Sachel. Esther. Aaron. Rafaël. Bewoners.
EEN BEWONER. We hebben ’n vrouw opgehaald...
SACHEL. Weg ’r mee!
RAFAËL. Rose!...
EEN BEWONER. Ze lag voor de tralies van ’t riool bij ons... ’k Wou
water scheppen...
RAFAËL (tot Esther). Dat heb jij gedaan!...
ESTHER. Ik? Zoo waar hoort me God...
RAFAËL. Roep God niet an! Moordenaarster! Jij en hij!...
ESTHER. Je ben krankzinnig!
RAFAËL. O, m’n liefje, min hartje! Gòd, God, Gòd...
ESTHER. Laat me los...
RAFAËL. Zeg op! Zeg op!...
ESTHER. Je breekt m’n pols, lafbek! (Bewoners rukken Rafaël los).
RAFAËL. Jullie heb gelijk—gelijk.—Liefje, liefje! D’r haren—d’r mooie
blonde haren—vol slijk!—En d’r oogen—d’r mond.—Kijk d’r mond!—Gestikt
bij ’n riool—bij ’n riool! O, wat hebben jullie gedaan!
AARON. As je naar rede wil luistere...
RAFAËL. Naar rede? (razend). Schurftige moordenaar!.....
SACHEL. Rafaël!...
RAFAËL. Weg van me vader!...
SACHEL. ’k Kon ’r niet tegenhouen...
RAFAËL. Jij?... jij!...
SACHEL. Rafaël!...
RAFAËL. Dus—Dus—Ze was hier met jóú?