Al de lang uitgestrekte oeverlandschappen aan de zuidzijde van
den midden- en beneden-Donau, verder het zuidelijke Hongarije,
de zuid-oostelijke punt van Duitschland en de noordelijke- en
midden-provinciën van Europeesch Turkije, worden nu door eene reeks
volken van Slawischen stam bewoond. Zij hebben het door overwinningen
gekroonde vaderland van Alexander den Groote (Macedonië), het zangrijke
land van Orpheus (Thracië), de vroegere Romeinsche provinciën: het
steeds door water en troepenmarschen geteisterde Moesië, Illyrië,
Pannonië en een gedeelte van het, met de laatste bergen der Alpen
gevulde Noricum (Stiermarken en Karinthië) in bezit genomen. Zij
vormen een aanzienlijk bestanddeel der bevolking van Hongarije en
Oostenrijk, en maken verreweg het grootste gedeelte der Europeesche
onderdanen van den Turkschen Sultan uit.
Zij vormen eene geslotene compacte groep Slawische stammen, die,
zoowel geographisch door hare nabuurschap, als ethnographisch
door gelijksoortige afstamming, en eindelijk ook historisch door
gemeenschappelijke lotgevallen, met elkander samenhangen.
Daarentegen zijn zij van de overige groote Slawische volken en
rassen, door eene lange strook daar tusschen geschovene volken,
gescheiden. Van de Russen in het Oosten zijn zij door de Wallachyers
of Rumenen gescheiden, van de Polen en de Karpathische Slawen
door de Magyaren of Hongaren, en van hunne westelijke broeders,
de Moraviërs en Tschechen, door eene breede wig, gevormd door de
Duitsche bevolking van Oostenrijk. Niet alleen met betrekking tot
hunne geographische ligging, maar ook door ras en geaardheid, vormen
zij een tamelijk scherp contrast met de overige Slawen, ofschoon
zij zich meer aansluiten aan hunne noordelijke broeders (de Russen),
dan aan de westelijke (de Polen en Tschechen).
Daar zij op deze wijze eene in velerlei opzicht op zich zelve staande
volkenmassa vormen, heeft men ook eene eigene benaming voor hen
trachten te vinden. Daar zij de meest zuidelijke van alle Slawen
zijn, noemt men hen gewoonlijk de Zuidelijke-Slawen. Alle stammen
dezer Zuidelijke-Slawen laten zich naar hun dialect en volkskarakter
weder onder twee namen samenbrengen, namentlijk onder die van Bulgaren
en Serviërs.
De naam Bulgaren heeft betrekking op de Oostelijke afdeeling
der Zuidelijke-Slawen, aan den beneden-Donau en aan de Zwarte en
Aegeïsche Zee, met de provinciën Moesië, Thracië, Macedonië. De naam
Serviërs daarentegen duidt op de bewoners der westelijke helft, aan
den midden-Donau en aan de Adriatische Zee. Beide groote onderdeelen
der Zuidelijke-Slawen; het Bulgarische en het Servische, zijn zoowel
met betrekking tot de grootte der bevolking, als met betrekking tot
de uitgestrektheid van het grondgebied waarover zij zich uitbreiden,
nagenoeg gelijk.
Vrij algemeen wordt aangenomen, dat de hoofdmassa der
Zuidelijke-Slawen, eerst tijdens de groote volksverhuizing, en
wel in de 6de eeuw, onder de regeering van Keizer Justinianus, het
grootste gedeelte hunner tegenwoordige woonplaatsen in bezit heeft
genomen. Voor even zeker houdt men het, dat zij hier meerendeels
nakomelingen van de hun geheel vreemde "Thraciërs," "Macedoniërs",
"Illyriërs" als heerschende volken vonden.
Eene andere vraag, waarover de denkbeelden meer uiteenloopen,
is echter, of niet reeds eenige Slawenstammen hier reeds lang en
in overoude tijden, in de gebergten van Hämus, van Rhodope, aan den
Macedonischen Strymon, aan den Thracischen Maritza en in de Illyrische
berg-labyrinthen, midden onder de oorspronkelijke bewoners geleefd
hebben. Verscheidene overoude, reeds bij de Hellenen gebruikelijke
namen van bergen, steden en rivieren, schijnen dit waarschijnlijk te
maken. Eveneens wijzen de tegenwoordige zeden, gebruiken en levenswijze
dezer Slawen daarheen. Veel daarin stemt volkomen overeen, met hetgeen
de ouden ons van hunne Noordelijke naburen, van die "Thraciërs" en
"Illyriërs" mededeelen.
Men kan het nauwelijks gelooven, dat een geheel vreemdsoortig, geheel
nieuw en uit verre oorden deze streken pas binnengetrokken volk, zich
met behoud zijner taal, zoo geheel met de levenswijze en gewoonten van
het land zou vereenzelvigd hebben. Natuurlijker is het, wanneer men
zich voorstelt, dat de zoogenaamde "inval der Slawen in de 6de eeuw"
niets volstrekt nieuws in het land bracht, dat hij daar veeleer reeds
homogene, verbroederde maar onderdrukte volksbestanddeelen aantrof,
deze slechts versterkte en onder de, het meeste gewicht in de schaal
leggende Slawische, Thracische en Illyrische bevolking, in aanzien
bracht.
Hoe wij ons echter het oogenschijnlijk zoo plotseling en krachtdadig
optreden der Zuidelijke-Slawen, in de landen ten zuiden van den Donau
te denken hebben, zij het als een inval van een nieuw element, zij het
als eene innerlijke, van buiten versterkte toevloeiing uit reeds lang
bestaande bronnen; zooveel is zeker, dat bij dezen inval der Slawen,
andere even zoo lang bestaande volken, gedecimeerd, bij opvolging
vernietigd, in de machtige Slawenmassa versmolten, of in de bergen
gedreven en tot een eng gebied beperkt werden.
Van deze vroegere, òf alleen aanwezige òf ten minste domineerende,
oorspronkelijke bewoners van het Grieksch-Turksche schiereiland, vinden
wij nu nog in het oude Epirus een aanzienlijk overblijfsel; het volk
der zoogenaamde Arnauten of Albaneezen. Daar hunne geschiedenis en
aardrijkskunde, tengevolge van het zooeven gezegde, innig met die der
"Zuidelijke-Slawen" samenhangt, zoo kunnen wij de beschrijving daarvan
het best aan die hunner naburen, lotgenooten en nationale-vijanden
vastknoopen.
Daarom zal ik alles, wat ik in deze afdeeling wensch mede te deelen,
in de volgende drie afdeelingen splitsen:
1) De Bulgaren.
2) De Serviërs.
3) De Albaneezen of Arnauten.