedenste gedeelten reeds bijna geheel in hun

bezit. Alleen ten Zuiden van den Donau, in Zwitserland, in de Alpen

en ook in den bergketel van Bohemen, woonden toen nog niet-Duitsche

(Celtische) stammen.

De Romeinen, die het geheele Celtenland met hun rijk vereenigden,

hielden den voortgang der Duitschers naar het Westen en Zuiden

tegen. Zij bezetten de heele linker zijde van den Rijn, van af de

bron tot aan de monding, en even zoo ook de geheele Zuidzijde van den

Donau; bouwden langs deze beide stroomlijnen vestingen en steden,

en maakten zoowel de daar nog wonende Celten, als de ook reeds tot

daar doorgedrongene Duitschers, die zij met elkander tot Romeinen

vermengden, aan zich onderdanig. Het groote Duitschland, dat zij _niet_

veroveren konden, was het middelste en noordelijke deel van het land,

en in de Neder-Duitsche vlakten leden de Romeinen de nederlagen, die

het hoofdlichaam van het Duitsche volk van eene romaniseering redden.

Gedurende twee of driehonderd jaren na de veldslagen in het

Teutoburgerwoud, bleven de grenzen van het Romeinsche rijk tegen

Duitschland, aan den Rijn en den Donau ongeveer dezelfde. Toen, na

de 3de en 4de eeuw Rome's macht verminderde, braken de Duitschers

in herhaalde aanvallen deze grensliniën en de tegen hen opgerichte

wallen door, en zetten hunne, door de Romeinen _slechts een tijd lang_

tegengehoudene veroveringen naar het Zuiden en het Westen voort.

De Franken drongen over den Rijn, de Allemannen en Bojoariërs

(Schwaben en Beieren) over den Donau en breidden de grenzen van

het oude Duitschland uit. Zij trokken de door de Romeinen gebouwde

Rijn- en Donausteden: Keulen, Trier, Mainz, Augsburg, Regensburg

en andere, binnen; verjoegen het meeste wat zich daar aan Romeinen

of geromaniseerden bevond, maakten een einde aan Romeinsche taal

en gewoonten, en vulden het geheele Rijn en boven-Donau-land, tot

diep in de Alpendalen toe, met van nu af aan niet meer uitgewischte

Duitsche volks-elementen.

Van de Romeinen bleef hier niets meer over, dan de nu nog bestaande

namen van verscheidene plaatsen, en misschien ook iets van de

stedelijke inrichtingen, die op de Duitsche burgers overgingen. Van

de Celten, die nu Duitsche taal en Duitsche zeden aangenomen hadden,

bleef veel in de gewoonten en het ras des volks bestaan. In vele,

nu Duitsch sprekende Alpenbewoners van Zwitserland en Tyrol, kunnen

wij nog heden ten dage de gegermaniseerde Celten herkennen.

De Duitschers werden, toen het machtige gebouw van het Romeinsche rijk,

als een uitgebrande krater in elkander zonk, door eene wonderbare zucht

tot werkzaamheid en verplaatsing aangegrepen. Zij stormden over het

geheele vasteland heen, en losten de Romeinen in de wereldheerschappij

af.--Of het bij de oplossing van het vergane, groote rijkslichaam,

aan de Westelijke Europeesche volken zou gelukt zijn, door eigene

kracht en door hervormingen en omwentelingen in eigen boezem, en met

behulp van het christendom, uit de algemeene zwakte en het algemeene

zedenbederf zich weder op te richten, en onder zich zelf te voorschijn

geroepene, duurzame en bloeiende rijken te stichten, blijft eene vraag,

die niet te beantwoorden is. De geschiedenis leert echter, dat hun

inderdaad eene dergelijke wedergeboorte, _slechts_ met behulp der

Duitschers werkelijk gelukt is.--Deze kernachtige, jeugdig frissche

barbaren hebben, schier in iedere provincie van het Romeinsche rijk,

een onafhankelijken staat gesticht, en daaruit een zelfstandig volk

gemaakt. Van _hunne_ stichtingen dagteekent de oorsprong van bijna

alle moderne natiën en rijken van ons werelddeel, die ten getuige

daarvan nog ten huidigen dage grootendeels Duitsche namen dragen,

zooals de Engelschen, de Franschen, de Russen, zoo ook de Lombarden,

de Andalusiërs en andere.

Buiten de Romeinen is er geen volk in Europa te noemen, dat zoo

veel gewerkt en uitgevoerd heeft als het Duitsche. Alle politieke

scheppingen en werken der Iberische, Celtische, Finsche en Slawische

rassen, zijn in vergelijking daarmede onbeduidend en gebrekkig

geweest. "Uit het _romanisme_ en het _germanisme_, verklaren zich

in hoofdzaak de Europeesche toestanden en verhoudingen." Wie den

geest en de geschiedenis der Romeinen en der Duitschers kent, die

heeft de beide uiteinden der as, waarom zich de geheele nieuwere

volkengeschiedenis van Europa gedraaid heeft, in zijne hand.

Wat in den zonderlingen tijd, dien men de volksverhuizing noemt,

Duitschland aan het buitenland gegeven heeft, welke Duitsche volken

daarhenen togen, welke nieuwe rijken en natiën zij daar hielpen

stichten, heeft men reeds getracht bij de betreffende landen en volken

op te geven en aan te toonen. Hier zullen wij ons dus bepalen tot

den voortgang der nationale ontwikkeling, binnen de grenzen van het

moederland zelf.

Voor dit moederland was het eerste gevolg dier beweging en verhuizing,

eene aanzienlijke verandering zijner grenzen, en een invloedrijk

binnentrekken van vreemde stammen en vermenging met deze. Een _nieuw_

Duitschland, zooals ik zeide, werd daarbij gewonnen. De gezamenlijke

Rijn- en Donaulanden, die te voren maar _half_ Duitsch, grootendeels

Celtisch en Romaansch geweest waren, de Nederlanden, Lotharingen, de

Elsaz, de Alpenlanden, Zwitserland, Vindeliciä, Rhaetie en Noricum,

werden daarbij bijna geheel Duitsch gemaakt. Gelijktijdig echter ging

daarbij een groot stuk van het oude Duitschland, de Noordelijke en

Oostelijke gedeelten, voor langeren of korteren tijd verloren.

Het eerst kwamen, door de volksbewegingen in Europa gelokt, de

Mongoolsche Hunnen uit het binnenland van Azië. Zij maakten onder

hunnen machtigen Attila bijna geheel Oost-Duitschland, maar slechts

voor korten tijd, van zich afhankelijk; zeer kort na de overwinning op

Attila in de Catalaunische velden, door de West-Gothen, Bourgondiërs,

Franken en Saksers onder Aetius behaald, maakte zich geheel Duitschland

weder vrij, en ofschoon de opvolgers en stamverwanten der Hunnen, de

Avaren, en vervolgens de Magyaren ook in latere eeuwen van uit dezelfde

Zuid-Russische en Hongaarsche steppen-landen, nog herhaaldelijk in

Duitschland verschenen, en gedeelten er van verwoest of bezet hebben,

zoo is toch de invloed van al die Mongoolsche en Finsche indringers,

op de Duitsche nationaliteit over het geheel slechts gering te

achten.--Menige Mongoolsche en Finsche uitdrukking echter is aan de

Duitsche taal blijven kleven, en ook is het bekend, dat de Duitschers

aan de aanvallen dezer ruitervolken, en de pogingen die zij deden

om ze te wederstaan, de meer algemeene verbreiding van den burchten-

en stedenbouw te danken hebben.

Van meer invloed voor de Duitschers was de verschijning van een ander

ras, en hunne, tengevolge der groote Germaansche volksverhuizing,

plaats vindende uitbreiding, de inval der Slawen, die een groot

gedeelte van het oude, door zijne vroegere bewoners verlatene Germanië,

niet tijdelijk, zooals de Hunnen, bemachtigden, maar duurzaam als

grondbevolking bezetten en met hunne stammen en geslachten vulden.

De Slawische Tschechen trokken de groote Boheemsche en Moravische

bergketels binnen, waaruit de Duitsche Markomannen en hunne opvolgers,

de Bojoariërs of Beieren vertrokken waren, en verbreidden zich van

hier uit naar het Frankenland en in het Mainland. In het Zuiden van

Boheme drongen, nadat de Longobarden Pannonië (Westelijk-Hongarije)

verlaten hadden, de Slawische Wenden of Slovenzen in de Alpen-streken

door, en bevolkten vele dalen van Karinthië, Krain, Stiermarken tot

aan Tyrol toe, zoomede het Donau-dal zelfs tot aan de grenzen van

Salzburg en Beieren. In het Noorden van Boheme echter grepen aan de

Weichsel, Oder en Elbe, en langs den geheelen Zuidelijken rand der

Oost-Zee, vele andere Slawische volken om zich heen, en bezetten

de oude woonplaatsen der Duitsche Gothen, Bourgondiërs, Vandalen en

Longobarden. De Slawische Wagriërs en Obotrieten rukten in het over

de Elbe gelegen land der Saksers in Holstein; en de Polaben en Sorben

drongen zelfs over de Elbe voorwaarts, tot in de Lünenburgerheide en

tot het hart van Thüringen.

Gedurende de drie eeuwen vóór Karel den Groote, was de geheele

Oostelijke helft van het land, dat wij nu Duitschland noemen, bijna

_zonder_ Duitschers, bijna geheel door Slawen bewoond. De Duitschers

moesten later, bij hun terugkeeren uit het Westen, zich hun oud

vaderland terug _veroveren_. Bij de hardnekkigheid en de talrijkheid

in bevolking der Slawen, is dit een zeer langdurig proces geweest,

waaruit een nieuw of vernieuwd groot Oost-Duitschland, met gedeeltelijk

Slawische fundamenten ontstaan is. Alle Duitsche stammen hebben

deelgenomen aan dezen nationalen strijd, die als eene gedeeltelijke

wedergeboorte van Duitschland, of als eene herstelling zijner oude

grenzen beschouwd worden kan. Sedert den tijd van Karel den Groote,

hebben zij langs de geheele lange lijn, van de Adriatische Zee tot

aan de Oost-Zee, tegen de Slawen gestreden, en hebben zich daarbij

zoowel in vredes- als in oorlogswerken hunne meesters betoond. Naast

de ineenstorting van het Romeinsche rijk, en de vernieuwde herleving

zijner deelen, is deze vervorming, beschaving en verduitsching van

het Slawendom, als eene der grootste nationale zaken der Duitschers

te beschouwen.

Behalve de Oostelijke Slawische gebieden, ging bij de volksverhuizing

en de daaruit volgende uitbreiding van Duitschland naar het Westen,

nog een ander land voor de Duitschers verloren, namelijk het Cimbrische

schiereiland of Jutland, waaruit de Duitsche Anglen en Saksers naar

Engeland trokken, en dat daarna door de Skandinavische Denen tot aan

den Eider bezet werd. Ook om de herwinning van dit gebied hebben

de Duitschers lang gestreden, somwijlen ook reeds in oude tijden

overwinningen behaald, tot het hun eindelijk in den jongsten tijd

gelukt is, ook hier hunne oude grenzen te herwinnen, en het verlorene

ten minste grootendeels terug te krijgen.

Er worden ons in oude tijden vele Duitsche volkstammen genoemd, wier

namen nu verdwenen zijn. De Romeinen spreken over de "Brukteren,"

de "Angrivariërs," de "Cheruskers," de "Chauken," de "Markomannen"

en anderen. Gedurende de volksverhuizing zien wij de "West"- en

"Oost-Gothen," de "Longobarden," de "Bourgondiërs," de "Vandalen,"

de "Gepiden," de "Herulers" en nog vele andere uit de wouden van

Duitschland te voorschijn treden. Van verscheidene dezer namen

weten wij niet, welke takken van den tegenwoordigen Duitschen

eik tot hen behooren. Gedeeltelijk kunnen wij niet eens uitmaken,

of door die namen werkelijk verschillende bloed- en taalverwante

_volks_-afdeelingen, dan wel slechts onder een veldheer vereenigde

wapengenooten aangeduid worden, die uit de verschillende brokstukken

van geheel verschillende oorspronkelijke stammen bestonden en zich

daarom onder dezelfde benaming aaneensloten, omdat zij tot eene

zelfde onderneming uittrokken, zooals nog heden de volks-benamingen

"Hannoveranen," "Baden," "Wurtembergers," "Pruissen," geene Duitsche

stamverscheidenheid, maar slechts verschil in regeeringen of Koningen

aanduiden. Verscheidene dier namen mogen echter werkelijk bijzondere

volkstammen met eigenaardig dialect, gewoonten en bloed aangeduid

hebben, en in hen mogen dan ook in der daad eenige gedeelten van het

groote kapitaal van taal, karakter en ras der Duitschers afkomstig

zijn. De meesten van hen echter zijn naar het wezen, nog wel nu in

het Duitsche nationaal-lichaam voorhanden, alleen zijn hunne namen

zoo veranderd, en hebben zij zelven door vermenging met anderen

zooveel verandering ondergaan, dat wij ze niet duidelijk meer kunnen

onderscheiden.

Ten tijde van Karel den Groote, die alle Duitschers onder één bestuur

bracht, zien wij de voornaamste Duitsche stammen reeds onder de

benamingen welke zij heden dragen, in hunne woonplaatsen zoo verdeeld,

als zij ze nu nog in bezit hebben.

Vervolgens echter hebben zich, sedert den tijd van Karel den

Groote, in den loop dier eeuwen-durende herwinning van het, door de

Slawen en andere vreemde indringers bezette, Oostelijk-Germanië,

uit deze oorspronkelijke stammen weder vele andere spruiten der

natie ontwikkeld, die met nieuwe namen en nieuw gevormde taal- en

karakter-eigenaardigheden, in de plaats dier in de volksverhuizing

verdwenenen getreden zijn. Van een "Duitsch-Oostenrijker," een

"Tyroler," een "Sileziër," een "Boven-Sakser" of "Meiszner," een

"Brandenburger," een "Mecklenburger" of een "Lijflander," wisten

noch de Romeinen, noch ook Karel de Groote iets af. Het zijn nieuw

ontstane variëteiten van het Duitsche ras.

Wij zullen trachten, deze hoofd-variëteiten van het Duitsche

nationaal-wezen, of de verschillende Duitsche volksstammen, vluchtig

de revue te laten passeeren, en ze met weinig woorden te schilderen;

zoo mede voor zoo veel ons bestek dat toelaat, op eenige hunner

hoofdverdiensten voor het geheele volk en land te wijzen.

Om verscheidene redenen, die ik hier niet in het breede ontwikkelen

kan, schijnt het mij het beste toe ze allen onder drie groepen, eene

Zuidelijke, eene midden en eene Noordelijke groep, te rangschikken,

en ze daarbij in die volgorde op te voeren, dat ik met het Zuiden en

Westen begin, en zoo van den Rijn uit, naar het Oosten en Noorden ga.

Met den naam "_Allemannen_" en "_Beieren_," bestempelt men de beide

hoofd-onderafdeelingen der Zuidelijke groep van Duitschers.--Genen

bewonen het Westen, dezen het Oosten van het Zuiden.

De Noord-Zuidelijk gerichte Vogesen en de Jura, vormen met de

Oost-Westelijk gerichte Alpen een hoek. In dezen hoek werden de

Allemannische stammen saamgedrongen, en zij hebben zich daar in de

rondte uitgebreid over het geheele bovenste derde gedeelte van het

Rijngebied, in de vlakten en dalen van Zwitserland tot in de Jura

en de Vogesen, zoomede naar de bronnen van den Donau. In het Oosten,

tegen de Beieren, werd de Lech en zijn breed dal, hunne natuurlijke

grens, en in het Noorden tegen de Midden-Duitschers, eene lijn, die

door het Noordelijk uiteinde van het Schwarzwald en de Vogesen loopt.

Met de Allemannen van den beginne af verwant en tot gemeenschappelijke

ondernemingen verbonden, onder dezelfde legeraanvoerders en Hertogen

vereenigd, waren de "Sueven" of "Schwaben" een even beroemde Duitsche

volksstam. Beide namen, Allemannen en Schwaben, versmolten daardoor in

elkander, even als in zekere mate de volken zelven, zoodat Allemannen

en Schwaben af en toe hetzelfde beteekent. Daar echter nog altijd

tusschen de beide verwante stammen, zoowel met betrekking tot hunne

gewoonten, als tot hun eigenlijk woongebied, een niet gering verschil

bleef bestaan, zoo scheidden zich ook weder de namen, zoodat ieder

van hen eene bijzondere onderafdeeling der geheele groep aanduidt,

de _Allemannische_ in engeren zin, het meer Westelijk gedeelte aan

den Rijn, en de Schwabische, de meer Oostelijke aan den Boven-Donau.

Van de Allemannen, de voorvechters der Duitschers tegen Gallië, hebben

de Franschen den naam "Allemands" voor het geheele volk ontleend. Zelfs

nadat zij door verovering bij het groote Frankenrijk, en later in

het bijzonder bij de Oostelijke helft er van, die men langzamerhand

Duitschland noemde, ingelijfd werden, waren de Allemannen en Schwaben

tot een afzonderlijk groot Allemannisch-Schwabisch Hertogdom vereenigd,

en speelden zij, als de ontwikkeldste en rijkste volksstam der Duitsche

natie, een tijd lang een zeer groote rol in het Duitsche rijk, wiens

"banierdragers" zij sedert zeer vroegen tijd genoemd werden.

Zij hebben den Duitschers het zoo gevierde Keizershuis der Hohenstaufen

gegeven. Uit hunnen schoot kwamen ook de Habsburgers, en ten slotte ook

de Hohenzollern voort. Door hen werden eenige der beroemdste Duitsche

steden, de muzenzetel Augsburg, de handelsteden Ulm, Straatsburg,

Bazel en andere, zooal niet gesticht, dan toch bevolkt en tot bloei

en gewicht gebracht.

De Duitsche minnezangers noemde men de Schwabische of Allemannische

dichters, omdat de meesten van hen uit dat Zuid-Westen, tusschen

de Vogesen en de Alpen, geboortig waren. Zij maakten hun dialect,

voor een niet korten tijd, tot het heerschende in Duitschland. Zelfs

de knapsten onder de Neder-Duitschers, leerden in de 13de eeuw het

Schwabische dialect en dichtten daarin, evenals in dien zelfden tijd

vele Noord-Franschen in het Provençaalsche dialect.

Ook in nieuweren tijd heeft de poëtische ader van dezen volksstam

zich weder op uitstekende wijze doen kennen. Want zij gaven aan

de Duitschers hunnen Schiller, Wieland, Schwab, Uhland en nog eene

geheele reeks uitstekende moderne dichters. Bij hen rijpten ook de

uitstekendste koppen en de grootste denkers van Duitschland, zooals

een Keppler, een Hegel en Schelling. Onder hunne talrijke kunstenaars

zijn Hans Holbein, Martin Schongauer en Adam Krafft wereldberoemd

geworden. De heerlijke dommen van Ulm, Freibürg en Straatsburg,

zijn de in geheel Duitschland populairste werken der Schwabische

kunst, en bijna even beroemd in het geheele rijk zijn de schoone

Schwabische vrouwen, Agnes Bernauer en Philippine Welser. De schoonste

Schwabenstreek volbrachten de Schwabische vrouwen van Weinsberg.

Kort na den tijd der Hohenstaufen, nam de politieke grootheid der

Schwaben, als het voornaamste volk der Duitschers, zoo mede ook de

eenheid van het groote, geheel Zuid-Westelijk Duitschland omvattende

Schwabische Hertogdom, een einde.

Even als geheel Duitschland, zoo begonnen ook vooral Allemannië en

Schwaben, zich in eene menigte kleine staten te versnipperen. Maar ook

in deze versnippering bewezen zij nog groote diensten aan Duitschland,

door de stichting van het, van hen uitgaande, invloedrijke, zoogenaamde

"Schwabische steden-verbond," waartoe ook vele niet-Schwabische steden

toetraden, en dat den Keizer Maximiliaan hielp, den landsvrede in

het geheele rijk tot stand te brengen, en een einde te maken aan den

roofridder-tijd en aan het vuistrecht.

Tot een krachtig politiek geheel, dat den geheelen stam omvatte,

kwamen de Allemannen en Schwaben echter niet weder. Hunne Zwitsersche

stamgenooten scheidden zich in de 13de en 14de eeuw geheel van hen af,

en werden een afzonderlijk volk, dat dikwijls vijandig tegen zijne

broeders in Duitschland over stond. Uit de Schwaben aan den Donau en

den boven-Neckar ontstond langzamerhand de Wurtembergsche staat, en de

Allemannen tusschen het Schwarzwald en den Rijn, werden langzamerhand

in het bloeiende Hertogdom Baden samengevat. De Westelijke Allemannen

in den Elsasz daarentegen, werden in lateren tijd bijna geheel van

hun volk vervreemd. Zij vervielen aan Frankrijk, dat aan hen vele

hunner voornaamste mannen, bij voorbeeld hunne veldheeren Kleber,

Rapp en Westermann te danken had. Aan de Duitschers hebben zij

in denzelfden tijd de dichters Pfeffel, Nicolaï gegeven, alsmede

verscheidene dichters, wier vaderlandslievende liederen bewijzen,

dat daar nog altijd vele harten warm sloegen voor het oude Duitsche

moederland. In de jongste, voor Duitschland zoo roemrijke tijden,

is de verlorene dochter weder tot hare moeder, die zoo lang om haar

getreurd heeft, teruggebracht, en de geheele Allemanno-Schwabische

stam staat nu weder in de schaduw van het Duitsche rijk.

Het "lustige Schwaben," zooals velen het noemen,--anderen zeggen,

misschien met meer recht, het "tobberige Schwaben"--eindigt,

zooals gezegd is, in het Oosten bij den Lech, waar ook het wijnland

ophoudt. En hier beginnen de woonplaatsen van het tweede Zuid-Duitsche

hoofdvolk, de van de Allemannen en Schwaben zeer verschillende

Beieren. Zij leiden hunnen naam en oorsprong af van de "Bojen"

(vandaar Bojariër, Baïern, Beieren), een ouden, òf Celtischen òf

Germaanschen stam, die zich met verscheidene andere stammen verbond,

en na de verdrijving der Romeinen zich aan het benedenste gedeelte van

den boven-Donau, aan den Isar en op het plateau tusschen de Alpen en

het Bohemer-woud, woonplaatsen wist te verwerven, en daar langzamerhand

tot eene gelijkvormige massa saamsmeltende, het Beiersche Hertogdom

stichtte, wiens eerste hoofdstad, het reeds door de Romeinen gebouwde

Regensburg werd.

Hunne stelling in het opper-Duitsche Donau-bekken bracht als van zelve

mede, dat het de taak der Beieren was, Duitschlands voorposten en

beschermers tegen de beneden Donau-volken te zijn. Zij hoofdzakelijk

hebben den strijd tegen de Avaren en Magyaren gestreden, en de op dezen

en op de Slawen gewonnene landstreken met hunne kolonisten bevolkt. Al

deze, nu Oostenrijksche, landen zijn als kweekerijen en koloniën van

den Beierschen stam te beschouwen, waarom men ook wel het Duitsche

dialect in al deze streken, onder den naam van _Beiersch-Oostenrijksch_

dialect samenvat. De eigenlijke moederstam van het oud-Beiersche volk,

heeft zich echter met eene merkwaardige volharding en vastheid, binnen

zijne oorspronkelijke grenzen tusschen de Alpen en het Bohemer-woud,

tusschen Lech en Inn gehandhaafd, en vormt nog heden ten dage de

kern van den, na Oostenrijk en Pruissen, machtigsten Duitschen staat

en stam. Terwijl het meerendeel der overige Duitsche stamnamen, die

der Allemannen, der Franken, der Neder-Duitschers, geene politieke

beteekenis meer hebben, is die der Beieren tot nu toe nog steeds

die van souverein Duitsch volk, en is hij, als naam van een staat

in Duitschland, veel ouder dan die van het nieuwere Baden, Nassau,

Hannover, Pruissen enz.

"De den oud-Beieren kenmerkende eigenschappen, de trots op hunnen

stam en eene groote mate van provincialisme, hebben bewerkt dat zij

met den vrijen, geestelijken omgang der Duitsche natie, geruimen tijd

niet zeer gewillig instemden." Reeds in de middeneeuwen, hebben zij

onder zich, minder minne- en meesterzangers gehad dan hunne naburen,

de gevoeliger Schwaben, Allemannen en Franken. Ook zijn zij, terwijl

bij dezen het protestantisme ingang vond, midden in het katholicisme en

pausdom blijven steken. Zij waren altijd, zooals Sebastiaan Frank zegt:

"een goed Roomsch, godsdienstig volk, dat gaarne bedevaarten doet,--ook

nu is het geen zeer hoffelijk volk, maar ruw in zeden en taal."

Met groote voorliefde zijn zij aan hun provinciaal dialect gehecht

gebleven, en daar zij het moderne schrijf-hoogduitsch, dat zij

"Lutheraansch Duitsch," noemden, langen tijd niet wilden aannemen,

hebben zij ook eerst later dan anderen aan de ontwikkeling der

literatuur deelgenomen. Nog in het begin dezer eeuw gold Beieren

voor eene der donkerste partijen, op de kaart van Duitsche beschaving

en ontwikkeling.

Sedert den tijd van Maximiliaan Jozef, toen in Beieren veel hervormd,

en in de kloosters en kerken veel opgeruimd werd, en later vooral ook

sedert de regeering van Koning Lodewijk, is dit echter veel veranderd,

en de door dezen werkzamen en onvermoeiden regent uit den slaap

geschudde Beieren, zijn nu met de vele zich bij hen verzamelende

kunstenaars en geleerden, met hunne akademiën en universiteiten,

met hunne Münchener praalgebouwen en verzamelingen, brug- weg- en

kanaalwerken, met de van hen uitgegane lithographie en stenographie,

met hunne bekwaamheid in het vervaardigen van optische instrumenten,

zeer roemvol onder de Duitschers opgetreden.

Daarbij echter is, helaas! het streven, meer den Beierschen naam

dan den Duitschen te verheerlijken, te levendig op den voorgrond

getreden. Ook Koning Lodewijk I was het, in weerwil van zijn beroemd

Duitsch patriotisme, vooral daarom te doen, een sterk Beiersch wezen

te voorschijn te roepen, en bij al de, in zijn Koningrijk vereenigde

Schwabische, Frankische en andere stamdeelen, een Beiersch nationaal

gevoel op te wekken.

In den nieuwsten tijd is echter dit Groot-Beiersche nationaal gevoel,

nog meer tot een algemeen Duitsch verruimd. "De Beieren, vroeger

dikwijls een steen des aanstoots voor het streven naar eene Duitsche

eenheid, zijn onder hunne laatste Koningen een Duitsche hoeksteen

geworden. Zij hebben, in de roemrijke oorlogen der Duitschers in de

laatste jaren, dapper medegestreden, hebben het eerst den Duitschen

Keizer geproclameerd, en zijn ook zelfs in godsdienst en geloofszaken

de denkbeelden der Duitschers een weinig genaderd.

Van uit het vlakke land aan den Donau, hebben zich stam en taal

der Beieren tot diep in de Alpenlanden uitgebreid, het eerst in de

Oostelijke deelen van het oude Rhaetië, waar hunne naburen Tyrolers

geworden zijn.

Geheel en _uitsluitend_ kan men deze "Tyrolers" wel niet als

een dochter-volk der Beieren beschouwen. Want ongetwijfeld bleven

gedurende den dikwijls herhaalden doormarsch van Duitsche natiën, in

hunne dalen afstammelingen van zeer verschillende stammen achter. Bij

dit mengelmoes zullen waarschijnlijk ook nog de oude Rhaetiërs,

oorspronkelijk Celtische bewoners, gekomen zijn. Maar de Beieren

hebben toch, in de eerste tijden na de volksverhuizing, het land het

langst beheerscht en er den meesten invloed op uitgeoefend, en hebben

hunne aanspraken daarop ook in lateren tijd niet willen opgeven. Daar

intusschen na de verbrokkeling van het groote "Bavaria,"--alle

bewoners van dat gedeelte der Rhaetische Alpen, langzamerhand

onder de heerschappij van afzonderlijke Graven kwamen, die in het

slot Teriolis of Tyrol bij Meran resideerden, zoo vormde zich met

behulp der evengenoemde bijmengingen, onder den naam "Tyrolers," een

afzonderlijk volk, dat zich aanmerkelijk onderscheidde van de logge

Beieren, en ten laatste zoo weinig met dezen sympathiseerde, dat het

integendeel voor zijne zelfstandigheid, voor zijne Graven en later voor

zijne Oostenrijksche Vorsten, de bloedigste oorlogen tegen hen voerde.

Geen der Duitsche stammen is langs de oude wegen en bergpassen

van den Brenner [69] zoover in het Italiaansche land en klimaat

vooruitgedrongen als de Tyrolers. Zij zijn tot diep in het schoone

Etsch-dal afgedaald en hebben Duitsch sprekende districten en

volkjes--_Sette en Tredeci communi_, zelfs nog tot in nabijheid van

Vicenza en Verona vooruitgedreven. In den nieuweren tijd echter zijn

Duitschdom en Duitsche taal door de bewegelijke en daar woonachtige

Italianen overstelpt en teruggedrongen.

Eenige overeenkomst met de uitbreiding der Duitschers in Tyrol,

heeft de geschiedenis der bevolking der meer Oostelijke landschappen

Stiermarken, Karinthië en Krain. Ook hier was in oude tijden, in

het zoogenaamde Noricum, een Celtischen grondslag. Ook hier trokken

verscheidene Duitsche volken door, en lieten velen der hunnen in

het land achter. Gedurende de volksverhuizing werden deze landen

grootendeels met Slawen opgevuld, bij wier latere germaniseering de

Beiersche Hertogen en de Bisschoppen van Salzburg weer werkzaam waren.

Een overblijfsel der Slawen deelt nog heden ten dage met de Duitschers

het bezit dezer heerlijke Alpenlanden. Maar ook hier, even als elders,

gaven de Duitschers den toon aan, en hebben zij de voornaamste zetels

der beschaving dier landen, de fraaie door hen gebouwde steden Gräz,

Laibach, Klagenfurt enz. in hun bezit.

Beiersche bisschoppen, vooral die van Passau, hebben eindelijk ook,

terwijl zij ijverig Donau-afwaarts koloniseerden, het eigenlijke

Oostenrijk, dat vóór hen bijna geheel door Slawen en Avaren bewoond

was, Duitsch gemaakt.

Verscheidene overblijfselen van deze niet-Duitschers zullen

aanvankelijk wel onder de, het land binnentrekkende, Beiersche planters

achtergebleven zijn. En daar later, behalve de Beieren, ook nog vele

bewoners uit Schwaben en Franken, langs den Donau naar dat land kwamen,

zoo zijn hunne met elkander vermengde nakomelingen, langzamerhand

van hunne Beiersche stamvaders meer of minder vervreemd geraakt, en

heeft zich daaruit een eigenaardig Oostenrijksch volkswezen gevormd,

dat voor het oud-Béiersche ten lange laatste zooveel antipathie

koesterde, dat Keizer Maximiliaan eens gezegd heeft, dat wanneer men

èn Beiersch èn Oostenrijksch bloed in een ketel wilde laten koken,

het een het andere zou doen overkoken.

Zorgeloosheid en natuurlijke vroolijkheid zijn veel geprezene

eigenschappen der Oostenrijksche Duitschers, die op verre na

niet zoo hard en niet zoo ruw schijnen, als hunne stamvaders, de

oud-Beieren. "Gastvrijheid, zooals die in oud-patriarchalen tijd

uitgeoefend werd, treft men daar bij de burgers en boeren, in de

rijke Donau-sloten en in de kloosters aan. Het is een land waar

men genoegen schept in muziek en dans." Van daar uit hebben zich de

Duitsche nationale dansen, de tirolienne en de wals, door de wereld

verspreid, en de Oostenrijksche Donau- en Alpen-landschappen zijn de

eenige streken in Duitschland, waar de danskunst met eene bevalligheid,

als bij de Spanjaarden en andere vluggere volken, beoefend wordt.

In de 13de eeuw was het hof der Oostenrijksche Hertogen de

verzamelplaats van vele dichters. Walter von der Vogelweide, Heinrich

von Osterdingen, de Tannhäuser en andere werden daar zeer gevierd. Ook

werd in Oostenrijk het "Nibelungen-lied" zoo bij elkander gevoegd,

als wij het nu bezitten. Mozart, de Vorst der toonkunst, en de bijna

met hem op gelijke lijn staande componist der "Jahreszeiten" werden

aan den voet der Oostenrijksche Alpen geboren, en Strausz, Lanner en

dergelijke nieuwere Duitsche componisten gingen van daar uit.

Maar bij alle "zang en muziek, bij al hunne trouwhartige vroolijkheid,"

bij hunne, zooals men zegt, "geborneerde" naïviteit, moet toch een

fond van degelijke, Duitsche kernachtigheid in die Oostenrijkers

steken. Want juist dit "land van het Duitsche epicurisme," met zijne

prachtige en luxurieuse hoofdstad Weenen, is de kern eener groote

Duitsche monarchie geworden, die vele Slawische, Romaansche en Finsche

volken, tot een politiek geheel vereenigd en tot nu toe ook gehouden

heeft. Duitsche taal, Duitsche wetten, Duitsche beschaving, hebben door

de Oostenrijkers invloed verkregen tot aan den voet van den Balkan en

tot aan de Zwarte Zee toe.--Oostwaarts van de Alpen, in de uitgestrekte

Donau-vlakten en om de Karpathen heen, bloeien nog Duitsche zeden en

Duitsche vlijt, in vele honderden, door hen gestichte en opgesierde

steden en bekoorlijke dorpen, midden onder de Daciërs en Pannoniërs.

Dat echter behalve de Oostenrijkers en Beieren, wier dialect zij

meerendeels aangenomen hebben, ook andere Duitsche stammen, vooral

de Westelijke naburen der Beieren, de aan de bronnen van den Donau

woonachtige Schwaben, aan de ontwikkeling van Hongarije en Zevenburgen

medegewerkt hebben, bewijst alleen reeds de omstandigheid, dat daar

overal de naam "Schwaab" de algemeene benaming voor een Duitscher is.

Ook zelfs de Neder-Duitschers hebben aan dit werk deel genomen. Want

de beroemde Zevenburgsche Saksers, een kleine tak van den grooten

Duitschen eik, die in het Oosten tot een sierlijk boompje opgroeide,

stammen oorspronkelijk van den Neder-Rijn af.

Deze Saksische Duitschers in Zevenburgen hangen nog heden, ofschoon

door een grooten afstand en sedert 600 jaren van den moederstam

gescheiden, nauw met hem te samen, en voeden zich op de Duitsche

universiteiten, die zij voortdurend bezoeken, met de melk der Duitsche

wetenschap, en hebben ook, als ijverige Lutheranen, de Duitsche

kerkelijke hervormingen en onlusten medegemaakt.

Niet alleen uit de talrijke, _geheel_ Duitsche provinciën van

Oostenrijk, maar ook zelfs uit het midden dezer in Hongarije en

Zevenburgen verstrooide Duitschers, zijn van oudsher, ter vermeerdering

van den roem der geheele Duitsche natie, vele uitstekende staatslieden,

edele Vorsten en militairen, talrijke dichters, geleerden en

kunstenaars voortgekomen.

Uit den nieuweren tijd, noem ik onder de Duitsch-Hongaarsche

Muzen-zonen als voorbeeld, den armen Lenau, den dichtenden Hongaarschen

aartsbisschop Pyrker, den lyrischen dichter Beek en den grooten

musicus Franz Liszt, die allen op de grenzen der "Püsten" geboren

zijn, maar hunne groote talenten, uit het met hen verwante Duitschdom

geput hebben.

Waar intusschen blijft het, en dat is wel karakteristiek voor het

geheele Beiersch-Oostenrijksche Zuid-Oosten, dat van daar geene,

zulke groote hervormingen veroorzakende, naam makende denkers, zulke

alom licht om zich heen verspreidende Koningen op het gebied der

ontwikkeling, voortgekomen zijn, als een Keppler, een Leibnitz, een

Kant, een Fichte, een Goethe, een Humboldt waren. Grondige critiek

is geen in het oog springende karaktertrek van dit gedeelte van

Duitschland. Zij behoort meer in het Noorden van Duitschland te huis,

even als muziek, dans en poëzie meer te huis behooren in het Zuiden.

De stambetrekkingen van het Zuidelijk derde gedeelte van Duitschland

zijn, zooals reeds gezegd is, onder de beide groote rubrieken

"Allemanno-Schwaben" en "Bavaro-Oostenrijkers," gemakkelijk te

overzien. De groote vlakten en tafellanden en de groote Donau hebben

daar ook, wat staatkundige indeeling betreft, alles meer in groote

gedeelten en onderdeelen doen samen vatten.

In Midden-Duitschland daarentegen is alles veel bonter geschakeerd en

veel meer ingewikkeld. Dit derde gedeelte van het Duitsche vaderland,

vormt van af Lotharingen tot aan Silezië, een groot schaakbord

van eene menigte--tot een, met verscheidene mazen voorzien net

samengeweefd--bergketenen, heuvellandschappen en daar tusschen gevoegde

vlakten en dalen. Het is, zoowel in geographische als in geologische

beteekenis, het bontste stuk van Duitschland. Ook de cultuur-planten,

koren, wijn enz. wisselen hier menigvuldig op de kleinste oppervlakte

af. Daar praedomineert geen groote, alles vereenigende stroom, geen

uitgestrekt dal-bekken. Talrijke rivieren hebben daar hare bronnen,

en zelfs de groote Rijn is daar in het midden van zijn loop, zich op

engere baan en meer verbrokkeld tusschen rotsen door slingerende, dan

in zijn verder Zuidelijk bekken en in zijne Noordelijke Nederlanden.

In overeenstemming hiermede zijn de Duitsche stammen en dialecten--hier

in het midden nog meer dan ergens anders--uit elkander gegaan, en voor

"de vorming van kleine staten en voor particularismus is het hier

het ware land." Hier zijn de bergtoppen te vinden, van wier kruinen

men tegelijkertijd zes of meer Duitsche staten binnen ziet. Hier

is ook het land der kleine of middelmatige Duitsche steden, die er

talrijker zijn dan in eenig ander gedeelte van Duitschland. De groote

Duitsche steden Berlijn, Hamburg, Weenen, Praag, München enz. vallen

in de uitgestrekte vlakten, de groote, hooge plateaux en de breede

hoofddalen aan de eene of de andere zijde van dat centraal-gebied.

Trots deze verbrokkeling, laat Midden-Duitschland zich als een geheel

samenvatten, en kan men, als iets wat al zijne bewoners met elkander

gemeen hebben, aannemen, dat zij allen met elkander tot de groote

Hoog-Duitsche familie behooren, maar toch wederom van de Zuidelijke

Opper-Duitschers, de Schwaben en Beieren, merkbaar verschillen,

en in taal en bloed een overgang en gemengd gebied vormen, tusschen

deze en de Neder-Duitschers.

Even als de Duitschers van het Zuiden, zoo hebben ook de stammen van

het midden, van den Rijn als hunne basis, naar het Oosten gewerkt. Deze

Rijn is de eenige der groote rivieren, die in het leven van alle

drie hoofdafdeelingen van het Duitsche volk, dus ook in het hart van

allen ingegroeid is. De Donau gaat bijna alleen de Zuid-Duitschers

aan. De Wezer, Elbe en Oder zijn in hunne voornaamste gedeelten

Noord-Duitsch. Van den Rijn daarentegen hebben de Zuid-Duitschers

het bovenste gedeelte, de Neder-Duitschers het onderste gedeelte en

de Midden-Duitschers de rest in bezit. Aan zijne oevers hoort men

_alle_ Duitsche hoofd-dialecten. En _daaruit_ laat zich _gedeeltelijk_

de liefde van _alle_ Duitschers verklaren voor hunnen "Vader Rijn,"

wiens gebied de geographische basis hunner geheele ontwikkeling is, en

wiens verheerlijking door de ontwikkeling van het volksleven van alle

stammen heentrekt.--De Midden-Duitschers bezitten wel het schoonste

stuk der rivier, alle bekoorlijke landschappen aan zijne oevers,

van af Carlsruhe tot aan Bonn, en aan zijne door natuur, kunst en

geschiedenis zoo rijk gesierde voorname zijrivieren Main, Moezel enz.

De Romeinen vonden in deze streken verscheidene Duitsche stammen,

die zij ten deele afhankelijk van zich maakten, terwijl zij aan

den Rijn de vestingen Mainz, Coblenz en andere bouwden, en ook den

Italiaanschen wijnstok daarheen verplantten.

Vroegtijdig, reeds tijdens het begin van het verval van het

Romeinsche rijk, ontstond aan den beneden-Rijn, onder den

naam van "Franken" ("Vrijen"), een machtig bondgenootschap van

Neder-Duitsche volksstammen. Na de 4de eeuw splitsten deze zich in

twee groote afdeelingen, de zoogenaamde "Salische" en de "Ripuarische

Franken." Gene veroverden, van den Neder-Rijn en de Schelde uit, het

Noordelijk Gallië, waarop zij hunnen naam (Frankrijk) overbrachten,

terwijl deze naam in Noordelijk Duitschland geheel verloren ging. De

Ripuarische Franken zetten hunne veroveringen, aan de oevers van den

Rijn, opwaarts voort, vereenigden de volken aan den midden-Rijn, en

werden vervolgens met de groote, door hunne Salische broeders gestichte

Frankische monarchie vereenigd. Bij de oplossing van het Karolingische

wereldrijk, traden zij in het Oost-Frankische of Duitsche Koningrijk

als "het Frankische Hertogdom," dat tamelijk wel het voornaamste stuk

van het geheele Midden-Duitschland, van den Rijn tot de bronnen van

den Main en tot aan het Thuringerwoud, bevatte.

Hieruit trad Koning Conrad I, en later na de Otto's, het geslacht

der zoogenaamde "Frankische Keizers," op. De Rhijnsche Franken waren

ten tijde dezer Keizers (in de 11de eeuw) weder het eerste volk in

Duitschland.--Uit hen werden de Duitsche Koningen gekozen, die ook

meestal in hun land, aan den Midden-Rijn, resideerden.

Toen zich het Hertogdom Franken aan den Rijn, in eene menigte kleinere

gebieden oploste, trok zich de eens in Duitschland zoo groote naam

der Franken enger te samen. Sedert de 14de eeuw ging hij zelfs aan

den Rijn geheel verloren. Alleen het Main-land heeft dien ten slotte

bewaard. Hiertoe beperkte zich ook in het wezenlijke der zaak, de door

Keizer Maximiliaan georganiseerde "Frankische Kreits." Frankisch bloed,

Frankische stamverwantschap en taal, zijn daarbij ook de fundamenten

van het wezen der bevolking aan den Midden-Rijn, Zuidwaarts tot aan

de Neckar, Noordwaarts tot aan de Sieg en Westwaarts aan de Moezel

opwaarts tot aan de Saar, en tot in de nabijheid van Metz, gebleven.

De Franken van den Main en van het daartoe behoorende deel van den

Midden-Rijn, zijn een der wakkerste, begaafdste en gemoedelijkste

Duitsche stammen. Bij hen bloeien de Duitsche wijngaarden. Zij

stichtten de, nog heden ten dage groote handelstad Frankfort en

bouwden Bamberg, Würzburg en andere steden, die een beroemden naam

dragen. De machtige "Rijn-stedenbond" was hun werk. Bij hen kwam in

Neurenburg het oudste, meest grootsche tijdperk van Duitschlands

industrie tot bloei. Zij hebben den grootsten Duitschen schilder,

Albrecht Dürer, en den meest populairen meesterzanger, Hans Sachs,

voortgebracht. Door hen is de boekdrukkunst uitgevonden. [70] En in den

nieuwsten tijd hebben zij, wat bijna tegen eene nieuwe uitvinding en

een stedenbond opweegt, mannen als Goethe en den Vrijheer von Stein,

aan het Duitsche volk geschonken.

In het Oosten en het Noorden der Rijn-landen, woonden aan de bovenste

takken der Wezer, Fulda, Eder en Werra sedert oude tijden de "Katten"

of "Hessen." Ook zij, evenals bijna iedere Duitsche stam, hebben eene

periode van ouden roem en vroegere grootheid gehad.

Zij moeten eens ver om zich heengegrepen hebben. Want de Batavieren,

de voorvaders der Nederlanders, leiden van hen hunnen oorsprong af,

en aan de Romeinen verschaften zij bijna even veel werk, als hunne

nakomelingen aan de zee, de Batavieren. Reeds Tacitus prijst de

dapperheid van het Hessische voetvolk, dat altijd, even als eens

tegen de Romeinen zoo ook in den nieuweren tijd in Amerika, waarheen

zij toch slechts door hunne Vorsten verkocht werden, er maar in het

blinde op los sloeg en zich dien ten gevolge het roemrijke epitheton,

de "blinde Hessen" verwierf.

Staatkundig gingen zij in verschillende tijden, in de door hunne

machtige en talrijke naburen, de Franken en de Thüringers gestichte

Hertogdommen op, maar hebben zich ten allen tijde met een groote

taaiheid en vastheid in hunne oude woonplaatsen gehandhaafd en hunnen

naam bewaard; sedert de 14de eeuw brachten zij ook weder hunne eigene

Vorsten voort, die echter helaas! in den nieuwsten tijd bijna nooit

landsvaders voor hen geweest zijn.

Een oud Duitsch vers zegt van Hessen, "men heeft daar groote schotels

maar weinig te eten; hooge kroezen maar zuren wijn: wie zou gaarne

in Hessen willen zijn." Den bewoners is ook iets van de schraalheid

van het land eigen geworden. Zij zijn ernstiger, nuchterder en

achterhoudender van aard, dan de vroolijke bewoners van het Rijn-land

en de levenslustige Thüringers, hunne naburen aan weerszijden.

Menig degelijk edel Duitscher, b.v. Ulrich von Hutten, vele vlijtige

groote geleerden, b.v. de Grimms, weinige dichters en kunstenaars

zijn uit het arme "Hessenland" voortgekomen.

"Zij zijn hunne oude gewoonten zoo trouw gebleven, dat bij hen nog

heden ten dage de oude Duitsche haverbrij, in plaats van koffie

als morgendrank dient." De weinige behoefte, die zij hebben,

blijkt uit het spreekwoord, "waar Hessen versterven, kan niemand

voedsel verwerven." Van hun geduld, zoowel als van hunne volharding

in vrijheid en recht, hebben zij als hoogst lankmoedige Duitsche

leeddragers bewonderingswaardige bewijzen gegeven, door onvermoeiden

strijd tegen een Vorsten-geslacht, dat reeds sedert eene eeuw, zoo

merkwaardig productief aan despotische en hebzuchtige Vorsten en

slechte regenten is geweest, en dat eerst de nieuwste tijd gelukkig

op zijde geschoven heeft.

Van het Fichtelgebergte af, gaat in Noord-Westelijke richting de

hoofdrug van het Thüringer-woud, schuin door Midden-Duitschland

heen, en deelt het in zijne beide hoofdhelften, de Westelijke of

Frankisch-Hessische en de Oostelijke of Thüringsch-Saksische.

Reeds de Romeinen kenden, in deze deelen van Midden-Duitschland, het

volk der "Duren" of "Hermunduren," waarvan men later "Thüringers"

gemaakt heeft. Omstreeks de vijfde eeuw valt de tijd der vroege

staatkundige grootheid van dezen stam, die toen, tusschen Elbe en Main,

tusschen Bohemen en den Harz, het groote "Thüringsche Koningrijk"

stichtte, van welks lotgevallen wij intusschen niet veel weten.

Aan dit Koningrijk maakten de Franken even zoo een einde, als aan

het Allemannische, maar gedurende de geheele middel-eeuwen bleef

een "Thüringsch Hertogdom," later "Landgraafschap" bestaan: wèl

onderging dit gebied menige verandering, maar had toch in hoofdzaak

het oude Thüringerland, namelijk de streek tusschen den Harz en het

Thüringer-woud, aan de bovenste takken der Saale, tot kern.

Even als geheel Duitschland zijne met elkander mededingende

dubbel-Keizers, zijne verbrokkelingen in verschillende rijken,

zijne tusschenregeeringen en zijne dertigjarige oorlogen gehad

heeft, zoo hadden ook de Thüringers dikwijls hunne dubbel-Hertogen,

hunne splitsingen in verschillende stammen, hunne Thüringsche

opvolgings-oorlogen, hunne provinciale tienden- en Graven-twisten,

die ook dikwijls 30 jaren lang het land verwoestten.--Daarbij

kwamen nog de eeuwen lang voortgezette oorlogen met de "Soraben,"

die het Oostelijk deel van het oude "Hermunduren-land" waren

binnengetreden. Grootendeels van Thüringen uit, werden deze Slawen

van Midden-Duitschland overweldigd, gedoopt, met Duitsche kolonisten

en steden voorzien en ten laatste geheel tot Duitschers gemaakt.

Het Meisznische land, het tegenwoordige Koningrijk "Saksen," ofschoon

het zijnen naam ontving van de Neder-Saksische Vorsten, die de mark

Meiszen stichtten, kan men in hoofdzaak als eene Thüringsche kolonie

beschouwen. Uit deze Thüringsche volkplanting groeide langzamerhand

het groote Keurvorstendom Saksen, dat ten slotte bijna het geheele

oude Hermunduren-land en al zijne koloniën, aan deze en aan gene

zijde der midden-Elbe, omvatte.

Door de beroemde land-verdeeling onder Albert en Ernst, de zonen van

den Keurvorst Frederik den Zachtmoedige, en door vele op deze volgende

verdeelingen en splitsingen in verschillende Vorsten-liniën, zoomede

later in nieuweren tijd door de verbrokkeling van Keur-Saksen, kwam

langzamerhand de Thüringsche stam onder eene menigte Vorsten en Staten.

"In hun eigenlijk oud stamland, doen de Thüringers zich als een

degelijk, eerlijk, goedhartig en poëtisch Duitsch volk voor." Zij

zijn zachter en vroolijker dan de ernstige Hessen, bekwamer dan de

Neder-Saksers aan gene zijde van den Hartz, degelijker dan hunne

kolonisten in "Meiszen", de tegenwoordige "Opper-Saksers", gematigder

dan de levendige Franken aan den Rijn. "Een kostbaar kleinood van den

Thüringschen stam is hunne gezonde en levenslustige gemoedelijkheid,

hunne vertrouwdheid met poëzie, muziek en zang, die reeds in oude

tijden bleek, uit den bij hen gevierden zangerswedstrijd op den

Wartburg, en waarvan ook het wijd en zijd bekende spreekwoord:

"in twee huizen, drie violen," getuigt.

Uit hunnen schoot is menig Duitsch man van gewicht voortgekomen. In

de allereerste plaats Dr. Martin Luther, wiens ouders, even als

zijn degelijk karakter en zijn vroolijke zanglust, uit Thüringen

afstammen. Ook de Luther der muziek, Sebastiaan Bach, was uit

Thüringen geboortig. Lang na den Wartburg-strijd bloeide bij hen

nog eens, ten tijde van Karel August, een Duitsch Athene, het

onvergelijkelijke muzenhof te Weimar op.--Ook heeft deze stam vele

edele Vorsten-geslachten opgeleverd, van welke in nieuweren tijd het

Saksen-Coburg-Gotha'sche huis aan buitenlandsche volken, de Belgen,

Engelschen en Portugeezen, Vorsten gegeven heeft.

Bij de nakomelingen der uit Thüringen Oostwaarts getrokkene kolonisten,

de bewoners van het land Meiszen en van het tegenwoordige Koningrijk

Saksen, mist men het flinke hunner stamvaders in Thüringen. Zij zijn

oppervlakkiger, zachter en weekhartiger. In geest en in werkzaamheid

van het verstand echter, staan zij nog boven de Thüringers,

en buitenslands hebben zij zich, zoowel in oorlog als in vrede,

door hunne humaniteit en welgemanierdheid bemind gemaakt. Allerlei

takken van kunst- en fabriekwezen bloeien door hun geheele, langs den

Noordelijken voet van het Ertzgebergte gelegen, land, "met betrekking

tot nijverheid het toonbeeld voor Duitschland." Hunne beide groote

steden Leipzig en Dresden munten uit, de eene door hare commercieele en

industrieele ondernemingen en als middelpunt van de literarische markt

der Duitschers, en de andere "het Duitsche Florence", als Vorstelijke

residentie door hare kunstschatten, en als verzamelplaats van vele

beschaafde kringen uit alle landen.

Wat poëzie en humor betreft staan deze zoogenaamde "Opper-Saksers,"

die men liever "Nieuw-Thüringers" noemen moest, bij alle andere

Duitsche stammen ten achter. Daarentegen hebben zij en hunne vroegere

Vorsten zich een blijvenden roem in de Duitsche geschiedenis verzekerd,

door den ijver waarmede zij tot de, op hunne hoogescholen het eerst

geproclameerde, kerkhervorming van Luther toetraden, en de bescherming

die zij haar verleenden, zoo mede door de verstandelijke ontwikkeling

en het, in hun land overal verbreide, schoolonderwijs en de algemeen

verspreide kennis.

Wanneer al anders niets, dan zou reeds de omstandigheid, dat zulke

groote denkers en zulke ontwikkelde koppen, als Leibnitz, Lessing,

Fichte, aan den voet van het Ertzgebergte geboren werden, voldoende

bewijzen welke groote begaafdheid ook dezen stam eigen is. Een

groot gedeelte der Opper-Saksers, is sedert 50 jaren met Pruissen

vereenigd, en heeft sedert dien tijd, als met Pruissischen nationalen

geest vervuld, meermalen eene tegenstelling gevormd, met zijne oude

stamgenooten in Oud-Thüringen en in Opper-Saksen.

Silezië vormt het Oostelijk uiteinde van Midden-Duitschland. Even

als Saksen is het grootendeels een kolonie-land van Thüringen, op

Slawischen onderbodem, maar ook Neder-Duitschers, Franken, Beieren,

Oostenrijkers, zijn toegestroomd om die streken te bevolken. "De

Sileziërs deelen met alle Midden-Duitschers, de hoofdtrekken der taal,

zeden en denkwijze," ofschoon zich alles bij dit aan den boven-Oder

geplante Duitschdom, dat andere lotgevallen deelachtig werd, eerst

onder den invloed van Polen, en later van Bohemen en Oostenrijk kwam

en door dezen beheerscht werd, naar de eigenaardigheden van het land

natuurlijk wijzigde. Zij hebben in taal en wezen iets zuidelijks

behouden.

Ofschoon de Silezische Duitschers, nu bijna drie millioen sterk,

langen tijd eigenlijk niet tot het Duitsche rijk behoorden, en eerst

door Pruissen staatkundig bij den Duitschen bond ingelijfd werden,

zoo namen zij toch sedert de 14de eeuw deel aan al het lijden en aan

al den vooruitgang van het Duitsche volk. Even als in geheel Midden-

en Neder-Duitschland, vond de hervorming hier grooten bijval. Ook is

het opmerkingswaardig, dat het deze, aan het einde van het Duitsche

vaderland wonende en met Slawen vermengde, Sileziërs geweest zijn,

die in hunne beide beroemde dichter-scholen, in de 17de eeuw, de eerste

hervorming in den poëtischen smaak der Duitschers te weeg brachten. Dit

intelligente en ondernemende volk, maakt nu een hoofdpilaar van het

gebouw der Pruissische monarchie uit; om hunne annexeering werden,

door de grootste Pruissische Koningen, drie groote oorlogen gevoerd.

Het bovengezegde geldt intusschen vooral voor de bewoners van het

benedenste en middelste gedeelte des lands. Want de "Opper-Sileziërs,"

in de hoogte aan de Moravische en Boheemsche grenzen, in de Sudeten

en in het Reuzen-gebergte, vormen een heel ander slag menschen, dat

van eene zeer oude, wellicht nog uit de tijden der volksverhuizing

dateerende grondbevolking afkomstig is. Men rekent hen en hunne taal,

tot het zoogenaamde Opper-Silezische- of Sudeten-dialect, niet tot

de Midden-Duitschers, maar tot de Zuid-Duitschers, en wel tot den

grooten Beiersch-Oostenrijkschen tak.

In de oudste tijden schijnt het geheele vlakke Noord-Duitschland, van

Holland tot Rusland, door Duitsche stammen bewoond te zijn geweest. De

Cimbren en Teutonen, die in het Jutsche schier-eiland woonden, zijn

waarschijnlijk van dit Noorden uitgegaan, even als de Longobarden,

wier oorspronkelijke woonplaatsen men aan de Beneden-Elbe zoekt,

alsmede de Vandalen in Mecklenburg en Pommeren, de Gothen in het

tegenwoordige Pruissen, de Bourgondiërs, de Herulers en andere aan

den Beneden- en Midden-Oder en Weichsel.

Bij de volksverhuizing verlieten deze en andere Noord-Duitschers hun

land, om in het Zuiden rijken te stichten, en in hun vaderland, dat

door de uit het Oosten opdringende Slawen en Lithauers bezet werd,

bleven weinige sporen van hen over. Meer dan de helft van het oude

Noord-Germanië, Westwaarts tot aan de Elbe, werd Slawisch. _Alleen_

in het Noord-Westelijk gedeelte, tusschen Elbe en Rijn, bleef het

Duitsch. De Romeinen leerden in dien hoek de Batavieren, de Friezen,

de Chauken, de Cheruskers, Brukteren en meer andere Neder-Duitsche

stammen kennen.

Echter werden de meeste hunner, in den loop der gebeurtenissen, onder

één naam, dien der Saksers, vereenigd, welke naam, ten gevolge der

onder zijne banier volbrachte daden, ten slotte in het geheele Noorden

zoo beroemd werd, dat men (soms nog zelfs wel in de 12de eeuw) met

den naam "Sakser-land", de geheele Noordelijke helft van Duitschland

betitelde, en dat nog heden ten dage, zoowel de Celtische Ieren in

het afgelegen Westen, als de Finnen en Esthen in het verre Oosten,

met de woorden "_Saksen_" en "_Saksisch_", ongeveer hetzelfde bedoelen,

wat wij Germaansch of Duitsch noemen.

Het oorspronkelijk vaderland dezer "Saksers", zou in het Cimbrische

schiereiland, in het tegenwoordige Schleeswijk-Holstein en Jutland,

gezocht moeten worden. Van daar uit verbreidden zij zich, het eerst

naar het Zuiden en Westen en vereenigden de boven opgenoemde, met de

hun verwante stammen aan de Wezer, onder hunnen naam. Een gedeelte van

hen trok met de Jüten en de Friezen de zee over, en maakte Engeland tot

een "Saksisch" land, dat echter zijne eigene lotgevallen volgende,

weldra met het moeder-volk (dien ten gevolge ook wel Oud-Saksen

genaamd) weinig meer te maken had.

Tot aan de 8ste eeuw, leidden deze Oud-Saksers, onder hunne Vorsten,

als heidensche, de vrijheid lievende barbaren, een van de andere

Duitschers afgescheiden leven. Deze waren, aan den Rijn en aan den

Donau, reeds lang Christenen geworden en met het groote Franken-rijk

vereenigd.

In eene reeks bloedige oorlogen temde Karel de Groote gene eerst

volkomen. Hij lijfde ze in bij de Frankische monarchie en bij het,

zich hier uit vervolgens ontwikkelende, Duitsche rijk. De buitengewone

energie, waarmede de Saksers zoolang aan de Franken weerstand geboden

hadden, bewerkte, dat zij aanvankelijk eene zeer voorname plaats in

dit rijk innamen.

Behalve de Hertogdommen Allemannië en Beieren in Zuid-Duitschland,

en naast het door Midden-Duitschland gaande Hertogdom Franken,

ontstond ook een groot "Hertogdom Saksen," dat geheel Noord-Westelijk

Duitschland, tusschen Elbe en Rijn bevatte. Na het uitsterven der

Karolingers en na Konrad I, viel zelfs den Saksers en hunnen Hertogen

de Duitsche Keizerskroon toe, die hun Vorstengeslacht gedurende

eenige generaties behield. Zij hebben het Duitsche rijk eenige

zijner degelijkste en roemrijkste Keizers, Hendrik den Vogelaar en

de Otto's gegeven. Maar later is de Duitsche Keizerskroon--tot op den

allernieuwsten tijd--niet weder blijvend aan Noord-Duitschland gekomen.

Ook heeft de Saksische of plat-Duitsche taal van dien Keizer-glans

geene winst gehad. Hunne Otto's, welke die taal spraken, konden

haar den voorrang boven de reeds veel ontwikkelder Opper-Duitsche

dialecten niet doen verwerven. Niet Zuid-Duitschland te leiden, maar

veeleer het geheele vroegere Noord-Duitschland Oostwaarts weder te

herstellen, het daar diep doorgedrongene Slawendom terug te werpen,

en langs de Oostzee tot aan Rusland eene reeks nieuwe of vernieuwde

Duitsche landen en volken te stichten, werd de eerste taak der Saksers.

Slaat men, bij een kort overzicht dezer scheppingen der Saksers,

het eerst den blik op hunne vroegste woonplaats, het land ten Noorden

van de Elbe, het zoogenaamde "_transalbingsche Saksen_," dan mag men

wel zeggen, dat de Neder-Saksische stam daar steeds eene bijzondere

degelijkheid bewaard heeft, en dat zijne geschiedenis dikwijls

roemrijk, ofschoon ook tevens vooral weder in den laatsten tijd,

dikwijls vol lijden geweest is.

Tegen de Slawische Wagriërs, die hun land binnendrongen, hebben zij

zich met goed gevolg verweerd en hen in Duitschers veranderd. In

Dithmarschen [71] hebben zij eene boeren-republiek gesticht, welker

roem bijna met die der oude Zwitsersche kantons overeenkomt. Met

hunne Noordelijke naburen, de Denen, die steeds op hen instormden,

hebben zij meermalen heldhaftig gestreden en tegen hen, in den loop

der tijden, roemrijke slagen geleverd. Ofschoon in den nieuweren

tijd hunne ondernemingen tegen de Denen ongelukkig waren, en deze

met verdeensching en vele, aan de Duitsche nationaliteit vijandige,

maatregelen tot hen kwamen, hebben zij altijd aan hunne Neder-Saksische

taal en gewoonten vastgehouden, en deze zelfs nog verder in het

Denenland, ver over den Eider, de oude Duitsche rijksgrens, tot

in Schleeswijk verbreid. Zelfs als zij aan de Denen staatkundig

onderworpen waren, toonden zij zich toch zoowel voor de intellectueele

als voor de materieele uit- en aanbouw van het Cimbrische schiereiland

(Jutland) en van geheel Denemarken, even invloedrijk als b.v. de

Duitschers der "Oostzee-provinciën" voor Rusland.--De allernieuwste

tijd heeft hen van de Denen, waarmede zij als het ware samengegroeid

waren, ook staatkundig weder losgemaakt, en hen weder aan hunne oude

Noord-Duitsche stamgenooten, wien zij den ouden naam gegeven hebben,

en vervolgens ook aan geheel Duitschland toegevoerd.

De _Neder-Saksers, ten Zuid-Westen van de Elbe_, waren in drie

hoofdstammen verdeeld, de "Engern," de "Oostfalen", en de "Westfalen,"

wier ligging en woonplaatsen hoofdzakelijk door de Wezer bepaald

werden. "Engern" noemden zich de Saksers in het dal van de Wezer zelf,

"Oostfalen," die ten Oosten van de Wezer wonende, en de "Westfalen"

waren de Saksers ten Westen van de Wezer, tot aan den Rijn en de

Eems toe.

De namen _Oostfalen_ en _Engern_ zijn verdwenen. Hunne nakomelingen

werden in den loop der tijden onder vele Vorsten en Staten

verdeeld. Ten slotte echter vereenigde de Luneburgsche tak van het

oude Saksische Hertogelijke huis, het een langen tijd gelukkige "Huis

Hannover", het grootste gedeelte der voormalige Neder-Saksische Engern

en Oostfalen, door erfenissen en verdragen, tot een staatkundig geheel;

zijn Koningshuis trachtte onder de stam-verwante, het toegevallene,

bevolkingen, een Hannoveraansch volk en nationaal-gevoel te voorschijn

te roepen; gelijk het Beiersche Koningshuis bij de, het toegevallene,

Duitsche deelen, een Beiersch volks- en nationaal gevoel trachtte

op te wekken. Gelukkig is, ten gevolge der jongste gebeurtenissen,

dit proces aan de Elbe en de Wezer evenzoo gestoord geworden als

dat aan den Donau, en in beide gebieden hebben ruimere sympathiën

en neigingen eene plaats gevonden. Pruissen heeft ze weder in den

grooten schoot hunner moeder geplaatst.

De "Westfalen" hebben tot op den huidigen dag in weerwil van alle

scheidingen van stammen, en trots de verschillende heerschappijen

waaronder ook zij geraakten, hunnen naam en ook in hooge mate hun

oud karakter en zin bewaard. Zij wonen aan de Westelijke rivieren

van de Midden-Wezer, aan de bronnen der Eems, en aan de groote vlakte

tusschen de Rijn- en Wezergebergten, waaruit de Roer en de Lippe naar

den Rijn stroomen.

Reeds de vroegste voorouders der Westfalen die ons genoemd worden,

de dappere Brukteren boden aan de Romeinen een hevigen wederstand. Op

Westfaalsch gebied werden de Varus-slagen gestreden. Later, toen de

naam "Hertogdom Saksen" reeds verdwenen was, bestond er nog geruimen

tijd een groot "Hertogdom Westfalen," evenals na de verdeeling van het

Duitsche rijk in kreitsen, een even groote "Westfaalsche kreits." Ook

Napoleon weder, maakte gebruik van den ouden beroemden volksnaam, om

zijn, gelukkig slechts kort bestaan hebbend, "Westfaalsch Koningrijk,"

in het Midden- en Opper-Wezerland te doopen.

"De Oud-Saksische vastheid van karakter, waardoor de Westfalen van

oudsher uitmuntten," is zeker de hoofdreden van den langen duur van

hunnen naam en roem geweest. Het lange menschenras, heeft nu nog veel

overeenkomst met de, door de Romeinen beschrevene Germanen. Hunne

manier van wonen en hunne zeden zijn overoud. Bijna de geheele stam

is nu bij den Pruissischen staat ingelijfd.

Ook in de landstreek, die het Rijndal van Wezel tot aan Keulen en

Bonn vormt, zijn stam, bloed en taal der Neder-Saksers verspreid

geworden. Maar het daar gebruikelijke dialect, "het Neder-Rijnsche"

bewijst, dat ook afwaarts van den Rijn, reeds Opper-Duitsche elementen

uit Franken of Midden-Duitschland, zich met hen vermengd hebben.

Hoe de Neder-Duitsche stammen, nog verder naar het Westen doordringende

en zich met de Friezen en Batavieren vermengende, de bevolking van

België en Nederland gevormd hebben, heb ik reeds vroeger trachten

aan te toonen en ik zal dus nu overgaan tot de behandeling der later

gevolgde uitbreiding der Neder-Saksers, over het Oostelijk gedeelte

der Noord-Duitsche vlakte.

De oorlogen der Saksers met hunne Oostelijke Slawische naburen hadden

vermoedelijk reeds lang geduurd, maar zij begonnen eerst invloed

te hebben op de geschiedenis der ontwikkeling, en tot blijvende

veroveringen te leiden, toen de Saksers sedert het einde der 8ste

eeuw het christendom aangenomen hadden, en nu met den doop, met het

stichten van kerken en kloosters, met monniken en kruisridders tegen

de Slawen optrokken.

Geschiedenis der Europeesche Volken · 第 30 / 62 题