DE SERVIËRS.

Zeer onderscheiden van de Bulgaren, zijn in geest en wezen hunne

broeders en naburen in het Westen, de Slawen van Servischen stam, die

men gewoonlijk Illyro-Serviërs of ook de Illyrische-Slawen noemt. Deze

hebben, in tegenstelling met de geduldige, arbeidzame Bulgaren, eenige

der oorlogzuchtigste en ondernemendste stammen van het Turksche rijk

voortgebracht, die tegelijkertijd de slechtste landbouwers en tuiniers

er van zijn.

Uit de Slawen van dezen stam, kwamen het eerst de bewoners van

het Vorstendom Servië te voorschijn, die in den nieuweren tijd

hunne onafhankelijkheid door eene reeks bloedige oorlogen bevochten

hebben,--de dappere Bosniaken, die eens de beste rekruten voor het

Janitscharen-korps leverden--de onbuigzame Montenegrijnen, een hoopje

bergbewoners, die van oudsher de macht der Osmanlis trotseerden. Ook

de Morlaken en Dalmatiërs, die somwijlen als zeeroovers de schrik

der Adriatische zee, en gewoonlijk ook de beste matrozen der Dogen

van Venetië geweest zijn, behooren tot dezen kernachtigen Slawenstam;

eindelijk de Slavoniërs en de, zoo al niet geheel Servische, toch den

Serviërs zeer na verwante, "Krowaten" of Kroaten, wier regimenten,

onder Hongaarsche of Oostenrijksche vanen, zich in vreemde landen

dikwijls gevreesd genoeg hebben gemaakt.

De naam "Serviër" was eens een der groote nationale- of algemeene

namen der Slawen. Even als bij de Duitschers de naam "Allemannen",

die bij de Franschen nog altijd de algemeene naam voor hen is, zoo

is de naam Serviër ook nu slechts aan eene onderafdeeling der Slawen

eigen gebleven.

De oorspronkelijke woonplaats der Serviërs en der van oudsher met hen

verbroederde en naburige Kroaten, zou aan den noordelijken voet der

Karpathen in het tegenwoordige koningrijk Gallicië geweest zijn,

en zij zouden van de daar woonachtige Ruthenen of Klein-Russen

afstammen. Thans nog duidt hunne taal, die nauw aan de Rutheensche

verwant is, hunne afkomst uit die noordelijke streken aan.

Ook de talrijke Lithauwsche uitdrukkingen, die in de Servische taal

behouden zijn, schijnen te bewijzen, dat zij van het noorden der

Karpathen, uit de nabuurschap der Lithauwsche en Finsche volksstammen

afkomstig waren.

Zij moeten in hunne tegenwoordige woonplaatsen, in de vroegere

Romeinsche provincie Illyrië, in het begin der 7de eeuw, toen daar de

Finsch-Tartaarsche Awaren heerschten, binnengerukt zijn. De Serviërs

vernietigden in die streken de heerschappij der Awaren en de hun

onderworpene oorspronkelijke bevolking, en slawiseerden het geheele

land. Hier en daar meent men echter onder hen, b.v. in de zeden en

het uiterlijk der Servische Morlaken van Dalmatië, nu nog sporen dier

Tartaarsche Awaren te herkennen.

Van af den Donau en de gebergten van Illyrië, waar zij het eerst

kwamen, drongen deze Servische Slawen door tot aan de Adriatische

Zee in de nabijheid van Venetië, en verspreidden zich vervolgens

langs de Drave en Save, tot aan de grenzen van Tyrol, Salzburg en

Opper-Oostenrijk over al de Oostelijke dalen der Alpen.

Zij verspreidden zich dus, van de noordelijke grenzen van Macedonië

en Albanië, tot in Duitschland, over een lang uitgestrekt gebied,

dat bijna even groot is als het koningrijk Pruissen, en waarin zich

nu nog 6 à 7 millioen Slawen bevinden.

Bijna geen ander Slawisch volk is in zoovele kleine onderafdeelingen,

nevenstammen en dialekten gesplitst en heeft zulke afwisselende

lotgevallen gehad, als het Illyrische of Servische. Op hun

uitgestrekt gebied ontmoeten wij eene menigte verschillende volks-

en provincienamen. De bij alle Slawen reeds sedert oude tijden in

het ooggehoudene, aan elkander hangende en verschillende onderdeden

bevattende, familie- en stam-verhoudingen, zijn bij deze Servische

Slawen nog tot op den huidigen dag onveranderd gebleven. Als hunne

dochters huwen, begeven zich naar oud gebruik de schoonzonen en

ook de zonen met hunne vrouwen, zoo mogelijk onder hetzelfde dak,

in verschillende kamertjes verdeeld. Kan men dit niet meer, dan

vestigen zij zich ten minste met der woon rondom het huis van den

familie-vader. Breidt het geslacht zich nog meer uit, dan neemt

het den akker, die het dichtst bij de woonplaats van het hoofd van

den stam gelegen is, in bezit; de oudste van den stam blijft het

hoofd van het geslacht. Zoo vormt bij hen in den regel ieder dorp,

eene enkele zich zelve regeerende familie, die met de overige wereld

en met de rijks overheid alleen door hun "Ouden," hun patriarchaal

opperhoofd, in betrekking staat. Ook de grootere staatsburgerlijke

afdeelingen en distrikten, vallen gewoonlijk met geslachts-verbindingen

en bloedverwantschappen zamen. Nagenoeg iedere familie, iedere stam

heeft zijn rivierdal, zijn bergketen, zijne afgeslotene hooge vlakte,

voor zich. In afgelegene en ontoegankelijke hoeken van het land, hebben

deze geslachten dikwijls sedert oude tijden, de Romeinen, Byzantijnen

en Turken getrotseerd en als vrye mannen hunne onafhankelijkheid

bewaard. Hoezeer het familieleven in de natuur dezer volksstammen

ingeweven is, kan men daaruit afleiden, dat bij hen, die de zee

bevaren, letterlijk elk door hen bemand schip, om zoo te zeggen eene

varende familie, eene drijvende Clan is. Van den kapitein tot den

scheepsjongen, bestaat de geheele equipage uit bloedverwanten.

Uit deze verhoudingen en neigingen zeg ik, zullen waarschijnlijk de

ontelbare stam- en volksnamen der Illyro-Servische Slawen ontstaan

zijn. Om echter over de hierdoor ontstane namenverwarring een overzicht

te hebben, mag men die stammen verdeelen in de volgende hoofdgroepen:

1) De Serviërs in engeren zin, waartoe de Slavoniërs, de Bosniaken,

de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de bewoners van het tegenwoordig

zoogenaamd Vorstendom Servië gerekend worden. 2) De Kroaten in Turkije

en Oostenrijk; 3) de zoogenaamde Slovenen of Wenden in Istrië,

Stiermarken en de Krain. Verscheidene omstandigheden bewijzen,

dat zij allen gezamentlijk tot ééne enkele groote afdeeling der

Slawen behooren, die hoewel in zich zelve gelijksoortig, van andere

groote Slawen-afdeelingen, de Bulgaren in het oosten en de Czechen

en Polen in het noorden, veelvuldig verschillen. Ook is er niet aan

te twijfelen, dat al de genoemde stammen met elkander sympathiseeren

en elkander als broeders van denzelfden stam beschouwen. Zelfs de

ontwikkelde Oostenrijksche officier, die aan de Drave onder Duitsche

heerschappij geboren is, begroet de halfwilde Montenegrijnen, als hij

bij hen in hunne rotsennesten komt, als zijne vrienden, en zijn hart

klopt sneller als hij hunne vaderlandsliefde-ademende gezangen hoort.

Van genoemde drie afdeelingen der Slawische Illyriërs hebben zich

de eerstgenoemden, de Serviërs in engeren zin, van oudsher als een

levendig, dapper, poëtisch en vrijheidlievend volk gekenmerkt. Zij

bezetten de landen der Dardaners, Triballers en andere wegens hunne

onhandelbaarheid reeds in de oudheid veel genoemde volken, en erfden

iets van hunne zeden en geest, waar zij niet al reeds oorspronkelijk

met hen eenigzins verwant waren.

De geheele streek, die zij bewonen, van den Donau tot aan de

Adriatische Zee, is met steile bergen en met de schoonste, aan

verschillende boomsoorten rijke, eeuwenoude wouden bedekt, waarin hier

en daar nog wolven, beeren en andere wilde dieren huizen. Tusschen

de door kastanje-bosschen omkranste hoogten, in de taal van het land

"Planina" (zooveel als: Alpen) genoemd, liggen hier en daar liefelijke,

met wateren doorsnedene, groene, vruchtbare dal- en weide-ketels of

campagnen, welke de taal des lands "Livada" noemt. Deze beide woorden

"Planina" en "Livada," die de reiziger overal in Servië ontmoet,

geven op de duidelijkste wijze het karakter aan, der door de Servische

stammen bewoonde streken.

Even als de oude Triballers en Dardaners, daalden de Serviërs in

vroegere tijden van hunne bergen af en maakten, even als de Bulgaren,

verwoestende tochten naar het zuiden, tot in den Peleponnesus. De

eerste eeuwen hunner geschiedenis zijn eene aaneenschakeling van

onafgebrokene oorlogen met de naburige Bulgaren en met de Byzantijnsche

Keizers, wien zij wel dikwijls nood en gevaar brachten, maar van

wie zij af en toe ook afhankelijk waren. Het toppunt hunner macht

bereikten zij in de 14de eeuw. Toen hadden zij de geheele Oostelijke

helft van Illyrië tot één koningrijk vereenigd. Ja! een korten tijd

(1336-1356) behoorden tot dit Servische Koningrijk zelfs ook Macedonië

en verscheidene provinciën van Griekenland. Dat viel voor onder de

regeering van den Servischen Kraal (Koning) Stephanus Dushan, die dien

tengevolge ook den weidschen titel van "Keizer van het morgenland"

aannam. Maar van dit toppunt hunner macht, gingen de Serviërs weldra

een snellen val te gemoet.

De Turken vielen Europa binnen, leverden in het jaar 1389, aan de

Serviërs en de met hen verbondene Hongaren en Wallachijers, den slag

op het Amselveld, een der "Livadas" of dalketels in Boven-Servië,

dat zoo dikwijls met bloed gedrenkt is geworden.--En sedert dien tijd

waren de Serviërs de--wel is waar niet zeer gehoorzame--onderdanen der

Turken. Nog heden ten dage staat hun de herinnering aan dien slag op

het Amselveld, waarin hun Koning, hun adel, hunne geestelijkheid, de

bloem van hun volk, hun geheel nauwelijks ontstaan rijk, door de Turken

vernietigd werd, levendig voor den geest. Deze tragische gebeurtenis is

het groote nationale-ongeluk van den Servischen stam. Hunne volkspoëzie

dwaalde sedert dien tijd treurig en klagend langs de grafheuvelen van

het "Amselveld," zooals omgekeerd de natie vol verlangen blikt, naar

het toppunt hunner vroegere macht, onder dien zoogenaamden "Keizer"

Stephanus Dushan, als naar het doel, dat zij zich voorstellen eens

weder te bereiken.

Tot nu toe echter is hun op dien weg niets verder gelukt, dan de

grondvesting van het kleine Vorstendom Servië in het dal-labyrinth der

rivier Morawa, en die van dien merkwaardigen kleinen roofridderstaat

op de ontoegankelijke sombere rotstoppen van Tschorna-Gora of

Montenegro (Zwarte berg), waar een oorlogzuchtig bisschop, met eene

uit despotismus en republikanismus gemengde regeeringswijze, eene

heldhaftige gemeente bestuurt en met de zijnen een leven leidt, dat

letterlijk in alle bijzonderheden reeds bij Homerus bekend schijnt

geweest te zijn, die het, in zijne schilderingen der roofzuchtige

Phacaken en hunnen Koning, schijnt bezongen te hebben.

De Serviërs waren, toen zij naar Illyrië kwamen, heidenen, maar weldra

werden zij, even als bijna alle Zuidelijke en Oostelijke Slawen,

door de Byzantynen gedoopt en voor de Grieksche Kerk gewonnen. Het

grootste gedeelte van het volk omhelst dit geloof, dat hen ook

weder met hunne stamgenooten, de Russen en Bulgaren, verbond, nog

ten huidigen dage: slechts bij één stam der Serviërs, de Bosniaken,

is het den Turken gelukt, aanhangers voor den Koran te winnen. De

trotsche en rijke adel der Bosniaken ging bij de Turksche verovering

tot den Islam over, om onder de nieuwe heerschappij hunne privilegiën

en hun landbezit te waarborgen. Hun voorbeeld werd door de gilden en

kooplieden der Bosnische steden om dezelfde reden gevolgd. En zoo

vormen de Bosniaken, tot groot verdriet der Servische patriotten,

midden in Illyrië een Slawischen stam, waarvan de hoogste klassen,

wel niet Turksch, maar toch Mohamedaansch, en wel zooals gewoonlijk

de renegaten, fanatiek Mohamedaansch geworden zijn. Al de door de

Turksche Keizers in den laatsten tijd goedgevondene nieuwigheden en

hervormingen, hebben bij de Bosnische aanhangers van den profeet op

hardnekkigen tegenstand gestooten. Ofschoon zij grootendeels hunne

oude Slawische taal gehouden hebben, ofschoon hun Mohamedanisme met

een weinig christelijks vermengd is--(de muzelmansche edellieden

van Bosnië vieren nog in hunne familiekringen, de oude feesten

der door hunne christen-voorvaderen vereerde beschermheiligen, een

St. Elias- een St. George- een St. Petrus feest; laten somwijlen

door christen-popen bij de graven hunner vaderen bidden, betalen

ook nog missen voor hunne zielen)--ofschoon verder een eigenlijk

Osman nauwlijks in hun land te vinden is--(de Sultans moeten, in den

regel, in het land geboren Slawische edellieden tot gouverneurs der

provincie maken, en was de uit Stamboel gezonden Vizier een Osman,

dan moest hij zich wel wachten zijne citadel bij Trawnik te verlaten,

en mocht hij zelfs in de hoofdstad van het land, Bosna Serai, niet

langer dan drie dagen vertoeven,) zoo hebben toch deze fanatieke en

oorlogzuchtige Bosniaken, dikwijls zelfs tegen den Sultan zelven,

in naam van Mohamed en de oude Turksche instellingen, hunne vanen

ontplooid.--Men heeft hen wel eens "_de Vendeërs van Turkije_" genoemd.

Van oudsher leverden zij den Sultan mede zijne beste troepen, en de

Janitscharen, die Mahmoed II in de eerste twintig jaren dezer eeuw met

het zwaard en de bijl vervolgde en uitmoordde, waren voor een groot

deel Slawische Bosniaken. Zij zijn ook tot in den laatsten tijd, meer

dan eenmaal tegen hunne christelijke, maar door hen verachte en met

hoogmoed behandelde, stambroeders in het Vorstendom Servië te velde

getrokken, en hebben zij gedreigd de vrijheden, door den Sultan dit

rijk toegekend, te vernietigen.

Tot aan de Adriatische zee, tot aan de sedert oude tijden Dalmatië en

Liburnië genoemde kustlanden, drongen de gezamenlijke Servische stammen

door, en zelfs hebben zij al de tallooze rots-eilanden en klippen, die

langs de oostzijde van die zee liggen, met hunne geslachten bezet. Daar

vonden zij eene reeks oude, bloeiende, Romeinsche handelsteden:

Rausium of Ragusa, Salona en andere. Ook in deze steden, zelfs in

het oude groote paleis van Keizer Diocletianus, dat binnen zijne

vervallen muren eene geheele gemeente, de stad Spalatro opnam, drongen

de Servische Slawen door, en vulden ze zoowel met hunne burgerlijke als

adellijke geslachten. De in de middeneeuwen zoo bloeiende en beroemde

republiek Ragusa was eene Servische gemeente. Men heeft haar wel eens

"het Servisch Athene" genoemd, en hare patricische geslachten zoeken

nog heden de wortelen hunner stamboomen, in de Planinas en Livadas

van Bosnië en Servië. Van oudsher echter was deze kust, langs de

Adriatische zee, aan de invloeden van Italië blootgesteld. Ten

tijde der Romeinen voerden natuurlijk Romeinsche taal en zeden den

boventoon. Sedert de 10de eeuw tot op den nieuwen tijd stond zij onder

de heerschappij der Dogen van Venetië. De daar woonachtige Slawen

werden dien ten gevolge een weinig geitalianiseerd, en vermengden zich

met, door hen uitgenoodigde, Italiaansche familiën. De ontwikkeldsten

onder hen spreken, nu onder Oostenrijksche heerschappij, in den regel

beide talen, zoowel de Italiaansche handels- en literatuur-taal,

als die der Slawische boeren.

Aan deze zeeoevers vestigden zich dan ook de Servische bergvolken,

zooals ik reeds gezegd heb, op schepen. Zij werden hier zulke

ijverige en geschikte matrozen,--eerst zeeroovers, vervolgens als

koopvaardijvaarders in dienst der republieken Venetië en Ragusa,--even

als hunne voorgangers, de bij de Romeinen beroemde Liburniers geweest

waren. De _Riva dei Schiavoni_ (de oever der Slawen) in Venetië,

is naar hen zoo genoemd. Ook verschijnen de Slawen nog heden ten

dage, evenals vroeger in de haven en op de markt van Venetië; ook

nu nog is het meerendeel der scheeps-kommandanten en matrozen der

Oostenrijksche oorlogsvloot van den stam der Kust-Serviërs, of zooals

zij zichzelve noemen "Morlaken" (van _mora_, d.i. zee).--Verscheidene

der Servische familiën drongen ook bij den Venetiaanschen adel in,

en hunne geitalianiseerde Slawische namen staan in het _libro d'oro_

van Venetië opgeteekend. Evenals onder de adellijken der republiek, zoo

vond men ook onder de schilders der Venetiaansche school, somwijlen een

man van Slawische afkomst. Ik wil aan den bekenden _Nicolo Dalmata_

(Nikolaas de Dalmatiër) en _Medola Schiavone_, gewoonlijk alleen

_Schiavone_ (de Slawe) genaamd, herinneren. Ook verspreidden zich de

Serviërs, van uit de Adriatische zee, vroeger nog over vele deelen

der wereld. Zij kwamen als matrozen in dienst der Napolitaansche

koningen, en men vindt hen nog heden ten dage naast de Italianen in

alle havens der Middellandsche Zee; ja zij hebben zelfs in Amerika,

b.v. in New-Orleans aan den Mississippi, kleine koloniën gesticht.

De noordwestelijke broeders en naburen der eigenlijke Serviërs, de

_Kroaten_, drongen nog dieper de landen der West-Europeesche volken

in. Zij werden allen, zelfs die, welke in het zoogenaamde Turksche

Kroatië, het westelijkst uiteinde van het Turksche rijk wonen, tot

den Roomsch-Katholieken godsdienst bekeerd. Onder hen vindt men noch

Mohamedanen, noch Grieksche Christenen, of ten minste slechts zeer

weinige. Ook de Kroaten hebben evenals de Serviërs, eens een tijd van

bloei gekend, en vormden in de 10de eeuw onder hunne eigene Vorsten

een eigen, niet zoo heel klein koningrijk. Maar deze Kroatische

bloei duurde nog korter dan die der eigenlijke Serviërs. Reeds in

het jaar 1091 werden de Kroaten door de Magyaren overweldigd, en na

dien tijd deelden zij bijna altijd de lotgevallen van dit volk, als

een aanhangsel van Hongarije. Slechts een klein gedeelte werd aan de

Turken onderworpen en is het nog heden. De naam van hun koningrijk,

figureert nog heden onder de titels van den Keizer van Oostenrijk en

Koning van Hongarije. Men kan zeggen, dat zij de Janitscharen van

Hongarije en Oostenrijk geweest zijn, evenals de Bosniaken die van

Turkije waren.

Kroaten en Serviërs mochten in den aanvang, van hunne bergachtige

landen in Illyrië uit, noordwaarts langs den Donau en door de vlakten

van Pannonië, zich verbreiden en vastnestelen, maar later bestond

in hun onrustig, door de Turken steeds onderdrukt en aan bloedige

opstanden rijk vaderland, reden genoeg tot landverhuizing. Reeds in

het jaar 1427 stond de despoot van Servië, George Brankowitsch, aan

Koning Sigismund van Hongarije, de hoofdstad van Servië, het beroemde

Weisenburg (Belgrado) af, en verkreeg hij daarvoor in Hongarije

verscheidene landstreken, waarheen zijne onderdrukte landgenooten zich

bij duizenden met der woon vestigden. Deze landverhuizing herhaalde

zich ook bij verscheidene volgende gelegenheden, en zelfs in de twee

laatste eeuwen hebben zich gedurende den bloei der Oostenrijksche

macht, herhaalde malen groote scharen Serviërs, Bosniaken en Turksche

Kroaten, naar het Oostenrijksche gebied begeven, en zetten zij zich

in de groote uitgestrektheden van het Magyaren-land neder, vooral

in die streken aan de zuidelijke Theiss en den Donau, die onder

de Turksche heerschappij van hunne andere oorspronkelijke bewoners

ontbloot waren. Buitendien heeft ook zelfs in tijden van vrede, eene

voortdurende verhuizing uit het land der Serviërs naar Hongarije

plaats gevonden. Van daar komt het, dat wij niet alleen Slavonië en

de Oostenrijksche Militaire-grenzen, maar ook het zoogenaamde Banaat,

het vruchtbare landschap aan de Theiss, en verscheidene andere streken

langs den midden-Donau, vol Servische koloniën vinden. De uiterste,

iets grootere kolonië der Serviërs ligt aan den Donau, deels boven,

deels beneden Pesth. Een kring Kroatische dorpen loopt langs de

westelijke grens van Hongarije, en aan den voet der Stiermarksche

Alpen, hoog naar het noorden toe; en de uiterste Kroatische koloniën

liggen in eene kleine groep aan het Neusiedler-meer, niet ver van

Weenen, bij elkander.

Evenals naar de Adriatische zee, zoo hebben deze nakomelingen van

den Servischen stam, zich ook te scheep naar den Donau begeven, en

zijn zij hier een der belangrijkste scheepvaart- en handels-volken

geworden. Zij hebben bijna over de geheele rivier, van Pesth tot aan

Belgrado, den voor handel en scheepvaart weinig geschikte Magyaren,

dat werk afgenomen. Zij vervoeren hier tot ver naar Hongarije toe,

de voortbrengselen van hun eigen vaderland, voornamelijk die bij de

Mohamedanen en Joden zoo weinig in aanzien zijnde dieren, die den

overleden Vorst van Servië, Milosch, zoo rijk gemaakt hebben. Zij zijn

natuurlijk hoofdzakelijk de vervoerders van die dieren langs de Save

en Drave. Men noemt de uit Servië overgekomene schippers en kooplieden

in Hongarije, gewoonlijk "Razen" en hunne groote schepen op den Donau

"Razina's" naar het land der Raiszen of Rasziërs, dat de naam eener

Servische provincie is. Uit deze en andere Servische elementen,

heeft zich letterlijk bij iedere der Hongaarsche Donausteden,

eene door Servische schippers, werklieden, kramers en handwerkers

bewoonde, zoogenaamde Razen-stad gevormd, even zooals sommige onzer

steden eene bepaalde Joden-wijk hebben. Het laatste dergelijk Razen-

of Serviërs-kwartier in noord-westelijke richting vindt men in Weenen

zelf, terwijl het uiterste in omgekeerde of in zuid-oostelijke richting

in Constantinopel gezocht moet worden. De gezamelijke Slawische

bevolking van zuidelijk Hongarije is, van af Pesth, als voornamelijk

Servisch te beschouwen, en hun aantal in Oostenrijk, met inbegrip der

Slavoniërs, Kroaten en der Servische bewoners der Militaire grenzen

en der zoogenaamde Woiwodina, bedraagt nagenoeg 3 1/2 millioen.

Het westelijk gedeelte van den grooten stam der Zuidelijke-Slaven,

bestaat uit de _Slowenzen_ of _Winden_ in Karinthië, Krain en

Stiermarken. Ofschoon de geschiedenis van den inval dezer Winden in

het duister ligt, zooveel is toch zeker, dat hunne taal een dialekt is

der Servische en Kroatische, en dat zij tot dezen zuidelijken, niet

tot den noordelijken Slawenstam der Czechen en Polen, moet gerekend

worden. Dit wordt ook bevestigd door den toon en het karakter hunner

volks-poëzie, die weinig overeenkomst met die der Czechen heeft. Zij

verraadt eene geheele andere wijze van beschouwing en uitdrukking dan

deze, en bezit, even als de Servische, iets zeer tragisch. Veel van

haar is geheel en al Servisch, vooral in de liederen, die het gebied

der geschiedenis en van het nationaal verleden betreden, en die op

volkssagen van smartelijken en beteekenisvollen inhoud berusten.

Reeds Karel de Groote deed in de 9de eeuw dezen, het Germaansche gebied

al te diep binnengedrongenen, Slawen den oorlog aan, onderwierp hen

en verdeelde hun land in grensmarken; na dien tijd zijn zij bijna

altijd aan de Duitschers onderworpen geweest. Hun adel verloor zich

in dien der Duitschers, en de burgerij der steden van hun land heeft

zich geheel uit Duitsche elementen ontwikkeld; zij zelven zijn niet

anders dan de herders, land- en wijnbouwers van hun land. Nu reiken

deze westelijkste der Zuidelijke-Slawen, niet verder dan tot aan het

Venetiaansche, tot aan den Isonzo en de hooge Alpentoppen van den

Terglou of Triglowa, een Slawische naam die "driehoofdig" beteekent,

en tot voorbij Klagenfurt. Aanvankelijk echter waren zij nog verder

vooruitgedrongen, tot in de dalen aan den Grosz-Glöckner en tot aan

Tyrol en Opper-Oostenrijk.

Maar hier heeft de terugslag van hetgeen in Duitschland gebeurd

was, hunne macht geknot. In Tyrol, Salzburg, Opper-Oostenrijk en

in de Noordelijke deelen van Stiermarken en Karinthië, zijn alle

Slawische elementen door het zegevierende Duitsche element, weder

geheel verloren geraakt.

Waarschijnlijk heeft de geographische ligging van de gezamenlijke

Zuidelijke-Slawen, de omstandigheid dat zij tot aan de spits van

de Adriatische zee, dit merkwaardig historisch- en geographisch

keerpunt in den geledingbouw van Europa, opgedrongen werden, het

meest er toe bijgedragen, dat zij zulke verschillende lotgevallen

gehad hebben. Even als de Slawen, zoo streefden ook de Italianen,

de Duitschers, de Hongaren en de Turken, naar dit natuurlijk en

gewichtig grens- en hoekpunt, en de zwakkere, de reeds van nature

verbrokkelde Slawen werden daarbij geheel uit elkander gejaagd en

vernietigd. Eenige werden, zooals reeds gezegd is, gegermaniseerd,

terwijl andere een Italiaansch waas kregen. Eenige werden door

Hongarije geannexeerd en andere met Tartaarsche en Turksche elementen

vermengd. Ook verdeelden zij zich naar hunnen godsdienst, en dit bracht

veel verschil en tweedracht onder hen te weeg, in drie soorten. Eenige

volgden, zooals bereids gezegd is, den Islam, andere den Paus en

weder andere den Griekschen Patriarch.

Ten slotte wil ik hier, zooals ik reeds aanduidde, nog een

volk vermelden, dat wel in taal en afstamming weinig met de

Zuidelijke-Slawen gemeen heeft, maar waarvan de beschrijving toch

daarom, het gemakkelijkst met die der Slawen kan verbonden worden,

daar zij naburen er van zijn, met hen een gelijk lot deelden, en,

zoo al niet in het bloed, dan toch in de zeden er veel gelijkheid mede

hebben,--en eindelijk, daar het een overblijfsel schijnt te zijn van

dien verspreiden, ouden, Illyrischen volksstam, die vroeger een groot

deel der nu door de Zuidelijke-Slawen bewoonde landen bevatte, en in

wiens grondeigendom de Slawen binnen rukten. Ik bedoel de in de geheele

wereld om hunnen oorlogzuchtigen geest beroemde Albaneezen of Arnauten,

die zich zelve echter "Skypetaren" (de kinderen der rotsen) noemen.

De "Albaneezen" of de "witte mannen" (naar de beteekenis

der Oosterlingen, die al het koninklijke en zelfstandige wit

noemen: de _vrije onafhankelijke menschen_), nu nagenoeg anderhalf

millioen zielen sterk, bewonen, als oude oorspronkelijke bewoners,

de noord-westelijke helft van het Grieksche schiereiland, of een

stuk van zuidelijk Illyrië en het oude landschap Epirus, dat van de

noord-oostelijke helft (Thessalië en Macedonië) door den bergketen

van den Pindus gescheiden wordt.--Zooals Thessalië tusschen den

Pindus en den Archipelagus ligt, zoo strekt zich Albanië of Epirus

uit tusschen den Pindus en de Jonische zee. Het land is vol woeste,

steenachtige en dikwijls met sneeuw bedekte bergen, waartusschen zich

vriendelijke en welige, met wijngaarden, oranje- en vijgeboomen gevulde

dalen en enkele meeren--hier en daar langs de rotswanden vette weiden

en hoogst vruchtbare, fraaie landstreken bevinden, waarvan een aan

den voet van den Pindus, tegenwoordig nog, even als in de oudheid,

de Elyzeesche velden genoemd wordt. Aan een dezer meren lag het,

bij de Grieken zoo hoog in aanzien staande, heilige eikenwoud van

Dodona. Maar een sterk contrast met deze kleine lachende paradijzen,

vormen de veel talrijker schrikwekkende landschappen, wier donkere

bergkloven het land als met voren doorsnijden, en waarin de Grieken de

ingangen tot de onderwereld, een Erebos en Acheron plaatsten; ook de

onbeschrijflijk woeste, doorgevretene en doorboorde rots-labyrinthen

waarvan een, reeds door de ouden uitgescholden werd als: "_infames

scopuli Acrokeraunii_", die met dreigende klippen in de Adriatische

zee uitspringen.

De stammen, die deze bergachtige wildernissen, dalen en zeekusten

bewoonden, waren van de vroegste tijden af om hun wilden geest en

hunne oorlogzuchtige gewoonten beroemd. De Mirmidone Achilles, de

meest woeste der Troyaansche helden, werd in de nabijheid van dit

land geboren. Naar de schildering, die Homerus ons van zijne kracht

en ruwe dapperheid geeft, schijnt hij een echte Albanees geweest te

zijn. In lateren tijd kwam de heldhaftige koning Pyrrhus met zijne

Palikaren van daar naar Italië, om Rome schrik in te boezemen. Een

dergelijk Palikaren-opperhoofd, de veel geprezen George Kastriota

of Skanderbeg, kwam uit de Acherontische kloven te voorschijn, toen

in de 15de eeuw de Turken dit bergvolk wilden onderwerpen, wat hun

echter nimmer geheel gelukt is. En ook weder in onzen tijd hebben

wij daar een derden Pyrrhus, den vreeselijken Ali Pascha van Janina,

uit een geslacht der Albanesche "Tosken", de macht van den Sultan

zien trotseeren. Van af Achilles tot op onze dagen heeft dezelfde

sombere geest, in dit van eeuwig wapengekletter weergalmend land,

dezen, zooals Lord Bijron het noemt, "_rugged nurse_ of _savage men_"

bestaan, en steeds heeft daar dezelfde over-oude volksstam, hetzelfde

nationale-type, dezelfde taal geheerscht. Zelfs de alles in zijn

stroom medesleurende volksoverstrooming der Slawen, die slawiseerend

tot aan den Peloponnesus doordrong, is deze stevige rotsmannen voorbij

gestroomd en heeft hen, als de oude wortelen van een eik, die eens

zijne takken wijd uitspreidde, als de overblijfselen van een ouden

burg, in de gebergten laten zitten.

Wat hun uiterlijk betreft, verschillen deze Arnauten zeer van hunne

naburen de Slawen, de Walachijers en de Nieuw-Grieken. Het zijn meestal

menschen van eene hooge gestalte en van een krachtigen, gespierden

lichaamsbouw, met langen hals en gewelfde borst. Hunne gelaatstrekken

reeds, verraden de moedige, nimmer door slavernij getemde, mannen. Zij

hebben in den regel het type van het Indo-Germaansche ras, waartoe

zij, zooals nog onlangs een geleerde uit hunne taal heeft bewezen,

behooren, ofschoon dit vroeger in twijfel getrokken werd. Hunne

vrouwen staan in schoonheid en uitdrukking bij de mannen niet ten

achter. De gestalte en de gang dezer Albaneesche Amazonen hebben

iets statigs, iets gebiedends. Hunne rijke, smaakvolle kleeding

draagt er niet weinig toe bij, den Albaneezen iets schilderachtigs

en indrukwekkends te geven. Het is dezelfde kleeding, die uit honderd

ellen linnen zamengevouwene Tristanella, het over de borst geworpene,

engsluitende met goud geborduurde "Sjelleck" (vest), de roode met

afhangende zijden kwasten voorziene hoofdbedekking (Fes), die in den

nieuweren tijd als de nieuw-Grieksche kleederdracht, in geheel Europa

bij iedereen bekend is. Zij mag bij de Arnauten oorspronkelijk en

van dezen op de Nieuw-Grieken overgegaan zijn.

In hun vaderland leven zij, evenals de Serviërs, in talrijke clans en

geslachten verdeeld, die in nimmer eindigende bloedwraak onder elkander

in vijandschap leven en die somwijlen, als een machtige vijand hen

van buiten bedreigde, als een eenig man opstonden. Verscheidene dezer

stammen, b.v. de moedige Chimarioten in de Keraunische bergen, en hunne

buren de Mirditen (d.i. de dapperen) hebben in alle tijden, evenals de

Montenegrynen, hunne onafhankelijkheid van de Turken bewaard. Ook de

door de heldhaftige verdediging van hun rotsdal, over de geheele wereld

beroemd geworden Sulioten, waren van Albaneeschen stam. Deze nooit

onderworpen geworden stammen dragen den trotschen naam van "Armatolen"

(wapenbroeders). Daar zij altijd tot den dood bereid moeten zijn,

òf om hem te ontvangen òf om hem te geven, zoo zijn zij altijd, zelfs

bij hunne vreedzaamste bezigheden en werkzaamheden, tot aan de tanden

toe gewapend, en Ceres wandelt in hun land met de speer en het schild

van Minerva rond, en zelfs Endymion hult zich in het pantser van Mars.

Deze menschen, die even vlugge en stoute bergbeklimmers zijn als onze

Zwitsersche en Tyroler Alpenjagers, wonen even als de Kaukasische

volken, in sombere woningen, die veel weg hebben van holen en sterk

zijn als vestingen; zij schijnen eer uit steenblokken _opgeworpen_ dan

_gebouwd_ te zijn, en zijn, in stede van met vensters, met schietgaten

voorzien. Ook is hun land met eene menigte kleine, eenzame wachttorens

bedekt, die boven alle rotskloven uitsteken, en van waar uit de

bewoners, als uit arendsnesten, iedere beweging op het land kunnen

waarnemen. Op de bergen zijn zij schaap- en geitehoeders, ook hebben

zij uitstekend hoornvee, terwijl zij in de dalen zich op den wijnbouw

en op de verbouwing van maïs en ander graan toeleggen. Zwijgt voor eene

enkele maal hier en daar in een dal of op een berg het krijgsrumoer,

en rust de wraak en de haar vergezellende angst, dan kan men in zulke

tijden in dit wilde land, ook ten volle de bekoorlijkheid van een

idyllisch landleven genieten, vooral wanneer de schoone epirotische

boerinnen, met meirozen versierd, het bosch intrekken, om daar de

bruiloft van Flora en de lente met dansen te vieren. Wanneer echter

de Sultan of zijn Pascha soldaten noodig heeft, en groote sommen

uitlooft, dan dalen de Arnautische "Bulukbaschis" (de opperhoofden

der stammen) van de bergen, werven ieder naar zijne kracht en naar de

hoeveelheid van het handgeld, dat geboden worden kan, eene meerdere

of mindere massa jeugdige herdersknapen en voeren deze hunne "Buren"

("pleegkinderen") zooals zij ze noemen, buiten het land ten oorlog.

Wien zij zich verkocht hebben, hetzelfde wie hij is, dien dienen

zij dapper en trouw. Zoo vindt men deze landsknechten van het Oosten

onder de vanen van den Sultan, in de serails van Bagdad en Kaïro, in

de zalen der Moldavische Hospodars; korten tijd geleden nog bij de

Pauselijke lijfwacht, in het Koninklijke slot te Napels, ja! zelfs

onder de trawanten der gebieders van Tunis en Tripoli, waar zij

meer dan eenmaal de Deys onttroonden en aanstelden, en eindelijk

voor de poorten van het paleis van den Keizer van Marocco. Van hunne

jeugd af met wapens spelende, en vertrouwd met het gebruik van hun

lang geweer, dolk, yatagan en pistolen, zijn zij reeds uitstekende

schutters en krijgslieden vóór zij hun dorp verlaten, en derhalve

overal als soldaten en trawanten welkom.

Moedig en onder luid geschreeuw, storten zij zich in ongeordende hoopen

op den vijand, en zijn zij gewoon te overwinnen. Hun oorlogsmarsch

"Brokovalas" genaamd, die reeds de strijdmakkers van Skanderbeg bij

het begin van den strijd zongen, en die wellicht afkomstig is uit de

tijden van Koning Pyrrhus, moet een verschrikkelijken indruk maken,

en is dikwijls genoeg de schrik van het Oosten en van het Westen

geweest. In hun eigen vaderland aan een vermoeiend leven gewend en

weinig behoeften kennende, achten zij de vermoeienissen der marschen en

van het oorlogsleven gering. Schielijk voldaan, matig en werkzaam, zijn

zij op reis met wat gekookte rijst of groenten tevreden. Gezang en dans

zijn hunne uitspanningen, en men ziet haast nooit een hoop Albaneesche

soldaten zonder een mandoline-speler of zanger. Bovendien hebben zij

nog dikwijls een snaakschen verteller bij zich. Bij buitengewone

gelegenheden of op hooge feestdagen wordt hun eene "Kotsche" (een

gebraden geit) of een schaap opgedischt, die nog juist op dezelfde

wijze klaar gemaakt en gebruikt worden, als zulks door Homerus wordt

beschreven. Het geheele dier namelijk wordt met zijn huid, aan een uit

het bosch gesneden braadspit gebraden en in zijn geheel opgedragen,

vervolgens wordt het door Odysseus (ik bedoel den Bulukbascha) in

stukken gesneden, hij verdeelt de dampende stukken en het vet onder

de aanzittende "buren," naar gelang van hunnen rang. Deze doorsteken

het met hunne dolken en gebruiken het onder ongedwongene vroolijkheid.

Overigens is de soldaten-kaste niet de eenige stand bij dit volk. De

ietwat gehelleniseerde Albaneezen in de steden van het land, leggen

zich met vlijt en goed gevolg op de handwerken toe. Velen van hen

trekken dikwijls als metselaars geheel Turkije door, en helpen de

plaatsen weder opbouwen, die hunne landslieden, de oorlogzuchtige

herders, verwoestten. Ook als slachters zijn de Albaneezen wijd en

zijd in Turkije bekend.

Zij hebben echter ééne kunst, die hun in het bijzonder eigen schijnt

te zijn. De in Turkije beroemde kunst der "_Suterazzi_" (bronmeesters)

stamt af uit Albanië. Deze waterkunstenaars komen uit de dalen van

Albanië, om de steden van het Oosten van frisch bronwater te voorzien,

bronnen te graven, aquaducten te bouwen, baden aan te leggen. In

Constantinopel, welke stad zij met dergelijke aquaducten omgeven

hebben, hadden zij groote gilde-voorrechten en privilegiën, en in alle

provinciën van Turkije vindt men sporen van hunne werkzaamheid. Zonder

wetenschappelijk ontwikkeld te zijn, verstaan de Albaneezen de kunst,

zeer spoedig en zeer juist de hoogte der bergen, den afstand der

plaatsen, de terreinvoordeelen van iedere plaats te beoordeelen. Zij

maken daarbij gebruik van zekere technische handelingen, die zij van

hunne voorouders overgenomen hebben, en die zij steeds onveranderd,

zonder ze verder te volmaken, behouden hebben. Hunne dikwijls 5 tot

10 mijlen lange waterleidingen, waarvan het verval zeer goed berekend

is, zijn zoo aan elkander gelijk, dat men die van gisteren nauwelijks

onderscheiden kan van die, welke voor 2000 jaren opgericht werden,

even weinig als men het onderscheid zien kan tusschen de verschillende

werken, die de bevers sedert het begin der wereld bouwden.

Ook als landbouwers hebben zich vele Albaneezen over de naburige

provinciën verspreid. Zij hebben aan de hellingen van den Helicon in

Boeötie kleine dorpen gebouwd; men vindt ze bij Athene en Attika en

zelfs over den Peleponnesus verstrooid, waar zij zich reeds in het

einde der middeneeuwen als hulptroepen der vele kleine tyrannen en

Hertogen, waaronder Griekenland na de verovering van Constantinopel,

onder de kruisvaarders zuchtte, verbreidden; waar zij ook later

dikwijls weder bij verschillende gelegenheden eigendommen verwierven,

wanneer zij op aanzetten van Turksche Pascha's, de oproeren der Grieken

onderdrukten en het veroverde land onder elkander verdeelden. En

ofschoon velen hunner, die den Islam aanhingen, gedurende de Grieksche

omwentelingen uit Arkadië en Lakonië verdreven zijn, zoo zal toch

nu nog een derde gedeelte der boeren-bevolking van het Grieksche

koningrijk, Skypetarisch of Albaneesch zijn. Bij een groot gedeelte

der Grieksche landlieden (niet der steden) is zelfs het Albaneesche

de eigenlijke huis- en familie taal.

Zij zijn ook eenige eilanden van den Archipel binnengedrongen,

en zoo beroemen zich de heldhaftige Hydryoten en Spezzioten, die

zich in de Grieksche omwentelingen zoo beroemd hebben gemaakt, van

Arnautisch bloed te zijn. De zoogenaamde Grieksche opstand, waaraan

het Nieuw-Grieksche koningrijk zijn bestaan te danken heeft, is in

zekeren zin ook een Albaneesche geweest.

Daarentegen zijn ook omgekeerd weder vele Grieken over het oude

stamland der Skypetaren verbreid. Men treft ze daar in alle steden,

voornamelijk in de zuidelijke gedeelten van het land, het oude Arkadië

en Epirus in engeren zin. Het zuidelijke Epirus is in hooge mate

vergriekscht, en heeft onder anderen ook het geloof, en den ritus

der Grieksche kerk aangenomen, terwijl de Arnauten, in het midden van

het land, tot den Islam toetraden, en de bewoners van het noordelijk

gedeelte van het land door Roomsche zendelingen voor de katholieke

kerk gewonnen zijn. Ook de tegenwoordige kerkelijke verdeeldheid

der Arnauten schijnt op zeer oude onderscheiden en verhoudingen te

berusten. Want men kan opmerken, dat de Grieksche kerk nu juist zoover

heerscht als ook reeds in de oudheid door de klassieke schrijvers,

het oude Epirus als half vergriekscht, als eene mengeling van Hellenen

en barbaren, aangegeven wordt.

In de noordelijke gedeelten van Turkije, in de Illyrische provinciën

Servië, Bosnië enz., vindt men van de oude Illyriërs, de voorvaders

der Albaneezen, nu niets meer, dan eenige oude plaats-, rivier- en

bergnamen, die nog getuigen van de vroegere groote verbreiding van

dezen volkstak.

Even als de oude Epirotische Koning Pyrrhus, zoo zijn ook zijne

latere nakomelingen, dikwijls weder over de Adriatische Zee naar

Italië getrokken. Het bovengenoemde Albaneezen-opperhoofd, de

beroemde Skanderbeg, ondernam eens een tocht naar Italië, die zeer

veel overeenkomst had met dien van Pyrrhus. Ook bezitten wij nog

een, in het Italiaansch geschreven, brief van dezen Skanderbeg,

waarin hij zich zelven met Pyrrhus en Alexander den Groote

vergelijkt, en tracht te bewijzen dat de Albaneezen, de hun door

de Italianen gegeven scheldnamen niet verdienden, maar veel eer

edele afstammelingen der edele voorvaders, der oude Macedoniërs en

Epiroten, waren. De oorlogen en invallen der Turken in Albanië,

hebben bij verschillende gelegenheden, vele der Akrokeraunische

rotsbewoners naar de zee gedreven, en deze hebben een asyl gevonden

bij den Paus te Rome, vooral echter in het koningrijk Napels, waar

zij in Calabrië en Sicilië tegenwoordig nog in verscheidene dorpen als

landbouwers wonen. Verscheidene der naar Italië gevluchtte Albaneesche

familiën, kwamen daar tot roem en aanzien, zoo b.v. de doorluchtige

vorsten-familie Albani, die in de 15de eeuw naar Rome kwam, en aan

het Pauselijke hof zooveel Kardinalen, aan de _wereld_, aan Paus

Clemens XI en de kunsten, den beroemden schilder Frans Albani en de

prachtige villa Albani leverde.

Turksche en andere woelingen voerden eindelijk ook eene kolonie van

dit merkwaardige volk naar Oostenrijk. In het jaar 1740, trokken

verscheidene duizende Albaneezen van den stam der zoogenaamde

"Clementi," in het gevolg van den Servischen Patriarch Arsenius

Ivannowicz naar Hongarije. Zij bouwden daar, in de nabijheid van

Belgrado aan de Save, verscheidene groote, fraaie dorpen, en leven nog

heden onder den naam "Clementijnen" midden onder Magyaren en Serviërs,

hunne zeden en gebruiken getrouw blijvende, onder bescherming van

een Duitsch vorstenhuis.

Geschiedenis der Europeesche Volken · 第 11 / 62 题