EERSTE TOONEEL.

Voor een herberg, op een heide.

De Waardin en Sluw komen op.

SLUW. Wacht maar, ik kom je op 't jak.

WAARDIN. Je moest in 't blok, jij schelm.

SLUW. Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in

de kronieken; we kwamen in 't land met Richard den Veroveraar. Dus:

paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan; sessa!

WAARDIN. Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?

SLUW. Neen, geen penning; ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en

ga je warmen.

WAARDIN. Ik weet wat me te doen staat; ik ga den schout halen.

(Waardin af.)

SLUW. Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar

de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen;

laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook.

(Hij gaat liggen en slaapt in.)

(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers

en Bedienden.)

LORD. Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!

Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,

En koppel Nero met den diepen blaffer.

Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,

Den koud geworden voet goed op, niet waar?

Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.

EERSTE JAGER. Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;

Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,

En tweemaal vond hij heden 't flauwste spoor;

Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.

LORD. Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,

Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.

Maar voeder en verpleeg hen allen goed;

Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.

EERSTE JAGER. Zeer goed, mylord.

LORD. Wat is dat?--Dood of dronken? Haalt hij adem?

EERSTE JAGER. Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want anders

Waar' 't bed te koud voor zulk een vasten slaap.

LORD. Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.

Foei, Dood! hoe laag en walg'lijk is uw grijns!--

Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.

Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,

In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,

En stond een lekker maal aan 't bed gereed,

Bedienden hem lakeien bij 't ontwaken,

Wist dan de beed'laar zelf wel, wie hij was?

EERSTE JAGER. Mylord, dan was hij zeker in de war.

TWEEDE JAGER. Hij zou al heel raar opzien bij 't ontwaken.

LORD. 't Zou als een droom of tooverij hem zijn.--

Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;

Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,

Behangt den wand met wulpsche schilderijen,

En wascht zijn stoppelkop met geur'ge waat'ren;

Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer';

Houdt ook muziek gereed, die bij 't ontwaken

Hem met een zoet en hemelsch lied begroet';

En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,

En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:

"Wat is 't bevel van uw hoogedelheid?"

En dan hoû de een hem voor--een zilv'ren bekken,

Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;

Een ander draag' de kan, de derde een handdoek;--

"Behaagt het uw hoogedelheid, de handen

"Wat af te koelen?" zegt ge dan. Een ander

Sta met een keur van fraaie kleed'ren klaar,

En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;

Die spreek' hem van zijn paarden en zijn honden,

En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;

Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;

En zegt hij: "Wat! ik ben--" zegt, dat hij droomt,

Nooit anders was, dan een vermogend lord.

Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;

Dit wordt een allerkostelijkste grap,

Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.

EERSTE JAGER. Heer, 'k sta u borg, wij spelen onze rol

Zoo dat hij naar onze' ijver denken moet

Te zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.

LORD. Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;

En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!

(Eenigen dragen Sluw weg.--Een trompet klinkt.)

Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;

(Een Dienaar af.)

Een edelman misschien, die op zijn reis

Hier op wil houden, om eens uit te rusten.

(De Dienaar komt terug.)

Welnu, wie is 't?

DIENAAR. Schouwspelers zijn 't; zij vragen

Als gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.

LORD. Geleid hen hier.

(De Schouwspelers komen.)

Zoo, mannen, gij zijt welkom.

EERSTE SCHOUWSPELER. Dank voor uw goedheid, edel heer.

LORD. Wenscht gij deze' avond op mijn slot te spelen?

TWEEDE SCHOUWSPELER. Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja.

82

LORD. Recht gaarne.--Dezen vriend hier ken ik nog;

Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;

Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;

Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldet

Die rol zeer goed, natuurlijk, zooals 't hoort.

EERSTE SPELER. 't Was Soto, denk ik, wat UEed'le meent.

LORD. Ja juist, die was 't;--dat speeldet gij voortreff'lijk.--

Komaan, gij komt of gij geroepen waart;

'k Heb naam'lijk juist een grap bedacht, waarbij

Uw komst van grooten dienst mij wezen kan.

Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;

Maar 'k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,

En bij zijn koddig doen,--zijn edelheid

Zag van zijn leven zoo'n vertooning niet,--

Licht in een bui van lachen uitbarst en

Hem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,

Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.

EERSTE SPELER. Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,

Al waar' hij ook de dolste kwant ter wereld.

LORD (tot een der Bedienden). Hier, knaap, geleid hen naar de

voorraadkamer;

Heet ieder vriend'lijk welkom, en draag zorg,

Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.--

(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.)

(Tot een Bediende.) En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,

En dos geheel als edelvrouw hem uit;

En breng hem, zoo getooid, naar 's dronkaards kamer,

Noem hem "Madame", buig recht need'rig voor hem,

En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,

Hij zich beleefd gedragen moet, zooals

Hij wel heeft opgemerkt, dat eed'le vrouwen

Haar echtgenooten met respect behand'len;

Op zulk een wijs treed' hij den dronkaard nader,

Met zacht gefluister en een diepe buiging,

En zegg': "Wat wil uw edelheid bevelen,

Opdat uw echtgenoot, getrouw en need'rig,

Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog'?"

Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,

En storte, 't hoofd verborgen aan zijn borst,

Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,

Dat zij haar eed'len gâ hersteld mag zien,

Die deze zeven jaar zich altijddoor

Een arm, afzichtlijk beed'laar heeft gewaand.

Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,

En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloed

Van tranen storten, dan moog' hem een ui

Van dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,

Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers'.

Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied';

Straks deel ik u nog meer bevelen mee.

(De Dienaar af.)

Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,

Stem, gang en houding van een dame treffen;

't Zal kost'lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,

En als mijn volk zich op de lippen bijt

Bij 't need'rig dienen van deez' kinkel. 'k Ga

Er zelf op toezien; mijn aanwezigheid

Betoom' hun uitgelatenheid, die anders

Door 't dolle heen zou gaan en 't spel bederven.

(Allen af.)

De getemde feeks · 第 4 / 30 题