INLEIDING 1

=Eerste Hoofdstuk.=

HET VRIJBOEREN-GERICHT 8

=Tweede Hoofdstuk.=

KEIZER, KONING EN VRIJBOER 20

=Derde Hoofdstuk.=

EEN VLUCHTELING ONTKOMEN 43

=Vierde Hoofdstuk.=

DE WORSTELING IS BEGONNEN 53

=Vijfde Hoofdstuk.=

HET LIEVE VADERLAND TEN ZEGEN 70

=Zesde Hoofdstuk.=

ACHTER HET NET GEVISCHT 87

=Zevende Hoofdstuk.=

EEN KINDERWOORD 104

=Achtste Hoofdstuk.=

WALTER EN CLAUS 121

=Negende Hoofdstuk.=

TELL'S MEESTERSCHOT EN GESZLER'S PLANNEN 136

=Tiende Hoofdstuk.=

TWEE GELUKSBODEN 153

=Elfde Hoofdstuk.=

DOOR DE FÖHN VRIJGEMAAKT 165

=Twaalfde Hoofdstuk.=

GELUKKIG BEGIN VAN EEN GEWAAGD SPEL 178

=Dertiende Hoofdstuk.=

MORGARTEN EN BRUNNEN 194

Inleiding.

Uit onze vaderlandsche geschiedenis weten we reeds, dat Duitschland

in de dertiende eeuw geen toonbeeld van orde, welvaart en eendracht

was. Wie leerde niet de gebeurtenissen kennen waaraan onze Hollandsche

Graaf Willem II, als Roomsch-Koning deelnam? Toen Willem II in 1256

in een' strijd tegen de West-Friezen vermoord werd, was hij nog immer

Roomsch-Koning, want de kroning tot Keizer had steeds niet kunnen

plaats hebben. Als Roomsch-Koning had hij twee opvolgers: Richard

van Cornwales en Alfonso van Kastilië, doch ook geen dezer twee werd

Keizer. Men noemt dat tijdperk in de geschiedenis van Duitschland met

een vreemd woord „Interregnum” d.i. „Tusschen-regeering.”--Eindelijk

werd in 1273 Graaf Rudolf van Habsburg tot Roomsch-Koning gekozen. De

Habsburg of Habichtsburg, het stamslot van dezen Graaf, die één der

Voorvaderen was van den tegenwoordigen Keizer van Oostenrijk, lag op

den Wülpelsberg aan den rechteroever van de Aar, in het tegenwoordige

Zwitsersche canton Aargau. Rudolf bleef tot 1291 in leven, doch,

hoewel machtiger dan zijne drie voorgangers, kon hij het ook niet

zoo ver brengen, dat hij tot Keizer gekroond werd. Zijn heele leven

was niets anders dan een strijd tegen Duitsche Vorsten, die hem niet

wilden erkennen, en tal van machtige Edelen, die niets anders waren dan

Rooverhoofden, die op hunne sterke rotsburchten de schrik van duizenden

bleven. Alleen in Thüringen vernielde Rudolf meer dan zestig van die

roofsloten. De burgers, kooplieden en landbouwers, die in Rudolf een'

beschermer vonden, waren hem zeer genegen, en schonken hem talrijke

bewijzen van hunne liefde en genegenheid. Vooral de Zwitsers hielden

veel van hem, en dat is niet vreemd. Aan den Habichtsburg,--wij zouden

hem „Valkenburg” noemen,--waren uitgestrekte bezittingen verbonden, en

hierop woonden lieden, die door Graaf Rudolf als vrijen beschouwd en

behandeld werden. Ze hadden zelfs een „Vrijboeren-gericht” en tegen

de uitspraak hiervan konden de Edellieden en Ridders uit den omtrek

zich niet verzetten, wat deze laatsten moeielijk konden verkroppen.

Velen van die vrije boeren leefden zelfs bijna geheel als Edelman, en

hadden het recht om bij plechtige gelegenheden zich een zwaard te laten

nadragen door een' ondergeschikte.

Er heerschte dus door de milde regeering van Graaf Rudolf zeer veel

welvaart in die streken. Gedurende de vele oorlogen, die Rudolf te

voeren had, veroverde hij ook Oostenrijk, welk land hij, met goedvinden

van de Keurvorsten, als Hertogdom aan zijn' zoon Albrecht gaf. Deze

Albrecht van Habsburg was een heel ander man dan zijn' Vader. Wreed kon

men hem niet noemen, doch hij was verbazend fier en trotsch, en kon

zich met zijn' Vader onmogelijk vereenigen in diens genegenheid voor

burgers, boeren, kooplieden en lijfeigenen. Opzettelijk mishandelen

zou hij hen wel niet, doch hen beschermen en voorthelpen zou hij

nog veel minder. Hij achtte zich van te hooge geboorte, te edel, te

voornaam om zich met het Volk op ééne lijn te stellen. Die Vorstelijke

hooghartigheid mocht koren op den molen der Ridders en Edellieden

zijn, de Zwitsersche vrijboeren en burgers waren er minder mede

ingenomen, en het duurde niet lang, of er ontstond in het eigenlijke

Graafschap Habsburg, dus in een deel van Zwitserland, een geest van

ontevredenheid en verzet. Jammer genoeg kwam er nog iets bij, dat

onzen Hertog Albrecht zeer ten nadeele was. Hij had een terugstootend

uiterlijk; hij was afschuwelijk leelijk. Niet altijd was hij dat

geweest. Als jongeling was hij de schoonste man van heel zijn gebied,

en daardoor de lieveling der Adellijke Jonkvrouwen. Een ander schoon,

jong Edelman kon niet verdragen, dat hij zoover achter Albrecht stond

en toen Albrecht hem bovendien door zijn' trots beleedigd had, besloot

hij zich te wreken en gaf hem vergif in. De geneesheren, die terstond

geraadpleegd werden, verklaarden eenstemmig, dat er slechts één middel

was, dat hem van den dood kon redden. Dat middel bestond hierin, hem

bij de voeten op te hangen en hem zoo lang mogelijk in dien toestand

te laten blijven, opdat het vergif uit neus en mond loopen kon. Hertog

Albrecht talmde niet lang om zich aan die vreeselijke „operatie”

te onderwerpen. Met waren heldenmoed onderging hij die pijniging,

en--genas. Maar na zijn herstel herkende hij zichzelven niet, want één

zijner oogen had hij bij die marteling verloren, en al de trekken van

zijn eertijds edel gelaat waren afzichtelijk verwrongen. Wat nog veel

erger was, haat, wraakzucht en een verregaand wantrouwen waren zijn

boezem binnengeslopen.

In de Middeleeuwen, en zelfs nog ten tijde van Keizer Karel V, ging de

Duitsche Keizerskroon niet van Vader op oudsten zoon over. De opvolger

des Keizers werd door de Keurvorsten des Rijks gekozen, en was in vele

gevallen een heel ander persoon dan die oudste zoon.

Rudolf had gaarne gezien, dat Albrecht gekozen werd, doch de

Keurvorsten waren Rudolf niet meer genegen en haatten Albrecht.

Zij wisten daarom middelen te vinden om de keuze uit te stellen,

en het gevolg was, dat er geen opvolger gekozen was, toen Rudolf

stierf. Hertog Albrecht wist zeer goed hoe slecht hij bij de

Keurvorsten aangeschreven stond en dat dus zijne kans om de opvolger

zijns Vaders te worden zeer gering was, indien hij niet zichzelven

als Roomsch-Koning aanstelde. Na den dood zijns Vaders maakte hij

zich daarom van Konings- en Keizerskroon, ja, van alle Keizerlijke

waardigheids-teekenen meester, en tartte, als Roomsch-Koning bij

eigen gratie, alle Keurvorsten, ja, zelfs den Paus. De Keurvorsten

waren hierover woedend en kozen bij hunne spoedig belegde bijeenkomst

tot Roomsch-Koning Graaf Adolf van Nassau, een dapper Vorst, maar

niet machtig genoeg om tegenover den schatrijken en machtigen Hertog

Albrecht van Oostenrijk met eenige kans van slagen in het krijt te

treden.

De tegenspoed, dien Adolf van Nassau ondervond, deed de Keurvorsten

inzien, dat ze eene keuze uitgebracht hadden, welke verkeerd heeten

moest, en weldra lieten ze Adolf aan zijn lot over. De slimme Albrecht

speelde nu, zooals wij dat zeggen zouden, „aap, wat heb je mooie

jongen.” Hij zond al de geroofde Keizerlijke waardigheids-teekenen aan

de Keurvorsten terug, en erkende Graaf Adolf als zijn Leenheer en als

Roomsch-Koning. Dit viel bij de Keurvorsten in goede aarde, en de een

na den ander erkende Roomsch-Koning Adolf, die moedig stand hield,

niet meer. Stellig zou deze laatste reeds vroeger het onderspit hebben

moeten delven, als Hertog Albrecht niet met Stiermarken en Salzburg

in oorlog geweest was. Toch liet Hertog Albrecht den tijd niet geheel

verloren gaan met alleen oorlog te voeren. Hij trachtte in stilte zijn'

aanhang en macht te versterken door bondgenooten te winnen, wat hem

maar al te zeer gelukte.

Zwitserland was in dien tijd een land, dat rechtstreeks aan den

Keizer behoorde, onverschillig uit welk huis deze was. Aan elken

Roomsch-Koning of Keizer zwoeren de Zwitsers derhalve trouw, en steeds

werd het land bestuurd door Rijksvoogden, die door den Keizer benoemd

werden. Over de landschappen Schwijz, Uri en Unterwalden waren de

Graven van Habsburg Rijksvoogden. En al werden de Habsburgers nu ook

al Hertogen van Oostenrijk, toch bleven de genoemde cantons verbonden

aan het Keizerrijk, en mocht het niet veel meer dan een toeval heeten,

dat hun Rijksvoogd, de Graaf van Habsburg, niet alleen Hertog van

Oostenrijk, maar ook Duitsch-Keizer was. Met andere woorden: Rudolf

van Habsburg had alleen gezag over hen krachtens zijne waardigheid,

als Roomsch-Koning en Keizer. Hetzelfde zou ook het geval met Albrecht

zijn, indien deze eenmaal Keizer werd. Hertog Albrecht echter wilde

gaarne de Woudsteden, zooals die cantons ook wel eens genoemd werden,

onder het rechtstreeksche bestuur van de Hertogen van Oostenrijk

hebben, om daardoor zijne macht te versterken. Hiervan wilden echter

de Zwitsers, die Graaf Adolf reeds als hun Heer gehuldigd hadden,

niets weten, wat bij den heerschzuchtigen en trotschen Habsburger heel

wat kwaad bloed zette. Om zijn' zin toch te krijgen, liet hij zijne

bezittingen, als Graaf van Habsburg, door nieuwe aankoopen vergrooten.

Vooral waren het de kasteelen der Edelen, die hij kocht, want dezen

waren hem zeer genegen, omdat hij den boeren een kwaad hart toedroeg.

Het verbrokkelde Graafschap werd derhalve steeds meer een geheel, en de

Edelen verlieten het om elders zich kasteelen te bouwen, waar de boeren

en burgers niet zooveel te zeggen hadden.

Eindelijk had Hertog Albrecht het masker afgelegd en de Keurvorsten

kwamen zoover, dat ze Graaf Adolf van Nassau als Roomsch-Koning

afzetten. Adolf was er evenwel de man niet naar om zich die afzetting

te laten welgevallen en was vast besloten zich in zijn gezag te

handhaven. Met behulp van enkelen, die hem trouw gebleven waren,

verzamelde hij een leger en trok hiermede Hertog Albrecht, die zich aan

het hoofd van zijn eigen en een deel van het rijksleger geplaatst had,

tegemoet.

De uitslag was voor Adolf treurig, want hij sneuvelde den tweeden Juli

1298 bij Gellheim, niet ver van Worms en Spiers.

Om de Keurvorsten nog meer te verblinden, speelde Albrecht opnieuw den

edelmoedige, en hield zich, alsof hij de Duitsche kroon niet begeerde.

„Zulk een man verdient de kroon meer dan eenig ander,” dachten de

Keurvorsten en in de eerste bijeenkomst reeds werd Albrecht tot

Roomsch-Koning gekozen. Thans nam de huichelaar de benoeming aan, en

reeds in Augustus van hetzelfde jaar werd hij te Aken gekroond.

Omstreeks dezen tijd begint het verhaal, waarin Willem Tell eene

hoofdrol spelen zal.

Ik moet echter vooraf zeggen, dat zeer vele geschiedvorschers

ontkennen, dat er ooit een man geleefd heeft, die Willem Tell heette,

en die oorzaak was, dat niet alleen het heele Graafschap Habsburg met

alle aanhoorigheden voor het Oostenrijksche Huis verloren ging, maar

dat ook heel Zwitserland eene Republiek werd, welke zelfs ophield een

Rijksleen van den Keizer te zijn.

Komt men echter in Zwitserland, dan moet men het niet wagen om de

geschiedenis van Willem Tell in twijfel te trekken, want geen enkele

Zwitser wil er iets van weten, het bestaan hebben van zijn' nationalen

held te ontkennen. Voor de Zwitsers is en blijft Tell de grondlegger

van hunne Republikeinsche vrijheid.

Wie van de twee partijen ik gelijk geef? Ik durf het niet zeggen. Ik

beweer dus niet: „Willem Tell heeft nooit geleefd,” en evenmin zeg ik

u, als waarheid: „Willem Tell heeft wel geleefd!”--Ik geef u alleen

het verhaal, zooals ik meen het te mogen geven, en zooals ge het

zeker dikwijls genoeg tendeele hebt hooren vertellen. En omdat er

gebeurtenissen in voorkomen, welke werkelijk hebben plaats gehad, en

omdat ik er de zeden en gewoonten van de Zwitsers van dien tijd in

schetsen zal, durf ik het gerust een historisch verhaal noemen. Ik hoop

dat het lezen er van u allen zulk eene aangename uitspanning zal zijn,

als het vertellen er van dit eeuwen lang geweest is voor ieder, die nog

dwepen kon met vaderlandsliefde. Vooral voor ons Nederlanders had dit

verhaal steeds veel aantrekkelijks, omdat we den strijd van de Zwitsers

in overeenstemming brachten met onzen strijd tegen Spanje.

[Decoratie]

Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld · 第 9 / 22 题