Padua. Voor Hortensio's huis.
Petruccio en Grumio komen op.
PETRUCCIO. Verona, 'k heb u voor een wijl verlaten,
En zoek in Padua mijn vrienden op;
Vooral mijn waarden, welbeproefden vriend
Hortensio; dit, meen ik, is zijn huis;--
Kom, klop eens, Grumio!--kloppen, zeg ik!
GRUMIO. Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw
edelheid vereffonteerd heeft?
PETRUCCIO. Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!
GRUMIO. U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij,
heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?
PETRUCCIO. Schelm, klop me eens aan deez' deur, en dat het klinkt,
Of ik klop u, dat morgen 't oor nog zingt.
GRUMIO. Mijn meester zoekt ruzie;--en als ik u klop,
Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.
PETRUCCIO. Kom, doet ge 't of niet?
Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez' schel hier;
Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze 't wel hier.
(Hij trekt Grumio bij 't oor.)
GRUMIO. Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!
PETRUCCIO. Wel klop, als ik 't beveel, gij lompe vlegel!
(Hortensio komt op.)
HORTENSIO. Wat is hier aan de hand?--Wel zoo, mijn oude kennis
Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!--Hoe maakt gij allen
het te Verona?
PETRUCCIO. Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?
Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.
HORTENSIO. Alla nostra casa ben venuto; molt' onorato Signor mio
Petruccio.
Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.
GRUMIO. Ach, heer, dat doet er niets toe, wat hij daar in 't Latijn
vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst
te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem
te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo
zou behandelen, die al wel,--zoo veel ik weet--twee-en-dertig heeft,
en niet meer meespeelt?
Maar had ik 't gedaan, toen hij zeide: "Klop, klop!"
Dan had hìj het, en erger brak 't mij toch niet op.
PETRUCCIO. Aartsdomme schelm!--Verbeeld u, vriend Hortensio,
Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;
En wat ik zeide of niet, hij woû 't niet doen.
GRUMIO. O hemel! kloppen aan de deur!
Wat! hebt gij niet gezegd: "Knaap, klop mij hier!
Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!"
En komt ge nu met "kloppen aan de deur?"
PETRUCCIO. Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.
HORTENSIO. Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;
Wat dolle ruzie tusschen u en hem,
Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!--
Zeg liever, beste vriend, wat goede wind
Van 't oud Verona u naar Padua blies.
PETRUCCIO. De wind, die 't jonge volk alom verspreidt,
En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.
Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in 't kort,
Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.
Antonio, mijn vader, overleed,
En ik dwaal nu deez' doolhof in en zoek
Er mijn fortuin,--God weet, misschien een vrouw;
'k Heb in mijn buidel goud, veel goed'ren thuis,
En trek de wereld rond; ik wil die zien.
HORTENSIO. Petruccio, mag ik zonder omhaal u
Eens werven voor een fel en leelijk wijf?
Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;
En toch, 'k beloof u, dat zij rijk zou zijn,
Echt rijk;--maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,
Zoo'n koopje mag ik u niet leev'ren.
PETRUCCIO. Hortensio, tusschen vrienden zooals wij
Zijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,
Die rijk genoeg is voor Petruccio's vrouw,--
Rijk is 't refrein voor mijnen huwlijksdans,--
Waar ze ook zoo leelijk als Florentius' bruid,
Oud als Sibylle, en even fel en vinnig
Als Socrates' Xanthippe, erger nog,
't Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mij
Den lust niet weg tot de' echt; waar' ze ook zoo wild
Als de opgezweepte zee van Adria,--
Ik zoek een rijken trouw in Padua:
Trouw 'k rijk, dan trouw ik goed in Padua.
GRUMIO. Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over
denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met
een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons,
die geen enk'len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook
al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas,
als er maar geld bij is.
HORTENSIO. Petruccio, 't ging al verder dan ik dacht;
Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.
Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouw
U helpen, rijk genoeg en jong en schoon,
Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.
Haar een'ge feil,--en dit is feils genoeg,--
Is, dat zij onverdraag'lijk korzel is
En bits, onhandelbaar, in zulk een mate,
Dat ik, al ware ik ook in bitt'ren nood,
Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.
PETRUCCIO. O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;--
Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;
Ik enter haar, al keef ze ook even luid
Als in den herfst de zwartste donderwolk.
HORTENSIO. Haar vader heet Battista Minola,
Een hoff'lijk en recht vriend'lijk edelman;
Hààr naam is Katharina Minola,
Befaamd in Padua door haar schamp're tong.
PETRUCCIO. Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,
En met mijn vader was hij ook bevriend.
Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;
Vergeef mij dus, dat ik na de' eersten groet
U daad'lijk weer verlaat, tenzij ge mij
Verzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.
GRUMIO. Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op
mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen,
dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien
tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als
hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik
zal u eens wat zeggen; heer,--als zij hem durft staan, al is het ook
nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen,
dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht
moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.
HORTENSIO. Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;
Mijn schat is bij Battista in bewaring,
Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,
Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;
Hij sluit van haar mij af en and'ren meer,
Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,
Daar hij zich wel niet anders denken kan,
Om al het moois, dat ik u heb verteld,
Dan dat hij met Kath'rina zitten blijft;
Zoo nam Battista dan 't besluit, dat hij
Aan niemand zijn Bianca gunt, als niet
De helleveeg Katrijn eerst aan den man is.
GRUMIO. "De helleveeg Katrijn!"
Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.
HORTENSIO. Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,
En stell' mij, stemmigjes gekleed, aan de' ouden
Battista voor als deeg'lijk onderwijzer,
Om in muziek Bianca les te geven;
Door die vermomming krijg ik op zijn minst
Gelegenheid om met haar saam te zijn
En onverdacht mijn liefde te verklaren.
GRUMIO. Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de
jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!
(Gremio komt op met Lucentio, die verkleed is en boeken onder den
arm draagt.)
Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!
HORTENSIO. Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;
Petruccio, kom nu hier, op zij!
GRUMIO. Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!
(Zij gaan ter zijde.)
GREMIO. In orde; ik heb de lijst goed nagezien;
Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijn
En louter liefdeboeken, dit vooral;
En zorg, dat gij niets anders met haar leest.
Verstaan?--Hoor nog: wat u signor Battista
In mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,
U nog vermeerd'ren.--Maar al wat gij schrijft,
Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,
Want lief'lijker dan 't geurigst reukwerk is
Zij, die 't ontvangt.--Wat leest gij 't eerst met haar?
LUCENTIO. Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,
Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,
Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;
Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,
Dan 't uwe, of gij moest een geleerde zijn.
GREMIO. O die geleerdheid, welk een schoone zaak!
GRUMIO. O die onnooz'le, welk een rare snaak!
PETRUCCIO. Stil, vrindje!
HORTENSIO. Stil, Grumio! (Hij treedt voor den dag.) Wees gegroet,
signore Gremio!
GREMIO. Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,
Waar ik naar toe ga?--Naar Battista Minola.
'k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naar
Een onderwijzer voor de schoone Bianca;
En 'k heb 't geluk gehad, deez' jongen man
Te ontmoeten, die door kennis en manieren
Juist voor haar past, in poëzie belezen
En and're boeken,--goede boeken, ja.
HORTENSIO. Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,
Die heeft beloofd, me een fijnen musicus
Te zullen zenden voor onze uitverkoor'ne;
Zoo blijf ik dus niets achter in den dienst
Der schoone Bianca, die ik zoo bemin.
GREMIO. Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.
GRUMIO. Zijn geldzak zal 't bewijzen.
HORTENSIO. 't Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.
Maar luister: wilt gij vriend'lijk zijn, dan meld
Ik u iets nieuws, ons beiden even welkom.
Deez' heer, dien ik toevallig heb ontmoet,
Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,
Gaan vrijen naar de kreeg'le Katharina,
Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.
GREMIO. Gezegd, gedaan, is mooi.--Hortensio, spreek,
Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?
PETRUCCIO. Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;
Is 't anders niet, mijn heeren, dat 's geen kwaad.
GREMIO. Geen kwaad, mijn vriend? Nu!--Waar zijt gij vandaan?
PETRUCCIO. 'k Ben van Verona, en Antonio's zoon;
Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,
En 'k hoop, dat die mij goede dagen geev'.
GREMIO. Heer, goede dagen en zoo'n wijf, zijn twee;
Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;
Ik zal in alles u behulpzaam zijn.
Maar wilt gij zulk een boschkat?
PETRUCCIO. Wil ik leven?
GRUMIO. Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!
PETRUCCIO. Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?
Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?
Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?
Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,
Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?
Hoorde ik kanongebulder niet, in 't veld,
Noch 's hemels zwaar geschut daar in de lucht?
Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,
Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?
En reutelt gij me van een vrouwetong,
Die half zoo luid niet klapt als een kastanje
In 't haardvuur van een pachter? Maak een kind
Met bietebauwen bang!
GRUMIO. Neen, hij ducht niets.
GREMIO. Hortensio, hoor.
Deez' heer komt wel ter rechter tijd; ik heb
Een voorgevoel, 't is ons geluk en 't zijne.
HORTENSIO. 'k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,
En houden bij dit vrijen graag hem vrij.
GREMIO. Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.
GRUMIO. O, bood men even wis me een goed onthaal aan.
(Tranio komt op, deftig uitgedost, met Biondello.)
TRANIO. God zegen' u, mijn heeren! 'k Ben zoo vrij
Te vragen, wat de naaste weg wel is
Naar 't huis van heer Battista Minola.
GREMIO. Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?
TRANIO. Denzelfden.--Biondello!
GREMIO. 't Is u toch om de dochter niet te doen?
TRANIO. Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.
PETRUCCIO. In geen geval om haar, die kijft, niet waar?
TRANIO. Een kijfster? dank u, heer!--Kom, Biondello!
LUCENTIO (ter zijde). Goed, Tranio, goed!
HORTENSIO. Heer, eer gij gaat, een woord!
Zeg ja of neen; heeft de and're u soms bekoord?
TRANIO. Waar' 't zoo, beleedigde ik dan u daarmede?
GREMIO. Neen, heer, maar ik verbied u elke verd're schrede.
TRANIO. De straat, heer, is, zoo 'k denk, wel even vrij
Voor mij en u.
GREMIO. De straat, heer, wel, niet zij.
TRANIO. Waarom dan, mag ik vragen?
GREMIO. Vraagt ge zoo?
Welnu, ze is de uitverkoor'ne van signore Gremio.
HORTENSIO. Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.
TRANIO. Al zacht, mijn heeren; gunt als edellieden
Ook mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.
Battista is een waardig edelman,
En met mijn vader is hij goed bekend;
En waar' zijn dochter schooner nog dan ze is,
Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.
Een duizendtal had Leda's schoone dochter,
De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;
Lucentio zij die een, is mijn besluit,
Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.
GREMIO. Let op, deze een praat allen van de baan.
LUCENTIO. Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.
PETRUCCIO. Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?
HORTENSIO. Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gij
De dochters van Battista ooit gezien?
TRANIO. Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;
De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,
Dan de and're door haar zedigheid en schoon.
PETRUCCIO. Laat af van de eerste, heer, die is van mij.
GREMIO. Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;
Het twaalftal van Alcides tell' niet meer.
PETRUCCIO. Verneem van mij nu, heer, hoe 't voor u staat:
De jongste dochter, zij, die gij verlangt,
Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;
Aan niemand wil haar vader haar verloven,
Aleer haar oud're zuster is getrouwd,
Dan wordt de jong're vrij, maar eerder niet.
TRANIO. Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,
Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,
Breekt gij het ijs, volbrengt gij 't heldenstuk,
Neemt gij die oudste, en wordt de jong're vrij
Voor onzen wedstrijd,--zeker, die haar krijgt,
Wie 't zij, zal, zooals 't past, zich dankbaar toonen.
HORTENSIO. Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;
En daar gij medevrijer u verklaart,
Zult gij, als wij, dien heer erkent'lijk zijn;
Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.
TRANIO. Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijs
Vraag ik: brengt den namiddag met mij door,
En drinken we op het welzijn onzer liefsten,
En doen we als advocaten, die, hoe fel
Ze elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.
GRUMIO EN BIONDELLO. Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!
HORTENSIO. Dat voorstel is aanneemlijk, ja, 't is goed;
U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.
(Allen af.)