I. 1. 173. Agenors dochter--de schoone Europa.

I. 1. 213. Mijn vederhoed. Er staat eigenlijk: mijn kleurigen (of

bonten) hoed; een hoed is bedoeld, zooals alleen voorname lieden

dragen.

I. 2. 28. Het doet er niet toe, wat hij daar in het Latijn vertelt. Het

moge vreemd schijnen, dat Grumio, de Italiaan, zijn eigen moedertaal

voor Latijn houdt, maar hij spreekt door Shakespeare Engelsch; het

Italiaansch is hem, al speelt het stuk in Italië, een onbekende taal

en kan hem dus Latijn toeschijnen of iedere andere vreemde taal;

alleen voor Italiaansch moet hij het niet houden.

I. 2. 33. En niet meer meespeelt. In 't Engelsch staat: being,

perhaps, two-and-thirty,--a pip out. Een pip is een oog, een punt

op een speelkaart, a spot on cards. De zegswijze is ontleend aan het

kaartspel: Bone-acre or One and thirty; wie meer had dan één-en-dertig,

viel uit, speelde niet meer mee. Was Petruccio twee-en-dertig, dan

was zijn tijd van spelen voorbij.--Halliwell merkt verder nog op;

"to be two-and-thirty, a pip out, was an old cant phrase applied to

a person who was intoxicated."

I. 2. 69. Waar' ze ook zoo leelijk als Florentius' bruid enz. Gower

verhaalt in het eerste deel van zijn Confessio Amantis [1] de

geschiedenis van een zekeren ridder Florens of Florentius, die,

om een raadsel op te lossen en hierdoor zijn leven te redden, een

afschuwelijk leelijk wijf trouwde,--

"Which was the lothiest wighte,

That ever man cast on his eye".--

Dezelfde historie, doch zonder naam, vertelt ook Chaucer in The Wife

of Bath's Tale. Voltaire heeft er zijn vertelling Ce qui plaît aux

dames, die door Bilderdijk in Ridder Sox vrij is nagevolgd, naar

gedicht.--Voor het fel en vinnig van den volgenden regel heeft het

Engelsch curst and shrewd. Aangaande dit laatste woord, dat in dit stuk

meermalen voorkomt, moge hier de volgende verklaring van Grant-White

een plaats vinden: "Shrewd now is only used in the sense of keen,

as applied to the mind. But this sense is merely figurative. The

radical idea of the word shrew is irritation, sharp annoyance".

I. 2. 244. Leda's schoone dochter. Helena, de vrouw van Menelaos,

geschaakt door Paris. De Trojaansche oorlog was aan Shakespeare's

publiek zeer wel bekend. Mythologische toespelingen werden over

het algemeen wel begrepen; dat Hercules ook Alcides heette b.v.,

en dat hij twaalf groote werken volbracht had (zie I. 2. 258) wisten

waarschijnlijk velen van de toeschouwers.

I. 2. 282. U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet. Hij zal

hem dus straks verwelkomen, bij de afgesproken samenkomst, of wel,

volgens afspraak, verkleed zijn opwachting komen maken en hij hoopt

dan welkom te zijn, of hij zal Petruccio welkom zijn, omdat hij hem

aan een rijke vrouw helpt. Woordelijk luidt het oorspronkelijke:

"Een aardig plan voorwaar, en zij het zoo!

Petruccio, 'k ben uw ben vénuto".

Ben venuto is de Italiaansche groet: welkom! De klemtoon is hier,

als bij Sh., verkeerd gelegd, om een schertsrijm te krijgen.

Op het eerste bedrijf volgt in het stuk van 1594 een kort gesprek

tusschen den ketellapper en den als bediende verkleeden Lord. Bij

de woorden van Sluw: "Bravo, hier komen twee mooie dames" treden

Katharina en Bianca op.

II. 1. 33. Barvoets dansen en apen brengen naar de hel. D. i. "als

oude jonge juffer sterven". Zie "Veel leven om niets", II. 1. 43. De

uitdrukking was spreekwoordelijk. Hoe de zegswijze ontstaan is, schijnt

onbekend; het apen brengen naar de hel is misschien als straf gedacht

voor oude juffers, die niet van kinderen hielden en ze afscheepten

of onaardig behandelden.

II. 1. 101. Dit stapeltje Latijnsche en Grieksche boeken. Men behoeft

hier geenszins uit af te leiden, dat de dochters van Battista geleerder

waren dan andere jonge dames van haar tijd; Latijn, Grieksch, wiskunde

en wijsbegeerte werden toen dikwijls door vrouwen beoefend, ongeveer

als thans muziek. Men denke slechts aan koningin Elizabeth, Lady

Jane Grey, de dochters van Sir Thomas More; en ook in ons vaderland

waren, zooals bekend is, zulke studiën zoo zeldzaam niet. Vooral

in een academiestad als Padua kon men wachten, dat de vrouwen van

de hoogere klassen er zich mee bezighielden. In de nieuwere talen

waren slechts weinige onderhoudende en schoone boeken geschreven,

zooals Macauley in zijn stuk over Lord Bacon terecht opmerkt.

II. 1. 103. Lucentio is uw naam? De naam Lucentio is nog niet genoemd,

hoe komt Battista dien te weten? Het is licht mogelijk, dat Tranio

eindigde met zijn naam op te geven, en dat deze met Lucentio beginnende

regel bij den druk is weggevallen; het kan ook zijn, dat de dichter

zich vergist heeft. Wil men het verzuim herstellen, dan kan men Tranio

laten zeggen: "Lucentio is mijn naam"; en Battista alleen laten vragen:

"Van waar afkomstig?"

II. 1. 116. Ik kan niet elken dag hier aanzoek doen. Dit zeggen van

Petruccio: And every day I cannot come to woo, wekte ongetwijfeld zeer

veel vroolijkheid bij de toeschouwers op, want het is woordelijk,

met een kleine omzetting, het refrein van een oude ballade, The

ingenious Bragadoccio betiteld. Ook in een tusschenspel, interlude,

van Puttenham komt de regel voor: I cannot come a wooing every day.

II. 1. 199. Zooals een vouwstoel, ja. Men vergelijke "Koning Lear"

III. 6. 54. Cry you mercy, I took you for a joint-stool: Verschoon

mij, ik hield u voor een vouwstoel. Het was een gewoon zeggen, als

men iemand opzettelijk over het hoofd had gezien en zich op lompe, ja

beleedigende wijze daarover verontschuldigde.--Het geheele volgende

gesprek vloeit over van woordspelingen, die slechts ten deele met

eenige getrouwheid zijn weer te geven; in reg. 207 wordt uit be,

zijn, bee, bij, verstaan en daarom van buzz, gonzen, gesproken,

waarop weer de vermelding van een buzzard, buizerd of muizerd, volgt;

reg. 215 wordt tail opgevat als staart, en als tale, vertelling;

reg. 216 coxcomb als narrenkap of nar, en als hanekam. Reg. 225 zegt

Petruccio tot Katharina: Put me in thy books, wat hier doelt op het

boek, waarin de herauten de wapens moeten aanteekenen, maar wat ook

beteekent: "sla acht op mij", "denk aan mij", "wees mij gunstig".

II. 1. 268. Nu, houd dien geest maar warm. Yes, keep you warm. Een

spreekwoordelijk zeggen, vollediger uitgedrukt in "Veel leven om

niets", I. 1. 68: If he have wit enough to keep himself warm, "als

hij geest genoeg heeft, om zich warm te houden".

II. 1. 297. Griseldis streeft zij in geduld ter zij. Er staat

eigenlijk: "In geduld zal zij een tweede Griseldis blijken". De

geschiedenis van Griseldis, de zachte vrouw, die al de beproevingen,

die haar man haar oplegde, met de grootste lijdzaamheid droeg, was in

Engeland reeds lang bekend. Petrarca had in 1373, het jaar vóór zijn

dood, het verhaal van Boccacio betreffende Griseldis (Decamer. X. 10)

in het Latijn overgebracht: De obedientia et fide uxoria Mythologia;

en deze Latijnsche vertaling werd door Chaucer getrouw gevolgd in zijn

Canterbury tales, waarin de geschiedenis van Griseldis The Clerk's

Tale uitmaakt. Chaucer was in 1372-'73 in Italië en kan er toen reeds

de geschiedenis hebben leeren kennen.

II. 1. 300. Aanstaanden Zondag zal de trouwdag zijn. Collier zegt,

dat dit het refrein is van een oud lied, waarvan hij een strophe naar

mondelinge overlevering mededeelt:

"To church away!

We will have rings

And fine array,

With other things

Against the day,

For I'm to be married on Sunday".

Zoo Collier niet een strophe mededeelt, die naar aanleiding van

bovenstaanden regel van Sh. en den voorafgaanden gemaakt is, moet

Shakespeare dit lied gekend hebben.

II. 1. 348. Gij kent, vooreerst, mijn huis hier in de stad. Indien

Shakespeare niet zelf Italië bezocht heeft, en geen kijkje heeft

genomen in de huizen van aanzienlijken aldaar, vooral in Venetië

en nabijgelegen steden, moet men erkennen, dat hij wonderwel was

ingelicht, want hij heeft de kostbaarheden van zulk een woning zeer

juist beschreven en de ivoren koffers, troonhemels, Turksche kussens

met paarlen zijn terecht als kenschetsend aangehaald, evenzoo de

Venetiaansche kunst, want de gouden kunstwerken van Venetië waren

beroemd.

III. 1. 28. Hic ibat Simois etc. Dit distichon is uit de

Heldinnebrieven van Ovidius, I. v. 33. Penelope schrijft aan Ulysses,

hoe bij menige andere vrouw, die zoo gelukkig is, dat haar man is

teruggekeerd, na den maaltijd de strijd om Troje met een luttel

geplengden wijn op een tafel wordt duidelijk gemaakt; de verhaler

zegt dan: "Hier liep de Simois, daar is het Sigeïsche veld; ginds

stond het hooge hof van den grijzen Priamus".

III. 1. 37. Den ouden verliefden gek. In 't oorspronkelijke: "den

ouden Pantalon". Zie boven, bij I. 1. 47.

III. 1. 50. Pedascule. Blijkbaar een uit Pedant en het Grieksche

Didascalos (Leermeester) gesmeed woord, met den uitgang van den

Latijnschen vocativus.

III. 1. 73. Ut ben ik, gamma, enz.--Gamut I am, the ground of all

accord etc. Het woord gamut beteekent in dit versje niet de toonladder,

maar de noot Gamma, zoodat het woord in het Engelsch eigenlijk gammut

moest geschreven zijn.

Gamm'-ut is, in den zin, waarin het woord hier genomen wordt, de

laagste noot der toonladder van Guido Aretino, een Benedictijner

monnik, uit de elfde eeuw, van Arezzo in Toscane. Aan dezen toon, de

G op de onderste lijn van de bas, gaf hij den naam van de derde letter

in het Grieksch Alphabet, G, Gamma, liet den slotklinker weg en stelde

er de lettergreep ut voor in plaats. Dezen, en de overige namen, re,

mi, fa enz., die Guido aan de noten der diatonische toonladder gaf,

ontleende hij aan de volgende verzen, die de eerste strophe uitmaken

van een kerkgezang, van Paulus Diaconus, aan den Heiligen Johannes

Baptista, een bede bevattende der zangers, dat zij niet van heeschheid

mochten te lijden hebben:

"Ut queant laxis resonare fibris

Mira gestorum famuli tuorum,

Solve polluti labii reatum,

Sancte Joannes!"

De wijze, waarop deze hymne oudtijds in de Katholieke kerk gezongen

werd, klimt met de diatonische intervallen G, A, B, C, D en E, bij

de lettergrepen, die hier cursief gedrukt zijn.

Door Guido werden de twintig tonen der Gregoriaansche toonladder, met

de G, dat is de G op de onderste lijn (gamma) van de bas, beginnende,

in zeven toonreeksen, zoogenaamde hexachorden, ieder van zes tonen,

ingedeeld. In elk dezer Hexachorden, bij welke van C, F of G als

grondtoon werd uitgegaan, werd deze grondtoon steeds ut genoemd; de

volgende tonen werden re, mi, fa, sol, la geheeten. De tonen werden

dus in de hexachorden vernoemd, zonder dat op de hun toekomende

Gregoriaansche letters gelet werd, zoodat de namen ut, re, mi, fa,

sol, la, niet aan bepaalde tonen eigen waren, maar ut op F, G en C,

re op G, A en D, enz. kon vallen. Tusschen mi en fa lag steeds een

halve toon; de B was in het eerste, vierde en zevende hexachord de

ware B, of B quadratum (bij de Duitschers H), in het derde en zesde

hexachord B mol, of B rotundum (bij de Duitschers B).

Het eerste hexachord omvatte de tonen G, A, B, C, D, E; het tweede

C, D, E, F, G, a (zoo men door de lettersoort, zooals A, a, a, de

tonen van verschillende hoogte wil uitdrukken). De toon C heette dus

in het eerste hexachord fa, in het tweede ut, D in het eerste sol,

in het tweede re, E in het eerste la, in het tweede mi.

Zoover reikt het onderwijs, door Hortensio aan Bianca gegeven, dat

alzoo volgens de methode van Guido van Arezzo plaats heeft. Ware hij

verder gegaan, dan hadden zijn volgende versregels moeten beginnen met:

F fa ut, G sol re ut, a la mi re, b fa mi, c sol fa ut, d la sol re,

e la mi, f fa ut, g sol re ut, a la mi re, b fa mi, c sol fa, d la sol,

e la.

Om het overgaan van het eene hexachord in het andere gemakkelijker

te maken, verbond Guido de namen der tonen aan de gewrichten

en vingertoppen der linkerhand, waarop de zanger het oog moest

vestigen. Men moge hierover een geschiedenis der muziek raadplegen.

Dat Shakespeare een groot vriend was van muziek en deze kunst hoog

in eere hield, blijkt uit vele plaatsen zijner geschriften. Bovendien

strooit hij hier en daar in zijn stukken liederen, voor welke populaire

wijzen bestaan. Wie hier meer van weten wil, raadplege het groote

werk van W. Chappell, The Ballad literature and popular music of the

olden Time: History of the ancient songs, ballads, and of the Dance

tunes of England etc. London (1855).

III. 2. 51. De opgenoemde paardekwalen zijn niet alle dezelfde

als in het oorspronkelijke; een getrouwe overzetting zou voor velen

onverstaanbaar geweest zijn of omschrijvingen vereischt hebben, kortom,

een geheel verkeerden indruk gemaakt hebben, door letterknechterij.

III. 2. 70. "De veertig lustige liefdeliedjes". In 't Engelsch: "the

humour of forty fancies". Volgens Warburton's hoogst waarschijnlijke

gissing een toen ter tijd zeer bekende verzameling van minneliedjes

(fancies).

III. 2. 84. Neen, bij Sint Japik enz. Het Engelsch Nay, by Sint Jamy,

etc. ziet er wel naar uit, dat het aan een volksballade ontleend is.

III. 2. 168. Wat zeî de sukkel enz. De tekst heeft: What said the wench

when he rose again? Het woord wench zou met deerne, aan welk woord

men geen ongunstige beteekenis te hechten heeft, juist vertaald zijn:

Wat zeî de deerne, toen de man weer stond? Maar 't is zeer de vraag,

of de lezing wench wel de ware is. Het ligt veel meer voor de hand,

dat Tranio vraagt, wat de priester zeide, toen hij weer op zijn

beenen stond; de jonge vrouw behoefde niet te wachten, met iets te

zeggen, tot de priester was opgestaan. Bovendien is het vers mank,

zooals het in de folio- en de globe-editie staat; behoudt men wench,

dan moet men rose zeker in arose veranderen. Veel beter leest men:

"What said the wretched, when he rose again?" of wel: "What said the

wretch, when he arose again?" zooals Rich. Gosche heeft voorgeslagen.

III. 2. 175. En wierp, wat van den huwlijkskoek in 't glas nog over

was, enz. Het was toen ter tijd gewoonte, na de inzegening van het

huwelijk, in de kerk wijn en koek [2], welke laatste in den wijn

gedoopt of gesopt werd, aan te bieden. Dit had bij alle huwelijken

plaats, tot welken stand het jonge paar ook behoorde. Zoo wordt,

bij gelegenheid van het huwelijk van Philips en koningin Maria,

in 1554, dat in de kathedraal van Winchester gesloten werd, dit

gedeelte der plechtigheid aldus beschreven: "The trumpets sounded,

and there remained until mass was done; at which time wine and sops

were delivered to them both".

IV. 1. 20. Vuur, vuur, en gooi er geen water, geen water

op. Ongetwijfeld toespeling op een oud liedje. Blackstone vermeldt

een canon van dezen inhoud:

"Scotland burneth, Scotland burneth;

Fire, fire; fire, fire;

Cast on some more water".

IV. 1. 51. Zijn de kannen kant enz. Hier moest met eenige vrijheid

vertaald worden, om eenigszins denzelfden indruk te geven als het

oorspronkelijke, dat aldus luidt: Be the jacks fair within, the jils

fair without, the carpets laid, and every thing in order? Hierbij valt

op te merken, dat Jack een zwartlederen drinknap of kan is, en ook

een gewonen boeren- of knechtsnaam, zooals Hans, Jill een aarden vat

of een maat van een kwart pint inhoud, en ook een gewone meidennaam,

zooals Griet; men vergelijke "Een Midzomernachtdroom", III. 2. 461,

en "Veel gemin, geen gewin", V. 2. 885. Carpets zijn tafelkleeden.

IV. 1. 143. Waar zijn mijn vroegre dagen heen? Een regel uit een liedje

van dien tijd; ook Pistool haalt dien aan in "2 Koning Hendrik IV",

V. 3. 147.--Een oogenblik later volgt iets dergelijks.

IV. 1. 193. Mijn valk, met leêge maag, enz. Petruccio bezigt inderdaad

dezelfde middelen als voor het temmen van valken gebruikt worden:

vasten en slapeloosheid.

IV. 2. 61. Een oude hemelzend'ling. In 't Engelsch: an ancient angel,

een engel, wijl hij hulp brengt. Wij behoeven hier dus niet te lezen an

engle, dat men als a gull, iemand, die zich foppen laat, verklaren wil.

IV. 2. 63. 't Moet een kantoor- of schoolvos wezen. Het oorspronkelijke

bezigt hier twee vreemde woorden: Master, a mercatant, or a pedant,

waarbij pedant den klemtoon heeft op de laatste syllabe. Mercatant

werd in de tooneelwerken van dien tijd meermalen voor "koopman"

gebezigd en is hier wel op zijn plaats, daar het stuk in Italië speelt.

IV. 3. 91. 't Lijkt wel een vuurpot in een scheerderswinkel. In

de scheerwinkels, waar dikwijls veel menschen bijeen waren, werd

reukwerk gebrand. Daartoe dienden metalen vuurpotten, censers, met

opengewerkt deksel.

IV. 4. 93. Cum privilegio enz. De Latijnsche formule van het

privilege, dat een drukker het uitsluitend recht tot drukken van een

werk verzekerde.

IV. 5. 39. Gelukkig de ouders enz. Hier schijnt een herinnering uit

Ovidius' Gedaanteverwisselingen den dichter voor den geest te zweven.

V. 1. 155. 't Is nimmer te laat. In het stuk, dat in 1594 werd

uitgegeven, volgt nu, boven op den achtergrond van het tooneel,

het volgende gesprek tusschen den Lord en zijn bedienden. Sluw,

de ketellapper, is in slaap gevallen.

LORD. Heidaar! is daar iemand? (Eenige Bedienden komen op.) Daar

slaapt hij weer. Neemt hem voorzichtig op en steekt hem weer in zijn

eigen kleêren. Maar past op, dat gij hem niet wakker maakt!

EEN BEDIENDE. Dat zal gebeuren, heer. (Tot de Anderen.) Komt, helpt

hem wegdragen. (Zij nemen Sluw op en dragen hem weg.)

V. Tweede Tooneel. Een banket is aangericht. Een banket is wat wij

nagerecht, dessert, noemen; het werd in Sh.'s tijd steeds in een

andere kamer opgezet.

V. 2. 56. Men meent, uw hinde loopt u wel bek-af. In het Engelsch:

'Tis thought your deer does hold you at a bay. Een woordspeling met

deer, hinde, en dear, dierbare, liefje.

V. 2. 118. Haar nieuw-verworven deugd van volgzaamheid. Vreemd is

het, dat in het oorspronkelijke twee regels achtereen met obedience

eindigen. Men leze ter verbetering met Capell in den tweeden regel

virtue of obedience, dus of in plaats van and, dan hindert de

herhaling niet meer, en dit is bij de vertaling gevolgd; of men

moet voor het tweede obedience iets anders in de plaats stellen,

b.v. her submission of her patience. Mocht men dit verkiezen, dan

vervange men in de vertaling het woord volgzaamheid van den eersten

regel door onderwerping.

V. 2. 181. Nu oude knaap, gij wint uw zaak met glans. Dit gezegde

wordt in de folio en door alle uitgevers aan Lucentio toegeschreven,

maar wordt beter aan een ouden bekende, Hortensio, toegekend. Lucentio

spreekt een oogenblik later.

V. 2. 186. Al troft gij het wit ook. Wellicht een toespeling op den

naam Bianca.

V. 2. 189. Zich temmen liet. In het stuk, zooals het in de folio staat

afgedrukt, blijft het voorspel zonder slot; het laatste, dat men er van

merkt, zijn de weinige regels achter het eerste bedrijf van het eerste

tooneel. Het kan zijn, dat Shakespeare, een ouder stuk omwerkende,

het vervolg van het voorspel niet schreef, omdat de tooneelspelers

reeds wisten, wat zij te doen hadden en het met de woorden toch niet

nauw behoefden te nemen; het kan ook zijn, dat het vervolg verloren

is gegaan.--Het stuk van 1594 heeft het slot als volgt:

Twee Bedienden komen op, beneden, en leggen Sluw in zijn eigen kleeding

neder, waar zij hem gevonden hebben; dan gaan zij heen. Daarop komt

de Tapper.

TAPPER. Nu is de donk're nacht voorbij, en straalt

De daag'raad aan 't kristallen luchtgewelf,

En ik moet uit. Doch stil! wie is dat daar?

O wonder, Sluw lag hier de gansche nacht!

Ik wek hem. Wis, hij zou bezweken zijn,

Had hij zijn pens niet zoo met bier gevuld.

Hé, Sluw! word wakker! kom, 't is schande; ontwaak!

SLUW. Simon, geef nog wat wijn!--Wat! zijn al de spelers weg? ben ik

geen Lord?

TAPPER. Een Lord? loop rond! wat! altijddoor nog dronken?

SLUW. Wie is daar? Tapper, o Lord! Heere, ik heb

Van nacht den schoonsten droom gehad! zoo iets

Hebt ge al uw levensdagen nooit gehoord.

TAPPER. Nu goed; maar was toch liever thuis gaan slapen!

Uw wijf zal kijven, dat ge 's nachts hier droomt.

SLUW. Zal kijven? 'k weet een kijfster nu te temmen,

'k Heb daarvan heel de nacht gedroomd tot nu.

Gij riept mij wakker uit den besten droom,

Dien 'k van mijn leven heb gehad. Maar kom,

Ik ga nu naar mijn wijf en tem haar ook,

Als zij het waagt mij boos te maken, ja!

TAPPER. Neen, wacht nog, Sluw; 'k ga met u meê naar huis;

'k Wil hooren, wat voor droom gij hebt gehad.

(Beiden af.)

De getemde feeks · 第 29 / 30 题