TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Voor Battista's huis.

Battista, Gremio, Tranio, Katharina, Bianca, Lucentio en Bedienden

komen op.

BATTISTA (tot Tranio). Dat is de dag, Lucentio, vastgesteld

Voor Katharina's en Petruccio's huw'lijk,

En nog hoor ik van onzen schoonzoon niets;

Wat zal dat een gepraat, een spotten zijn,

Dat er geen bruîgom is, terwijl de priester

Gereed staat om het huwlijk in te zeeg'nen!

Niet waar, Lucentio, welk een smaad op ons!

KATHARINA. 't Is smaad op mij! Ja, 'k werd genoopt, de hand

Met tegenzin te reiken aan een dollen,

Grilzieken wildeman, die vliegensvlug

Verloofd wil zijn, maar trouwen, als 't hem lust.

Ik zeide 't wel, 't was een bezeten zot;

Die bitt're scherts verbergt in lompheids schijn,

Die graag, om maar voor grappig door te gaan,

Een duizend meisjes vraagt, het huw'lijk afspreekt,

De gasten nooden, de geboden gaan,

Maar 't bruidje op de bruiloft zitten laat.

Nu wijst een elk op de arme Katharina,

En lacht: "Ei ziet, daar gaat Petruccio's vrouw,

Als die maar komen en haar hebben woû!"

TRANIO. Bedaar, Kath'rina, en ook gij, Battista;

Ik zweer er op, Petruccio meent het goed,

Wat hem ook stremme in 't houden van zijn woord.

Zij hij wat ruw, verstandig is hij zeer;

Drijv' hij den spot, hij is een man van eer.

KATHARINA. O, had hem Katharina nooit gezien!

(Katharina gaat weenend heen, gevolgd door Bianca en anderen.)

BATTISTA. Ga, kind, het spreekt van zelf, dat gij nu weent.

Want zulk een hoon verdroeg geen heil'ge zelfs,

Laat staan een driftkop van uw kreeg'len aard.

(Biondello komt op.)

BIONDELLO. O heer, heer! nieuws, oud nieuws en nieuws, zooals gij

nog nooit gehoord hebt!

BATTISTA. Wat! nieuw en tevens oud? hoe kan dit zijn?

BIONDELLO. Wat! is het geen nieuws, te hooren, dat daar Petruccio komt?

BATTISTA. Is hij gekomen?

BIONDELLO. Wel neen, heer.

BATTISTA. Wat dan?

BIONDELLO. Hij is bezig te komen.

BATTISTA. Wanneer zal hij hier zijn?

BIONDELLO. Als hij staat, waar ik sta, en u daar ziet.

TRANIO. Komaan, voor den dag met uw oud nieuws!

BIONDELLO. Wel, Petruccio komt daar aan, met een nieuwen hoed en

een oud wambuis; met een oude broek, die al driemaal gekeerd is;

met een paar laarzen, die al voor kaarsenbakken gediend hebben,

de een gegespt, de ander geregen, een ouden roestigen degen uit

een stadsarsenaal, met een gebroken gevest en zonder haak; met twee

gebroken broeknestels; zijn paard met ontwrichte heup, met een oud

wormstekig zadel en tweeërlei stijgbeugels; bovendien, kuchende en niet

vrij van ruggemergstering; lijdend aan speekselvloed, last hebbend

van huidworm, vol gallen en met spatten, gestreept van de geelzucht,

met ongeneeslijke halsgezwellen, sterk onderhevig aan duizelingen,

opgevreten van de wormen, met een zadelrug en boegkreupel; zwak

op de voorhand, en met een half verbogen stang en een hoofdstel

van schapenleer, dat gedurig, als men het paard sterk ophield bij

het struikelen, gebroken en dan weer aan elkander geknoopt is; een

cingel, die al zesmaal gelapt is en een staartriem met fluweel van

een dameszadel, waar nog mooi met koperen nagels twee letters van

haar naam op staan, en die hier en daar met pakgaren gelapt is.

BATTISTA. En wie vergezelt hem?

BIONDELLO. Zijn lakei, heer, en die is waarachtig al evenzoo opgetuigd

als het paard; hij heeft een garen hoos aan het eene been en een

wollen sok aan het andere; den eenen knieband van rooden, den ander

van blauwen zelfkant; een ouden hoed, en daarop "de veertig lustige

liefdeliedjes" bij wijze van vederbos; een gedrocht, een waar gedrocht

in zijn kleeding, in het geheel niet als een christenbediende of

een edelmanslakei.

TRANIO. Een vreemde luim, die tot dit doen hem drijft;

Maar toch, hij gaat wel meer wat min gekleed.

BATTISTA. 'k Ben blij toch, dat hij komt, hoe 't dan ook zij.

BIONDELLO. Wel, heer, hij komt niet.

BATTISTA. Hebt gij dan niet gezegd, dat hij daar kwam?

BIONDELLO. Wie? dat Petruccio kwam?

BATTISTA. Ja, dat Petruccio kwam.

BIONDELLO. Neen, heer, zijn paard, komt met hem er bovenop,

BATTISTA. Och kom, dat is hetzelfde.

BIONDELLO. Neen, bij Sint Japik, en een duit verwed ik er om:

Een paard en een man is meer dan een, schoon lang geen ruiterdrom.

(Petruccio en Grumio komen op.)

PETRUCCIO. Waar is hier 't schoon gezelschap? wie is thuis?

BATTISTA. Goed, dat gij komt.

PETRUCCIO. En toch kom ik niet goed.

BATTISTA. Toch hinkt gij niet, heer.

TRANIO. Niet zoo goed gekleed,

Als ik wel wenschte.

PETRUCCIO. Al ware ik fijn gekleed,

Toch stoof ik met dezelfde vaart hier in.

Maar waar is Kaatje? waar mijn lieve bruid?--

Hoe vaart mijn vader?--Vrienden, zijt gij boos?

Wat gapen mij deze eed'le gasten aan,

Als ware hier iets wondervreemds verschenen,

Als zagen zij een monster, een komeet?

BATTISTA. Wel, heer, gij weet, dit is uw huwelijksdag;

Eerst waren wij bedroefd, dat gij niet kwaamt;

En thans nog meer bedroefd, dat gij zoo komt.

Foei, weg die kleeding! zij onteert uw stand,

En is een doorn in 't oog bij zulk een feest!

TRANIO. En zeg ons, welk een oorzaak van gewicht

Zoo lang u van uw bruid verwijderd hield

En zoo onkenbaar u hierhenen dreef?

PETRUCCIO. 't Verhalen maakte uw oor, mijn tong vermoeid;

Genoeg, ik kwam hier aan en hield mijn woord,

Doch kon niet alles doen wat ik beloofde.

Maar dit zal ik te zijner tijd wel zoo

Rechtvaardigen, dat gij tevreden zijt.

Maar waar is Kaatje? 'k Moest lang bij haar zijn;

De zon staat hoog; 't is tijd ter kerk te gaan.

TRANIO. Ga toch niet zoo gekleed naar uwe bruid,

Kom met mij mee, trek kleed'ren aan van mij.

PETRUCCIO. Neen, waarlijk niet; neen, zoo bezoek ik haar.

BATTISTA. Maar zoo, verwacht ik, gaat gij niet ter trouw.

PETRUCCIO. Waarachtig, zoo; daarom, geen woorden meer!

Zij trouwt met mij, en niet met mijn gewaad;

Vernieuwde ik, wat zij mij verslijten zal

Zoo snel, als ik dit poover kleed vervang,

't Waar' goed voor Kaatje en beter voor mijzelf.

Maar dwaas, dat ik met u hier babb'len blijf,

En niet mijn bruid een blijden morgen wensch,

Dien naam bezeeg'lend met een teed'ren kus!

(Petruccio, Grumio en Biondello af.)

TRANIO. Hij heeft een doel met deze dolle kleeding;

Maar laat ons, is het moog'lijk, hem bepraten,

Dat hij zich voor den kerkgang beter kleedt.

BATTISTA. Ik volg hem om te zien, waar dit op uitloopt.

(Battista, Gremio en Bedienden af.)

TRANIO (tot Lucentio). Heer, bij haar liefde hebben wij volstrekt

Haars vaders jawoord noodig, en hiertoe

Zie ik, zooals ik u reeds heb gezegd,

Naar iemand uit;--het doet er niet veel toe

Wie 't is; wij zullen hem zijn rol wel leeren,--

Die voor Vincentio van Pisa speelt;

Die waarborg' schrift'lijk hier in Padua

U grooter sommen zelfs dan ik beloofde.

Dan ziet gij spoedig uwe hoop vervuld,

En huwt uw bruidje met haars vaders wil.

LUCENTIO. Als maar mijn kameraad, die and're leeraar,

Bianca's schreden niet zoo scherp in 't oog hield,

Dan waar' een heim'lijke echt het best. Is die

Gesloten, zegge ook heel de wereld "neen",

Ik trots geheel de wereld, zij blijft mijn.

TRANIO. Wij willen dit van stap tot stap bepraten,

En uitzien, wat ons voordeel brengen kan;

Licht foppen wij dan grauwbaard Gremio,

Den schuwen loeroog, vader Minola,

Den smachtenden muziekgek, Licio,

En alles voor mijn heer, Lucentio.--

(Gremio komt terug.)

Reeds uit de kerk terug, signore Gremio?

GREMIO. Zoo vlug als ik maar ooit de school ontvlood.

TRANIO. En komt de jonge man en vrouw reeds aan?

GREMIO. De jonge man? zeg eer, de wildeman,

Een kregelkop, dit zal zij ondervinden.

TRANIO. Wat, kreeg'ler nog dan zij? Dit kan toch niet.

GREMIO. Een duivel is hij, duivel, satan zelf.

TRANIO. Zij is een duivelin, des duivels moêr.

GREMIO. Zij is een kind, een duifje, een lam bij hem.

'k Zal u vertellen; op des priesters vraag:

"Wenscht gij deez' Katharina tot uw vrouw?"

Riep hij: "Verduiveld graag", en vloekte zoo,

Dat van den schrik de priester 't boek liet vallen;

En toen hij, om het op te rapen, bukte,

Gaf hem de dolle bruîgom zulk een duw,

Dat paap en boek daar lag, en boek en paap;

Toen riep hij: "Raap hen op! wie lust heeft, raap!"

TRANIO. Wat zei de sukkel, toen hij weder stond?

GREMIO. Die rilde en beefde; hij toch stampte en zwoer,

Dat hem de kapelaan voor 't lapje hield.

Maar nauw'lijks was de plechtigheid volbracht,

Of hij schreeuwt luid om wijn en roept: "Daar ga je",--

Als was hij op zijn schip, en met zijn volk

Na storm aan 't drinken,--giet den wijn naar binnen,

En wierp, wat van den huwlijkskoek in 't glas

Nog over was, den koster in 't gezicht;

En uit geen and'ren grond,

Dan dat zijn baard zoo schraal en hong'rig was,

Dat die bij 't drinken om een sopje vroeg;

Toen greep hij woest zijn bruidje om den hals,

En gaf haar zulk een smakkend luiden kus,

Dat, toen hij losliet, heel de kerk weerklonk.

Toen ik dat zag, liep ik van schaamte weg,

En zeker volgt de trein mij op den voet.

Zoo dwaas een huw'lijk werd nog nooit gesloten;--

Ja, luister! 'k hoor de muzikanten al!

(Muziek.)

(Petruccio, Katharina, Bianca, Battista, Hortensio, Gremio en Anderen

komen op.)

PETRUCCIO. Mijnheeren, vrienden, 'k dank u voor uw moeite;

Ik weet, gij dacht hier met mij aan te zitten

En hebt een kost'lijk bruiloftsmaal gereed;

Maar tot mijn spijt drijft groote haast mij heen,

Waarom ik hier nu afscheid nemen wil.

BATTISTA. Is 't moog'lijk, wilt gij nog deze' avond weg?

PETRUCCIO. Ik moet bij dag nog heen, eer de avond valt;--

Weest niet verbaasd; waar' de oorzaak u bekend,

Eer drongt gij, dat ik ging, dan dat ik bleef.

Vereerd gezelschap, dank u allen, die

Getuigen waart, hoe ik mijn leven aan

Deez' zachte, lieve en eerb're gâ verbond;

Spijst met mijn vader, wijdt een dronk aan ons,

Want ik moet heen;--en nu, vaart allen wel.

TRANIO. Laat u verbidden, blijf tot na het maal.

PETRUCCIO. Het kan niet zijn.

GREMIO. Laat mij u dan verbidden.

PETRUCCIO. Het kan niet zijn.

KATHARINA. Laat mij u dan verbidden.

PETRUCCIO. Nu is het goed.

KATHARINA. Is 't u nu goed, te blijven?

PETRUCCIO. Het is mij goed, dat gij me om blijven bidt;

Maar blijven kan ik niet, hoe gij me ook bidt.

KATHARINA. Zoo gij mij liefhebt, blijf.

PETRUCCIO. Grumio, mijn paarden!

GRUMIO. De paarden staan klaar, heer, de haver heeft ze al opgevreten.

KATHARINA. Nu dan,

Doe wat gij wilt, van daag reis ik niet af;

Ook morgen niet, niet eer dan ik 't verkies.

De deur is open, heer, daar ligt uw weg;

Hots gij maar weg, als gij op spelden staat;

Ik ga niet heen, niet eer dan ik 't verkies;--

Dat moet toch wel een echte brombeer zijn,

Die zoo op de' eersten dag zijn klauw al toont!

PETRUCCIO. Kom, Kaatje, kalm; ik bid u, word niet boos.

KATHARINA. Ik wil nu boos zijn; waarom blijft gij niet?

Neen, vader, stil; hij blijft zoolang ik wil.

GREMIO. O heer, daar hebt ge 't lieve leven al.

KATHARINA. Komt, heeren, voorwaarts nu naar 't bruiloftsmaal!

Ik zie het al, de vrouw wierd een malloot,

Had zij de kracht, den moed niet tot verzet.

PETRUCCIO. Zij zullen doen wat gij gezegd hebt, Kaatje;--

Gehoorzaamt allen; 't is de bruid, die 't wil;

Viert feest en jubelt; voert de vreugd in top;

Wijdt aan haar vleklooze onschuld meen'gen dronk;

Weest uitgelaten dol,--of hangt u op;

Maar hier mijn beste Kaat, zij gaat met mij.

Neen, blikt niet boos, stampt, raast en tiert maar niet;

'k Wil meester zijn van wat mijn eigen is;

Zij is mijn have en goed; zij is mijn huis,

Mijn huisgerief, mijn veld, mijn korenschuur,

Mijn paard, mijn os, mijn ezel, ja mijn al;

Hier staat ze; wie het hart heeft, raak' haar aan;

Ik daag ter rekenschap wien ook, die stout

Den weg me in Padua verspert.--Trek, Grumio,

Trek, trek uw zwaard; zie, ons omsing'len roovers;

Bevrijd uw meesteres: toon u een man;--

Vrees niets, mijn schat; zij doen u niets, mijn Kaatje;

Ik ben uw schutse, al waren ze een miljoen!

(Petruccio, Katharina en Grumio af.)

BATTISTA. Nu, laat hen gaan, een paar zoo zacht als lamm'ren.

GREMIO. Waar' 't niet zoo snel gegaan, 'k waar' dood van 't lachen.

TRANIO. Zoo dol een echt werd nergens ooit vertoond!

LUCENTIO. Wat zegt ge, jonkvrouw, thans wel van uw zuster?

BIANCA. Ze is een zottin, en heeft een zot tot maat.

GREMIO. Ik sta hem borg, zijn Kaatje blijkt een Kaat.

BATTISTA. Komt, buren, vrienden! Bruid en bruidegom

Ontbreken, ja, aan onze tafel, maar

Daarom ontbreken lekkernijen niet;--

Neem gij de plaats des bruigoms in, Lucentio;

En gij, Bianca, eens de plaats der bruid.

TRANIO. Zal dus Bianca leeren bruid te spelen?

BATTISTA. Dat zal ze, ja, Lucentio.--Vrienden, komt!

(Allen af.)

De getemde feeks · 第 13 / 30 题