Weer glimlachte Marko en zei: "O, dan beklaag ik u. Indien gij met
ernstige bedoeling slaat, weet dan, dat ik een knots heb. Ik zal u even
dikwijls raken, als gij mij geslagen hebt, niet meer! Laten wij het tot
een eerlijk gevecht maken!" Hiermede hief Marko zijn knots op en sloeg
den Moor met zulk een kracht, dat hem het hoofd van de schouders viel!
Hierover barstte Marko in lachen uit: "Barmhartige God, u zij dank!
"Hoe snel was het hoofd van den Moorschen held afgeslagen! Het ligt
voor mij, alsof het nooit op zijn schouders was geweest!"
Hij haalde nu zijn zwaard uit de scheede en de lijfwachten van den Moor
den een na den ander grijpend, hieuw hij hen het hoofd af, uitgezonderd
vier, die hij in leven liet om het verhaal van hun meesters einde te
doen aan allen, die de waarheid wenschten te hooren. Daarna nam hij
de hoofden van de christenhelden en begroef ze zorgvuldig, opdat geen
wolven en gieren hen zouden verslinden. Den vier overgebleven dienaren
droeg hij op over de vlakte van Kossovo te gaan, van het noorden naar
het zuiden, en van het oosten naar het westen en uit te roepen, dat
voortaan alle meisjes en jongelingen vrij waren om te trouwen zonder
de gehate belasting te betalen, want dat de koninklijke Prins Marko
gekomen was om eens en voor goed voor allen te betalen.
Toen de onderdrukte christenen het nieuws vernamen, vereenigden zich
allen, zoowel ouden als jongen in den vreugdekreet: "Dat God den
koninklijken Prins Marko een lang leven schenke! Want Marko heeft ons
land bevrijd van een monster! Wij bidden God, dat zijn ziel gezuiverd
moge worden van alle zonde."
Prins Marko en Bogdan, de Bullebak.
Vroeg in den morgen reden drie Servische ridders Kossovo uit; de een
was Prins Marko van Prilip; de tweede was Relya van Bazar en de derde
was Milosh van Potzerye. Zij waren op weg naar de zeekust, en hun weg
leidde door de wijngaarden van Bogdan, den Bullebak. Relya van Bazar
was een vroolijke, jonge ridder en hij joeg zijn paard steigerend
door den wijngaard, waarbij hij eenige van de hooge wijnstokken,
beladen met heerlijke trossen druiven, brak.
Marko vermaande zijn vriend aldus: "Gij deedt beter dezen wijngaard met
rust te laten, Relya! Indien gij slechts wist aan wien hij toebehoort,
dan zoudt ge uw paard wel in bedwang houden: want deze bezittingen
zijn van Bogdan, den Bullebak. Zelf heb ik eens door deze wijngaarden
gereden; ik was toen jong, ook ik deed mijn Sharatz steigeren, zooals
gij doet. Maar helaas! Ik werd door Bogdan opgemerkt, die op zijn
slanke merrie Bedevia reed. Ik wist, dat ik verkeerd deed en daar
de ware God geen schuldige mannen bijstaat, dorst ik hem niet te
ontmoeten, maar vluchtte de rotsachtige kust op. Hij vervolgde mij,
en indien ik mijn trouwe Sharatz niet had gehad, zou hij mij zeker
hebben gegrepen. Dank zij Sharatz kon ik mij ten laatste echter
steeds verder van hem verwijderen. Toen Bogdan zag, dat hij mij bij
de snelheid waarmede ik voortjoeg, nooit zou kunnen inhalen, wierp
hij mij zijn knots achterna en raakte mij precies met het handvat
zoodat ik voorover op de ooren van mijn Sharatz viel en slechts met
de grootste inspanning mijn plaats weer kon innemen. Hoe het zij,
ik ontsnapte hem. Dit gebeurde ongeveer zeven jaar geleden, sinds
dien ben ik dezen weg niet meer gegaan."
Toen Marko dit zei, bemerkten de drie ridders in de verte een
stofwolk, te midden waarvan zij Bogdan herkenden met twaalf bedienden
te paard. Marko riep uit: "Luistert, mijn beide broeders-in-God! Hier
is hij! En zeker zal hij ons alle drie dooden, indien wij niet zorgen
te ontkomen."
Hierop antwoordde Milosh van Potzerye: "O, mijn broeder-in-God,
gij koninklijke Prins Marko! Het geheele volk gelooft, dat er geen
grooter helden zijn dan wij, drie Servische ridders; het zou veel
beter voor ons drieën zijn om te komen dan smadelijk te vluchten!"
Toen Marko dit hoorde, zei hij: "Luistert naar mij, mijn
broeders-in-God! Indien dit zoo is, laat ons dan den vijand
verdeelen. Wilt gij Bogdan alleen te gemoet treden of zijn twaalf
ridders?"
Milosh en Relya gaven er de voorkeur aan Bogdan alleen te bestrijden en
lieten het aan Marko over zijn twaalf volgelingen tegen te houden. Deze
verdeeling was Marko zeer aangenaam en nauwelijks waren zij overeen
gekomen, welk aandeel ieder zou hebben in den strijd, of Bogdan
naderde aan het hoofd van zijn troep. Hij werd onmiddellijk bezig
gehouden door Milosh en Relya, terwijl Marko zijn aandacht schonk
aan de twaalf geleiders. Zijn zware knots zwaaiend dreef hij Sharatz
op zijn vijanden toe; in zeer korten tijd werden allen op den grond
geslingerd. Toen steeg Marko van zijn paard, bond hen de handen op
den rug en dreef hen door de wijngaarden.
Hij was nog slechts een klein eind gegaan, toen hij zag, hoe
Bogdan zijn twee vrienden voor zich uitdreef, hun armen op gelijke
wijze gebonden als die van Bogdans volgelingen. Toen hij dit zag,
werd Marko door vrees bevangen en keek rond naar een middel om te
ontkomen. Echter herinnerde hij zich op hetzelfde oogenblik, dat de
drie broeders-in-God elkaar trouw hadden gezworen en dat zij zich
plechtig verbonden hadden elkaar ten alle tijde te helpen. Hij nam
de teugels van Sharatz dus steviger in de handen, sloeg het vizier
van zijn helm over zijn voorhoofd, trok woedend zijn zwaard uit de
scheede en wierp een woesten, donkeren blik op Bogdan.
De Bullebak is bevreesd Marko tegemoet te komen.
Toen de Bullebak de ontzettende woede en beslistheid in Marko's oogen
las, trilden zijn beenen onder hem en hij wendde zijn merrie om,
daar hij niet van aangezicht tot aangezicht tegenover Marko dorst
te treden. Hij kon echter niet hopen aan de wraak van den Prins te
ontkomen en daarom riep hij na eene korte wijle:
"Kom, o Marko, laten wij ons met elkaar verzoenen. Wilt gij mijn
twaalf volgelingen vrij laten? Indien gij daartoe bereid zijt, dan
zal ik op mijn beurt uw 'broeders-in-God' vrij laten."
Hierin stemde Marko toe en sprong van Sharatz af. Hij maakte van zijn
zadel een lederen zak met wijn los en allen gingen zitten om zich te
verfrisschen met den koelen wijn en zich te goed te doen aan versch
geplukte druiven. Toen zij uitgerust waren, stegen de drie vrienden te
paard en maakten zich gereed om te vertrekken. Toen zij op het punt
stonden weg te rijden, sprak Marko aldus Bogdan aan: "Dat het u met
Gods hulp voorspoedig ga, o Bogdan! En dat wij elkaar eens in goede
gezondheid weer ontmoeten en weer samen wijn drinken mogen!" Hierop
antwoordde Bogdan: "Vaarwel! en dat God u steeds helpe, o, koninklijke
Prins Marko! Maar dat mijn oogen u nooit meer aanschouwen! Gij hebt
mij heden zoo verschrikt, dat ik niet geloof ooit weer te wenschen
u te ontmoeten!"
Prins Marko en opperbevelhebber Voutcha.
Luistert! Is het de donder of is het een aardbeving? Geen van beide,
maar kanonnen bulderen van het fort Varadin: de generaal viert een
overwinningsfeest, want hij heeft drie Servische helden gevangen
genomen; de eerste is Milosh van Potzerye, de tweede is Milan van
Toplitza, en de derde is Ivan Kosantchitch. De opperbevelhebber heeft
hen in de diepste kerkers van zijn kasteel geworpen, ongezonde holen,
waar het stilstaande water tot aan de knieën reikt en de beenderen
van krijgslieden zoo hoog opgestapeld liggen, dat zij tot de schouders
van een held reiken.
Milosh van Potzerye is van adellijke geboorte; hij is niet gewoon aan
ontbering en lijden en hij bejammert en betreurt bitter zijn lot,
terwijl hij verlangend door het traliewerk van de massieve deur in
de donkere gang naar buiten ziet, vanwaar alleen hulp kan komen. En
werkelijk na drie dagen ziet hij een boodschapper, tot wien hij roept:
"O, mijn broeder-in-God! Breng mij iets, waarop ik een bericht kan
schrijven!"
De man voelde zich gevleid, broeder-in-God genoemd te worden door
zulk een beroemd held en bracht Milosh snel een rol, waarop hij de
volgende woorden schreef: "Aan den koninklijken Prins Marko van Prilip:
o broeder-in-God, gij vorstelijke Marko! Of gij verlangt niet meer van
mij te hooren, of gij hebt opgehouden mij genegen te zijn! Het lot is
hard geweest en ik ben gevallen; uw broeder is in de handen van een
vijand. De Magyaar Voutcha heeft mij gevangen genomen, mij en mijn
twee wapenbroeders. Wij zijn gedurende drie geheele dagen opgesloten
in dezen afschuwelijken kerker en het is onmogelijk dat wij er over
drie dagen nog levend zouden uitkomen. Daarom, indien gij ons wilt
terug zien, red ons dan, o broeder, hetzij door een heldhaftige daad
of door een losgeld!" Milosh krabde zijn wang open en zegelde het
bericht met zijn bloed; daarna overhandigde hij het aan den man met
twaalf ducaten en smeekte hem er zich mede naar Prilip te spoeden. De
boodschapper reed zoo snel als hij kon en bereikte de stad Prilip op
Zondagmorgen. Prins Marko kwam juist uit de kerk, toen de koerier op
hem toe snelde. Toen de Prins las in welk een ontzettenden toestand
zijn vrienden zich bevonden, stroomden de tranen langs zijn wangen en
hij deed er een eed op, dat hij zijn edele broeders-in-God zou redden.
Hier somt de bard op, welke toebereidselen Marko trof, bijna dezelfde
als in de ballade: "Prins Marko en de Moorsche hoofdman." Daarna
beschrijft hij de reis van Prilip naar Varadin, maar zonder,
dat spreekt van zelf, de wonderbaarlijke vlugheid van Sharatz te
overdrijven, die bij deze gelegenheid over de Donau zwom.
De komst van Marko.
Toen Marko voor het kasteel van Varadin was aangekomen, sloeg hij zijn
tent op, haakte zijn lederen wijnzak los, dronk den inhoud leeg uit
een schaal die twaalf oka's (ongeveer acht en veertig pinten) bevatte,
en vergat ook nu niet, telkens als hij de schaal vulde, de helft van
de hoeveelheid wijn zijn geliefden Sharatz aan te bieden. Deze daad
werd opgemerkt door een schoone Magyaarsche dame, de echtgenoote van
generaal Voutcha's zoon en daar zij verschrikte op het zien van dezen
onbekenden held, werd zij plotseling aangegrepen door een koorts,
die haar gedurende drie jaren zou kwellen, en spoedde zich heen om
den opperbevelhebber te vertellen, wat zij had gezien; zij beschreef
hem elke bijzonderheid van Marko's kleeding.
Maar opperbevelhebber Voutcha wendde onverschilligheid voor, troostte
zijn geliefde schoondochter en beloofde haar, dat hij hem even
gemakkelijk gevangen zou nemen, als hij het reeds de drie ridders had
gedaan, die in zijn kerkers lagen. Voutcha riep zijn zoon en beval
hem drie honderd ruiters te roepen, en den overmoedige onmiddellijk
te grijpen.
Marko, die zat te genieten van zijn wijn, zag de nadering van
Velimir niet, maar de getrouwe Sharatz begon den grond met zijn
rechter voorpoot te bewerken, aldus zijn onopmerkzamen meester
waarschuwend. Marko begreep hem, wendde zijn hoofd om en zag, dat een
geheel eskadron hem omsingeld had. Hij dronk nog een schaal wijn,
wierp de kom op het gras, sprong op zijn paard en viel verwoed het
leger aan. "Zooals een valk de bedeesde duiven aanvalt." Een deel
sneed hij in stukken, het tweede rende hij neer met zijn Sharatz en
het derde verdronk hij in de Donau.
Maar Velimir ontsnapte hem bijna, dank zij zijn eigen vlug
strijdros. Toen Marko zag, dat Sharatz uitgeput was en onmogelijk het
paard van Velimir bij kon houden, herinnerde hij zich zijn knots, welke
hij zoo handig slingerde, dat het zware handvat juist met voldoende
kracht den jongeman trof om hem ter aarde te werpen. Onmiddellijk
was Marko naast hem en bond Velimir stevig, waarop hij zich op het
zachte groene gras wierp en weer zijn wijn ging drinken.
De vrouw van Velimir had alles gezien en zij snelde nu vlug naar den
generaal, die woedend werd op het hooren van het bericht en beval, dat
al het belegeringsgeschut afgeschoten zou worden. Daarna verzamelde
hij drieduizend krijgslieden, besteeg zijn merrie en voerde zijn
leger aan tegen Marko.
De Magyaren omringden den held volkomen, maar Marko zag er niets
van onder het drinken van zijn wijn. Sharatz lette echter beter op
en kwam naast zijn meester staan, die, toen hij bemerkte in welk
een hachelijke positie hij zich bevond, in het zadel sprong en
nog verwoeder en onstuimiger dan te voren op de Magyaren inreed,
met zijn sabel in zijn rechterhand, zijn lans in zijn linker en de
teugels van Sharatz stevig tusschen zijn tanden. Degenen, die door
zijn sabel geraakt werden, sloeg hij in tweeën, die, welke hij raakte
met zijn lans, werden over zijn hoofd geworpen.
Marko neemt Voutcha gevangen.
Na drie of vier ontmoetingen had Marko zooveel Magyaren gedood, dat
zij, die over waren gebleven, met ontzetting werden vervuld en in
wanorde vluchtten. Daarop nam Marko generaal Voutcha op dezelfde wijze
gevangen, als hij het zijn zoon had gedaan. Nadat hij zijn handen had
gebonden, maakte hij hem aan Sharatz's zadel vast en bracht hem naar
de plek, waar Velimir lag te kreunen. Beiden maakte hij vast aan de
merrie van den opperbevelhebber en zoo begaf hij zich op weg naar
Prilip, waar hij hun in een kerker wierp.
Eenige dagen later ontving hij een brief van de vrouw van Voutcha,
die hem smeekte Velimir en zijn vader niet te dooden en een groote
som gelds als losgeld aanbood. Marko zond het volgende antwoord:
"Luister, gij getrouwe echtgenoote van generaal Voutcha! Indien gij
wenscht, dat ik mijn gevangenen loslaat, dan hebt gij slechts mijn
oude vrienden vrij te laten, Milan van Toplitza en Ivan Kosantchitch
en aan ieder drie tovars goud te geven als schadeloosstelling voor
den tijd, dien zij in gevangenschap hebben doorgebracht en gij moet
mij een gelijke som geven, want ik heb van mijn goeden Sharatz te
veel moeten eischen. En mijn vriend Milosh van Potzerye is ook nog
in uw kasteel, maar ik geef hem volmacht zijn eigen aangelegenheden
met u in persoon te regelen, want in wat hij ook eischt, stem ik toe."
De vrouw van den generaal zond onmiddellijk de verlangde hoeveelheid
goud. Daarna nam zij de sleutels van de kerkers en liet de helden
vrij. Zij liet eenige barbiers roepen, om hun baard te scheren en hun
haar en nagels te verzorgen. Daarna bestelde zij een groote hoeveelheid
zeer fijne wijnen en dure schotels, om aan de edele Serviërs voor te
zetten en na den feestmaaltijd vertelde zij hun Marko's wondervolle
daden en smeekte Milosh van Potzerye al zijn invloed te gebruiken om
Prins Marko over te halen erbarmen te hebben met haar echtgenoot en
haar zoon. Daarop beloofde Milosh, dat aan haar wensch voldaan zou
worden en dat zij geen vrees behoefde te hebben. Hij verzocht haar
alleen, dat hem zou worden gegeven: ten eerste het beste paard uit
de stallen van generaal Voutcha, dat, waarop Voutcha eens per jaar
in statie naar de kerk Tekiye reed; ten tweede de vergulde koets,
getrokken door twaalf Arabische paarden, die door generaal Voutcha
werd gebruikt, als hij naar Weenen reisde voor zijn bezoeken aan den
Keizer, want in die koets wilde hij den bejaarden held, Milan van
Toplitza naar huis rijden. En ten slotte vroeg hij, of zijn vriend
Toplitza het fraaie gewaad zou mogen dragen, dat Voutcha op Paaschdag
droeg. In dit alles stemde de vrouw van Voutcha toe, en bovendien
gaf zij aan elk der der vrienden duizend ducaten, opdat zij op hun
reis naar Prilip geen dorst zouden behoeven te lijden.
Marko begroette de ridders op hartelijke, broederlijke wijze en liet
toen generaal Voutcha en zijn Velimir vrij en beval, dat een krachtig
escorte hen naar Varadin zou geleiden. Toen de edele voïvodes de
gastvrijheid van Marko gedurende verscheidene dagen hadden genoten
(en gedurende dien tijd een aanzienlijke hoeveelheid van zijn rooden
wijn hadden gebruikt) omhelsden zij elkaar en kusten elkaar op de wang;
de vrienden kusten de onbedekte hand van Marko. Toen begaf zich ieder
in vrede naar zijn eigen domein.
De huwelijksprocessie van Prins Marko.
Op zekeren avond, toen Prins Marko aan den maaltijd zat met zijn
bejaarde moeder, verzocht deze hem een meisje naar zijn hart te
zoeken, opdat zij het gezelschap en den steun mocht hebben van een
schoondochter. Daarop antwoordde Marko: "God is mijn getuige, o lieve
moeder. Ik heb door negen koninkrijken en door het geheele Turksche
rijk gereisd en telkens, als ik een meisje vond, dat ik tot mijn bruid
wenschte te maken, kwam ik tot de ontdekking, dat u van een andere
meening waart dan ik. Soms was het, dat u niet vriendelijk gezind waart
jegens de familie; en als ik een familie vond, die u wel aanstond, dan
telde zij weer geen meisje, dat genade in uw oogen kon vinden! Echter,
toen ik door Bulgarije reisde, hield ik mijn Sharatz eens in bij een
bron, en zie! daar zag ik een meisje, zoo mooi en zoo lief, dat het
mij plotseling toescheen, alsof het gras waarop ik stond om mij heen
draaide. Later vernam ik, dat dit meisje de dochter was van koning
Shishman van Bulgarije. Dit zou ongetwijfeld een passende bruid voor
mij zijn en daarbij behoort zij tot een familie, waarop weinig valt
aan te merken! Indien u er dus in toestemt, zal ik dadelijk gaan en
haar ten huwelijk vragen."
Marko's moeder, die overgelukkig was met de keus van haar zoon, haastte
zich nog dienzelfden avond de gebruikelijke geschenken gereed te maken,
want zij vreesde, dat haar zoon nog voor den morgen van inzicht mocht
veranderen. Maar den volgenden morgen beval Marko, dat Sharatz gezadeld
zou worden en nadat hij den onontbeerlijken leeren wijnzak aan de
eene zijde van zijn zadel had gehangen en zijn oorlogsknots aan de
andere, nam hij afscheid van zijn moeder en reed recht toe recht aan
naar het kasteel van koning Shishman. De Bulgaarsche vorst zag Marko,
toen hij nog een heel eind weg was en ging hem tegemoet, om hem te
begroeten. Toen hij vlak bij was, stapte Marko van Sharatz, strekte
zijn armen uit en de twee omhelsden elkaar en vroegen naar elkaars
gezondheid. De koning geleidde Marko binnen het kasteel, terwijl
Sharatz door de stalknechts naar de koninklijke stallen werd gebracht.
Even later, onder den schitterenden maaltijd, die onmiddellijk ter eere
van den vorstelijken gast was aangericht, sprong Marko op, boog diep
voor den koning en vroeg zijn dochter ten huwelijk. De koning was zoo
verheugd zulk een edelen en dapperen schoonzoon te krijgen, dat hij
zonder aarzelen toestemde. Marko besteedde drie tovars goud voor den
ring, dien zijn toekomstige bruid zou dragen en voor de trouwjapon en
de andere geschenken. Daarna vroeg hij, of hij terug mocht gaan naar
Prilip om zijn bruiloftsgasten en vrienden te verzamelen en toen hij
op het punt was het paleis te verlaten, raadde de koningin den prins
aan, om als geleider van de bruid niet iemand te kiezen, dien hij niet
onvoorwaardelijk zou kunnen vertrouwen, maar liever zijn eigen broer
te kiezen of althans een neef. Want, meende zij, een vreemde zou een
mededinger kunnen blijken, zoo bekoorlijk en schoon was haar dochter.
Toen Marko Prilip naderde, kwam zijn moeder hem tegemoet, om hem
te begroeten en na hem hartelijk op beide wangen gekust en hem haar
mooie handen toegestoken te hebben om te kussen, vroeg zij, of hij
een voorspoedige reis had gehad en met de prinses verloofd was. Marko
vertelde alles, wat er gebeurd was en vergat niet de woorden te
herhalen, die de koningin bij het afscheid nemen had gesproken. Hij
beklaagde zich erover, dat zijn broeders gestorven waren, en dat hij
ook geen neef had. Zijn moeder, die zeer blij was, raadde Marko aan
daarover niet te jammeren, maar dadelijk een boodschap te zenden aan
den Doge van Venetië, en hem uit te noodigen met een gezelschap van
vijfhonderd te komen, en als koom op te treden. Eveneens moest hij
een uitnoodiging zenden aan Styepan Zemlyitch om zich met vijfhonderd
volgelingen bij den bruiloftsstoet te voegen en de geleider van de
bruid te zijn. Deze raad kwam Marko zeer verstandig voor en dadelijk
zond hij couriers weg, zooals zijn moeder had bevolen. De Doge
verscheen spoedig met zijn vijfhonderd ruiters en Styepan Zemlyitch
eveneens. Marko heette hen hartelijk en gastvrij welkom en er was
geen gebrek aan goeden wijn.
Het gezelschap begaf zich nu opweg naar het hof van den Bulgaarschen
koning, die hen allerhartelijkst ontving en hen gedurende drie dagen
onthaalde. Op den vierden dag maakte het bruiloftsgezelschap zich
gereed terug te keeren, want het was duidelijk dat, indien zij nog
drie dagen bleven, den koning geen druppel wijn meer over zou blijven.
Shisman gaf allen vorstelijke geschenken: eenigen gaf hij zijden
hemden, anderen gouden schalen en borden; aan den geleider van de
bruid werd een bijzonder kostbaar, met goud geborduurd hemd geschonken.
Toen de bruid opgestegen was, gaf haar koninklijken vader haar aan
den geleider van de bruid over met deze woorden:
"Hiermee vertrouw ik aan uw zorgen de bruid en haar paard toe, totdat
gij aan het kasteel van Marko komt; eenmaal daar, moet gij de bruid
aan Marko overgeven maar haar rijpaard moogt ge zelf behouden!"
De huwelijksprocessie.
De processie reed verder tot aan de Bulgaarsche boschlanden en weiden
en daar er nu eenmaal geen geluk is zonder eenig ongeluk, woei een
windvlaag een oogenblik den sluier der bruid terzijde. De Doge van
Venetië, die vlak naast haar reed, zag het schoone gelaat van het
meisje en was zoo bekoord door haar buitengewone schoonheid, dat
hij smoorlijk verliefd op haar werd. Toen de geheele bruiloftsstoet
halt hield voor den nacht, begaf hij zich onopgemerkt naar de tent
van Styepan Zemlyitch en sprak hem aldus aan: "O, gij geleider van
de bruid! Wilt gij mij uw beschermelinge overgeven, opdat wij samen
kunnen vluchten: ik zal u een laars vol gouden dukaten geven?"
Styepan Zemlyitch antwoordde verontwaardigd:
"Zwijg, Doge van Venetië! Gij verdiendet in steen te veranderen! Zijt
gij uw leven moe?"
Toen zij den tweeden dag de rustplaats bereikten, sloop de Doge weer
heimelijk naar de tent van Styepan Zemlyitch en vroeg nog eens om de
bruid, maar nu bood hij twee laarzen vol dukaten aan. Weer weigerde
de geleider van de bruid, zeggende:
"Scheer u weg, o Doge! opdat uw hoofd niet doormidden worde
gekliefd! Heeft iemand ooit gehoord van een koom, die zijn kooma aan
haar bruidegom ontneemt?"
De ontrouwe koom.
Toen de derde nacht kwam, bood de Doge den geleider van de bruid
drie laarzen vol dukaten van zuiver goud. Deze geweldige som geld
was een te grote verzoeking voor den geleider van de bruid en
hij gaf de bruid over aan den Doge, die haar naar zijn eigen tent
bracht. Daar verklaarde hij zijn liefde aan het meisje en smeekte haar
in hartstochtelijke bewoordingen met hem naar Venetië te vluchten,
waar hij haar alles kon aanbieden, wat het hart maar begeerde. Maar het
Bulgaarsche meisje wendde zich met tegenzin van hem af. "Om Godswil,
o Doge van Venetië!" zei zij, "de aarde onder ons zou zeker splijten
om ons te verzwelgen en de hemelen boven ons zouden vaneen scheuren,
indien een kooma ontrouw zou zijn aan haar bruidegom."
Maar de Doge hield aan: "O, wees niet zoo dwaas, mijn lieftallige
kooma. Ik heb vele kooma's gekust en geliefkoosd, maar nooit opende
zich de aarde onder ons, of scheurden de hemelen,--kom laat ons
elkaar omhelzen!"
Het meisje meende, dat het 't beste zou zijn zich te houden, alsof
zij aan zijn wensch gehoor gaf en daarom antwoordde zij: "O mijn koom,
Doge van Venetië! Mijn bejaarde moeder heeft mij gezegd, dat zij mij
zou vloeken, indien ik ooit een gebaarden held zou kussen en ik heb
er een eed op gedaan, slechts een geschoren ridder lief te hebben,
zooals de koninklijke Prins Marko er een is."
Hierop riep de Doge twee barbiers, een om zijn baard af te scheren
en de ander om zijn gelaat schoon te wasschen. Terwijl zij hiermede
bezig waren, bukte het meisje zich en raapte ongemerkt den baard van
den Doge op en wikkelde dien in de plooien van haar zijden gewaad.
Nu zond de Doge de barbiers weg en beproefde opnieuw de bruid het
hof te maken, die preutschheid voorwendde en voorgaf te vreezen,
dat zij beiden zeker zouden omkomen, als Marko hoorde, wat er was
gebeurd. De Doge bezwoer haar echter niet zoo dwaas te zijn. "Ik heb
vijfhonderd volgelingen bij mij!" zoo sprak hij. "Marko's tent is ver
weg. Ziet gij ze niet ginds in de verte? Bovenop is een gouden appel
bevestigd. In den appel zijn twee groote diamanten geplaatst, die een
licht verspreiden zoo ver in het rond, dat men in de naburige tenten
's avonds geen licht behoeft op te steken."
De vlucht van het meisje.
Het meisje gaf voor dit wonder van nabij te willen aanschouwen,
waarop de Doge hoffelijk het gordijn voor den ingang terzijde schoof,
opdat zij beter zou kunnen zien. Het volgend oogenblik liep zij snel
als een hinde naar het paviljoen van Prins Marko.
Marko sliep en was ten zeerste verbaasd, toen hij plotseling werd
gewekt door de binnenkomst van zijn onverwachte bezoekster. Toen hij in
het meisje zijn toekomstige vrouw herkende, sprak hij haar toornig toe:
"Gij, meisje van lage geboorte! Is het betamelijk, dat gij mij tegen
alle christelijke gebruiken in bezoekt?"
Het meisje boog diep en antwoordde: "O, mijn Heer, gij koninklijke
Prins Marko! Ik ben geen meisje van lage geboorte, maar uit zeer edel
geslacht. Gij hebt gasten medegebracht, die zeer slechte bedoelingen
koesteren. Weet dan, dat mijn geleider, Styepan Zemlyitch, mij,
uw bruid, verkocht aan den Doge van Venetië, voor drie laarzen vol
goud! Indien gij dit niet kunt gelooven, zie dan hier. Hier is de
baard van den Doge!" Zij maakte haar gewaad los en haalde daaruit
den baard van den Doge te voorschijn en toonde hem dien.
Marko's woede keerde zich nu tegen zijn trouwelooze vrienden en bij het
aanbreken van den dag wikkelde hij zich in zijn mantel van wolfshuid
en, nadat hij zijn zware knots had genomen, ging hij regelrecht naar
den geleider van de bruid en naar den koom en sprak:
"Goeden morgen, o geleider van de bruid en koom! Gij leider, waar is
uw schoonzuster? En gij, o koom, waar is uw kooma?" Steypan Zemlyitch
bleef zwijgen als een steen, maar de Doge zei: "O, gij koninklijke
Prins Marko. We bevinden ons in gezelschap van zeer zonderlinge
lieden; men kan niet eens een grap maken, zonder dat men verkeerd
wordt begrepen!"
Maar Marko antwoordde: "Uw grap is slecht, o Doge van Venetië! Waar
is uw baard?" En nog eer de Doge in de gelegenheid was te antwoorden,
had de Prins zijn zwaard uit de scheede gehaald en zijn hoofd in
tweeën gespleten.
Styepan Zemlyitch beproefde te ontvluchten, maar Marko snelde hem
na en raakte hem met zijn vlijmscherp zwaard zoo, dat hij in twee
helften op den grond viel.
Hierna keerde Marko naar zijn tent terug, beval den stoet verder te
gaan en kwam zonder verdere ongevallen te Prilip aan.
Prins Marko en de Moorsche Prinses.
Op zekeren dag sprak de moeder van Prins Marko aldus tot haar zoon:
"O, mijn geliefde zoon, gij koninklijke Prins Marko! Waarom richt
gij zooveel kerken en altaren op? Of gij hebt ernstig tegen God
gezondigd en doet boete, òf gij hebt ergens een bovenmatigen rijkdom
opgestapeld." Toen antwoordde Marko van Prilip haar: "Mijn geliefde,
bejaarde moeder! Ik zal u de waarheid zeggen. Eens, toen ik door
het Moorsche land reisde, stond ik vroeg op, om Sharatz aan de bron
te verfrisschen. Toen ik daar kwam, vond ik twaalf Mooren, die met
hetzelfde doel waren gekomen--en daar ik in mijn trots mijn beurt niet
wilde afwachten, stelden de twaalf Mooren zich tegenover mij, omdat
zij het eerst waren gekomen. Dadelijk begonnen wij te vechten. Ik hief
mijn zware knots op en velde een van de Mooren ter aarde; zijn elf
metgezellen vielen mij aan en ik sloeg een tweeden tegen den grond;
toen vielen de tien overblijvenden mij aan en ik doodde een derden;
nog negen hielden zich met mij bezig en een vierde beet in het stof;
de overige acht snelden op mij toe en ik sloeg den vijfden neer; zeven
streden met mij en den zesden zond ik naar de eeuwigheid;--maar nu
moest ik nog de overige zes het hoofd bieden, die mij overweldigden;
zij bonden mijn armen op mijn rug en brachten mij naar hun Sultan, die
mij in de gevangenis wierp. Daar vertoefde ik acht jaar, waarin ik van
de jaargetijden enkel den winter kon onderscheiden, wanneer de meisjes
sneeuwballen door de tralies van mijn kerker wierpen. Een enkelen keer
wist ik ook, dat 't lente was, als de meisjes mij thijm toewierpen."
De Moorsche Prinses.
Toen het achtste jaar aanbrak, was het niet zoo zeer mijn kerker, die
mij bedroefde, als een Moorsch meisje, de geliefde dochter van den
Sultan. Zij verveelde mij door iederen morgen en iederen avond door
mijn kerkerraam te roepen: "Waarom zoudt gij omkomen in dezen kerker,
o Marko? Geef mij uw woord, dat gij bereid zijt mij te trouwen en
ik zal u vrij laten en uw Sharatz ook. Stapels gouden dukaten zal ik
meenemen; zooveel, o, Marko, als gij ooit gewenscht hebt te bezitten."
Toen maakte zich een diepe wanhoop van mij meester, o mijn moeder, en
daarom nam ik mijn muts af, legde die op mijn knie en sprak daar als
volgt tegen: "Bij mijn onwankelbaar geloof. Ik zal u nooit verlaten;
noch zal ik u ooit vergeten, daarop geef ik u mijn woord! De zon
zelf verandert dikwijls; in den winter is zij niet dezelfde als in
den zomer, maar mijn belofte zal ik altijd houden!"
Het meisje verkeerde in de zalige dwaling, dat ik haar trouw had
gezworen en opende daarom op zekeren avond, toen de schemering
inviel, de deuren van mijn gevangenis en bracht mij naar mijn
vurigen Sharatz, terwijl zij voor zich zelf een mooi, edel rasdier
had laten optuigen. Beide paarden droegen op hun rug zakken gevuld
met dukaten. Het Moorsche meisje bracht mij mijn meest geharde zwaard
en wij spoedden ons snel door het Moorsche land.
Toen de duisternis inviel, wierp ik mijzelf op den grond om te slapen,
de Moorsche prinses deed eveneens, en zie: zij sloeg haar armen om mij
heen. En ik keek naar haar, moeder, en ik zag hoe zwart haar gelaat was
en hoe wit haar tanden! Ik huiverde van afschuw en nauwelijks wetende
wat ik deed, sprong ik op, besteeg mijn Sharatz en galoppeerde als
een krankzinnige weg, haar alleen achterlatende. Het meisje riep
mij in doodsangst na: "O, mijn broeder-in-God, gij koninklijke
Prins Marko! Verlaat mij niet zoo!" Maar ik wilde mijn vlucht niet
onderbreken. "Toen en daar, o moeder heb ik tegen God gezondigd! Toen
was het, dat ik goud in overvloed bezat en daarvan heb ik talloos
veel kerken en altaren gebouwd om mijn zonde te boeten!"
Prins Marko en de veela.
Prins Marko en Milosh van Potzerye reden vroeg in den morgen over den
schoonen berg Mirotch. Zij droegen hun lansen en lieten hun paarden
draven. Zij hadden elkaar zoo hartelijk lief, dat zij elkaar nu en dan
omhelsden. Plotseling begon Marko slaperig te worden op zijn Sharatz
en beproefde zijn makker over te halen wat te zingen, teneinde hem
wakker te houden. Daarop antwoordde Milosh: "O, lieve broeder-in-God,
gij koninklijke Prins Marko! Ik zou graag voor u zingen, maar verleden
nacht, toen ik met veela Raviyoyla was, dronk ik veel te veel wijn,
en toen dreigde zij mij, dat zij mijn hart en mijn keel zou doorboren
met pijlen, als zij mij weer hoorde zingen."
Maar Marko drong aan: "O zing, lieve broeder! Vrees de veela niet,
zoolang ik, Prins Marko, leef; en zoolang ik mijn Sharatz en mijn
zeshoekigen knuppel heb!"
Zoo begon Milosh om zijn pobratim genoegen te doen een schoon lied te
zingen, waarin verhaald werd van hun dappere en deugdzame voorouders;
hoe zij koninkrijken hadden gesticht en geregeerd over het aanzienlijke
Macedonische rijk; en hoe elk van deze goede vorsten een altaar of
een kerk had opgericht.
Het lied beviel Marko zoo zeer, dat hij onder invloed van Milosh
welluidende stem in slaap viel. Maar de veela hoorde het lied eveneens,
en met haar zangen wisselde zij die van Milosh telkens af, waarbij
zij haar best deed, om hem te toonen, dat zij beter zong dan hij. In
werkelijkheid echter zong Milosh beter, want hij had een prachtige
stem en dit maakte de veela zeer boos; zij nam twee dunne pijlen,
spande haar boog en doorboorde eerst zijn keel en daarna zijn hart.
Milosh slaakte een doordringenden kreet: "Helaas, o, mijn
moeder! Helaas, Marko, mijn broeder-in-God! De veela heeft mij met
haar boog geschoten! Heb ik u niet gezegd, o pobratim, dat ik niet
moest zingen op den berg Mirotch?"
De vervolging van de veela.
Deze jammerklacht deed Marko dadelijk ontwaken. Hij sprong luchtig
uit het zadel, gordde stevig de buikriemen van zijn Sharatz vast,
omhelsde hem, en fluisterde hem dit in het oor: "Zie, Sharo, gij, op
wiens snelheid ik vertrouw, gij moet de veela Raviyoyla inhalen; ik zal
uw hoeven beslaan met zuiver zilver en ze vergulden met het mooiste
goud; ik zal u bedekken met een zijden mantel, die tot uw knieën zal
reiken en daarop zal ik mooie zijden kwasten bevestigen, die van uw
knieën tot aan uw hoeven zullen hangen; uw manen zal ik doorvlechten
met gouden draden en ze met zeldzame parelen versieren. Maar wee
u, als gij de veela niet bereikt! Ik zal uw beide oogen uitrukken;
uw vier pooten zal ik breken; en ik zal u hier verlaten en gij zult
voor altijd kruipen van de eenen pijnboom naar den anderen; zoo zal
ik doen als ik mijn lieven broeder Milosh verliezen moet!"
Daarna sprong Marko vlug op Sharatz en reed snel de veela achterna.
Raviyoyla vluchtte reeds over den bergtop, en toen Sharatz haar in het
oog kreeg, sprong hij haar onstuimig achterna, met sprongen van drie
lansen hoog zich telkens de lucht inwerpend. In enkele oogenblikken had
Sharatz de veela ingehaald, die ten zeerste verschrikt omhoog vluchtte,
naar de wolken. Maar Marko slingerde zonder deernis zijn verreikenden
knuppel en raakte haar tusschen de blanke schouders. Onmiddellijk viel
zij ter aarde, Marko raakte haar nog verscheidene keeren, toen zij
op aarde lag, uitroepende: "O, veela! Dat God het aan u wreke! Waarom
hebt gij de keel en het hart doorboord van mijn lieven pobratim? Gij
deedt beter hem genezende kruiden te geven, anders zult gij niet veel
langer uw hoofd op uw schouders dragen!"
De veela smeekte Marko haar te vergeven, en haar broeder-in-God te
worden. "Om Gods wil, o mijn broeder Marko, en in den naam van den
heiligen Johannes," riep zij, "spaar mijn leven, dan zal ik over den
berg gaan en kruiden zoeken en de wonden van uw pobratim genezen!"
Het aanroepen van den naam van den heilige miste zijn uitwerking op
Marko niet. Hij liet de veela vrij, die dadelijk ging, hoewel zij
zich niet buiten het bereik van Marko's gehoor en stem begeven mocht
en steeds zijn roep moest beantwoorden.
Toen de veela kruiden had verzameld, bracht zij ze aan Milosh en
genas zijn wonden; niet alleen herstelde zijn stem geheel, maar ze
was mooier dan te voren en zijn hart was gezonder. Toen reden de
broeders-in-God regelrecht naar het gebied van Poretch, waar zij de
rivier Timok over gingen en weldra aan de stad Bregovo kwamen, vanwaar
zij, na er een poos vertoefd te hebben, vertrokken naar het gebied
van Vidin. Toen de veela zich weer bij haar zusters gevoegd had,
waarschuwde zij haar met de volgende woorden: "Luistert, veela's,
mijn zusters. Schiet geen helden in het gebergte met uw pijlen en
bogen, zoolang de koninklijke Prins Marko en zijn Sharatz leven. O,
wat heb ik, beklagenswaardige, heden van zijn handen moeten lijden! Ja,
ik verbaas er mij over, dat ik nog leef!"
Prins Marko en de Turksche jagers.
Amouradh, de groot-vizier, trok eens uit met een jachtgezelschap
van twaalf Turksche krijgslieden, waarbij hij ook Prins Marko had
uitgenoodigd. Zij joegen drie dagen, zonder in het woud op de hellingen
van het gebergte op wild te stooten. Maar zie, daar zagen zij eensklaps
een groen meer, waarop een vlucht wilde eenden zwom! De vizier liet
zijn valk los en beval hem neer te schieten op een goudgevleugelden
eend. De valk was echter niet eens in de gelegenheid den eend te zien,
zoo snel vloog deze naar de wolken; wat de valk betrof, die streek
op de takken van een pijnboom neer.
Toen sprak Prins Marko tot den vizier: "Is het mij vergund, o vizier
Amouradh, mijn valk los te laten en te beproeven den goudgevleugelden
eend te vangen?" "Zeker moogt gij dat, Prins Marko," antwoordde
de vizier.
Toen liet de koninklijke Prins Marko zijn valk los en de vogel steeg
omhoog naar de wolken, viel daar de prooi met gouden vleugels aan en
droeg haar omlaag naar den voet van den groenen pijnboom.
Toen de valk van Amouradh dit zag, werd hij zeer opgewonden, en zijn
natuur getrouw, trachtte hij den buit van den anderen te grijpen;
hij wendde zich met een heftige beweging naar zijn mededinger en
beproefde den eend uit zijn klauwen te trekken. Maar de valk van Marko
was buitengewoon dapper, ook in dit opzicht zijn meester waardig en
wilde zijn welverdiend zegeteeken aan niemand afstaan dan aan zijn
meester. Daarom verzette hij zich vinnig tegen den valk van Amouradh
en trok heftig aan diens trotsche veeren.
Toen de vizier dit zag, werd hij ook opgewonden en stormde in groote
woede naar de strijdenden en slingerde den valk van Prins Marko
driftig tegen een pijnboom, zoodat zijn rechter vleugel brak. Daarna
steeg hij met zijn volgelingen te paard en rende weg van het tooneel
van zijn gewelddaad.
De edele valk weeklaagde, toen hij op den grond lag, van pijn, en Prins
Marko kwam spoedig naar hem toe en drukte hem tegen zijn borst, want
hij hield heel veel van hem. Daarna verbond hij teeder zijn gewonden
vleugel en sprak den vogel geroerd toe: "Wee u en mij, mijn valk,
dat wij gingen jagen met den Turk zonder onze dierbare Serviërs,
want de Turk moet steeds de rechten van anderen schenden!"
Nadat hij den vleugel van den valk had verbonden, sprong Marko op
Sharatz en rende door het bosch zoo snel als een veela. Weldra had
hij den berg achter zich gelaten en zag hij de vluchtende Turken voor
zich. De vizier wendde zich om in het zadel en zag, dat Marko hen
op eenigen afstand volgde, waarom hij aldus zijn twaalf metgezellen
aansprak: "Gij, mijn kinderen--gij, twaalf dappere helden; ziet
gij gindschen bergnevel naderen, die den koninklijken Prins Marko
omhult? Hoort, hoe geweldig hij zijn Sharatz aanzet. God alleen weet,
wat ons boven het hoofd hangt!"
De wraak van Marko.
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Prins Marko was reeds
bij hen, terwijl hij zijn glinsterend zwaard zwaaide. Onmiddellijk
verspreidden de twaalf Turken zich als een zwerm musschen, die
verschrikt werden door een roofvogel. Marko viel den vizier aan,
en kliefde met zijn sabel zijn hoofd. Daarna achtervolgde hij de
twaalf krijgslieden; elk hunner hieuw hij, door hun Turksche sjerp
heen, doormidden.
Daarna stond hij een oogenblik in twijfel: "O, wat moet ik nu
doen? Moet ik naar den Sultan te Yedrenet gaan, of deed ik misschien
beter terug te keeren naar mijn witte kasteel te Prilip?"
Na lang beraad kwam hij tot het besluit, dat het beter zou zijn naar
den Sultan te gaan en zelf verslag te doen van wat er was gebeurd, dan
zijn vijanden gelegenheid te geven hem te belasteren bij den Padishah.
Toen Prins Marko te Yedrenet kwam, werd hij onmiddellijk in de
raadszaal door den Sultan ontvangen.
Een dichter zegt in de beschrijving van Marko's oogen, dat ze even
helder en wreed waren als die van een hongerigen wolf; en de Sultan
werd verschrikt door het bliksemend licht, dat er uit straalde. Hij
achtte het verstandig geen hoogen toon aan te slaan en zei daarom
vriendelijk tot den held: "O, mijn lieve zoon Marko, waarom zijt gij
heden zoo verstoord? Hebt gij misschien gebrek aan goud?"
Prins Marko vertelde den Sultan, wat gebeurd was met zijn vizier
Amouradh; geen enkele bijzonderheid hield hij voor zich. Toen hij
zijn verhaal geëindigd had, schudde de Sultan van het lachen en stelde
Prins Marko gerust: "Dat slechts zegeningen uw deel zijn, mijn lieve
zoon Marko!" zei hij. "Indien gij u anders hadt gedragen, dan zou
ik u niet mijn zoon genoemd hebben. Iedere Turk kan vizier worden,
maar er is geen held, die zich met Marko meten kan!" Bij deze woorden
stak de Sultan zijn hand in zijn met zijde gevoerden zak; haalde er
een beurs met duizend dukaten uit en bood haar Prins Marko aan met de
woorden: "Neem dit aan als een gift van mij, o liefste zoon Marko,
drink wat wijn en ga in vrede!" Marko was gansch niet ongeneigd de
beurs te aanvaarden en verliet de raadszaal.
Het was echter geen vriendelijkheid, die den Sultan tot deze schijnbare
edelmoedigheid jegens Marko dreef; integendeel, hij was buitengewoon
bang voor hem en verlangde slechts naar zijn spoedig vertrek.
Prins Marko en Moussa Kessedjiya [39].
Moussa Arbanass [40] dronk op zekeren dag wijn in een witte herberg
in Istamboel. Toen hij vrij veel had gedronken, sprak hij aldus:
"Het zal nu ongeveer negen jaar geleden zijn, dat ik in dienst trad
van den sultan te Istamboel; toch heeft hij mij nimmer een paard,
noch wapenen, noch een fluweelen mantel gegeven! Op mijn woord, ik
zal tegen hem opstaan. Ik zal naar de kust gaan, op de schepen in
de havens beslag leggen en al de wegen bezetten, die er heen leiden:
en dan zal ik voor mij zelf een koula bouwen, waarom heen ik galgen
zal oprichten met ijzeren haken, en daaraan zullen zijn hodja's
(priesters) en hadji's (pelgrims) hangen."
De bedreigingen, die de Albanees in zijn dronkenschap uitte, voerde
hij ook werkelijk uit, toen hij zijn roes had uitgeslapen. Hij werd
een opstandeling, nam bezit van de zeehavens en de hoofdwegen, nam
de rijke kooplieden gevangen en beroofde hen en hing de hodja's en
hadji's van den Sultan op. Toen de Sultan van al deze wandaden hoorde,
zond hij den groot-vizier Tyouprilitch met drie duizend manschappen uit
om Moussa te onderwerpen. Maar, helaas! Nauwelijks had het Turksche
leger de kust der zee bereikt, of Moussa joeg het uiteen en nam den
groot-vizier gevangen. Hij bond hem aan handen en voeten en zond hem
aldus naar zijn heer te Istamboel terug.
Nu vaardigde de Sultan in wanhoop een proclamatie uit over geheel zijn
uitgestrekt rijk, waarin hij ontzaglijke rijkdommen beloofde aan den
ridder, die den oproerling zou overwinnen. Menig dapper ridder trok
uit om den oproerling te bevechten, maar helaas, niet een keerde naar
Istamboel terug om het beloofde goud op te eischen! Deze vernedering
bereidde den Sultan onuitsprekelijk veel verdriet en zorg.
Eindelijk kwam de groot-vizier Tyouprilitch tot hem en zei: "Sire,
roemrijke Sultan! Indien wij nu slechts den koninklijken Prins Marko
bij ons hadden! Hij zou Moussa, den Bullebak, zeker overwinnen!"
"O, martel mijn ziel niet door over den vorstelijken ridder Marko te
spreken! Zijn beenderen moeten reeds lang verbleekt zijn, want er
zijn op zijn minst drie jaren voorbij gegaan, sinds ik hem in mijn
donkersten kerker wierp, waarvan de deur stevig gesloten bleef."
Daarop vroeg de vizier: "Genadig heer, wat zoudt u den man geven,
die Marko levend in uw tegenwoordigheid bracht?" En de machtige
Sultan antwoordde: "Ik zou hem het vizierschap over Bosnië geven met
de belofte daar negen jaar te mogen blijven, zonder teruggeroepen
te worden en ik zou zelfs geen dinar vragen van de inkomsten en
belastingen, die hij mocht verzamelen."
Er wordt om Marko gezonden.
Dit hoorende spoedde de sluwe vizier zich naar de gevangenis, opende
de deur van den kerker, haalde er den koninklijken Prins Marko uit en
leidde hem voor den Sultan. Het haar van Marko was zo lang geworden,
dat het tot den grond reikte. Op de helft sliep hij 's nachts, terwijl
hij zich met de andere helft bedekte. Zijn nagels waren zoo lang,
dat hij er mede kon ploegen, door het vocht en het vuil van den kerker
was hij zoo veranderd, dat hij zoo zwart leek als een zwarte steen.
Toen de Sultan hem zag, riep hij uit: "Leeft gij nog, Marko?" "Ja ik
leef nog, maar kan nauwelijks mijn ledematen gebruiken," antwoordde
de held.
De sultan ging voort en vertelde Marko van de wandaden van Moussa
en vroeg hem: "Zoudt gij in staat zijn, o, Marko, naar de zeekust
te gaan en Moussa Kessedjiya te dooden? Indien gij dat wildet doen,
zou ik u graag zooveel geld geven, als gij maar wenschen kunt."
Hierop antwoordde Prins Marko: "Helaas, o Sire, de vochtigheid van den
steenen kerker heeft mijn ledematen verlamd en mijn oogen verzwakt. Hoe
zou ik het wagen met Moussa een tweegevecht aan te gaan? Maar
indien gij wilt, dat ik die heldendaad onderneem, verleen mij dan
gastvrijheid in een goede herberg, voorzie mij van een overvloed van
wijn en brandewijn, vet schapenvleesch en goed wit brood; misschien,
dat ik dan weer mijn krachten terug krijg. Ik zal het u doen weten,
zoodra ik mij in staat voel een tweegevecht aan te gaan."
Toen hij dit vernam, riep de Sultan eenige dienaren om Marko te
wasschen, zijn haar te knippen, hem te scheren en zijn nagels te
knippen. Daarna liet hij hem met eerbewijzen brengen naar de Nieuwe
Herberg, waar alles, wat hij begeeren kon, in overvloed aanwezig was.
Marko bleef drie maanden in de herberg, at en dronk vol ijver en zoo
was hij reeds vrijwel op krachten gekomen, toen de Sultan hem vroeg:
"Voelt gij u thans in staat Moussa te overwinnen, want mijn arme
onderdanen zenden mij onophoudelijk klachten over dien vervloekten
roover?"
En Marko antwoordde den Sultan aldus: "Laat mij een stuk volkomen droog
hout van een mispelboom brengen, dat negen jaar geleden afgehouwen is,
opdat ik mijn kracht beproeve!" Toen het stuk hout gebracht werd,
nam Marko het in zijn rechterhand en drukte het zoo hard samen,
dat het in drie stukken brak. "Op mijn woord, Sire, mijn tijd is nog
niet gekomen; het tweegevecht met zulk een gevaarlijk tegenstander
als Moussa durf ik nog niet aan!"
Dus bleef Marko nog een maand in de Nieuwe Herberg, etende, drinkende
en rustende, totdat hij zich wat sterker voelde. Daarna vroeg hij
weer om een droog stuk van een mispelboom. Toen het hout hem werd
gebracht, drukte hij het met zijn rechterhand samen, totdat het in
stukken brak en nu kwamen er twee druppels water uit. Toen zei Marko
tegen den Sultan: "Sire, nu ben ik gereed het tweegevecht aan te gaan."
Marko bestelt een zwaard.
Marko ging regelrecht van het paleis naar Novak, den beroemden
wapensmid. "Maak mij een mooier zwaard dan gij ooit vervaardigd
hebt, o, Novak!" zei Marko en hij gaf den wapensmid dertig dukaten
en ging naar de herberg. Daar bleef hij om de paar volgende dagen te
besteden aan het drinken van rooden wijn en keerde toen bij den smid
terug. "Zijt gij met mijn zwaard gereed, o Novak?"
De wapensmid bracht het zwaard en gaf het aan Marko, die vroeg:
"Is het goed?"
"Daar is het zwaard en hier is het aambeeld; daarop kunt gij de
hoedanigheid van uw zwaard beproeven?" antwoordde Novak rustig.
Daarop hief Marko zijn zwaard op en sloeg er zoo hard mede op het
aambeeld dat hij dat recht door midden hakte.
"O Novak de wapensmid, zeg mij naar waarheid,--en moge God u
helpen--hebt gij ooit een beter zwaard gemaakt?"
En Novak antwoordde: "Daar gij den naam van den waren God aanroept,
moet ik u in alle oprechtheid antwoorden, dat ik eens een beter zwaard
heb gemaakt; ja, en dat was ook voor een beter krijgsman. Toen Moussa
een oproerling werd en zich naar de zeekust begaf, beval hij mij een
zwaard te maken, waarmede hij recht door het aambeeld sneed evenals
gij hebt gedaan en eveneens door den eikenstronk, waarop het stond."
Dit maakte Marko woedend.
"Houd uw hand op, Novak, opdat ik u kan betalen voor mijn
zwaard!" Nauwelijks had de man zijn rechterarm uitgestoken, of Marko
sloeg dien met een snelle beweging tot bij den schouder af.
"Nu, o Novak, kunt gij van dezen dag af geen beter, noch een
slechter zwaard maken dan het mijne! En neem deze honderd dukaten
voor belooning."
Marko ontmoet Moussa.
Toen besteeg Marko zijn Sharatz en reed naar de zee, den geheelen weg
langs vragende, waar hij Moussa zou kunnen vinden. Op zekeren morgen
heel vroeg reed hij de engte van Katchanik in, waar hij eensklaps
Moussa Kessedjiya zag, die bedaard op zijn zwarte paard zat met
gekruiste beenen en zijn knots naar de wolken wierp en weer met zijn
rechterhand opving. Toen de twee ridders elkaar ontmoetten, zei Marko
tegen Moussa: "Ridderlijke Moussa, ga terzijde en laat het pad vrij
voor mijn Sharatz om voorbij te gaan! Ga terzijde of buig voor mij!"
Hierop antwoordde Moussa: "Ga rustig verder, Marko, begin geen
twist. Nog beter, laat ons afstijgen en samen wat gebruiken. Ik zal
nooit terzijde gaan om plaats voor u te maken. Ik weet heel goed,
dat gij geboren werd uit een koningin in een paleis en op zijden
kussens werd gelegd. Ongetwijfeld wikkelde uw moeder u in zuivere
zijde, en maakte zij de zijde vast met gouden draden en gaf u honig
en suiker; mijn moeder was een arme Albaneesche, en ik werd geboren
op de koude rotsen naast de schapen, die zij hoedde; en zij wikkelde
mij in ruwe, zwarte stof en bond die om mij heen met doornentakken;
zij voedde mij met havermeel--en zij liet er mij een eed op doen, dat
ik nooit voor iemand opzij zou gaan." Dit hoorende wierp Marko van
Prilip zijn speer naar de borst van Moussa, maar de woeste Albanees
ving die met zijn krijgsknots op, ze schampte af, en suisde hoog
boven zijn hoofd. Toen trok Moussa zijn eigen speer en mikte op de
borst van Marko. Maar de koninklijke held ving ze op zijn knots op
en ze brak in drie stukken. Zij trokken nu beiden hun zwaard uit de
scheede en vielen op elkaar aan. Marko deed een krachtigen uitval,
maar Moussa stelde zich met zijn knots te weer en Marko's zwaard was
verbrijzeld. Onmiddellijk hief Moussa zijn eigen zwaard op, om zijn
tegenstander te raken, maar Marko ving den slag op dezelfde manier
op en het wapen brak bij het gevest af. Daarna bewerkten zij elkaar
met hun knotsen, totdat ook deze braken. Toen stegen zij af en grepen
elkaar met groote woestheid aan. De beroemde helden stonden elkaar,
de ridderlijke Moussa en de koninklijke Marko. Moussa kon Marko niet
ter aarde krijgen en Marko kon Moussa niet overwinnen. Een ganschen
zomermorgen worstelden zij met elkaar. Ongeveer op het middaguur
kwam wit schuim op de lippen van Moussa en Marko's lippen waren bedekt
met schuim en bloed.
Toen riep Moussa uit: "Werp mij neer o, Marko! of indien gij dat niet
kunt, laat mij u dan neerwerpen!"
Marko deed al zijn best, maar zijn pogingen waren vergeefs. Toen
Moussa dit zag, spande hij zijn laatste krachten in, hief Marko van den
grond op, wierp hem in het gras en drukte zijn knieën op zijn borst.
Marko riep, toen hij zag in welk gevaar hij zich bevond: "Waar zijt
gij nu, mijn zuster-in-God, gij veela? Waar zijt gij heden,--dat gij
geen oogenblik langer leven moogt! Nu zie ik, dat uw eed valsch was,
toen gij mij zwoert, dat gij mij in gevaar zoudt bijstaan!"
Toen verscheen de veela van achter de wolken en zei: "O, mijn broeder,
koninklijke Prins Marko! Zijt gij mijn woorden vergeten: Ik heb u
gezegd, dat gij nooit op Zondag zoudt vechten? Ik kan u niet helpen,
want het zou niet eerlijk zijn, dat twee tegen een streden. Waar zijn
uw verborgen dolken?"
Moussa wierp een blik naar de wolken om te zien, vanwaar de stem kwam
en dit was zijn ongeluk, want Marko maakte van dat oogenblik gebruik,
trok een verborgen degen en sneed met een plotselingen stoot Moussa's
lichaam open van zijn middel tot zijn nek.
Marko maakte zich met moeite los uit de omhelzing van den
afzichtelijken Moussa en daar het lijk op den rug lag, zag de Prins
door de gapende wond, dat zijn tegenstander drie rijen ribben had
en drie harten. De wanden van een der harten waren ingevallen, een
ander klopte nog heftig, op het derde ontwaakte juist een slang, en
toen deze Marko zag, siste ze tegen Marko: "Dank God, o koninklijke
Prins Marko, dat ik sliep, terwijl Moussa leefde, want een drievoudig
ongeluk zou u anders getroffen hebben!"
Toen Marko dit hoorde, stroomden de tranen langs zijn wangen en hij
jammerde: "Helaas! Genadige God, vergeef mij, ik heb een beter ridder
gedood dan ik ben!"
Daarna sloeg hij het hoofd van Moussa af met zijn zwaard, stak het
in den voederzak van Sharatz, en keerde zegevierend naar Istamboel
terug. Toen hij het hoofd van Moussa voor den Sultan wierp, was
deze vorst zoo ontsteld, dat hij opsprong "Vrees den doode niet,
o genadig Sultan! Indien gij reeds verschrikt zijt bij het zien van
Moussa's hoofd, wat zoudt gij dan wel gedaan hebben, indien gij hem
levend had ontmoet?"
De Sultan gaf drie tovars goud aan Marko, die naar zijn kasteel te
Prilip terugkeerde.
Wat Moussa de Bullebak betrof, hij bleef op den top van den berg
Katchanik.
De dood van Prins Marko.
Vroeg in den morgen, op een rustdag, reed Prins Marko langs het
strand. Hij volgde een rijpad, dat langs de hellingen van den berg
Ourvinia voerde, en toen hij bijna den top had bereikt, struikelde
zijn getrouwe Sharatz plotseling en begon tranen te storten. Zijn
gekerm trof Marko's hart en hij sprak zijn lieveling aldus aan:
"Eilaas! lieve Sharo, mijn dierbaarste schat! Zie! wij hebben samen
gelukkig geleefd gedurende vele zomers, als trouwe makkers; tot nu
toe zijt gij nooit gestruikeld en heden schreien uw oogen voor het
eerst: God alleen weet, welk lot ons wacht, maar ik weet, dat dit het
teeken is, dat uw leven of het mijne in groot gevaar verkeert en dat
een van ons veroordeeld is te sterven."
Toen Marko aldus tot zijn Sharatz gesproken had, riep de veela van
den berg Ourvinia tot hem: "Mijn lieve broeder-in-God! O, koninklijke
Prins Marko! Weet gij, niet mijn broeder, waarom uw paard struikelt? Uw
Sharatz heeft verdriet om u, zijn meester. Weet, dat gij binnen kort
van hem zult scheiden!"
Marko antwoordde: "O, gij witte veela! Dat uw keel u pijnige om deze
uwe woorden: Hoe zou ik in deze wereld ooit gescheiden kunnen leven
van Sharatz, die mij door menig land en menige stad gedragen heeft
van den ochtend totdat de zon onderging; geen beter ros betrad onze
aarde dan Sharatz. Zoolang mijn hoofd op mijn schouders rust, wil ik
nooit gescheiden zijn van mijn geliefd paard!"
En weer riep de veela: "O, mijn broeder, koninklijke Prins Marko,
er is geen kracht, die u uw Sharatz ontrukken kan; gij kunt niet
sterven door het blinkend zwaard van eenig held of de strijdknots
of de speer van een krijgsman; gij vreest geen held op aarde--maar,
helaas! gij moet sterven, o, Marko! De dood, de oude vernietiger,
zal u treffen. Indien gij mij niet wilt gelooven, spoed u dan naar
den top van den berg, kijk naar rechts en naar links en gij zult twee
hooge pijnboomen zien, bedekt met nieuwe, groene naalden, en die zich
hoog verheffen boven de andere boomen van het bosch. Tusschen die
pijnboomen bevindt zich een bron; stijg daar af en bindt uw Sharatz
aan een der pijnboomen; buig u dan neer en de bron zal uw gelaat
weerspiegelen. Zie, en gij zult weten, wanneer de dood u wacht!"
Marko verneemt zijn lot.
Marko volgde de aanwijzingen van de veela, en toen hij op den top
van den berg kwam, keek hij naar rechts en naar links, en werkelijk,
hij zag de twee hooge, rechte pijnboomen, juist zooals zij ze hem had
beschreven; en hij deed alles, wat zij hem had geraden te doen. Toen
hij in de bron keek, zag hij zijn gelaat weerspiegelen in het water;
en zie zijn lot was geschreven op de oppervlakte ervan!
Toen stortte hij vele tranen, en sprak aldus: "o gij bedriegelijke
wereld, eens mijn feeënbloem! Gij waart liefelijk--maar ik vertoefde
te korten tijd bij u: ternauwernood drie honderd jaar! Het uur om
te vertrekken is voor mij gekomen!" Daarna trok hij zijn zwaard
en spoedde zich naar Sharatz; met een houw sloeg hij het dier den
kop af. Nooit zou hij door een Turk worden bestegen; nooit zou een
Turksche last op zijn schoften drukken; nooit zou hij de dyugoom [41]
dragen van de put voor den gehaten Muzelman!
Nu groef Marko een graf voor zijn getrouwen Sharatz en begroef hem
met meer eer dan hij Andreas, zijn eigen broeder, had begraven.
Daarna brak hij zijn zwaard in vieren, opdat het niet in de handen
van een Muzelman zou vallen, en opdat de Turk het niet zou zwaaien
met iets van zijn eigen kracht, waardoor de vloek van het christendom
op hem zou neerdalen. Daarna brak Marko zijn lans in zeven stukken en
wierp die in de takken van den pijnboom. Toen nam hij zijn ontzettenden
knots in zijn rechterhand en wierp dien van den berg Ourvinia ver in de
donkere safieren zee met de woorden: "Als mijn knots terug keert uit
de diepten van den oceaan, dan zal er een held komen, zoo groot als
Marko!" Toen hij zich aldus van al zijn wapenen ontdaan had, nam hij
uit zijn gordel een gouden tablet, waarop hij deze mededeeling schreef:
"Aan hem, die over dezen berg gaat en aan hem, die de bron zoekt bij de
pijnboomen en het lijk van Marko vindt: Weet, dat Marko dood is. Hier
zijn drie beurzen, gevuld met gouden dukaten. De eene zal Marko's gift
zijn voor hem, die zijn graf delft; de tweede zal gebruikt worden om
kerken te versieren; het goud in de derde zal verdeeld worden onder
de blinden en verminkten, opdat zij in vrede door het land mogen
trekken en in hun liederen Marko's roemrijke heldendaden prijzen!"
Toen Marko dit geschreven had, bond hij het tablet aan een tak, opdat
het door de voorbijgangers gezien kon worden. Hij spreidde zijn mantel
uit op het gras onder de pijnboomen, maakte het teeken des kruises,
trok zijn bonten muts over zijn oogen en ging liggen......
Hoe Marko gevonden werd.
Het lijk van Marko bleef naast de bron liggen, totdat een geheele
week voorbij was gegaan. Ondertusschen kwam menig reiziger langs het
breede pad en zag den ridderlijken Marko, maar allen meenden, dat hij
sluimerde en bleven op een veiligen afstand, uit vrees den slapenden
held te wekken. Geluk is de geleider van ongeluk, evenals ongeluk
dikwijls tot geluk voert; en het gebeurde, dat Vasso, de igouman
(abt) van den berg Athos, dien weg ging, toen hij naar de witte kerk
Vilindar reed, vergezeld van den jeugdigen Issaya, zijn dienaar. Toen
de igouman Marko zag, wenkte hij Issaya, "O, mijn zoon!" zei hij,
"wees voorzichtig, opdat gij den held niet wekt, want Marko is
woedend, als hij gestoord wordt en zou ons vernietigen." Daarna keek
hij angstig rond en zag het opschrift, dat Marko boven zijn hoofd
had bevestigd. Hij kwam omzichtig nader en las de boodschap. Toen
steeg hij haastig van zijn paard en greep Marko's hand, maar de held
bewoog niet! De tranen stroomden Vasso uit de oogen en hij bejammerde
luid het lot van Marko. Na een poosje nam hij de drie beurzen uit den
gordel van den beid en stopte ze in zijn eigen gordel. Lang peinsde
hij erover, waar hij Marko zou begraven; eindelijk legde hij het lijk
van den held op zijn paard en bracht het naar de kust. Weldra kwam
hij veilig aan de witte kerk Vilindar en nadat hij de gebruikelijke
liederen had gezongen en die ceremoniën had verricht, die er bij
pasten, begroef hij Marko's lijk in het midden van de kerk.
Daar begroef de bejaarde igouman Marko, maar hij plaatste geen monument
op het graf, opdat geen vijanden de plaats, waar de held begraven lag,
zouden kunnen ontdekken en wraak nemen op den doode.