De Marko Legenden.
Marko was, zooals wij reeds gezien hebben, de zoon van koning
Voukashin; zijn moeder was koningin Helene, die de Servische
troubadours in hun liederen en gedichten den liefelijken, dichterlijken
naam Yevrossima (Euphrosyne) gaven.
Volgens de overlevering was de prins geboren in het kasteel van Skadar
(Scoetari) en zijn moeder, die de zuster was van den meest roemruchten
en vermetelen aller ridders, Momtchilo, droeg op haar zoon gelukkig
veel van diens heldenmoed en veel van zijn andere deugden over.
Maar er is ook een andere legende, die even populair is, en daarin
wordt beweerd, dat Marko het kind was van een veela (feeën-koningin)
en van een Zmay (een draak). Zij, die hem deze laatstgenoemde afkomst
toeschrijven, verklaren daaruit Marko's geweldige kracht, die hij
dan van zijn vader, den draak, geërfd moet hebben; eveneens wordt
daarmee zijn fabelachtig uithoudingsvermogen aannemelijk gemaakt.
In elk geval moet Prins Marko een buitengewoon aantrekkelijke
persoonlijkheid geweest zijn; hij maakte zulk een levendigen indruk
op het gemoed van het Servische volk van allen rang en stand, dat
hij altijd geweest is, tot heden kon blijven en vermoedelijk ook in
de toekomst wel blijven zal onze meest geliefde held. Ja, er is geen
Serviër te vinden, zelfs niet in de verst verwijderde districten,
die geen groote liefde koestert voor Kralyevitch Marko en die u zijn
geschiedenis niet kan vertellen.
De heldendaden van dezen dapperen prins zijn gelukkig vereeuwigd door
de nationale barden, die zich allen beijveren hem in hun balladen
en legenden te beschrijven als een, die het recht lief had en alle
onderdrukking haatte en de wreker was van alle onrecht. Hij wordt
zonder uitzondering voorgesteld als iemand van groote lichamelijke
kracht; zijn voornaamste wapen was zijn zware oorlogsknuppel,
die honderd pond woog, zestig pond staal en dertig pond zilver,
het overige was zuiver goud. Hierbij heeft men te bedenken, dat de
zwaarden en knuppels, die slechts door de menschelijke handen van
zijn tegenstanders worden gezwaaid, hem nooit kunnen dooden, zij
kwetsen hem evenmin, en kunnen dezen held ternauwernood raken. Hij
is in haast alle legenden een bovennatuurlijke persoonlijkheid.
Marko, die zich dikwijls ruw en overijld gedroeg, in het bijzonder
tegenover de Turken, wiens sultan hij zelfs geweldig ontstelde
met de verhalen, die hij hem deed van zijn vele bloeddorstige en
oorlogzuchtige daden, is toch overal, waar daar melding van gemaakt
wordt, een zeer gehoorzame, liefhebbende en teergevoelige zoon voor
zijn moeder; en er waren gelegenheden, waarbij hij haar raadpleegde
en haar raad opvolgde.
Prins Marko was onbevreesd.
Er werd gezegd, dat hij niemand vreesde dan God; en van nature was hij
een hoffelijk man jegens vrouwen. In Servië is het de gewoonte veel
wijn te drinken, dien rooden wijn, waarvan wij zoo dikwijls hooren;
en deze gewoonte hield ook Marko in eere; maar er wordt altijd gezegd,
en algemeen geloofd, dat hij nooit dronken werd.
De balladen bezingen ook koning Voukashin; Voukashin was gedurende de
regeering van Doushan den Machtige Staatsraad geweest. De hoofdstad
van het rijk was Prizrend en Marko werd toen door zijn vader aan het
hof grootgebracht. Algemeen wordt verondersteld, dat Marko eenigen
tijd later den Keizer als secretaris en staatsraad bijstond en door
Doushan, toen deze zijn einde voelde naderen, met de zorg over zijn
jongen zoon Ourosh werd belast.
De trouweloosheid van Voukashin.
Een ballade verhaalt, dat keizer Doushan de kroon had vermaakt
aan Voukashin en bij zijn laatsten wil had bepaald, dat die vorst
gedurende zeven jaar zou regeeren, doch dat hij na verloop van dien
tijd de regeering zou overdragen aan den tsarevitsch Ourosh. Niet
alleen verlengde koning Voukashin eigenmachtig zijn regeering tot
zestien jaar, maar ook toen weigerde hij beslist den schepter neer te
leggen en wat meer zegt: hij riep zich zelf tot Tsaar uit. De ballade
beschrijft verder de onophoudelijke binnenlandsche beroeringen,
die den val van den Servischen Middeleeuwschen Staat verhaastten. En
zoo komt zelfs in de legende de rechtmatige toorn van het volk tegen
de rebellen tot uiting en een jammerklacht over den ondergang van
het tsarenrijk, wanneer door de overlevering op Voukashin de blaam
en den vloek geworpen wordt van een overweldiger en verrader; hij
wordt verfoeid om zijn listigheid en trouweloosheid, terwijl zijn
zoon Marko als de getrouwe verdediger van Prins Ourosh, verheerlijkt
wordt. Deze is de groote wreker van het onrecht, waaronder de geheele
natie gebukt gaat en men prijst hem steeds om zijn goed hart, zijn
verdraagzaamheid in politieke en particuliere aangelegenheden, zijn
menschelijkheid en bovenal, omdat hij steeds bereid was den strijd
aan te binden voor de zaak van het recht.
Het paard Sharatz.
Aan de geschiedenis van Marko dient vooraf te gaan een beschrijving
van Sharatz, zijn zeer geliefd, gevlekt strijdros, waarvan hij nooit
scheidde.
Sharatz is zonder twijfel ongeëvenaard. Er zijn verschillende lezingen
van de gebeurtenis, waarbij Marko in het bezit van hem kwam. Eenige
barden verzekeren, dat Sharatz aan Marko werd gegeven door dezelfde
veela, die hem van het begin af begiftigd had met zijn wonderbaarlijke
kracht; maar er zijn anderen, die beweren, dat Marko eens een veulen
kocht, dat aan melaatschheid leed, en dat door den Prins zelf verpleegd
werd, zoodat het geheel genas. Hij leerde het wijn drinken en kweekte
het op tot het prachtige dier, dat het werd.
Weer anderen zeggen, dat Marko in zijn jeugd drie jaar lang een heer
diende en dat hij als eenige belooning verzocht een keus te mogen
doen uit de paarden, die toen in de weide graasden. Zijn heer stemde
er volgaarne in toe en Marko onderzocht, zooals zijn gewoonte was,
elk paard op zijn beurt door het bij den staart te nemen en rond
te draaien.
Eindelijk, toen hij bij een bont veulen kwam, greep hij het bij
den staart; maar dit dier was niet in beweging te brengen en Marko
kon het ondanks zijn grenzelooze kracht geen stap van zijn plaats
krijgen. Marko koos dat veulen en het groeide op tot zijn geliefde
Sharatz.
De Serviërs van Veles noemen nog een groote vlakte bij Demir-Kapi
"Markova Livada" (weide van Marko). Sharatz beteekent "gevlekt" en
men beweert, dat de huid van Marko's paard meer op de huid van een
os dan op die van een gewoon paard geleek.
De Prins gaf hem verschillende lievelingsnamen als Sharin of Sharo
en bleef gedurende de honderd en zestig jaren, die zij samen waren,
innig aan hem gehecht.
Dit merkwaardige dier was het snelste en sterkste paard, waarvan
ooit iemand gehoord heeft en dikwijls slaagde het er in de vliegende
veela te achterhalen. Het was zoo goed afgericht, dat het steeds
het juiste oogenblik wist te kiezen, waarop het moest knielen, om
zijn meester voor een lansstoot van zijn tegenstander te redden. Het
wist precies, hoe het 't ros van den tegenstander met zijn voorpooten
kon raken. Indien hij er lust in had, kon Sharatz zoo hoog springen
als de lengte van drie lansen en over een afstand van vier lansen;
onder zijn hoeven sprongen glinsterende vonken en de aarde, waarop
hij trad, kraakte en stukken vlogen in alle richtingen; uit zijn
neusgaten kwam een trillende, blauwe vlam, ontstellend voor allen,
die het zagen. Hij beet vijandelijke paarden vaak de ooren af en in
zijn leven verpletterde en vermorselde hij een groot aantal Turksche
soldaten. Marko kon gerust dommelen en soms zelfs gaan slapen, indien
hij door de bergen reed; al den tijd was hij veilig, want Sharatz
hield zorgvuldig de wacht. Daarom voederde de Prins zijn strijdros met
brood en wijn uit het vaatwerk, dat hij zelf gebruikte en hij hield
meer van hem dan van zijn eigen broer; en Sharatz deelde, zooals hem
ook toekwam, den roem van menige overwinning met zijn heer. Marko
reed nooit op een ander paard en samen worden zij beschreven als
"een draak rijdende op een draak."
Er zijn ongeveer acht en dertig gedichten en misschien tweemaal zooveel
legenden in proza, die een uitvoerige beschrijving geven van Marko's
indrukwekkende heldenfeiten, en er is nauwelijks een Serviër of een
Bulgaar te vinden, die er niet althans eenige van kan voordragen. In
den oorlog van Turkije tegen de Balkanstaten, 1912-1913 nam een
gouslar, indien hij niet moest vechten, zijn gousle [26] en droeg
zijn makkers heldendichten voor, waarvan het grootste deel op Marko
betrekking had. De innige vereering, die de Serviërs dezen geliefden
Prins toedragen, blijkt een vaste band te zijn tusschen degenen, die
nog in Servië zelf wonen en hen, die naar allerlei andere landstreken
verhuisd zijn.
Er zijn natuurlijk verschillende verhalen over den dood van Marko. De
in eenige legenden vervatte overlevering, die het meest tot zijn
landgenooten heeft gesproken en hun dichterlijke verbeelding bijzonder
heeft getroffen, is deze, dat hij nooit stierf. Velen gelooven nog,
dat hij zich terugtrok in een hol bij zijn kasteel te Prilip, dat
nog bestaat, om daar te rusten en dat hij daar nu slaapt. Nu en dan
ontwaakt hij, om te zien, of zijn zwaard al uit de rots is gekomen,
waar hij het tot het gevest in heeft gestooten. Als het zwaard uit
de rots is, zal dit voor Marko het teeken zijn, dat het oogenblik
is aangebroken, om weer onder de Serviërs te verschijnen en het
Middeleeuwsche keizerrijk te herstellen, dat bij den slag van Kossovo
[27] verloren ging.
Wat Sharatz betreft, hij eet nog steeds, maar zijn voorraad hooi is
bijna op.
Prins Marko vertelt van wien het Keizerrijk zal zijn.
Vier tabors [28] ontmoetten elkaar op de prachtige vlakte van Kossovo
bij de witte kerk van Samodrezja [29]. Een leger werd aangevoerd door
koning Voukashin; het tweede door den despoot [30] Ouglesha; het derde
door voïvode Goyko en het vierde door tsarevitch Ourosh. De eerste drie
betwistten elkaar de erfenis van het rijk en waren gereed elkaar te
doorsteken, zoo vurig verlangden zij er allen naar te regeeren. Zij
wisten niet, wie aangewezen was als de opvolger van den tsaar en
wie dus de rechtmatige erfgenaam van den troon was. Koning Voukashin
verklaarde: "Het keizerrijk werd aan mij nagelaten!" Voïvode Goyko
riep uit: "Neen! Het keizerrijk behoort mij", en de despoot Ouglesha
viel toornig in: "Beiden vergist gij u, want weet, dat het rijk _mij_
toebehoort".
De jeugdige tzarevitch bleef zwijgen, want hij was niet vrijmoedig
genoeg om in tegenwoordigheid van zijn hooghartige meerderen in jaren
een enkel woord te zeggen.
Koning Voukashin liet door een getrouw dienaar den aartsbisschop
Nedelyko van Prizrend naar de vlakte van Kossovo ontbieden om te
zeggen, wie de rechtmatige heerscher over het rijk was--want hij
moest het weten, daar hij den roemruchten tsaar Doushan den Machtige
de laatste biecht had afgenomen en tot zijn laatsten snik bij hem was
gebleven. Bovendien wist men, dat de aartsbisschop het archief onder
zijn berusting had en dus in staat zou zijn het testament van den
keizer te toonen. Ook de despoot liet door zijn vlugsten boodschapper
een brief naar den aartsbisschop brengen; een derde werd geschreven
door voïvode Goyoko, die de bezorging opdroeg aan zijn specialen
koerier en een vierde werd geschreven en verzonden door Ourosh.
Dit geschiedde alles in het geheim, maar de koeriers bereikten
gelijktijdig Prizrend en ontmoetten elkaar aan de poorten van
Nedelyko's woning. Nedelyko was juist bezig den ochtenddienst in de
kathedraal te leiden. De mannen waren woedend over het oponthoud en
zonder zelfs van hun paarden te stijgen, stormden zij als razenden
het heilige gebouw binnen, hieven hun karwats op en sloegen zelfs
den goeden aartsbisschop, terwijl zij hem toevoegden:
"Hoor, o aartsbisschop Nedelyko! Spoed u onmiddellijk naar de vlakte
van Kossovo. Gij moet zeggen, wien het rijk toebehoort, want gij
hebt de biecht ontvangen van den roemruchten tsaar en hebt hem het
laatste sacrament toegediend, en gij zijt het ook, die de registers
van den staat onder uw berusting hebt. Haast u, haast u, opdat wij
u niet van ongeduld het hoofd van het lichaam scheiden!"
Aartsbisschop Nedelyko weende van smart bij de grievende vernedering en
antwoordde aldus: "Scheert u weg, gij dienstknechten van zeer machtige
vorsten! Scheert u weg uit het huis Gods! Eerst zal ik den dienst Gods
beëindigen, en dan bekend maken in wiens handen het rijk moet komen!"
Daarna gingen de boodschappers naar buiten. Spoedig kwam de
aartsbisschop en sprak hen op de volgende wijze toe: "O mijn kinderen,
boodschappers van den koning zelf en van de prinsen! Ik ontving de
laatste biecht van den doorluchten tsaar en diende hem de sacramenten
toe; maar over het keizerrijk of de aangelegenheden van den staat
sprak hij geen woord, want wij waren slechts vervuld van de zonden, die
hij had bedreven. Gij moet naar de stad Prilip gaan, want daar is het
kasteel van den koninklijken Prins Marko--Gij weet, dat Marko van mij
lezen en schrijven leerde; later was hij secretaris van den keizer en
toen werd hem de zorg toevertrouwd over de registers en hij zal zeker
weten, wien de regeering over het keizerrijk is opgedragen. Roept Marko
naar de vlakte van Kossovo, opdat hij zegt, wie nu tsaar is. Marko
zal de waarheid zeggen, want hij vreest niemand dan God!"
Marko wordt geroepen.
De boodschappers begaven zich dadelijk op weg en sloegen, toen zij
te Prilip kwamen, tegen de deuren van het kasteel. Het geklop werd
gehoord door Yevrossima en zij sprak aldus tegen haar zoon: "O, Marko,
mijn liefste zoon, wie kloppen daar beneden tegen de poorten? Het is
mogelijk, dat het boodschappers zijn van uw vader!"
Marko beval de poorten te openen en toen de boodschappers binnen
traden, bogen zij met grooten eerbied en zeiden: "Dat God steeds met
u zij, o, edele heer Marko!"
De Prins legde vriendelijk zijn hand op hun hoofd en sprak: "Weest
welkom, mijn kinderen! Zijn de Servische ridders welvarend? En is
alles wel met den doorluchten tsaar en koning?"
De koeriers negen weer onderdanig en zeiden: "O, edele heer, zeer
koninklijke Prins Marko. Allen zijn welvarend, ofschoon wij vreezen
op geen goeden voet met elkaar! De koning, uw vader, en de prinsen
twisten ernstig om het keizerrijk op de vlakte van Kossovo, dat
uitgestrekte veld bij de kerk Samodrezja; zij staan elk oogenblik op
het punt elkaar met hun zwaarden te doorsteken, want zij weten niet
aan wien het keizerrijk rechtens toekomt. Gij, o edele Prins, wordt
nu opgeroepen om den erfgenaam van de keizerlijke troon aan te wijzen."
De bard vertelt dan verder, hoe Marko naar Yevrossima ging en haar
raad vroeg en ofschoon het algemeen bekend was, dat Marko zelf de
waarheid liefhad, smeekte zijn goede moeder hem met de volgende
woorden: "O, Marko, eenige zoon van je moeder! Dat op het voedsel,
waarmede gij werdt gevoed geen vloek ruste! Spreek geen onwaarheid,
noch om je vader aangenaam te zijn, noch om aan de eerzucht van je
ooms te voldoen; maar zeg, ik smeek het je, de waarheid voor God,
opdat ge uw ziel niet verliest. Het zou beter zijn om te komen,
dan te zondigen tegen je ziel!"
Marko nam de verzegelde documenten, besteeg Sharatz en reed naar
de vlakte van Kossovo. Toen hij de tent van zijn vader naderde,
zag koning Voukashin hem en riep uit:
"O, wat ben ik gelukkig! Hier is mijn zoon Marko; hij zal zeggen,
dat het rijk mij werd toegewezen, want natuurlijk weet hij, dat het
overgaat van vader op zoon!"
Marko hoorde dit, maar zei geen enkel woord, en wilde zelfs zijn
hoofd niet naar de tent des konings wenden.
Toen de despoot Ouglesha Marko zag, sprak hij aldus: "O, hoe gelukkig
voor mij! hier is mijn neef Marko; hij zal ongetwijfeld zeggen, dat
het rijk mij toebehoort. Wij zouden samen regeeren als broeders!" Nog
steeds bleef Marko zwijgen en wendde zijn hoofd zelfs niet in de
richting van de tent van zijn oom.
Toen voïvode Goyko zijn komst bemerkte, riep hij uit: "O, dat is een
geluk voor mij! Daar is mijn lieve neef Marko; hij zal stellig zeggen,
dat het rijk mij werd toevertrouwd. Toen Marko een klein kind was,
had ik de gewoonte hem hartelijk te liefkoozen, want ik hield van
hem als van een gouden appel en hij was mij altijd zeer dierbaar. Als
ik te paard uitreed, nam ik Marko altijd mee. O Marko, beste Marko,
gij moet zeggen, dat het rijk mij toekomt! In werkelijkheid zult gij
het zijn, die als tsaar regeert en ik zal uw rechterhand zijn, steeds
gereed u als uw raadsman terzijde te staan!" Marko zei nog steeds
geen woord en zich houdende alsof hij voïvode Goyko geheel niet zag
ging hij regelrecht naar de tent, waarin de tsarevitch Ourosh zich
bevond en daar steeg hij van zijn Sharatz.
Toen de jonge Ourosh hem zag, sprong hij op van het zijden kussen,
waarop hij rustte en riep uit: "Hoera! Ziedaar mijn peetvader
Marko! Hij zal ons nu zeggen, wie de ware tsaar is!" Zij omhelsden
elkaar, vroegen naar elkaars gezondheid en namen op de rustbank plaats,
waarvan Ourosh juist was opgestaan.
Marko vertelt de waarheid.
Eenige tijd verliep; de zon ging onder; de nacht verstreek; de
ochtend daagde en de kerkklokken riepen allen op tot het doen van
de ochtendgebeden. Na den dienst gingen de koning, de prinsen en de
groote heeren naar het kerkhof, waar zij plaats namen aan tafels,
suikerwerken aten en cognac dronken. Eindelijk sloeg Marko de oude
documenten open en zei overluid:
"O, mijn beste vader, gij koning Voukashin! Zijt gij ontevreden met uw
koninkrijk? Dat het in een woestenij verandere, indien gij het zijt. O,
dat gij een ander rijk kunt begeeren! En gij, mijn oom, despoot
Ouglesha! Zijt gij niet tevreden binnen uw eigen grondgebied? Is het
werkelijk te klein voor u, dat gij een rijk begeert, dat aan een ander
toebehoort? Dat het uwe ook in een woestenij verandere! En gij, mijn
oom, gij voïvode Goyko! Is uw hertogdom niet uitgestrekt genoeg voor
u? Moge het ook een woestenij worden! O, dat ook gij streven durft
naar een ander tsarenrijk! Ziet gij allen het niet en begrijpt gij het
niet? Indien gij het niet ziet, moge dan, God u evenmin zien kan! Het
staat duidelijk geschreven in deze registers, dat het keizerrijk aan
Ourosh werd nagelaten. Van vader zal het overgaan op zoon. Aan dezen
jongeling behoort nu de keizerlijke kroon van zijn voorouders. Het
was Ourosh, die door onzen gestorven tsaar op zijn sterfdag tot zijn
opvolger benoemd werd!" Toen koning Voukaskin dit vernam, sprong
hij op, trok zijn gouden yatagan en zou zijn zoon er mee doorstoken
hebben. De Prins vluchtte, achtervolgd door zijn vader, want het paste
Marko niet, te vechten met zijn vader, om dien misschien doodelijk te
treffen. Marko liep de kerk van Samodreza om; zijn vader zat hem vlak
op de hielen, totdat zij driemaal de kerk waren om geweest en toen,
op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken, sprak op eens
een geheimzinnige stem van uit de kerk deze woorden:
"Snel de kerk binnen o, gij koninklijke Prins Marko! Ziet ge niet,
dat gij anders zult omkomen door de hand uws vaders, omdat gij de
waarheid, die God zoo liefheeft, hebt gesproken?" Plotseling gingen
de deuren van zelf open en Marko ging binnen; daarna sloten zij zich
en plaatsten zich tusschen de beide mannen. Koning Youkashin begon
heftig op de deuren te slaan met zijn korte zwaard, totdat hij zag,
dat er bloed langs de balk begon te druppelen, waarna hij door berouw
werd aangegrepen en zuchtte en berouwvol sprak: "Helaas! Ongelukkige
man, die ik ben! O gij oneindige en hemelsche God! Hoor mij aan! Ik
heb mijn zoon Marko gedood!" Maar de geheimzinnige stem in de kerk
zei: "Hoor! Voukashin, gij machtig koning! Hoor, niet uw zoon Marko
hebt gij gewond, maar gij hebt den engel van den waarachtigen God
gekwetst." Deze woorden wekten des konings woede weer op en hij
vloekte Marko met deze woorden: "O, Marko, mijn eenige zoon, dat God
u doode! Dat niet het graf uw laatste rustplaats zij! Dat u geen zoon
geboren worde, die na u komt! Dat ons geslacht met u eindige! En meer
dan dit alles, dat uw ziel niet van uw lichaam scheide, voordat gij
den Turk als vasal hebt gediend!"
In deze bittere woorden werd Marko door den koning gevloekt, maar
de nieuwe tsaar, Ourosh, zegende hem, zeggende: "O, mijn geliefde
peetvader Marko! Dat God u steeds steune! Dat uw woord steeds
geëerbiedigd en aangenomen worde door alle rechtvaardige mannen in
de divan!" [31]
Prins Marko en de Moorsche Hoofdman.
Een groot en machtig Moorsch hoofdman had aan de kust van de zee een
prachtig kasteel laten bouwen, dat twintig verdiepingen hoog was. Toen
het geheel gereed was, liet hij de prachtigste ruiten in de ramen
zetten; hij behing de kamers en hallen met de kostbaarste zijden en
fluweelen stoffen en sprak toen bij zichzelf: "O, mijn Koula! [32]
Waarom heb ik u opgericht, want er is niemand dan ik om met zachte
schreden over deze zachte tapijten te gaan en door deze vensters naar
de blauwe glinsterende zee te zien. Ik heb geen moeder, geen zuster
en ik heb nog geen vrouw gevonden. Maar ik zal heen gaan en de dochter
van den sultan ten huwelijk vragen. De sultan zal òf zijn dochter aan
mij geven òf in een tweegevecht tegenover mij staan." En de daad bij
het woord voegende schreef hij een brief aan den Sultan te Istamboel
[33] van den volgenden inhoud:
"O, Sire, ik heb een schoon kasteel gebouwd aan de kust van de
azuren zee, maar tot nu toe heeft het geen meesteres, want ik heb
geen vrouw. Daarom vraag ik u mij uw geliefde dochter te geven. Ik
eisch dit zelfs, want als gij mij uw dochter niet geeft, weet dan,
dat ge u hebt voor te bereiden op een ontmoeting, waarin we met het
zwaard in de hand van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar
zullen staan. Tot dezen strijd daag ik u bij dezen uit!"
De brief bereikte den Sultan en zoodra deze hem gelezen had, liet hij
onmiddellijk naar iemand uitzien, die de uitdaging in zijn plaats zou
willen aannemen. Een ontzaglijke som gelds beloofde hij den ridder,
die den Moor in het tweegevecht zou willen ontmoeten. Menig moedig
man trok uit, om den Moor te bevechten, maar niet een keerde ooit
naar Istamboel terug.
Helaas, de Sultan bevond zich weldra in een zeer neteligen toestand,
want al zijn beste strijders hadden hun leven gelaten door de hand
van den hooghartigen Moor. Het ergste zou echter nog komen.
De Moor doschte zich op zijn prachtigst uit, gespte zijn
bewonderingswaardig zwaard om, zadelde zijn ros Bedevia, waarbij hij
de zeven buikriemen bijzonder stevig bevestigde en gaf het een gouden
trens. Aan een kant van het zadel hing hij zijn tent, die door zijn
zwaarsten knots aan de andere zijde in evenwicht gehouden werd. Hij
sprong als een bliksemstraal op zijn strijdros en zijn scherpe lans
uitdagend voor zich houdend reed hij recht op Istamboel toe.
Zoodra hij de muren van de vesting bereikte, sloeg hij zijn tent op,
stak zijn lans stevig in de aarde, bond zijn Bedevia er aan vast en
legde den inwoners dagelijks deze zware belasting op: een schaap,
een geheel baksel witte brooden, een vaatje zuivere brandewijn, twee
vaten roode wijn en een mooi meisje. Elk meisje verkocht hij voor
veel geld in Talia, nadat zij zijn slavin was geweest en hem had
gediend. Deze afpersing hield hij drie maanden vol, niemand durfde
iets tegen hem te ondernemen. En toch had hij hiermee de maat zijner
boosheid nog niet volgemeten.
De intocht van den Moor.
De inwoners van Istamboel stonden op zekeren dag verlamd van
schrik, toen de hooghartige Moor, gezeten op zijn vurig ros,
de stad binnenkwam. Hij ging naar het paleis en riep luid: "Hoor,
Sultan! Voor het laatst vraag ik u: wilt gij mij uw dochter tot vrouw
geven?" Toen hij geen antwoord kreeg, beukte hij zoo hevig met zijn
knots tegen het paleis, dat het gebroken glas uit de ramen als regen
naar beneden stroomde. Toen de Sultan zag, dat de Moor gemakkelijk op
deze wijze het paleis zou kunnen verwoesten en zelfs de geheele stad,
voelde hij zich diep ongelukkig, want hij wist, dat hem ten slotte
geen andere keus zou overblijven dan den Moor zijn eenige dochter te
geven. Ofschoon overweldigd van schaamte stemde hij er eindelijk in
toe. Voldaan over dit succes vroeg de Moor vijftien dagen uitstel,
voordat het huwelijk zou plaats hebben, opdat hij terug zou kunnen
gaan naar zijn kasteel en de noodige voorbereidselen treffen.
Toen de dochter van den Sultan van het in wanhoop genomen besluit
van haar vader hoorde, gilde zij het uit en diep rampzalig riep zij:
"Helaas! Aanschouw mijn verdriet, o Almachtige Allah! Is dit het gevolg
er van, dat men allerwege mijn schoonheid prees? Voor een Moor? Zou het
dan mogelijk zijn, dat een Moor een kus zal drukken op mijn gelaat?"
De Droom van de Sultana.
Dien nacht had de Sultana een vreemden droom, waarin haar een man
verscheen, zeggende: "In het Servische rijk ligt een uitgestrekte
vlakte, Kossovo; in die vlakte ligt een stad Prilip; en in die stad
woont de koninklijke Prins Marko, welke overal bekend staat als een
oprecht en groot held."
De man sprak verder en gaf de Sultana den raad onverwijld een bode
te zenden naar Prins Marko, om hem te verzoeken haar Zoon-in-God te
worden, en hem tevens ontzaglijke rijkdommen te beloven. Want hij was
zonder twijfel het eenige levende wezen, dat kans had den vreeselijken
Moor te overwinnen en haar dochter te redden van haar schandelijk
lot. Den volgenden morgen spoedde zij zich naar de vertrekken van den
Sultan en vertelde hem haar droom. De Sultan schreef onmiddellijk een
firman [34] en zond dien naar Prins Marko te Prilip. Hij smeekte hem
zoo spoedig mogelijk naar Istamboel te reizen en de uitdaging van
den Moor aan te nemen.
Indien hij er inderdaad in slagen zou de prinses te redden, dan zou
de Sultan hem drie tovars [35] ducaten van zuiver goud geven.
Toen Marko de firman gelezen had, zei hij tegen den jeugdigen koerier
van den Sultan, welke geboortig was uit Tartarije: "In naam van God,
ga terug, gij boodschapper van den Sultan, en groet uw meester--mijn
Vader-in-God--zeg hem, dat ik den Moor niet tegemoet durf treden. Wij
weten immers allen, dat hij onoverwinnelijk is. Indien hij mijn
hoofd doormidden kliefde, wat nut zouden mij dan drie tovars goud,
of drie duizend tovars goud doen?"
De jeugdige Tartaar bracht het antwoord van Marko over, dat de
Sultana veel verdriet gaf, zoodat zij besloot hem zelf een brief te
schrijven, waarin zij hem nog eens smeekte de uitdaging aan te nemen
en de belooning verhoogde tot vijf tovars zuiver goud. Maar Marko,
die gewoonlijk zoo ridderlijk en hoffelijk tegenover vrouwen was,
bleef onverzettelijk en antwoordde, dat hij den strijd tegen den
Moor niet aan zou binden, al werden hem al de schatten van den Sultan
geschonken; want hij dorst niet.
De Prinses doet een beroep op Marko.
Toen de diepbedroefde bruid hoorde, welk antwoord Marko had gegeven,
sprong zij op, nam een pen en een stuk papier, stak de pen in haar
blozende wang en schreef met haar eigen bloed het volgende: "Heil u,
mijn dierbare broeder-in-God, koninklijke Prins Marko! Wees een waar
broeder voor mij! Dat God en de heilige Johannes onze getuigen zijn! Ik
smeek u, laat niet toe, dat ik de vrouw van den Moor word! Ik beloof u
zeven tovars van zuiver goud, zeven bochtchaluks, die noch geweven,
noch gesponnen zijn, maar geborduurd met zuiver goud. Bovendien
zal ik u een gouden schotel geven, versierd met een gouden slang,
welker opgeheven kop een juweel van onschatbare waarde in den bek
heeft, waarvan zulk een schitterend licht uitgaat, dat gij daarbij
in het donkerst uur van den nacht even goed zult kunnen zien als
op den middag. Hierbij zal ik u ten geschenke geven een schitterend
bewerkte sabel; deze sabel heeft drie gevesten, alle van zuiver goud
en in elk is een kostbare steen gezet. De sabel alleen is drie steden
waard. Ik zal aan dit wapen het zegel van den Sultan hechten, zoodat
de Groot-Vizier u nooit ter dood zal kunnen veroordeelen, zonder
daartoe eerst het bevel van Zijne Majesteit te hebben ontvangen."
Toen hij dezen brief had gelezen, dacht Marko lang na en schreef:
"Helaas! o, mijn geliefde zuster-in-God! Het zou slechts tot mijn
ongeluk zijn, als ik kwam om voor u te vechten en tot mijn nog grooter
ongeluk, als ik wegbleef. Want ofschoon ik noch den Sultan, noch
de Sultana vrees, vrees ik zeer zeker God en den heiligen Johannes,
in wier naam gij mij hebt aangeroepen. Daarom besloot ik te komen,
al weet ik, dat ik een zekeren dood te gemoet ga."
Marko maakt zich gereed de Prinses te hulp te komen.
Nadat hij den boodschapper van de prinses had weggezonden, zonder
hem te zeggen, wat hij besloten was te doen, ging Marko zijn kasteel
binnen, sloeg zijn mantel om en zette een muts van wolfsvacht op;
daarna gordde hij zijn zwaard om, koos zijn scherpste lans, en ging
naar de stallen. Tot meerder zekerheid maakte hij eigenhandig de zeven
buikriemen onder het zadel van zijn Sharatz vast; daarna bevestigde
hij een lederen flesch aan een zijde van zijn zadel en hing zijn
zwaarste strijdknots aan den anderen kant. Nu was hij gereed; hij
wierp zich op Sharatz en reed naar Istamboel.
Toen hij de plaats van zijn bestemming bereikt had, ging hij niet zijn
opwachting maken, noch bij den Sultan, noch bij den Groot-Vizier,
maar nam kalm zijn intrek in een nieuw logement. Dienzelfden avond,
kort na zonsondergang, leidde hij zijn paard naar een meer om het te
drenken. Tot verbazing van zijn meester wilde Sharatz echter zelfs
niets van het water proeven, maar hield zijn kop eerst naar rechts dan
naar links, totdat Marko de nadering bemerkte van een Turksch meisje,
bedekt met een langen, met goud geborduurden sluier.
Toen zij den rand van het water bereikte, boog zij diep naar het meer,
en zei overluid: "God zegene u, o schoon, groen meer! God zegene u,
want gij zult voor altijd mijn tehuis zijn! In uw boezem zal ik
voortaan wonen; nu moet ik sterven, o schoon meer; liever kies ik
zulk een lot dan de bruid te worden van den wreeden Moor!"
Marko groet de Prinses.
Marko trad op het meisje toe en sprak haar aldus aan: "O gij ongelukkig
Turksch meisje! In welke moeilijkheden bevindt ge u? Wat is het,
dat u besluiten deed u zelf te verdrinken?"
Zij antwoordde: "Laat mij met vrede, leelijke dervish, [36] waarom
vraagt gij mij, als gij mij toch niet kunt helpen?"
Toen deed het meisje het verhaal van haar aanstaand huwelijk met den
Moorschen hoofdman, van de boodschappen, die naar Marko waren gezonden
en eindelijk vloekte zij Marko in heftige woorden om de ongevoeligheid
van zijn hart.
Daarop sprak Marko: "O vloek mij niet, lieve zuster-in-God! Marko is
hier en spreekt nu zelf tegen u!"
Bij het hooren van deze woorden wendde het meisje zich tot den
beroemden ridder, omhelsde hem en smeekte ernstig:
"Om Gods wil, o, mijn broeder Marko! Laat niet toe, dat de Moor
mij trouwt!"
Marko was zeer getroffen en zei; "O, lieve zuster-in-God. Ik zweer, dat
ik, zoolang mijn hoofd op mijn schouders blijft, nooit zal toelaten,
dat de Moor u bezit. Vertel niet aan anderen, dat gij mij hier hebt
gezien, maar verzoek den Sultan en uw moeder van avond een maal eten
gereed te laten maken en naar het logement te brengen, en verzoek hun
vooral mij overvloedig wijn te zenden. Intusschen zal ik de komst van
den Moor in het logement afwachten. Als de Moor aan het paleis komt,
moeten uw ouders hem welwillend ontvangen en zij moeten zoover gaan
u aan hem over te geven, teneinde twist te voorkomen. Ik ken het
eenige middel om u te verlossen, indien het de ware God moge behagen
en indien mijn geluk en mijn kracht mij niet in den steek laten."
De Prins keerde terug naar het logement en het meisje spoedde zich
naar het paleis.
Toen de Sultan en de Sultana hoorden, dat Marko gekomen was om hen te
helpen, waren zij zeer getroost en lieten onmiddellijk een weelderig
maal gereed maken om hem dat te zenden en zij voegden er goeden,
rooden wijn in overvloed bij.
Alle winkels waren gesloten in Istamboel en overal heerschte stilte,
toen Marko in vrede den heerlijken wijn dronk. De waard van het
logement kwam om zijn deuren en vensters te sluiten en toen Marko
hem vroeg, waarom al de burgers dien dag zoo vroeg hun woningen
sloten, antwoordde hij: "Op mijn woord, gij zijt hier waarlijk wel een
vreemdeling! De Moorsche hoofdman heeft de dochter van onzen Sultan ten
huwelijk gevraagd, en daar zij, tot onze schande, aan hem zal worden
overgegeven, komt hij heden naar het paleis om haar te halen. En
bevreesd voor den Moor als wij zijn, sluiten wij allen onze winkels."
Maar Marko stond niet toe, dat de man de deur van het logement sloot,
want hij wilde den Moor en zijn schitterenden stoet voorbij zien komen.
De Moor in Istamboel.
Op dat zelfde oogenblik, terwijl zij nog spraken, kon Marko het geraas
hooren, waarmee de Moorsche hoofdman en zijn zwarte volgelingen, op
zijn minst vijfhonderd in aantal en allen in glinsterende wapenrusting,
de stad binnentrokken.
De Moor had zijn Bedevia aangezet en deze draafde zoo vurig, dat de
steenen, die zij met haar hoeven opwierp, in alle richtingen door
de lucht suisden en ramen en deuren verbrijzelden van al de winkels,
die zij voorbijging. Toen de cavalcade voor het logement kwam, dacht
de Moor:
"Bij Allah! Ik ben getroffen van verbazing en verwondering! De vensters
en deuren van alle winkels in de geheele stad Istamboel zijn gesloten,
zoo bevreesd is het volk voor mij, maar als ik goed zie, zijn de
deuren van dit logement nog open. Er moet stellig niemand in zijn,
anders is hij, die er verblijf houdt, een groote dwaas; het kan ook
zijn, dat hij een vreemdeling is, en niet weet, welk een vreeselijk
wezen ik ben." De Moor en zijn gevolg brachten dien nacht in tenten
voor het paleis door.
Den volgenden dag gaf de Sultan zijn dochter aan den Moorschen
hoofdman met al de huwelijksgeschenken, die twaalf tovars wogen. Toen
de huwelijksstoet het logement voorbijging, waar Marko vertoefde,
merkte de Moor weer de geopende deur op, en dezen keer stuurde hij
er Bedevia recht op af, om te zien, wie daar toch kon zijn.
Sharatz en Bedevia.
Marko zat op zijn gemak in de meest geriefelijke kamer, die de trots
van het logement was; langzaam dronk hij den rooden wijn, waarvan hij
zooveel hield. Hij dronk niet uit een gewonen drinkbeker, maar uit een
schaal, die twaalf liter inhield. En telkens, als hij de schaal weer
gevuld had, dronk hij slechts de helft, en gaf volgens gewoonte de
andere helft aan zijn Sharatz. De Moor stond op het punt Marko aan te
vallen, toen Sharatz hem den weg versperde en boosaardig naar Bedevia
schopte. Toen de Moor zulk een onverwachten tegenstand ontmoette,
wendde hij onverwijld zijn paard, om zich weer bij den stoet te voegen.
Toen stond Marko op; keerde zijn mantel en muts binnenste buiten,
waardoor hij op den eersten blik het ontstellende schouwspel bood van
een wolf; daarna keek hij zijn wapenen en de buikriemen van Sharatz
zorgvuldig na, sprong op zijn strijdros en galloppeerde den optocht
na. Hij velde rechts en links de ruiters, totdat hij den dever en
den tweeden getuige bereikte, welke hij beide doodde.
Den Moorschen hoofdman werd onmiddellijk verteld van den vreemdeling,
die zich midden door den stoet een weg had gebaand en wie hij had
gedood, en ook, dat hij er niet uitzag als elk ander ridder, maar
gekleed was in een wolfsvacht.
Marko en de Moor.
De Moor, die schrijlings op zijn Bedevia zat, zwenkte en sprak Marko
aldus aan: "Het ongeluk heeft u dezen dag ingehaald, o vreemdeling! Gij
moet door Satan hier heen gedreven zijn, om mijn gasten te verontrusten
en zelfs mijn dever en tweeden getuige te dooden; gij moet òf een dwaas
zijn, die niets weet van wat heden gebeurt, òf gij moet krankzinnig
zijn geworden; maar misschien zijt gij het leven alleen moe! Op mijn
woord, ik zal de teugels van mijn Bedevia inhouden, en zevenmaal over
uw lichaam springen, daarna zal ik uw hoofd afslaan!"
Daarop antwoordde Marko:
"Houd op met deze leugentaal, o Moor! Indien God en mijn gewoon geluk
mij nu slechts getrouw blijven, dan zult gij zelfs niet in staat
zijn mij te naderen; dat gij uw voornemen ten uitvoer zoudt brengen
en over mijn lichaam springen, kan ik mij zelfs niet voorstellen!"
Maar ziet! De Moor hield zijn Bedevia in, gaf haar toen heftig
de sporen, en werkelijk zou hij over Marko zijn gesprongen, indien
Sharatz niet de goed getrainde vechter was, die hij was; onmiddellijk
steigerde hij, waardoor zijn tegenstander tegen zijn voorpooten stiet
en hij in staat was vlug het rechteroor van Bedevia af te bijten,
zoodat het bloed over haar nek en borst gutste. Op deze wijze streden
Marko en de Moor gedurende vier uur. Geen van beiden wilde toegeven
en toen de Moor eindelijk zag, dat Marko hem zou overweldigen, wendde
hij zijn paard, Bedevia, om en vluchtte langs de hoofdstraat van
Istamboel weg. Marko joeg hem achterna. Maar Bedevia van den Moor
was vlug als een veela van het woud en zou Sharatz zeker ontsnapt
zijn, indien Marko zich niet plotseling zijn knots had herinnerd,
die hij naar zijn tegenstander wierp, en waarmee hij hem tusschen
de schouders raakte. De Moor viel van zijn paard en de Prins hieuw
hem het hoofd van het lichaam. Daarna greep hij Bedevia, keerde naar
de straat terug, waar hij de bruid had gelaten en vond haar tot zijn
verbazing met haar twaalf tovars geschenken alleen op hem wachtende,
want al de bruiloftsgasten en het gevolg van den Moorschen hoofdman
waren in galop weggevlucht. Marko geleidde de Prinses terug naar den
Sultan en wierp het hoofd van den Moorschen hoofdman voor zijn voeten.
De held nam nu afscheid en begaf zich dadelijk op de terugreis naar
Prilip. Den volgenden morgen ontving hij de zeven tovars goud, die hem
beloofd waren, de vele kostbare geschenken, die de Prinses had opgesomd
en eindelijk nog een dankbetuiging voor zijn bewonderingswaardige
daden, waarin gezegd werd dat de rijke schatten aan goud, die zijn
vader-in-God, den Sultan toebehoorden, steeds tot zijne beschikking
stonden.
Prins Marko maakt een einde aan de huwelijksschatting.
Op zekeren morgen heel vroeg reed de koninklijke Prins Marko over de
vlakte van Kossovo. Toen hij de rivier bereikte, kwam hij een meisje
van Kossovo tegen en Marko groette haar op de in Servië gebruikelijke
wijze: "Dat God u helpe, o meisje van Kossovo!"