EERSTE TOONEEL.

Padua. Een plein.

Lucentio en Tranio komen op.

LUCENTIO. Gij weet het, Tranio, hoe de vuur'ge wensch

Om 't schoone Padua, der kunsten wieg,

Te zien, mij naar het vruchtb're Lombardije,

Dien lusthof van het groot Italië, dreef;

En hoe mij 's vaders wensch en wil daartoe

Zijn zegen gaf en u tot metgezel,

U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;

Hier zijn we aan 't doel en willen 't pad der kennis,

Der eed'le studiën inslaan, ons tot heil.

Pisa, beroemd door tal van eed'le burgers,

Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,

De wereld door als hand'laar wel bekend,

Vincentio, van den stam der Bentivogli.

't Betaamt Vincentio's zoon, die in Florence

Werd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,

Door edel doen zijn rijkdom glans verleen';

En daarom, Tranio, wil 'k mijn studietijd

Aan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,

Dat leert, hoe ons het waar geluk alleen

Door deugdbetrachting kan ten deele vallen.

Onthoud uw raad mij niet; want nu ik Pisa

Voor Padua verliet, is 't mij als een,

Die uit een waadb'ren plas in 't meer zich stort

En gretig zijnen dorst te lesschen tracht.

TRANIO. Mi perdonate, beste jonge meester,

Ik denk hierin volkomen als gijzelf,

En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,

Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.

Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,

Terwijl wij deugd en zedeleer bewond'ren,

Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,

Zoo vroom verdiept in Aristoteles,

Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek'nen.

Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,

Welsprekendheid in 't dagelijksch gesprek;

Verfrisch u met muziek en poëzie;

Dat Wiskunst u en Metaphysica

Slechts laven, als de trek u hong'rig maakt;

Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;--

In 't kort, studeer wat u het meest behaagt.

LUCENTIO. Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.

Was Biondello nu maar aangeland,

Dan brachten we onze zaken fluks op stel,

En huurden we ons een woning, ter ontvangst

Der vrienden, die ons Padua schenken zal.

Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!

TRANIO. Een optocht wis, die ons hier welkom heet.

(Battista, Katharina, Bianca, Gremio en Hortensio komen op. Lucentio

en Tranio zijn ter zijde gegaan.)

BATTISTA. Neen, eed'le heeren, dringt niet verder aan;

Want wat ik vast besloot is u bekend:

Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,

Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;

Heeft een van u nu zin in Katharina,--

Daar ik u beiden ken, u beiden mag,--

Die maak' haar vrij het hof; mij is het wel.

GREMIO. Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;--

Hoe is 't, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?

KATHARINA (tot Battista). Mijn vader, zeg, is 't uw bedoeling, mij

Te koop te veilen aan dit edel paar?

HORTENSIO. Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,

Voordat ge toont een liever zachter aard.

KATHARINA. Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,--

'k Verzeker u,--niet halfweg tot haar hart;

En dacht ge 't soms, zij nam een driestal op

En kamde er 't hoofd u mee, zooals men dorscht,

En verfde uw facie als van een hansworst.

HORTENSIO. O Heere God, bewaar ons voor zoo'n duivel!

GREMIO. En mij ook, Heere God!

TRANIO. 't Is kost'lijk, heer! die voert wat in haar mars;

De deerne is stapelgek of wonderdwars.

LUCENTIO. Terwijl van de and're 't zwijgen mij behaagt;

Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.

Stil, Tranio!

TRANIO. Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.

BATTISTA. Mijn heeren, om u ook 't bewijs te geven,

Dat ik het meen;--Bianca, ga naar binnen;

En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,

Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind.

KATHARINA. Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?

Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.

BIANCA. Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.--

Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;

'k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;

Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.

LUCENTIO. Hoor, Tranio; 't is, alsof Minerva spreekt.

HORTENSIO. Signor Battista, wees toch niet zoo streng;

Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefde

Bianca leed brengt.

GREMIO. Wat! ge sluit haar op,

Signor Battista, om deez' duivelin,

En straft haar voor de scherpe tong van de and're?

BATTISTA. Berust er in, mijn' heeren, dit staat vast;--

Bianca, ga naar binnen!

(Bianca af.)

Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindt

In zang en snarenspel en poëzie,

Verlang ik onderwijzers in mijn huis,

Bekwame lieden. Weet soms een van u,

Hortensio of signore Gremio, er zoo,

Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,

Dan zal ik ruim betalen; ik spaar niets

Om mijne kind'ren deugd'lijk op te voeden;

En nu vaartwel!--Gij, Katharina, blijf;

Want ik heb met Bianca nog te spreken.

(Battista af.)

KATHARINA. Nu, 'k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?

Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelf

Niet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!

(Katharina af.)

GREMIO. Loop naar des duivels grootmoeder!--Uwe gaven zijn zoo goed,

dat niemand van u gediend is.--Zoo groot is de liefde tusschen

Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze

nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van

beide zijden nog gaar. Vaarwel!--maar toch, als ik ten pleiziere

van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan

opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem

aan haar vader zenden.

HORTENSIO. Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel

woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen

overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor

ons beiden van belang wezen,--om weer toegang te verkrijgen bij onze

schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te

zijn in Bianca's min,--toch één ding vooral te bewerken en het tot

stand te brengen.

GREMIO. En wat dan, bid ik u?

HORTENSIO. Wel aan haar zuster een man te bezorgen.

GREMIO. Een man? een duivel!

HORTENSIO. Ik zeg, een man.

GREMIO. Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is

haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel

te trouwen.

HORTENSIO. Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te

boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,--er zijn nog wel

goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren,

die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.

GREMIO. Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift

met het beding, dat ik elken morgen op de markt zou gegeeseld worden.

HORTENSIO. Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar

komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons

zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista's oudste

dochter een man bezorgd hebben, en daardoor de jongste voor een

man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op

los!--Lieve Bianca!--Wie 't gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie

't snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van,

signore Gremio?

GREMIO. Ik ben 't ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard

van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen,

naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!

(Beiden af.)

(Tranio en Lucentio komen weder naar voren.)

TRANIO. Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is 't moog'lijk,

Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?

LUCENTIO. O Tranio, eer ikzelf het ondervond,

Hield ik het noch voor moog'lijk noch geloof'lijk;

De ziel zoo onder de' arm stond ik te kijken,

Daar nam de min met ziel en al mij in;

En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,--

Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,

Als Anna met haar zuster Dido was,--

Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,

Als ik die jonge zachte maagd niet win;

O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,

O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.

TRANIO. Heer, 't is de tijd nu niet om u te gispen,

En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;

Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:

Redime te captum, quam queas minimo.

LUCENTIO. Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,

De rest zal troosten, want uw raad is goed.

TRANIO. O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,

Wellicht ontging u 't fijne van de zaak.

LUCENTIO. Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,

Zooals Agenors dochter eens bezat,

Die Jupiter deed buigen voor haar hand,

Zijn knie tot kussen dwong van Creta's strand.

TRANIO. Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luid

Haar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,

Dat nauw één sterflijk oor 't rumoer verdroeg?

LUCENTIO. Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop'nen,

De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,

En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.

TRANIO. Nu, dan is 't tijd hem uit zijn roes te wekken.--

Word wakker, heer! bemint gij 't meisje, spits

Voor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe 't staat:

Haar oud're zuster is zoo boos en vinnig

Dat, tot van haar de vader af is, heer,

Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;

En daarom heeft hij thans haar opgekooid,

Opdat zij niet van vrijers word' geplaagd.

LUCENTIO. O Tranio, welk een wreedheid van den vader!

Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haar

Geschikte leeraars zoekt om les te geven?

TRANIO. Ja, zeker hoorde ik 't; en mijn plan is rijp.

LUCENTIO. Tranio, ik heb mijn plan.

TRANIO. Nu, 'k wed, zoo waar,

Uw plan en 't mijn gaan zeker hand aan hand.

LUCENTIO. Zeg me eerst het uwe.

TRANIO. Gij wilt leeraar zijn,

En neemt het onderwijs der schoone op u;

Dit is uw plan.

LUCENTIO. Zoo is 't; maar zou het gaan?

TRANIO. Onmoog'lijk; wie vervult in Padua

De rol dan van Vincentio's zoon? Wie houdt

Uw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,

Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?

LUCENTIO. Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.

Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;

En niemand leest het af op ons gezicht,

Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:

Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,

Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;

En ik ben iemand anders uit Florence,

Uit Napels, of een minder man uit Pisa.

Klaar zijn we; en zoo gebeure 't. Tranio, vlug;

Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;

Komt Biondello, dan bedient hij u,

Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.

(Zij verwisselen van kleeding.)

TRANIO. Dit zal hoog noodig zijn.--

In 't kort, heer, wijl gij 't zoo beveelt, en daar

Ik tot gehoorzaamheid gebonden ben,--

Want zoo beval uw vader mij bij 't afscheid:

"Wees steeds mijn zoon ten dienst," zoo sprak hij; maar

Ik twijfel, of hij 't nu juist zoo bedoelde,--

Zoo wil ik spelen voor Lucentio,

Omdat ik hart heb voor Lucentio.

LUCENTIO. Neen, Tranio, doe het om Lucentio's hart;

Knecht wil ik zijn om haar te winnen, die

Zoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.

(Biondello komt op.)

Daar komt de guit.--Knaap, waar hebt gij gezeten?

BIONDELLO. Waar ik gezeten heb?--Maar heer, waar zit gij zelf in?

Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn',

Of staalt gij beide'? Ik bid u, leg 't mij uit.

LUCENTIO. Knaap, hoor eens hier, 't is nu geen tijd tot schertsen,

En schik dus uw manieren naar den tijd.

Hier Tranio heeft, om 't leven mij te redden,

Mijn houding aangenomen en gewaad,

En ik, om mij te bergen, die van hem;

Ik kreeg, hier nauw'lijks aangeland, een twist,

Versloeg mijn man, en vrees, men is me op 't spoor.

Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals 't hoort,

En ik red nu mijn leven door de vlucht.

Verstaan?

BIONDELLO. Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.

LUCENTIO. En rep voortaan geen zier van Tranio!

Want Tranio is Lucentio geworden.

BIONDELLO. Daar boft hij mee; ik wilde 't ook wel zijn.

TRANIO. En wist ik, kerel, dat het vragen 't krijgen bracht teweeg,

Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista's tweede dochter kreeg;

Maar hoor--en, vriend, niet ik, uw meester is 't die 't vraagt,

Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,

Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,

Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.

LUCENTIO. Kom, Tranio, laat ons gaan.--

Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:

Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;--

Genoeg, ik heb mijn reed'nen en die zijn van gewicht.

(Allen af.)

EERSTE BEDIENDE. Mylord, gij knikkebolt, verveelt u 't stuk?

SLUW. Neen, bij Sint Anna; neen, 't is mooi. Een goed stuk werk,

waarachtig. Komt er nog meer van?

PAGE. Mylord, 't is een begin pas.

SLUW. 't Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het

gedaan was.

De getemde feeks · 第 7 / 30 题