TWEEDE TOONEEL.

Een slaapkamer in het huis van den Lord.

Men ziet Sluw in een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen

met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder

toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed.

SLUW. In 's Hemels naam, een potteken scharrebier!

EERSTE BEDIENDE. Verkiest uw edelheid een roemer wijns?

TWEEDE BEDIENDE. Verkiest uw lordschap van deez' confituren?

DERDE BEDIENDE. Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?

SLUW. Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik

heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt

geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit,

welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen,

niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms

meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door

het bovenleer heen komen kijken.

LORD. God moge uw lordschap van deez' waan bevrijden!

O dat een man van rang, van zulk een afkomst,

Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,

Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!

SLUW. Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de

zoon van den ouden Sluw van Burtonheide, van geboorte marskramer,

door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu

van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol,

de dikke bierhuiswaardin van Wincot, of zij me niet kent; als ze

niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta

voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar

ben van de christenheid.--Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb

ik--

(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.)

EERSTE BEDIENDE. O, dit is 't, waar uw echtgenoot om treurt!

TWEEDE BEDIENDE. O, dit is 't, wat uw dienaars zoo bedroeft!

LORD. Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;

Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.

O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,

Roep uwen lang verbannen geest terug,

En ban deez' droomen, u onwaard, van hier;

Zie, hoe uw dienaars need'rig om u staan,

Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.

Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,

(Muziek.)

Een nachtegalenkoor is daar en zingt.

Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,

Zoo zacht en heerlijk als het weeld'rig bed,

Eens voor Semiramis met zorg gespreid.

Kiest gij een wand'ling? zie, wij strooien bloemen;

Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,

Hun tuig met goud en paarlen overdekt;

Een valkenjacht? uw edelvalken klimmen

Veel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?

Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;

Zij wekken de echo's uit der aarde schoot.

EERSTE BEDIENDE. Verkiest gij lange jacht? uw hazewinden

Zijn sneller dan het hijgend hert of ree.

TWEEDE BEDIENDE. Houdt gij van schilderijen? daad'lijk halen

Wij u Adonis, rustend aan een beek,

En Cytherea, diep in 't riet verborgen,

Dat lichtbewogen met haar adem speelt,

Zooals wij riet zien dart'len met den wind.

LORD. Dan toonen wij u Io, de eed'le maagd;

En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;

Zoo levendig gemaald, alsof gij 't zaagt.

DERDE BEDIENDE. Of Daphne, die, bij 't zwerven in het bosch,

De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,

Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;

Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.

LORD. Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;

Uw gade is schooner dan de schoonste, die

Deze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.

EERSTE BEDIENDE. En eer de tranenvloed, om u geplengd,

Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,

Was zij het heerlijkst wezen van deze aard',

En thans nog wijkt zij voor geen enk'le vrouw.

SLUW. Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw?

Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?

Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,

Ruik lekk're geuren; wat ik voel, is zacht;--

Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;

Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.

Kom, laat mij nu mijn eed'le vrouw eens zien;

En geef mij toch een pintje scharrebier.

TWEEDE BEDIENDE. Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?

(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.)

O, wat genot u weer hersteld te zien!

O, dat gij eind'lijk inziet, wie ge zijt!

Deez' vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,

Of, waart ge wakker, 't was, alsof gij sliept.

SLUW. Deez' vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!

En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?

EERSTE BEDIENDE. O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;--

Want schoon gij in deez' fraaie kamer laagt.

Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,

En scholdt ge op een waardin en zeidet, dat

Gij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkens

Diksteenen kannen, geen geijkte pintjes;

En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.

SLUW. Ja, ja, de dochter van de vrouw van 't bierhuis.

DERDE BEDIENDE. Wel heer, gij kent zoo'n meisje niet;

Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,--

Als Steven Sluw, en de' ouden Slokmaardoor

En Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,

En twintig and're namen en personen,

Die nooit bestonden en die niemand kent.

SLUW. Nu, Gode dank voor mijne beterschap!

ALLEN. Amen.

SLUW. Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.

(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.)

PAGE. Hoe vaart mijn eed'le heer?

SLUW. Waarachtig goed, 't is hier wel uit te houden.

Waar is mijn vrouw?

PAGE. Hier, eed'le heer, wat is van uw verlangen?

SLUW. Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?

Mijn volk, dat noemt mij heer, gij man of oudje.

PAGE. Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,

Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw.

SLUW (tot den Lord.) Ik weet het;--maar hoe noem ik haar?

LORD. Madame.

SLUW. Hoe? Els Madame of Hans Madame?

LORD. Madam', niets meer; zoo noemen lords hun ladies.

SLUW. Madame vrouw, 'k heb vijftien jaar en meer,

Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.

PAGE. O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,

Gescheiden, ja, van tafel en van bed.

SLUW. 't Is lang.--Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.--

Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.

PAGE. Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;

Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,

Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;

Uw artsen gaven mij uitdrukk'lijk last,--

Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,--

Dat ik nog een'gen tijd uw bed zou mijden;

Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.

SLUW. Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten

kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen

vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook

mogen spreken.

(Een Bediende komt op.)

BEDIENDE. Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschap

Schouwspelers daar met een comediestuk;

En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,

Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft en

Zwaarmoedigheid des waanzins voedster is;

Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,

Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,

De kwalen weert en 't leven u verlengt.

SLUW. Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een

kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?

PAGE. Neen, heer; 't is mooier, beter lachensstof.

SLUW. Wat stof is dat?

PAGE. 't Is zoo'n historietje.

SLUW. Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer

en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.

(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.)

De getemde feeks · 第 5 / 30 题