Rebecca. Rafaël. Rose.
REBECCA (driest-lachend). O!....
RAFAËL. ’t Is niet de gewoonte ergens binnen
te sluipen.
REBECCA (lachend). Sluipen? Ik heb geklopt één—tweemaal. Je hoorde
niet.
RAFAËL. En op Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod!
REBECCA (verwonderd). Ik kom niet voor handel.
RAFAËL. Niet voor handel? Ei, wel!
REBECCA (lachend). Vader zei me hierheen te gaan....
RAFAËL. Je vader? Vierde gebod!
ROSE. Rafaël!
RAFAËL (smartlijk-spottend) .... Je vader.... Dat ’s Aaron, de koopman.
Ga zitten—laten we hàndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk!
Voor éeuwen sprak Bil’am—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe
de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen
Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de
aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het water”... Ga zitten
Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd.
In de woestijn Sinaï waren wij gelegerd.—Ik erf dit àlles, de
bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t
ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twàalef
van alles? Laten we handlen....
REBECCA (verlegen). Je doet zoo vreemd .... Je maakt me angstig....
RAFAËL. O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarin Aaron zijn
vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je
kan koken en braden—èn ’n doodshemd (zegt tante) naai je zoo rad en zoo
net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!
ROSE. Laat me gaan! Laat me gaan!
REBECCA (met stijgende verlegenheid). Heb ik je wat misdaan, dat je
zoo, zoo....
RAFAËL (smartelijk). Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe
zou je misdaan kùnnen hebben? Wàar was ’t? ’t Was in ’t huis van je
vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van
èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen
zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden. Peroe oerewoe
oemieloe es hoöres [3]—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hàhà!—’n
kind is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met ènkel
knoppen van vreugd.—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader
drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt
hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n
ziel. Die krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.... O
Rebecca, we kunnen zoo gelukkig met elkander zijn!
ROSE. Laat me gaan, Rafaël. Ik kàn je niet hooren!
REBECCA (driest). Hoor wat zij zegt—zij, de sjikse, die zich scháàmt!
RAFAËL (vernietigend). Ze schaamt zich over hàndel op Zaterdag.... Wees
indachtig dat je de Sabbathdag heiligt. Ga nog niet heen Rebecca. Je
naam is zoo lief en zoo zoet—om zachjes te zeggen.... Rebecca....
Rèbècca.... Moeder van Esau en Jacob.... Weet je hóe Jacob zijn broeder
bedroog, zijn blinden vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t
vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor
elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer
groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden,
sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn.
Alles. De grond waar we op staan, de stofdeeltjes, de zonnestralen, het
rek met tefillem [4]. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen
vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we
bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en
ik! Met drie, hebben jullie ’t voordeel, joùw vader en jij....
REBECCA (angstig). Ik hecht aan geen geld, Rafaël....
(Rose af.)
RAFAËL. Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis hier niet, in de heele
stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij
hàndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?
REBECCA. Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.... Ik
zal weer gáán.... verlang niks van je, niks....
RAFAËL. Ga, ga, Rebecca.... Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld!
Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik
ben geen drièduizend waard.—Geef me je hand. O, kind—je ben nog zoo
jóng. ’k Wou dat ’k wat voor je kon dóén....
REBECCA. Nee, niks....
RAFAËL. Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor làter—voor veel
later... voor... Nee! Dwaasheid!—Hoe kan ik je raden? Ik ken je niet,
zag je maar éénmaal, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van
je oog....
REBECCA. Goeiendag....
RAFAËL. Goeiendag, Rebecca!—Rose!—Rose, ben je tòch heengegaan!
(af).