Het Vrijboeren-gericht.
Het was een heerlijk schoone dag achter in Augustus van het jaar 1298.
Met ongetemperde kracht had de zon al dagen lang geschenen, wat het
loof der boomen misschien nog in kracht deed winnen, wat de druif en
andere vruchten deed zwellen, doch dat de hoog gelegen Alpenweiden op
sommige plaatsen een dor aanzien gaf.
Maar aan de oevers van het Vier Woudsteden-meer werd men van dat minder
schoone niets gewaar. Alles groende en bloeide daar, en vroolijk
stoeiden de stralen der gouden zon met de dartele golfjes van het
prachtig gelegen meer.
Het was een dag, midden in de week, zoodat de werkzame bewoners in deze
welvarende streek, druk aan den arbeid waren.
Niet alle mannen echter waren aan het werk, en sommigen schenen zelfs
een soort van feest- of rustdag te houden.
Af en toe zag men op het meer bootjes verschijnen, welke alle in
dezelfde richting gestuurd werden, terwijl mannen, die niet behoefden
te varen, te voet in dezelfde richting van de bootjes, voortgingen.
Over hen, die voeren, viel niet te oordeelen, hoe ze gekleed waren,
daar de bootjes zich te diep op het meer bevonden om de personen goed
te kunnen onderscheiden. Zij, die den tocht te voet maakten, kon men
echter naar hartelust van alle kanten opnemen. Wij willen niet allen
bekijken, het zou eentonig worden, doch één willen wij eens goed bezien.
Hij is een man van stellig boven de vijftig jaar, want in den
zwaren, vollen knevelbaard loopt al menig grijs haar. Zijne rijzige
en toch forsche gestalte toont spierkracht, zijn donker blauw oog
vriendelijkheid, zijn hoog gewelfd voorhoofd helder verstand, en zijne
vastgesloten lippen zeggen, dat hij veel wilskracht hebben moet. Zijne
kleeding, hoewel niet bont en schitterend, is fijn, en getuigt van
welvaart. Achter hem loopt een jong man, eenvoudig gekleed. Hij draagt
een groot slagzwaard op de beide half uitgestoken armen. De oudere is
een Zwitsersche Vrijboer, alleen met God en den Keizer boven zich,
en het slagzwaard, dat hem nagedragen wordt, is het teeken van zijne
Zwitsersche vrijheid. Zulke Vrijboeren, als hij er een is, zijn er
velen in de bergen, en ze vormen den eigenlijken Adel van het land
sinds eeuwen her. De Edelen en Ridders, die in versterkte kasteelen
wonen, zijn, in het oog van den Vrijboer, geene Zwitsers. Zwitser
alleen is hij, die op de begraafplaatsen wijzende, kan zeggen: „Daar
rusten mijne Voorvaderen, die hier reeds woonden ten tijde van het
verval der Romeinen. Zij heetten Allemanen, en onderwierpen niet alleen
de toenmalige bewoners, die Helvetiërs heetten, maar verdreven ook de
Romeinen.”
Zonder dat wij hen zoo goed bekijken, als dien eenen Vrijboer, zien we
wel dat allen, die hem voorgaan of volgen, op dezelfde manier zich een
zwaard laten nadragen, zoodat ze allen Vrijboeren of Vrijburgers uit de
steden zijn.
Allen, die samen gaan, houden drukke gesprekken met elkander, en
blijkbaar is het over een zeer gewichtig en niet heel vroolijk
onderwerp.
Wij volgen hen en komen op eene groote bergweide. In het midden er van
staan eenige zware en blijkbaar zeer oude eikeboomen. Tusschen twee
van die boomen hangt een buitengewoon groot, blinkend metalen schild,
en naar de met zitsteenen afgesloten ruimte om die boomen begeven zich
niet alleen zij, die den weg te voet aflegden, maar ook zij, die in
bootjes over het meer kwamen.
Die weide heet de Rütli, en is al sinds eeuwen de plaats waar de
gekozen Overheden op bepaalde tijden samen kwamen om recht uit te
oefenen, of om de belangen van het gemeenschappelijke Vaderland
te bespreken. Reeds de eiken, eenmaal aan Wodan, den Hoofdgod der
Germanen, gewijd, zeggen ons dat zij, die hier vóór eeuwen vergaderden,
Germanen waren en--Wodan-dienaars. Zij, die zich hier bevinden, zijn
sinds lang Christenen, en aan die eiken bewijst men niet meer den
eerbied, alsof ze de woonplaatsen der Godheid waren. Maar Germanen zijn
ze gebleven in hart en nieren, en de Rütli is hun heilig.
Er heerscht onder de menigte binnen de besloten plek een oorverdoovend
leven; de een spreekt al harder dan de ander, want allen willen, dat
hunne woorden gehoord worden.
En waarover ze het hebben?
Waar het hart vol van is, daarvan loopt de mond over. Bijna allen
hebben het over den Hertog van Oostenrijk en de Edelen, die hier in
deze gouwen op hunne burchten wonen, en die al doen, wat ze kunnen,
om den vrijen burger en vrijen boer te plagen en te sarren, ja,
niet zelden te onderdrukken. Menige vuist wordt gebald en dreigend
opgestoken tegen de enkele burchten, die van de Rütli af nog zichtbaar
zijn. De meeste vuisten en woedende blikken en gebaren gelden echter
den burcht van Hermann Geszler von Bruneck, in de wandeling bijna nooit
anders dan eenvoudig „Geszler” genoemd. Geen is er, dien ze meer haten
dan hem, en geen is er, die hen meer haat dan hij, of het moest de
Hertog zijn. En de haat der boeren en burgers is des te feller, omdat
die twee de zoons zijn van Vaders, die het ten allen tijde goed met
het Volk gemeend hebben. De andere Ridders zijn òf vreemdelingen, door
den Hertog op zijne aangekochte burchten, als Slotvoogden, geplaatst,
óf geboren Zwitsers, doch van Ouder tot Ouder mannen, die nimmer zich
met het Volk inlieten. Van hen had men nooit iets anders verwacht dan
vijandschap, doch van Geszler en den Hertog had men heel wat anders
gehoopt.
Maar wat de eigenlijke reden is dat de „Landamman” Werner Stauffacher
uit Schwyz het „Vrijboeren-” of „Mannen-gericht” opgeroepen heeft, men
weet het niet. Maar dat het gewichtige redenen moeten zijn, dat beseft
ieder, want het is een ongewone tijd om te vergaderen.
Eindelijk zullen wij te weten komen, waarom we van ons werk geroepen
werden om hier te verschijnen. Zie, daar komt de „Landamman”, de oude
„Stauffacher,” spreekt één uit den hoop, en wijst naar den kloeken man,
dien we opmerkzaam beschouwd hebben, terwijl hij, gevolgd door zijn
zwaarddrager, kalm, doch met vasten tred voorwaarts schreed.
Hij treedt de ruimte binnen, en vol eerbied, doch zonder slaafsche
onderdanigheid, maken allen plaats en verschaffen hem doorgang tot
onder de eiken, waar eene zitplaats voor hem is. Het is echter geene
bank of geen stoel, het is niets anders dan een groot rotsblok.
Hij zet zich neder, en terstond wijzen zes mannen, die ieder een'
witten staf van afgeschild hout dragen, aan allen, die opgekomen zijn,
hunne zitplaatsen aan.
Er komt stilte.
De zes mannen, „Waibel” of „Dienaars” geheeten, plaatsen ze zich drie
aan drie naast de zitplaats van den „Landamman.”
De „Landamman” neemt even den hoed af, de „Waibel” heffen de staven
omhoog, en op hetzelfde oogenblik slaat een ander dienaar met
eene groote strijdbijl hard tegen het opgehangen schild, dat een'
doordringenden toon geeft, welke tot ver in de omtrek gehoord wordt.
Een slag met een' houten hamertje en een: „Ik open de vergadering”
of „De vergadering is geopend” is, wat men in onze tegenwoordige
bijeenkomsten hoort.
Hier evenwel spreekt de „Landamman” geen woord van „openen.” De
schildslag wordt voldoende geacht, en nauwelijks zijn de krachtige
geluids-trillingen weggestorven, of hij staat op en zegt:
„Vrijburgers en Vrijboeren van Schwijz, Uri, Unterwalden en Zürich!
Ik heet u allen welkom op de Rütli, waar ik u samen riep om eene
gewichtige tijding mede te deelen en een voorstel te doen.
De tijding is deze. Onze Koning Adolf van Nassau is niet meer; hij is
gevallen als man, en als een man van wien Bernard, Aartsbisschop van
Trier getuigde: „Het dapperste en vroomste hart heeft opgehouden te
kloppen!””
Hij zwijgt even. Eene rilling overvalt ieder en in menig oog blinkt een
traan. Geen vrije Zwitser, of hij hield zielsveel van den goeden Koning
Adolf.
„Gij weet het,” dus vervolgt Heer Werner, „dat de Keurvorsten hem
afgezet hadden, omdat zij zich vangen lieten door het lokkend gefluit
van den Oostenrijker.”
„Schande over de Keurvorsten!” roept Arnold Melchtal, een oude Vrijboer
uit Unterwalden, uit.
„Ze verdienen in den Kerkban gedaan te worden, de vuige lafaards!” laat
Walter Fürst, uit Uri, zich hooren.
„Ik stem met u in,” herneemt Stauffacher, „doch laat mij vervolgen.
Alleen Heer Bernard, de nobele Aartsbisschop van Trier, en de
burgers uit de voornaamste Rijnsteden bleven onzen Koning getrouw
en beloofden hem hulptroepen te zenden, om den strijd tegen den
huichelenden Oostenrijker voort te zetten. Rudolf die zich in het
oog der Keurvorsten verdienstelijk wilde maken, verzamelde een leger
en trok Koning Adolf tegemoet, en deze, te veel vertrouwend op zijne
rechtvaardige zaak, wachtte niet tot de beloofde hulpbenden verschenen
waren, maar viel den tweeden Juli, met veel te geringe strijdkrachten,
bij Gellheim, niet verre van den Donderberg en in de nabijheid van
Worms, zijn' vijand aan. Den Oostenrijker in persoon te bestrijden
was het doel van onzen dapperen Koning, doch de huichelaar ontweek
dien kampstrijd, en gaf, tegen alle Riddereer in, bevel de paarden
van den Koning en de zijnen te treffen. Koning Adolf deed wonderen
van dapperheid. Blootshoofds streed hij, want den helm had hij in den
strijd verloren, en het eene paard na het andere bezweek onder hem.
Eindelijk, eindelijk stond hij tegenover zijn' vijand en riep dezen
toe: „Hier zal uw Rijk en uw leven eindigen.”
„Rijk en leven zijn in Gods hand,” antwoordde de Oostenrijker, die
zeker wel zag, dat het overwinnen van zijn' afgematten tegenstander hem
heel gemakkelijk zou vallen.
En--Koning Adolf viel!!”
Hier zweeg Stauffacher weer.
„Maar de haan des Oostenrijkers zal geene overwinning kraaien,” riep
Walter Fürst uit. „Den kroonjuweelendief durven de Keurvorsten niet tot
Roomsch-Koning verkiezen!”
„Het zou eene schande voor alle eeuwen zijn,” klonk luide de stem van
den stokouden Willem Tell, een Vrijboer uit Bürglen in Uri.
„Schande, schande over den Oostenrijker!” riep een ander, en al de
aanwezigen schreeuwden het verward door elkander na.
Het was gedurende eenige oogenblikken, alsof er een storm van geluiden
woedde.
Stauffacher gaf den man bij het schild een teeken, en opnieuw klonk het
luid trillend geklank.
Alles werd weer stil en Stauffacher, die nog altijd vóór zijne
zitplaats stond, vervolgde: „Wat wij geen van allen ooit gewenscht
hebben, maar wat wij allen toch vreesden, is gebeurd: De Keurvorsten
hebben Hertog Albrecht van Oostenrijk tot Roomsch-Koning gekozen, en
wij, wij moeten hem huldigen en trouw zweren, want Zwitserland is
een Rijksleen, dat wascht al het water van het Vier Woudsteden-meer
niet af. En na u de tijding gebracht te hebben, doe ik het voorstel:
Eenigen onzer zullen naar Straatsburg gaan, waar de nieuwe Keizer zijn
Hof heeft. Zij zullen hem de hulde van de Woudsteden brengen en onze
vrijheid en onze rechten hem aanbevelen. Hij trede voor, die over dit
voorstel wat in het midden te brengen heeft.”
Thans zette de „Landamman” zich neder.
De Vrijboeren en Vrijburgers keken elkander vragend aan, en het scheen,
dat het voorstel allen zóó verrast had, dat ze niet wisten, wat ze
zeggen moesten.
Eindelijk trad Walter Fürst tot voor den zetel, en op luiden toon sprak
hij: „Is het niet bespottelijk het hoofd in den muil van den leeuw te
steken? Erger nog, zou het geene schande zijn om onzen vijand, dien
we, zoo lang hij nog maar Hertog van Oostenrijk was, moedig te woord
stonden, nu te gaan vleien, waar men hem de Duitsche Koningskroon op
het hoofd gezet heeft? Mijn raad is: wij gaan niet naar Straatsburg om
hem hulde te doen. Indien hij die hulde begeert, hij kome hier, en de
Rütli zal hooren, wat wij hem te zeggen hebben.”
Met opgeheven hoofd trad de spreker naar zijne zitplaats terug en men
kon zien, dat velen met zijne woorden instemden.
Nu trad Arnold Melchtal tot voor den zetel des „Landammans” en
zeide: „Hoe, zullen wij naar Straatsburg gaan om daar onze vrijheden
en rechten bij den Keizer aan te bevelen? Weten wij niet, dat hij
reeds, als Hertog van Oostenrijk, onze gouwen bij zijn Hertogdom wilde
inlijven? En zou diezelfde man, Keizer zijnde, anders over de zaak
denken? Een dwaas, die het gelooven kan. Mijn voorstel is niet naar
Straatsburg te gaan en hier thuis bij de onzen, bedaard den loop der
zaken af te wachten.”
Ook deze spreker ging naar zijne plaats terug en thans trad Willem Tell
voor.
„Het is de vraag niet,” begon deze, „wat de Keizer doen of zeggen zal.
Wij, Zwitsers, zijn verplicht hem onze hulde te doen. Zwitserland is en
blijft een Rijksleen, onverschillig, of de Keizer Adolf van Nassau of
Albrecht van Habsburg heet, onverschillig of hij onze vriend, of onze
vijand is. Ik zeg: het voorstel van onzen „Landamman” moet aangenomen
worden. Wij _moeten_ naar Straatsburg!”
„Uw kleinzoon, de moedige Willem, zou anders spreken,” riep een jonge
Vrijboer.
„Ja, hij zou ons te wapen roepen tegen den leelijken Oostenrijker,”
deed een ander zich hooren.
„De Keurvorsten zijn blinden, en daarom kozen ze Eénoog tot Koning.
Maar wij zijn niet blind!” klonk de stem van een' derde.
„Neen, neen, wij zien! Onze oogen zijn scherper dan die van de adelaars
onzer bergen,” riep Walter Fürst.
De wanorde nam toe, doch een schildslag, harder dan de vorige, bracht
alles weer tot rust.
„Men zegt dat mijn' kleinzoon en naamgenoot anders spreken zou,” hernam
de oude Tell. „Het is mogelijk, maar ik geloof het niet. Indien hij
had willen zeggen, wat gij vermoedt, hij zou zijne zitplaats in ons
gericht niet ledig gelaten hebben, want hij en ik, wij wisten van een
rondreizend koopman, dat onze Koning Adolf gesneuveld was.”
„Juist zoo, Grootvader,” klonk thans eensklaps eene heldere, frissche
stem van achter het volk, en een jong man trad den kring binnen.
Hij was een prachtstuk van een' man, die zoo ongeveer vijfentwintig
jaar oud kon zijn. Een dichte, blonde knevelbaard omlijstte zijn schoon
gelaat, dat van gezondheid, levenslust, kracht en moed sprak. Zijne
gestalte was nog meer dan forsch, bijna reusachtig, maar zijne heldere,
blauwe oogen, die van vriendelijkheid schitterden, vertelden dat hij
dan toch in alle gevallen een goedige reus was. Een pijlkoker hing hem
op den rug, en in zijn' lederen gordel hing eene zware, blinkende bijl.
In de eene hand hield hij den grooten stalen boog, en met de andere
wischte hij zich het zweet van het verhitte gelaat, dat door eene bonte
muts, met valkenvederen versierd, tendeele bedekt was.
„Gij komt laat, Willem!” sprak de Grootvader streng. „Vanwaar komt gij?”
„Ik kom van den Bruneck, Grootvader,” luidde het kalm.
„Van den Bruneck? Wat hadt gij daar te doen?”
„Heer Geszler had mij ontboden, Grootvader!”
„En Geszler is bij den Keizer in Straatsburg!” klonk nu de stem van den
„Landamman.”
„Het is mogelijk, dat hij daar geweest is, Heer Stauffacher, doch nu is
hij op den Bruneck en... en...”
De jonge man bleef in zijne woorden steken.
„Vaar toch voort,” hernam de „Landamman” op zulk een' driftigen toon,
dat men verwonderd opkeek, want men had den man nog nimmer driftig
gezien. „Ga voort! Ik begrijp, dat gij ons wat te zeggen hebt, dat in
onze ooren minder aangenaam klinken zal.”
„Welnu dan,” hernam de jonge Tell, „ik breng het bevel van den Bruneck
mede, dat het gericht terstond moet gesloten worden, en dat de Rütli
binnen een half uur eigendom van Koning Albrecht zal zijn!”
Allen beefden van verontwaardiging, doch alleen Arnold Melchtal barstte
in een schaterend gelach uit.
„Hoe, Arnold,” liet Stauffacher zich nijdig uit, „hoe kunt gij bij het
hooren van zoo iets nog lachen? Heeft de verontwaardiging u waanzinnig
gemaakt?”
„Gij zult met mij lachen, vrienden,” sprak Melchtal. „De Oostenrijker
vischt, binnen een half uur zelfs, nog achter het net. Ik wist,
dat Heer Adolf van Beckenried door zijne schuldeischers, die allen
aanhangers van den Oostenrijker zijn, en die hem steeds maar gelden
geleend hadden, zeer lastig gevallen werd. Gij weet zoo goed als ik,
dat deze verarmde Edelman ons echter wel genegen was en standvastig
geweigerd heeft den Beckenried met onderhoorigheden aan Hertog Albrecht
te verkoopen.”
„Dat weten we,” zeide Stauffacher.
„Welnu, de geslepen geldwolven van den Hertog, beproefden het nu langs
een' anderen weg. Zij leenden hem maar voortdurend geld, doch onder den
schijn van vriendschap. Ik wist dat, en ik begreep, wat het einde zijn
zou. Nu ben ik vanmorgen vroeg naar den Beckenried gegaan en heb alles,
wat noordoostwaarts van den burcht ligt, gekocht. Zijn huis-kapelaan
heeft de koop-acte geschreven, wij hebben met getuigen onderteekend, en
ik heb dadelijk betaald. De Rütli is thans mijn eigendom, en ik geef
haar ten geschenke, als eene verzamelplaats voor de Woudsteden. Wie
lacht nu niet?”
„Op dit oogenblik kunnen we lachen, Melchtal,” sprak de „Landamman”
ernstig, „maar geloof me, de dagen zullen komen, dat wij niet lachen
zullen. De Oostenrijker zal het nooit vergeten, en hij zal wraak
nemen. Maar hartelijk zeggen wij u dank voor uw schoon geschenk. De
Woudsteden nemen het dankbaar aan, en wij geven de verzekering, dat
hier op de Rütli door het Vrijboeren-gericht nimmer een besluit zal
genomen worden, waarvoor Arnold Melchtal en zijne nakomelingen zich
schamen zullen. Doch nu mijn voorstel. Grootvader Tell is het met mij
eens, dat wij Afgevaardigden naar Straatsburg zenden om den nieuwen
Keizer hulde te doen. Die Afgevaardigden moeten hem de bescherming van
onze rechten en vrijheden opdragen!”
„Hij lacht er wat mee!” riep Walter Fürst.
„Ik weet vooraf, dat hij het doen zal, en dat hij er niet aan denkt om
Zwitserland een Rijksleen te laten blijven. Ik weet, dat hij ons bij
Oostenrijk inlijven wil, maar doet hij dat, welnu, dan is hijzelf het,
die den band tusschen ons en het Rijk verbreekt, maar wij staan voor
de heele wereld, als mannen, die deden, wat plicht en recht was. Wij
zullen dan weten, wat wij te doen hebben.”
„Zullen wij ons dan tegenover een' dwingeland vernederen, wij, vrije
mannen van de Woudsteden?” vroeg een jong heethoofd.
„Wie zijn' plicht doet, vernedert zich niet, mijn vriend,” sprak
Stauffacher kalm.
„Wij huichelen toch,” merkte dezelfde jonge man aan.
„Huichelen doen wij ook niet. Wanneer Hertog Albrecht onzen
Afgevaardigden ten antwoord geeft: „Gaat heen, en zegt den Woudsteden,
dat ik, als Keizer, al de rechten en vrijheden, die ze bezitten,
beschermen zal,” welnu, dan mag geen Zwitser er aan denken hem zijne
trouw te weigeren. Nog eens, ik zeg: Er moeten Afgevaardigden van
ons naar Straatsburg om den Keizer hulde te doen, en onze rechten en
vrijheden bij hem aan te bevelen. Wie meent een ander en beter voorstel
te kunnen doen, hij trede voor en spreke!”
„Na rijp beraad, en na al, wat ik gehoord heb,” dus sprak Melchtal,
„ben ik er ook voor, dat wij Afgevaardigden naar den Keizer zenden.
Wij verplichten ons tot niets en--doen onzen plicht. Later kunnen wij
dan naar omstandigheden handelen.”
Zooals Melchtal sprak, spraken thans ook de anderen, al was het bij
enkelen misschien met tegenzin.
Het stond vast, dat Stauffacher, als „Landamman,” het Hoofd der
Afgevaardigden zou zijn. Door het lot werden hem als mede-sprekers
toegewezen: Melchtal, Baumgarten en de oude Tell.
Geen der drie dacht er aan te vragen of een ander in zijne plaats den
tocht naar Straatsburg mocht ondernemen, hoewel men wist, dat de Keizer
de Afgevaardigden van het Vrijboeren-gericht, waar dezen zulk een' last
mede kregen, niet vriendelijk ontvangen zou. Zelfs Tell, die zich door
zijn' hoogen ouderdom wel aan de zending had kunnen onttrekken, maakte
geene enkele tegenwerping.
Nu deze zaak geregeld was, had het gericht niets meer te bespreken.
De „Landamman” nam den hoed af, de Waibel hieven de staven op, de
schildslag klonk, en kalm en bedaard ging de menigte uiteen.
Twee dagen later zag men een gezelschap, van ongeveer twintig man,
te paard in de richting naar Konstanz vertrekken. Het waren de drie
Afgevaardigden met hunne zwaarddragers en verder gewapend gevolg. Te
Konstanz zou men de Bodensee oversteken om dan verder over land naar
Straatsburg te reizen.
De zwaarddrager van den ouden Tell was zijn kleinzoon en jonge
naamgenoot, die, vóór hij met Hedwig, eene dochter van Walter Fürst,
in het huwelijk zou treden, gaarne wel eens wat meer van de wereld zou
willen zien dan de bergen en meren, de weiden en bosschen van zijn
geliefd en schoon Vaderland, dat hij nog nimmer verlaten had.