AANTEEKENINGEN.

Dit stuk, dat in het Engelsch den titel draagt van The Taming of the

Shrew, verscheen voor het eerst in de folio-uitgave der gezamenlijke

werken, van 1623, in druk. Een ander stuk zag in 1594 het licht,

onder den titel: A pleasant conceited Historie called the Taming of a

Shrew. As it was sundry times acted by the Right honourable the Earle

of Pembrooke his servants. Printed at London by Peter Short, and are

to be sold by Cuthbert Burbie, at his shop at the Royal Exchange,

1594. Het werd herdrukt in 1596 en in 1606.

Laatstgenoemd blijspel, waarvan de schrijver onbekend is gebleven,

begint met een Inductie, Inleiding of Voorspel, waarin optreden: een

Lord, Sluw, een Tapper (bij Sh. een Waardin), een Page, Tooneelspelers

en Jagers. De voorvallen zijn dezelfde als in de Inductie van

Shakespeare's stuk, hoe groot het verschil in de wijze van uitwerking

en in de woorden ook zijn moge.--Het stuk zelf speelt in Athene,

dat van Shakespeare in Padua; beide zetels van geleerdheid. Alfonso,

een koopman van Athene,--de Baptista van Shakespeare,--heeft drie

dochters: Kate, Emelia en Phylema. Aurelius, zoon van den hertog van

Cestus (Sestos) is verliefd op de eene der jongere zusters, Polidor

op de andere, en Ferando,--de Petruccio van Shakespeare,--op Kate,

de snibbe. De koopman heeft gezworen, dat zijn oudste dochter eerst

moet uitgehuwlijkt zijn, eer iemand aan een zijner jongere dochters

het hof mag maken. Het aanzoek van Ferando om Kate heeft op dezelfde

wijze plaats als dat van Petruccio, evenzoo het huwelijk; evenzoo

het schraal onthaal der jonge vrouw op Ferando's landgoed, waar

ook de kleermaker en de hoedenkoopman optreden; evenzoo de gedweeë

gehoorzaamheid der getemde kijfster. Het les geven door verkleede

minnaars heeft geen plaats; in dit opzicht is er verschil. Ten slotte

zijn allen gelukkig: er zijn drie jonge paren, en het stuk eindigt,

als bij Shakespeare, met een weddenschap over de gehoorzaamheid der

jonggehuwde vrouwen. Men ziet, hoeveel verschil er in de uitwerking,

hoeveel ruwer het in 1594 uitgegeven stuk moge wezen, er is zoo groote

overeenkomst, dat men wel een verklaring hiervan mag beproeven. Dat

het eerst uitgegeven stuk een werk is geweest van den jongen, nog

onervaren Shakespeare en dat hij het later zou verbeterd hebben, is,

zooals bij het onderzoek van het stuk blijkt, een ongerijmde meening;

evenmin mag men onderstellen, dat na de vertooning van Shakespeare's

stuk een ander, er zijn bouwstoffen aan ontleenende, een dergelijk,

maar veel ruwer stuk voor een ander tooneelgezelschap zou vervaardigd

hebben. Men moet aannemen, dat Shakespeare het andere stuk, dat in

den smaak van het publiek viel en misschien veel ouder was, omgewerkt,

verfijnd en veredeld heeft, of wel, dat èn Shakespeare èn de onbekende

schrijver van het andere stuk,--dat men wel eens aan Greene of aan

Marlowe of aan beiden heeft toegekend,--uit een ouder stuk geput

hebben. Welke van deze twee laatstgenoemde onderstellingen met de

waarheid overeenkomt, is moeilijk uit te maken, zelfs niet al wist

men zeker, dat Shakespeare's stuk van vóór 1594 dagteekent, want

hij kan "The Taming of a Shrew" zeer wel van vertooningen gekend

hebben; het zou kunnen zijn, dat de bijval, dien Sh.'s stuk vond,

aanleiding is geweest tot de uitgave van het oudere stuk. Hoe dit zij,

dat Shakespeare's stuk inderdaad van tamelijk vroege dagteekening is,

misschien omstreeks denzelfden tijd als "De Klucht der Vergissingen"

en "Veel Gemin, geen Gewin" (Love's Labour's Lost) geschreven is,

mag waarschijnlijk gerekend worden en wordt bevestigd door vele

bijzonderheden, zooals tal van aanhalingen uit de oudheid, de

knuppelverzen, die er in voorkomen enz. Dat er vele gedeelten in

voorkomen, die den lateren Shakespeare niet onwaardig zijn, pleit

er volstrekt niet tegen, want ook de zoo even genoemde stukken,

alsmede de Venus en Adonis en de Lucretia, die in 1593 en 1594 het

licht zagen, bewijzen ten volle, welk een meesterschap de dichter

toen reeds verworven had. Dat Meres in 1598 dit stuk in zijn Palladis

Tamia (zie boven blz. 47 en 120) niet vermeldt, bewijst geenszins,

dat het toen niet bekend was; Meres kan eenvoudig vermeden hebben

het te noemen, omdat ieder wist, dat het niet oorspronkelijk was,

maar een omwerking van een ouder blijspel. De onderstelling, dat

het inderdaad vroegtijdig door den dichter geschreven werd, mag te

eerder aangenomen worden, daar er niets onwaarschijnlijks in is,

dat Shakespeare in het begin zijner loopbaan een vroeger stuk ten

behoeve van zijn tooneelgezelschap aldus heeft omgewerkt, met behoud

van den geheelen gang der handeling en van talrijke bijzonderheden,

die het publiek van vroeger kende en in de nieuwe bewerking niet

zou willen missen; in lateren tijd zou hij misschien anders te werk

zijn gegaan; getuige de wijze, waarop hij bij het schrijven van zijn

"Koning Jan", welk stuk omstreeks 1596 tot stand kwam, zijn taak

volbracht heeft. Doch hetzij het stuk zeer vroeg, 't zij het iets

later geschreven is (zie blz. 55), men moet erkennen, dat alles bij

Shakespeare veel fijner en edeler is, dan in het ruwe plompe stuk van

1594; wie zich hiervan wil overtuigen, raadplege de uittreksels, door

Delius in zijn uitgave van Sh. er van gegeven. Bovendien ontbreekt

in het oude stuk de geschiedenis van Bianca en Lucentio.

Wij kunnen in het stuk van Shakespeare drieërlei bestanddeelen

onderscheiden.

Het eerste is de geschiedenis van den Lord en den Ketellapper, die

wij reeds in anderen vorm in de Duizend-en-één-Nacht van den Kalif

Haroen en den herder Aboe-Hassan verhaald vinden; aan Philips den

Goeden, Hertog van Bourgondië, wordt door Heuterus, aan keizer Karel

IV door een Engelsen schrijver, Richard Barkley, een gelijke inval

toegeschreven. Ook Calderon maakt van zulk een verhaal gebruik in

zijn tooneelspel: "Het leven een droom".

Het tweede is de geschiedenis van de temming der snibbe.

Ten derde ontleende Shakespeare de vermommingen van Lucentio, Hortensio

en Tranio, de figuur van den ouden Gremio en ook van den pedant,

die, op straat aangetroffen, door de voorspiegelingen van dreigend

gevaar, overreed wordt voor Vincentio op te treden, aan de Suppositi,

een blijspel van Ariosto. De namen Lucio en Petruccio komen beide in

dit stuk, dat reeds in 1566 door Gascoigne in het Engelsch vertaald

werd, voor. Shakespeare heeft echter uit dit blijspel slechts eenige

bijzonderheden geput en het niet in die mate gevolgd, dat het noodig

kan gerekend worden, in een uitvoerige vergelijking van beide stukken

te treden.

Men moge nu minder ingenomen zijn met de wijze, waarop Kaatje door

Petruccio getemd wordt, het is zeer de vraag, of een zachtzinniger man

dan Petruccio een kregelkop als Catharina had klein gekregen. Bovendien

Shakespeare leefde in een tijd, dat harde middelen, zooals de roede

voor kinderen, in hooge achting stonden. Mochten er leden zijn van

het schoone geslacht, die Shakespeare zijn behandeling der vrouw euvel

duiden, dat zij dan, in plaats van zich te ergeren, zich verlustigen

aan de breede vrouwenrij, die Shakespeare ten tooneele heeft gevoerd;

zij vinden een Julia, Desdemona, Portia, een tweede Portia, de edele

vrouw van Brutus, Rosalinde, Isabella, Perdita, Miranda, Volumnia,

Virginia, Imogeen en anderen, een schare van vrouwen, uitmuntende

door geest en bevalligheid, door goedheid, door onschuld, door edel

karakter, door liefde en zelfopoffering, zooals geen ander dichter

ooit in het leven heeft geroepen,--en dan mogen zij overwegen, hoevele

vrouwen hij, die één snibbige kijfster door barre middelen laat temmen,

op zachte wijze, door de leering van de edelste voorbeelden, van alle

kijfzucht kon afkeerig maken, en misschien afkeerig heeft gemaakt!

Dat het blijspel in den smaak van het publiek viel, is ontegenzeglijk;

trouwens nog ten huidigen dage wordt het in Duitschland,--en vaak in

zeer verknoeiden vorm,--telkens vertoond, en ook in ons land is het

voor eenige jaren en ook nog zeer onlangs met veel bijval gegeven;

het behoort tot die stukken, die weldra ook buiten Engeland vertoond

en toegejuicht werden. Wat Duitschland betreft, er is reeds uit het

jaar 1658 een stuk bekend: "Die wunderbare Heurath Petruccio's mit

der bösen Catharine"; en in het jaar 1672 verscheen een Duitsche

bewerking van The Taming of the Shrew: "Kunst über alle Künste,

ein bös Weib gut zu machen", die zich vrij nauwkeurig aan het

oorspronkelijke houdt. Reeds vroeger, namelijk in 1654, werd in

Amsterdam een Hollandsche vertaling uitgegeven, onder den titel:

"De dolle bruiloft Bly-eyndend-spel. Gerijmt door A. Sybant. t'

Amsterdam, Gedrukt bij Tymon Houthaak, Voor Dirk Cornelisz. Houthaak,

Boekverkooper, op de hoek aan de Nieuwe-zijdtskolk" 1654. Het werd den

9den November van dat jaar voor het eerst opgevoerd. Dr. J. A. Worp

heeft in "De Nederlandsche Spectator" van 1880 op dit stuk opmerkzaam

gemaakt en er eenige staaltjes uit medegedeeld. Uit zijn mededeelingen

moge hier het een en ander volgen. De "korte inhout" luidt aldus:

"Katrina is hier los, en holt na haren zin;

Maar na een knoop geleyt (al schijnt zy 't niet te willen)

Zoo kan Petrutio haar overmoed wel stillen,

Met een gelijk gebruyk; doch al in schijn van Min.

Dees overwinning doet de quade monden zwijgen,

Het quaat heeft een begin zal het een eynd verkrijgen."

Het voorspel is weggelaten. Het begin is gewijzigd. Bij Sh. zijn

Lucentio en Tranio juist te Padua aangekomen en maken wij kennis

met Baptista en zijn gezelschap, vernemen Baptista's besluit,

en zien Lucentio verliefd worden; in "de dolle bruiloft" brengt

ons een gesprek van een paar bladzijden tusschen Lucentio en zijn

dienaar Tranio op de hoogte van den stand van zaken. Daarna begint de

vertaling. Biondello verschijnt ten tooneele, en bespeurt, dat zijn

meester en Tranio van kleederen gewisseld hebben; zijn meester zegt

(vergelijk Sh. I. 1. 226):

"Daar komt ons Biondell' waar hebt gy schelm geweest?

BIONDELLO. Waar ik geweest heb, Heer? wel hey, dat lijkt wel scheren,

Maar hoe! waar zijt gy Heer? heeft Tranio uw kleren

Gestolen? of gy zijn? dus bey te gaar verkeert!

Wat wil toch dit bediên? gy zijt bey moy besmeert.

LUCENTIO. Komt hier rabaut, 't is nu geen tijdt om dus te gekken,

Dus stelt uw wezen naar den tijdt, ik moet vertrekken,

En Tranio, om mijn lijf te bergen, heeft 't gestalt

Van mijn genomen aan, dies doet 't geen mijn gevalt,

En dient hem als mijn zelfs, ik heb van daag gekregen

Een ongeluk, pas op, en laat mij niet verlegen.

Gij vat mijn zin nu?

BIONDELLO. Ja, zo wel als niet met al.

LUCENTIO. En rept van Tranio niets, of 'k zweer het u, daar zal

Een straf op staan, hy 's in Lucentio nu verandert.

BIONDELLO. Dat valt hem vry wat toe, hij is nu nieuw geklandert,

'k Wou 'k ook zo ruilen mocht.

TRANIO. 't Was mijn om 't even, maat", enz.

De geheele vertaling is in alexandrijnen als deze, ook daar, waar

Shakespeare proza bezigt. Als voorbeeld hiervan diene Grumio's aankomst

op Petruccio's landgoed, als hij de aankomst van het jonge paar heeft

te melden (IV. 1. 1).

GRUMIO. Foey, foey, de koekoek haal al die bezukte krengen.

Van paerden, dolle Heers, vuyle wegen, waar

Was ooyt een mensch zoo zeer gequelt als ik ben? daar

Ben ik voor uyt gestuurt goed vuur te laten maken;

Mevrouw die beeft van kou, en ik begin te kraken;

Zo 'k geen klein potje was, en in der haast bewarmt,

Zo was het nodig dat zich yder mijns erbarmt,

Ten aanzien van het weer: myn lippen mochten vriezen

Aan mijne tanden, en mijn tong haar spraak verliezen,

En 't hart in mijnen buyk, zo 'k nu by 't vuur niet kon,

Om my 't ontdoijen; och daar schijnt een flauwe Zon.

't Vuur op te blazen, ja, dat zal my wat verquikken.

Een kloeker kaerel die verkoude wel als ikke,

In zoo'n beslikten wegh. hou, holla Kurtus, hout,

Waar benje Kurtus maat?

KURTUS. Wie roept daar zoo verkout?

GRUMIO. Een stuk ys. twijfelt gij? vraagt gij dat? hoe zal 't dyen?

Gij zoudt wel op mijn rug op schaatzen kunnen ryen,

Zo gladt ben ik van ys, vuur Kurtus, vuur bylo!

KURTUS. Waarom?

GRUMIO. Mijn Heer komt met zijn Bruydt.

KURTUS. Hoe, Grumio!

Is 't waar?

GRUMIO. Vuur Kurtus, vuur.

KURTUS. Wat ben jy ook een snakert.

Maar is zy, als men zeydt, zo heetjes dan gebakert?

GRUMIO. Zo heeft zy, Kurtus maat, voor deze vrost geweest;

De winter, als gij weet, temt man, en vrouw, en beest,

Zy heeft getemd mijn Heer, mijn nieuwe Vrouw, en mede

Mijn makker Kurtus zelfs.

KURTUS. Wech, wech, gy lam van leden,

Gy zotje van drie duym, ik ben geen beest gelijk.

GRUMIO. Hoe, ben ik maar drie duym? wel hey! ey lieve kijk!

Jou hoorn is wel een voet, zo lang ben ik ten minste", enz.

Hier en daar is het een en ander weggelaten of gewijzigd; evenals het

begin is het einde van het blijspel zeer bekort, de weddenschap en de

vermaning van Katharina zijn vervangen door een kort tooneeltje van

nog geen anderhalve bladzijde, dat een einde aan het stuk maakt. Maar

het geheel is toch een vertaling van een stuk van Shakespeare, naar ik

meen de oudste, die in ons land bekend is. Dr. Worp zegt hieromtrent

het volgende:

"Een nauwkeurige vergelijking der beide blijspelen, vers voor vers,

heeft mij tot de overtuiging gebracht, dat wij hier werkelijk met

een vertaling van "The taming of the shrew" hebben te doen. Van een

andere bron dan Shakespeare zelf kan moeilijk sprake zijn, noch van

"The taming of a shrew", waarnaar de groote dichter zijn blijspel heeft

bewerkt, noch van "Die wunderbare Heurath Petruccio mit der bösen

Catharinen", dat in 1658 te Zittau werd opgevoerd, maar misschien

reeds vóór dien tijd was geschreven (Vgl. Genée, "Geschichte der

Shakesp. Dramen in Deutschland", blz. 174). Evenmin kan er sprake van

zijn, dat het blijspel hier door Engelsche tooneelspelers zou zijn

gebracht; de vertaling volgt het origineel te veel ook in allerlei

kleinigheden, dan dat men aan een bedorven Engelsch libretto of aan

het opschrijven na een voorstelling mag denken.

"Het bestaan van "De dolle bruyloft" bewijst dus, dat er in het midden

der 17de eeuw exemplaren van sommige werken van Shakspere in ons land

gevonden en gelezen werden."

Daar er geen oude afzonderlijke uitgaven van de "Taming of the Shrew"

bestaan, moet een exemplaar van de folio van 1623 of van 1632 (de derde

druk is van 1664), of een afschrift, voor de vertaling gediend hebben.

Voorspel. 1. 4. Richard den Veroveraar. Hij meent natuurlijk Willem

den Veroveraar, met wien zoovelen van den oudsten adel in het land

kwamen.--Het paucas pallabris is verdraaid uit het Spaansche pocas

palabras, weinig woorden! evenals sessa uit het Spaansche cesa,

houd op, stil! twee uitheemsche uitdrukkingen, toen, blijkens andere

tooneelspelen van dien tijd, in zwang; ook Brummel gebruikt het woord

palabras in "Veel leven om niets", III. 5. 18.

Vsp. 1. 9. Ga weg, Jeronimus. Deze woorden zijn genomen uit Kyd's

Spaansche Tragedie, toen ter tijd aan ieder schouwburg-bezoeker

bekend, zoodat zeker de aanhaling dadelijk opgemerkt werd. In de folio

staat "S. Ieronimie"; de S wordt door de uitgevers der Cambridge- en

Globe-edition voor een vraagteeken gehouden, dat voor uitroepingsteeken

gebezigd werd, en zoo is hier vertaald. Doch misschien is het beter de

S als een werkelijke S, dus als een verkorting van Saint, te beschouwen

en te vertalen: "ga weg, Sint Jeronimus!" zoodat de dronkaard den

held der Sp. Tragedie met den heiligen Hieronymus verwart.

Vsp. 1. 12. Ik ga den schout halen. In de folio staat: I must

go fetch the Headborough. Headborough is een konstabel, een

politieagent. Blijkbaar moet dit woord vervangen worden, zooals in alle

uitgaven geschiedt, door thirdborough; dit blijkt uit Sly's antwoord

Third or fourth, or fifth borough. Thirdborough was een onderkonstabel,

of nagenoeg gelijk met headborough. In The Constable's Guide (1771)

leest men: "There are in several counties of this realm other officers;

that is, by other titles, but not much inferior to our constables; as,

in Warwickshire, a thirdborough.--In de vertaling moest het antwoord

van Sly gewijzigd worden; hij spreekt hier van den schout als van

een soort duivel.--Hij richt verder in zijn dronkenschap het woord

tot den knecht van het bierhuis.

Vsp. 1. 64. En zegt hij: "Wat, ik ben--", zeg, dat hij droomt. Het komt

mij voor, dat het streepje achter "ik ben" voor iedereen duidelijk moet

maken, dat de dronkaard bij het ontwaken zegt: "Wat! ik ben toch--",

en zijn naam noemt of noemen wil; een gebaar kan bij het spelen

dit "die of die" voor iedereen zichtbaar maken.--Maar in de folio

ontbreekt het streepje, en er staat alleen: And when he sayes he is,

say that he dreames,--en ziedaar! nu wil de eene uitgever aanvullen:

he is lunatic, de andere wil lezen: he 's Sly, een derde vermoedt,

dat er een heel vers verloren is gegaan!

Vsp. 1. 88. Soto. Het is onbekend, welk stuk hiermee bedoeld is. Er is

geen ouder stuk bewaard gebleven of bekend, waarin een Soto voorkomt.

Vsp. 1. 122. Die deze zeven jaar enz. Later, Vsp. 2. 81, wordt van

vijftien jaar gesproken. Is het daarom noodig, hier tweemaal zeven

jaar te schrijven? In het geheel niet; men rekene liever de dichters

zoo precies niet na. Shakespeare stoorde zich meermalen niet aan

les petites chicanes de la probabilité, zooals Gustave Planche zulke

narekeningen noemt; men vergelijke de aanteekening op "K. Richard III",

III. 4. 80.

Vsp. Tweede Tooneel. Een slaapkamer in het huis van den Lord. Men

ziet Sluw enz. In de folio staat: De Dronkaard komt op, boven, met

Gevolg. Sluw verscheen dus op het smalle balkon, dat op den achtergrond

van het toenmalig tooneel zich bevond, en zag van daar het schouwspel,

dat hem voorgediend werd, aan.

Vsp. 2. 1. Een potteken scharrebier. Dunnebier, sterk schuimend,

werd als middel tegen katterigheid aangewend; het moest ongeveer als

sodawater dienen.

Vsp. 2. 19. Burtonheide. Hier zal Burton of Barton-on-the-heath,

een vlek op de grens van Warwickshire en Oxfordshire bedoeld zijn.

Vsp. 2. 23. Wincot. Verkorte uitspraak van Wilmecote, een dorp in

de buurt van Stratford aan de Avon. Shakespeare's grootvader, Robert

Arden, woonde er.

Vsp. 2. 51. Houdt gij van schilderijen? Ongetwijfeld worden hier

bekende, meermalen voorkomende schilderijen aangehaald. Mythologische

voorstellingen vielen toen in den smaak. De vermelding van Adonis

en Cytherea doet denken aan het sonnet, dat als zesde gedicht in

den Verliefden Pelgrim voorkomt, die van Io aan Correggio's beroemd

schilderstuk, waarvan men echter niet weet, of het toen reeds in

Engeland bekend was.

Vsp. 2. 112. Els Madame. De ketellapper houdt het woord Madame

blijkbaar voor een familienaam.

I. 1. 2. Padua, der kunsten wieg. De universiteit van Padua, in

1228 gesticht, was in Sh.'s tijd de beroemdste en meest bezochte van

Italië. Petrarca, Columbus en Galilei hadden er gestudeerd.

I. 1. 25. Mi perdonate. Shakespeare's tijdgenooten, Ben Jonson,

Webster en vooral Marston strooiden gaarne vreemde gezegden hier en

daar in hun tooneelwerken, hijzelf doet het nagenoeg alleen in dit

stuk; de schoolpedant Holofernes doet het in "Veel gemin, geen gewin",

om zijn geleerdheid te luchten.

I. 1. 47. Bij het hier volgende optreden der personen staat in de

folio-uitgave: Gremio, a Pantelowne. De Pantalon was een telkens

terugkeerende Italiaansche theaterfiguur; men zie de beschrijving in

"Elk wat wils" (As you like it), II. 7. 158.

I. 1. 55. Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof. De Engelsche

woordspeling met to court, het hof maken en to cart, op een kar

rondvoeren, zooals men booze vrouwen deed, was natuurlijk niet juist

over te brengen.

I. 1. 108. Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader

niet. Er staat eigenlijk alleen: "Hun liefde is zoo groot niet";

doch dit moet beteekenen, wat in de vertaling is uitgedrukt: de

liefde tusschen hen beiden is zoo groot niet, dat zij op den duur een

echtverbintenis van Bianca tegenhoudt, al moeten de twee medevrijers

nu rustig wachten, daar zij op 't oogenblik teleurgesteld zijn. Dit

laatste wordt uitgedrukt door 't ongaar zijn van den koek.

I. 1. 136. Alle dagen op de markt zou gegeeseld worden. Er staat in

het Engelsch: at the high-cross, "aan het hooge kruis", d. i. een

steenen kruis op de markt, aan welks voet de openbare lijfstraffen

voltrokken werden.

I. 1. 159. Als Anna met haar zuster Dido was. Duidelijkheidshalve is

uitgedrukt, dat Anna de zuster was van Dido; zij was de vertrouweling,

aan wie Dido haar liefde voor Æneas beleed. In 't Engelsch staat:

"Als Anna aan Carthago's koningin". Aan Sh.'s publiek was Anna bekend

uit Marlowe's stuk: "Dido, koningin van Carthago".

I. 1. 168. Redime te, captum, quam queas minimo. "Zijt gij gevangen,

koop u dan voor zoo weinig mogelijk vrij." Een aanhaling uit Terentius,

Eunuchus I. 1. 29, maar niet geheel woordelijk, en in dezen vorm,

die beter bij de Engelsche versmaat past, ongetwijfeld aan Lilly's

Grammatica ontleend.

De getemde feeks · 第 28 / 30 题