INLEIDING.

Het is algemeen bekend, dat de oorlog een zeer krachtigen stoot heeft

gegeven tot de ontwikkeling van het vliegtuig. Intusschen mag de

invloed van den oorlog in dezen niet overschat worden. Het vliegtuig

van na den oorlog was in principe nog vrijwel hetzelfde als het

toestelletje, waarmede Blériot in 1909 voor het eerst het Engelsche

kanaal overstak. De oorlog echter heeft ons aanzienlijke verbeteringen

gebracht in den vorm van romp en vleugels, in de toegepaste

constructie-methodes en in de kracht, lichtheid en betrouwbaarheid van

de motoren.

Na den oorlog waren in de verschillende rijken, die er aan hadden

deelgenomen, groote hoeveelheden vliegtuigmateriaal aanwezig, waarvoor

men een bestemming in vredestijd zocht, terwijl de verschillende

regeeringen tevens een arbeidsveld trachtten te vinden voor de groote

vliegtuigfabrieken, die tijdens den oorlog waren ontstaan. Het gevolg

hiervan was, dat men overging tot het oprichten van geregelde

burgerluchtlijnen, en tevens trachtte door het organiseeren van

afzonderlijke vluchten over zeer lange afstanden de mogelijkheden na te

gaan, welke het vliegtuig als verkeersmiddel over dergelijke trajecten

bood, en de aandacht van het publiek op deze mogelijkheden te vestigen.

Een der eerste, en tevens een van de mooiste van deze

lange-afstand-vluchten is die van Ross Smith met zijn broer en 2

mécaniciens, van Engeland naar Australië, een afstand van 14000 mijl.

Ross Smith begon zijne voorbereidingen onmiddellijk na den

wapenstilstand, vertrok den 12den November 1919 uit Londen met een

Vickers-Vimy twee-motorig oorlogsvliegtuig en bereikte den 10den

December daaraanvolgende Port Darwin in Australië. Hiermede had hij

juist binnen een maand zijn doel bereikt en den prijs gewonnen, die de

Australische Regeering voor de vlucht had uitgeloofd. Van Port Darwin

vloog hij door naar Adelaide. Hij had hierbij met vele moeilijkheden te

kampen, aangezien zijn toestel op de lange vlucht reeds veel geleden

had, doch den 23sten Maart 1920 kwam hij behouden te Adelaide aan.

Een ander groot doel, dat de luchtvaart zich in 1919 stelde, was de

vlucht over den Atlantischen Oceaan. Verschillende pogingen werden

gedaan, vele moeilijkheden moesten worden overwonnen en de vliegers

hadden met talrijke tegenslagen te kampen, doch tenslotte slaagden de

Engelsche vlieger Allcock en zijn navigator Brown er in om op 14 en 15

Juni 1919 de vlucht van New Foundland naar Ierland zonder

tusschenlanding in 16 uren 27 minuten, niettegenstaande het zeer

slechte weer, op schitterende wijze te volbrengen.

In 1920 trachtte de Italiaansche Regeering een vlucht te organiseeren

van Rome naar Tokio. Er werd zeer veel geld aan deze onderneming

besteed, verschillende deelnemers vertrokken uit Rome, waarvan er twee

werden neergeschoten door Arabieren in Mesopotamië en alleen de

luitenants Masiero en Ferrarin slaagden er in, de geheele vlucht te

volbrengen in 3½ maand tijds.

Van Engelsche zijde werd een vlucht van Londen naar Kaapstad

georganiseerd onder leiding van den vlieger Van Ryneveld. 4 Februari

1920 werd uit Londen gestart, en na veel tegenspoed, waarbij het

toestel twee maal werd vernield en door een ander moest worden

vervangen, kwam Van Ryneveld 20 Maart 1920 te Kaapstad aan.

De Portugeezen Coutinho en Cabral vertrokken den 30sten Maart 1922 uit

Lissabon en kwamen den 17den Juni te Rio de Janeiro aan, na een

schitterende vlucht over het zuidelijk gedeelte van den Atlantischen

Oceaan, waarbij vooral de juiste luchtnavigatie valt te vermelden.

In 1922 trachtten Blake, Macmillan en Malins een vlucht om de wereld te

maken. Zij startten van Londen naar het Oosten; ofschoon zij in het

begin met veel moeilijkheden en tegenslagen te kampen hadden, slaagden

zij erin met hun eerste toestel, een de Havilland 9, tot Calcutta te

komen. Hier bleef Blake wegens ziekte achter, en Macmillan en Malins

gingen verder met een watervliegtuig. Waarschijnlijk doordat dit

toestel eenigszins haastig was gemonteerd, kregen zij motorpech boven

de Golf van Bengalen; zij moesten dalen, het toestel sloeg over den

kop, en de beide inzittenden moesten op de drijvers van het vliegtuig

drie dagen en twee nachten blijven ronddobberen onder groote

ontberingen, voordat zij—juist bij tijds—werden gered.

Waren gedurende de eerste jaren na den oorlog de groote

intercontinentale vluchten min of meer sporadisch, in het jaar 1924 en

het begin van 1925 volgden zij elkander in sneller tempo op.

In de eerste plaats verdienen vermelding de verschillende pogingen,

gedurende dat jaar ondernomen, om een vlucht rond de wereld te maken.

Van Engelsche zijde trachtte MacLaren deze vlucht te volbrengen; hij

startte den 25sten Maart van Southampton oostwaarts. Bij Akyab in

Achter-Indië, waar ook de F VII naderhand landde, vernielde hij zijn

Vickers-vliegboot; een nieuw toestel werd hem gezonden, doch in het

Noorden van Japan had hij met veel slecht weer en andere tegenspoeden

te kampen, en de poging moest definitief worden opgegeven,

niettegenstaande de groote vasthoudendheid en sportiviteit van de

bemanning.

Meer succes had de Amerikaansche regeering, die een vlucht om de wereld

organiseerde in tegengestelde richting, van Oost naar West. Den 17den

Maart 1924 startten vier vliegtuigen met samen acht man bemanning uit

Santa Monica bij Los Angelos. Vandaar ging het langs Alaska, waar het

toestel van den leider, Major Martin, verloren ging. De drie andere

toestellen vlogen langs de Aleoeten, de eilanden, die in het Noorden

van de Stille Zuidzee Alaska met Azië verbinden, en zoo bereikten zij

Japan. Vandaar gingen zij langs China naar Achter-Indië. Door Azië en

Europa volgden zij verder ongeveer dezelfde route als de F VII. Den

Atlantischen Oceaan staken de vliegers in het Noorden over, via

Groenland en IJsland. Ook op dit traject hadden zij met veel slecht

weer te kampen, en wederom ging een toestel verloren. De twee

overgebleven vliegtuigen slaagden erin Noord-Amerika veilig weer te

bereiken. Zij volbrachten de vlucht rondom de Aarde in 175 dagen,

waaronder 59 vliegdagen waren. Zoowel de toestellen als de bemanning

hebben zich op dezen zwaren tocht schitterend gehouden.

Niet minder merkwaardig dan de Amerikaansche wereldvlucht was de vlucht

van Parijs naar Tokio door Pelletier Doisy. Weliswaar ging deze vlucht

over een korter traject, doch wat de bemanning, bestaande uit slechts

één vlieger en één mécano heeft gepresteerd, grenst aan het

ongelooflijke. Den 24sten April startte Doisy uit Parijs, en reeds

zeven en twintig dagen later, den 20sten Mei, kwam hij te Shangai aan;

den afstand van 13440 kilometer had hij in 90 uur 55 minuten vliegen

afgelegd. Gedurende de eerste étappe, Parijs–Bucarest, zat Doisy 10 uur

45 minuten aan één stuk aan het stuurwiel, terwijl de laatste étappe

Canton–Shangai 9 uur 10 minuten duurde. Helaas werd te Shangai het

toestel vernield ten gevolge van den gebrekkigen toestand van het

landingsterrein. Doisy kreeg echter een ander toestel en bereikte den

9den Juni Tokio.

Van Amsterdam uit werd door den Argentijnschen vlieger Pedro Zanni een

poging gedaan, oostwaarts de wereld om te vliegen. Zanni startte 26

Juli, doch moest na veel tegenspoed zijn vlucht opgeven, nog vóór hij

den Stillen Oceaan had overgestoken.

Een tweetal Portugeesche vliegers trachtten de Portugeesche kolonie

Macao in Zuid-China van Lissabon uit te bereiken. Zoowel de organisatie

van deze vlucht als het gebruikte materiaal beloofden niet veel goeds.

Den 2den April 1924 startten de Portugeezen uit Lissabon. Den 7den Mei

vernielden zij hun toestel bij eene noodlanding bij Pipar in

Voor-Indië. De vlucht werd met een ander toestel voortgezet, en den

20sten Juni landden zij in de buurt van Macao op een Chineesch kerkhof,

daar zij het vliegveld niet konden vinden. Wie wel eens in Indië of

elders een dergelijk kerkhof heeft gezien, zal er zich niet over

verwonderen, dat het vliegtuig opnieuw werd vernield. Dit neemt niet

weg, dat deze vlucht over 15000 kilometer een merkwaardige prestatie

moet worden genoemd.

Wij besluiten de opsomming van de groote vluchten, die het jaar 1924

opleverde, met de vermelding van twee merkwaardige rondvluchten om het

Australische vasteland. De eerste werd gemaakt van 6 April tot 19 Mei

met een watervliegtuig door den Australischen vlieger Mac Intyre. De

tweede werd volbracht door den kapitein Jones met een landvliegtuig,

tusschen 7 en 29 Augustus. De afstand, door de beide vliegtuigen zonder

eenigen belangrijken tegenslag op vlotte wijze afgelegd, bedroeg ruim

13000 kilometer.

De reeks lange vluchten van 1924 werd voortgezet in de eerste helft van

1925. Wij vermelden de fraaie vlucht van de drie Belgen Thieffry, Roger

en De Bruycker van Brussel naar Kinschassa in den Belgischen Congo, de

vlucht van Arrachard en Le Maître van Parijs naar het Fransche gebied

in Noord-West Afrika en terug, waarbij buitengewoon lange étappe’s

werden gemaakt, en last not least de schitterende vlucht van den

Engelschen vlieger Alan Cobham van Londen naar Rangoon en terug. Deze

vlucht was georganiseerd om aan Air-Vice-Marshal Sir Sefton Brancker,

Controller of Civil Aviation, die als passagier mede vloog, gelegenheid

te geven, de mogelijkheid van eene luchtverbinding tusschen Engeland en

Britsch-Indië te bestudeeren.

Ten slotte willen wij er nog even de aandacht op vestigen, dat er

plannen bestaan voor vluchten tusschen Frankrijk en Japan, via Siberië.

Deze plannen ontleenen hun belangrijkheid vooral hier aan, dat zij het

uitzicht openen op een nieuwen, Noordelijken luchtweg naar het verre

Oosten, die wellicht in de toekomst een concurrent zal worden van den

tot nu toe gevolgden weg via Voor- en Achter-Indië. Japanners en

Franschen zullen echter bij deze pogingen veel politieke moeilijkheden

te wachten hebben, doch ook van andere zijde vestigt men de aandacht op

dezen luchtweg. Reeds zijn drie in Rusland gebouwde Junkers-vliegtuigen

van Moskou naar Peking gevlogen onder Russische vlag, en er schijnen

plannen te bestaan voor een luchtlijn Londen–Berlijn–Koningsbergen–

Moskou–Oerga–Peking.

Uit bovenstaande opsomming moge blijken, dat in de periode na den

oorlog de lange-afstand-vluchten elkander in steeds sneller tempo en

met stijgend succes hebben opgevolgd. Het economisch herstel, de betere

internationale verhoudingen en de neiging van verschillende mogendheden

om de banden met hunne koloniën nauwer aan te halen mogen hiertoe

hebben medegewerkt, doch de hoofdoorzaak moet worden gezocht in de

ontwikkeling van het geregelde burgerluchtverkeer en de verbetering van

de vliegtuigen. In beide heeft Nederland een eervolle rol gespeeld.

Toen al spoedig na den oorlog vooral in Engeland en Frankrijk de

organisatie van het burgerluchtverkeer werd aangevat en door de

regeeringen krachtig ondersteund, gevoelde men in Nederland de

noodzakelijkheid, dat ons land met zijn centrale geografische ligging

en zijn groote handels- en verkeersbelangen een aandeel zou nemen aan

de tot stand koming van het nieuwe verkeersmiddel. Het gevolg was, dat

den 7den October 1919 de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij voor

Nederland en Koloniën werd gesticht. Deze Maatschappij onderscheidde

zich van vele dergelijke maatschappijen in het buitenland principieel

hierdoor, dat zij niet in het leven werd geroepen door eene

vliegtuigenfabriek, die ook na den oorlog een afzetgebied voor haar

product zocht, doch dat zij werd gesticht op aandrang- en met hulp van

vooraanstaande handels- en verkeerslichamen. Aangezien niet mocht

worden verwacht, dat de maatschappij gedurende de eerste jaren

financieel op eigen beenen zou kunnen staan, werd zij van

regeeringswege gesteund. De toename van het luchtverkeer, de bouw van

meer economische vliegtuigen en de betere exploitatie, die de ervaring

langzamerhand leerde, wettigen echter de hoop, dat eerlang de inkomsten

de onkosten zullen dekken.

De Maatschappij begon haar luchtlijnen zonder Regeeringssteun, doch na

eenigen tijd stond de Regeering een subsidie toe, tot een maximum van ⅔

van het verlies. De Maatschappij moest ⅓ zelf dragen. Door deze

regeling verkreeg de Regeering den waarborg, dat alles zou worden

gedaan, om de exploitatie zoo economisch mogelijk te maken, en het

verlies tot een minimum te beperken; verder oefent het Departement van

Waterstaat voortdurend contrôle uit, niet alleen over het commercieele

beheer der onderneming, doch ook over personeel en materieel, waardoor

de grootst mogelijke veiligheid voor de passagiers wordt verzekerd.

Inderdaad is de ongevallenstatistiek der K. L. M. gedurende de vijf

jaren van haar bestaan buitengewoon gunstig geweest. Na deze eerste

subsidie-overeenkomst is een nieuwe regeling getroffen, welke voor vier

jaar is gesloten en einde 1926 eindigt. Gedurende deze vier jaar

verstrekt de Regeering aan de Maatschappij voorschotten tot een

gezamenlijk bedrag van ƒ 1.400.000, welk bedrag de K. L. M. zal moeten

terugbetalen zoodra haar bedrijf winstgevend is geworden.

Gedurende den zomer van 1920 onderhield de K. L. M. een proefdienst op

Londen met Engelsch materieel en vliegers. In het najaar kwam hier een

proefdienst op Hamburg–Kopenhagen bij; de laatste bleek in

tegenstelling met de eerste geen levensvatbaarheid te bezitten in dien

tijd van valuta-moeilijkheden.

Nadat eind October 1920 de proefdienst was gesloten begon de

Maatschappij half April 1921 met een éénmaaldaagschen dienst op Londen

en een dergelijken dienst op Hamburg, terwijl begin Mei (in

samenwerking met eene buitenlandsche maatschappij) een éénmaaldaagsche

dienst op Parijs werd geopend, die reeds veertien dagen later tot een

tweemaaldaagsche werd uitgebreid. Gedurende dit jaar begon de

Maatschappij met Nederlandsche toestellen en ten deele met

Nederlandsche vliegers te werken.

De dienst op Hamburg werd om bovengenoemde reden in October gestaakt,

en de dienst op Londen werd in den daaropvolgenden winter van 1921 op

1922 met het oog op het weer stopgezet.

In den zomer van 1922 werd een tweemaaldaagsche dienst op Londen

onderhouden (ten deele samen met een Engelsche Maatschappij), terwijl

de Parijsche dienst door bleef gaan en veel levensvatbaarheid toonde.

In den winter van 1922 op 1923 bleef de dienst op Londen voor het eerst

doorloopen. De weersgesteldheid bleek geen overwegend bezwaar hiertegen

te vormen.

Het jaar 1923 onderscheidde zich hierdoor, dat de K. L. M. na het

overwinnen van vele politieke bezwaren er in slaagde, een eigen

doorgaande lijn naar Parijs te openen.

In 1924 werd een lijn Rotterdam–Amsterdam–Hamburg–Kopenhagen geopend.

Deze lijn gaf eene aanzienlijke tijdsbesparing, aangezien de

vliegtuigen over de heele reis 7½ uur doen, terwijl de trein er ruim

een etmaal voor noodig heeft. De tarieven van de luchtlijn werden

ongeveer gelijk gesteld aan die van de spoor, en de lijn bleek van het

begin af aan een groot succes.

De Maatschappij treedt voorts als agente op voor buitenlandsche

verkeersmaatschappijen, voert pleiziervluchten uit in Nederland, en

heeft een zeer bloeiende afdeeling voor luchtfotografie.

Gelijken tred met de ontwikkeling van de burgerluchtvaart in Nederland

hield de ontwikkeling van het verkeersvliegtuig. De K. L. M. ving haar

diensten aan met Engelsche oorlogsvliegtuigen, die met een motor van

240 P.K. slechts twee passagiers konden vervoeren. Het waren open

toestellen, waarin de passagiers ten volle waren blootgesteld aan weer

en wind en aan oliespatten en geraas van den motor. De N.V.

Nederlandsche Vliegtuigenfabriek (Fokker) begon zich echter al spoedig

toe te leggen op speciale verkeersvliegtuigen. De eischen, aan

dergelijke vliegtuigen te stellen, verschillen namelijk principieel van

die, waaraan een militair vliegtuig moet voldoen. Voor een

oorlogsvliegtuig gelden als hoofdeischen snelheid, stijgvermogen en

wendbaarheid. Voor een verkeersvliegtuig treden de eischen: comfort

voor de passagiers en vooral zuinigheid in het gebruik meer op den

voorgrond. Om aan laatstgenoemde eischen tegemoet te komen bracht

Fokker een serie verkeersvliegtuigen aan de markt, onder de serieletter

F. Het eerste van deze toestellen was de F II. Dit vliegtuig beteekende

reeds een aanzienlijke verbetering, vergeleken met de oude militaire

toestellen, aangezien hierbij een comfortabel cabine was aangebracht,

voorzien van een deur, groote ramen en gemakkelijke stoelen, terwijl

het toestel naar verhouding zuinig in het gebruik was, doordat met

denzelfden motor van 240 P.K. niet meer twee, doch vier passagiers in

de cabine konden worden vervoerd, terwijl desnoods een vijfde buiten,

naast den vlieger, kon plaats nemen.

Op de F II volgde de F III, een toestel, dat veel leek op het vorige,

doch een ruimer cabine bezat, zoodat alle vijf passagiers thans binnen

konden zitten. De beide hier beschreven types werden en worden nog

steeds op groote schaal bij de K. L. M. gebruikt.

De toename van het passagiersvervoer deed langzamerhand de vraag

ontstaan naar een grooter toestel, plaats biedende aan zes à acht

passagiers.

Daarom bracht Fokker in het najaar van 1922 een nieuw vliegtuig aan de

markt, de F V, voorzien van een Rolls Royce motor van 360 P.K. en

ruimte biedende voor acht passagiers en twee man bemanning. Toen dit

vliegtuig in December van dat jaar zijn proefvluchten maakte, merkte de

Heer Fokker op, dat het wellicht geschikt zou zijn voor eene

toekomstige luchtverbinding met Indië. Deze opmerking van den Heer

Fokker gaf schrijver aanleiding, aan den directeur der K. L. M. voor te

stellen, het oude plan van een vliegtocht naar Indië met het nieuwe

vliegtuig te trachten ten uitvoer te brengen.

Het plan voor de vlucht Amsterdam–Batavia was inderdaad wel oud. Reeds

in 1919, toen allerwege vluchten over lange afstanden werden beraamd,

werd het plan geopperd, en in October van dat jaar loofde het Indische

Gouvernement een prijs van 10.000 gulden uit voor den eersten

Nederlandschen vlieger, die er in zou slagen, Java van Nederland uit te

bereiken. Hierbij werden twee eischen gesteld: de vlucht moest vóór 1

September 1920 volbracht worden, en mocht niet langer dan 14 dagen

duren.

De uitgeloofde som was gering, en de gestelde tijd van 14 dagen maakte

het practisch onmogelijk, den prijs op deze voorwaarden te winnen.

Op initiatief van het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië werd

echter van particuliere zijde de regeeringsprijs uitgebreid tot een

fonds van 50.000 gulden, terwijl de Regeering van haar kant den

maximum-vliegtijd tot een maand verlengde. Naderhand voegde de

Nederlandsche Regeering 18.000 gulden aan de premie toe.

De belangstelling voor het plan was groot in kringen van militaire- en

marine-vliegers, zoowel in Nederland als in Indië. De

vlieger-luitenants Land en Stom werkten aan een plan, dat helaas moest

worden opgegeven door den dood van eerstgenoemde. De luitenant Koppen

hoopte te gaan met een Duitsch „Albatros” vliegtuig, en terzelfder tijd

bereidden de luitenant-ter-zee Backer en de luitenant-vlieger Van

Wulfften Palthe den tocht voor met een tweemotorige, Engelsche Vickers

vliegboot, terwijl ook de luitenants Versteegh en Steup, en de

luitenants-ter-zee Nieuwenhuis en Doorman met plannen rondliepen.

Helaas ontstonden over het Duitsche toestel van luitenant Koppen

moeilijkheden met de Engelsche regeering, die tenslotte de

Nederlandsche regeering noopten, de zaak voorloopig geheel stop te

zetten. Deze gang van zaken viel vooral te betreuren, omdat de vliegers

Backer en Van Wulfften Palthe met hunne voorbereidingen reeds zoover

gevorderd waren, dat zij binnen weinige dagen hoopten te vertrekken.

Hun plan zat degelijk in elkander, en gezien het goede personeel en

materieel gaf men ze in vliegerskringen een redelijke kans van slagen.

De Indische regeering verlengde den geldigheidsduur van de premie tot

1 Augustus 1921. De namen van de vliegers Leendertz en De Ruyter werden

nog genoemd, doch tenslotte hoorde men langen tijd niets meer van het

plan.

Eerst in April 1921 werd de zaak opnieuw te berde gebracht door den

luitenant-ter-zee Goedhart en den officier-machinist Takens, die samen

de vlucht wilden maken op een Van Berkel eendekker van de Marine. De

namen van de ontwerpers waarborgden een degelijke voorbereiding van het

plan, doch het stuitte ook ditmaal weer af, eensdeels op financiëele

moeilijkheden en anderdeels op het verbod van de Engelsche regeering om

over Mesopotamië te vliegen, in verband met de politieke bezwaren

aldaar.

Eerst in het einde van 1922 kwam het plan, zooals boven werd gezegd,

weer eens ter sprake, met het gevolg, dat in het begin van 1923 het

„Comité Vliegtocht Nederland-Indië” werd opgericht. De

oud-Opperbevelhebber van Land en Zeemacht, Generaal b.d. C. J.

Snijders, aanvaardde het voorzitterschap, terwijl voorts in het comité

zitting namen Dr. C. J. K. van Aalst, President der Ned.

Handelmaatschappij, de Heer H. Cremer, Directeur der Deli-Maatschappij,

Sir Henry Deterding, Directeur-Generaal der Kon. Ned. Petroleum

Maatschappij, de Heer A. H. G. Fokker, Directeur der N.V. Nederlandsche

Vliegtuigenfabriek, de Heer J. H. Hummel, Directeur der Kon.

Pakketvaart Maatschappij, Jhr. H. Loudon, toenmaals voorzitter der Kon.

Ned. Vereeniging voor Luchtvaart, de Heer A. Plesman, Directeur der

Kon. Luchtvaart Maatschappij voor Nederland en Koloniën, de Heer W.

Ruys, Directeur der Stoomvaart Maatschappij Rotterdamsche Lloyd, de

Heer P. E. Tegelberg, Directeur der Stoomvaart Maatschappij Nederland,

en de schrijver. Naderhand kwamen hier nog bij de Heer E. Fuld, lid van

het Hoofdbestuur der Kon. Ned. Ver. voor Luchtvaart en de Heer E.

Heldring, President van de Kamer van Koophandel te Amsterdam. De

laatste werd in de vergaderingen vertegenwoordigd door den Heer J. Bol,

Voorzitter van de Commissie voor Luchtvaart van genoemde Kamer.

Een uitvoerend comité werd gevormd, bestaande uit Generaal Snijders,

den Heer Plesman en schrijver, terwijl Dr. W. L. Groeneveld Meyer als

secretaris van beide comité’s optrad.

Door de lucht naar Indië · 第 3 / 38 题