Algemeene eigenaardigheden.
De Serviërs, die het tegenwoordige koninkrijk Servië bewonen, hebben,
daar zij ontstaan zijn uit een vermenging met de oude, oorspronkelijke
bevolking van het Balkanschiereiland, het echte nationale type niet
bewaard. Zij hebben voor het meerendeel een bruine gelaatskleur en
donker haar; heel zelden komen blonde haren of een lichte gelaatskleur
voor.
Boshnyaks (Serviërs, die Bosnië bewonen) worden beschouwd als de meest
typische Serviërs, daar zij het sterkst de nationale karaktertrekken
hebben bewaard van het zuivere Zuid-Slavische ras.
De gemiddelde Serviër heeft een vrij levendig temperament; hij is
fijngevoelig en zijn gemoed is zeer ontvankelijk. Zijn geestdrift is
snel gewekt, maar de meeste aandoeningen zijn in den regel van korten
duur. Hij is echter buitengewoon ijverig en soms volhardend. Daar een
oprechte vaderlandsliefde hem bezield, is hij steeds bereid zijn leven
en eigendom op te offeren voor nationale belangen, die hij buitengewoon
goed begrijpt, dank zij zijn volmaakte kennis van de geschiedenis
van zijn volk, die hem van geslacht op geslacht is overgebracht
door het aangename medium der populaire epische poëzie, bestaande
uit zeer eenvoudige, rijmlooze verzen van tien lettergrepen. Hij
is buitengewoon moedig en altijd gereed tot oorlogvoeren, ofschoon
patriarchaal en conservatief in alles, wat nationaal is, is hij gereed
en bereid nieuwe ideeën aan te nemen. Maar hij is achterlijk op 't
gebied van landbouw en industrie. Zeer onderdanig in zijn Zadrooga
[14] en gehoorzaam aan zijn meerderen, is hij dikwijls despotisch,
als hij tot macht komt. De geschiedenis van al de Zuidelijke Slaven
bevat een reeks van schendingen, afzettingen, politieke verheffingen,
volbracht soms door de meest wreede en verraderlijke middelen, die
alle in hoofdzaak te wijten zijn aan de aangeboren, en tot nu toe
onuitroeibaar gebleken fouten, eigen aan het ras: jaloezie en een
onbeheerscht verlangen naar macht. Deze fouten kwamen natuurlijk het
duidelijkst uit bij de edellieden; vandaar het verval van de oude
aristocratie in alle Balkanstaten.
Heidendom en Godsdienst.
Er is maar weinig materiaal beschikbaar betreffende de
prae-christelijke geschiedenis van de Zuid-Slavische rassen. Hun
aanbidding der Natuur is niet grondig bestudeerd. Onmiddellijk na de
Slavische emigratie naar het Balkanschiereiland, gedurende de zevende
en achtste eeuw, vernietigde het christendom, dat al diep wortel had
geschoten bij de Byzantijnen, gemakkelijk het oude geloof. De laatste
getrouwen aan het heidendom leefden in het westelijk deel van het
schiereiland, in de streken rondom de rivier Neretva en deze werden
bekeerd tot het christendom onder de regeering van Basileios I. Een
aantal Croaten waren reeds in de zevende eeuw tot het Christendom
overgegaan en hadden een bisdom gesticht te Agram (Zagreb). In den
loop van eenige duizenden jaren oefenden Grieksch-Oostersche mythen
en legenden, oude Illyrische en Romeinsche propaganda, christelijke
legenden en apocriefe geschriften zulk een invloed uit op de oude
godsdiensten van de Zuid-Slavische volken, dat het onmogelijk is
uit zulk een verward kluwen een zuiver Zuid-Slavische mythologie
te reconstrueeren.
De God Peroon.
Van Peroon, den Russischen God van den Donder, bij wien de Russische
heidenen een eed plachten te doen, als zij, omstreeks de tiende eeuw,
verdragen aangingen of verbonden sloten met de Byzantijnen, resten
nog slechts enkele onbeteekenende sporen. Er is een dorp in de buurt
van Spalato, dat den naam Peroon draagt; ook een klein aantal personen
in Montenegro dragen dien naam [15] en hij bleef eveneens bewaard in
den naam van een plant, Peroonika (iris), die aan dezen God gewijd
is. Er is nauwelijks een tuin bij eenige hut in de Servische dorpen,
waar de iris niet groeit naast de huislook. (Tchu-var-Koutchye). De
Serviërs zeggen, dat de God nog voortleeft als St. Elias (Elijah),
en Servische boeren gelooven, dat deze heilige de macht bezit bliksem
en donder te beheerschen. Zij gelooven ook, dat St. Elias een zuster
heeft "Ognyena Maria" (Marie de Vlammende), die dikwijls als zijn
raadgeefster optreedt.
De God Volos.
De stad "Veless" heeft haar naam gekregen van den Russischen God van
het vee "Volos"; zoo ook een dorp in het westelijk deel van Servië en
dan is er nog een klein dorp aan den beneden-Donau, dat Velessnitza
heet. Maar de wortel van het woord komt voor in het Servische "vo"
of "voll" (enkelvoud) "volovi" (meervoud) hetgeen "os" beteekent.
De Zonnegod.
Andere natuurverschijnselen werden ook gepersonifieerd en vereerd
als Goden. De zonnegod "Daybog" (in het Russisch "Daszbog," wat
letterlijk beteekent "Geef, o God") wiens afbeeldsel gevonden wordt in
de groep afgoden te Kief, en wiens naam weer verschijnt als eigennaam
van personen in Rusland, Moldavië en Polen, is voor de Serviërs de
verpersoonlijking van zonneschijn, leven, voorspoed, van alle goeds.
Maar bij de Zuid-Slavische stammen is onder de overblijfselen van
afgoden er geen gevonden, die god "Daybog" voorstelt, zooals bij de
Russen, die houten beelden van hem maakten met een hoofd van zilver
en een snor van goud.
De Veele.
De Servische legenden bewaren tot heden belangwekkende sporen van de
aanbidding dezer heidensche goden en van mindere godheden--die nog
altijd een aanzienlijke plaats in het nationale bijgeloof innemen.
De "numphai" en "potami" genoemd bij den Griekschen historieschrijver
Procopius, als vrouwelijke godheden van lageren rang, die boschjes,
wouden, fonteinen, bronnen of meren bewonen, schijnen bewaard te zijn
gebleven in de Servische populaire Veela (of Vila--in het enkelvoud;
Veele of Vile--in het meervoud). Er zijn verschillende fonteinen in
Montenegro, die "Vilin Izvor" zijn genoemd (bijv. op den berg Kom)
zoo ook in het district Rudnik in Servië. Gedurende de Renaissance
maakten de Servische dichters van Raga en andere steden in Dalmatië
dikwijls melding van elfen, dryaden en bergnimfen, door hen geliefd
als "veele". De Servische barden of troubadours hebben steeds van het
begin der veertiende eeuw tot op onzen tijd de veele verheerlijkt en
bezongen, waarbij zij haar beschreven als zeer schoon en van eeuwige
jeugd, gekleed in rein wit en fijn neteldoek met glinsterend gouden
haren, die neergolfden over sneeuwwitte boezems. Men geloofde, dat
de veele de liefelijkste stemmen hadden en gewapend waren met pijl
en boog. Haar welluidende liederen werden dikwijls aan de oevers
van de meren of op de weiden, diep in de wouden verborgen, of op
hooge bergtoppen boven de wolken gehoord. Zij hielden er ook van te
dansen en de kring, waarbinnen zij haar dans uitvoerden werd Vrzino
(of Vilino) Kollo genoemd.
Op den berg Kom, in Montenegro, is een van deze ringen, die ongeveer
twintig meter in doorsnee heeft en "Vilino Kollo" heet. Het verdrag
van Berlijn noemt een ander, gelegen tusschen Vranya en Kustandil,
waarover de Servisch-Bulgaarsche grens gelegd werd. Als de veele
aan het dansen waren, dorst niemand haar te storen, want zij konden
zeer vijandig tegen de menschen optreden. Evenals de Grieksche nimfen
waren de veele somtijds ook vriendelijk gestemd, en vaak stonden zij
de helden bij. Zij konden de zusters van mannen en vrouwen worden,
konden zelfs huwen en kinderen hebben. Maar zij waren in het geheel
niet onkwetsbaar. Prins Marko, de lievelingsheld van de Serviërs, werd
door een veela met bovenmenschelijke kracht begiftigd; zij gaf hem ook
een bijzonder strijdros ten geschenke, "Sharatz," dat werkelijk bijna
menschelijke eigenschappen bezat. Een veela werd ook zijn possestrima
(Geestelijke zuster, of zuster-in-God) en als Marko dringend hulp
noodig had, daalde zij uit de wolken neer om hem bij te staan. Maar
zij weigerde hem te helpen, indien hij op Zondagen duelleerde. Bij
zekere gelegenheid [16] versloeg Marko bijna de Veela Raviyoyla,
die zijn pobratim (broeder-in-God) Voïvode Milosh had gewond. De
veele waren zeer bekwaam in het aanwenden van kruiden en kenden de
eigenschappen van elke bloem en elke bezie; daardoor was Raviyoyla in
staat de wonden van Milosh te genezen en werd zijn doorstoken hart
"gezonder dan ooit te voren." Zij geloofden in God en den Heiligen
Johannes en verafschuwden de Turken. De veele bezaten ook de gave der
clairvoyance en de zuster-in-God van prins Marko voorspelde zijn dood
en dien van Sharatz [17]. Veele hadden de macht orkanen en andere
natuurverschijnselen te bedwingen; zij konden zich veranderen in
slangen en zwanen. Als zij beleedigd werden, konden zij zeer wreed
zijn; zij waren in staat hen, die haar met geweld dreigden, van hun
zintuigen te berooven; zij leidden dan de menschen in diepe wateren of
maakten prachtige gebouwen en vestingwerken met den grond gelijk [18].
Aan de veele werd ook de macht toegekend om het lot te bepalen van
pasgeboren kinderen. In den zevenden nacht na de geboorte van een
kind ziet de Servische boerenvrouw verlangend uit naar de Oossood,
een veela, die het lot van haar kind zal voorspellen en het is alleen
de moeder, die de stem van de fee kan hooren.
Voorbeschikking en onsterfelijkheid.
De Serviërs hebben een onverzettelijk geloof in de voorbeschikking
en zij zeggen dat er geen dood is voor den vastgestelden dag (_Nema
smrti bez soodyena dana_). Hun geloof in de onsterfelijkheid der ziel
strekt zich zelfs uit tot die van overigens onbezielde voorwerpen,
zooals bosschen, meren en bergen. Na den dood van een mensch stelt de
ziel haar vertrek naar hoogere of lagere sferen uit tot er zekere tijd
(gewoonlijk veertien dagen) verloopen is; gedurende dien tijd zweeft
ze in de lucht en heeft ze het vermogen het lichaam van een dier of
een insect binnen te gaan.
Goede en kwade geesten.
Geesten zijn gewoonlijk goed; in Montenegro gelooft men, dat elk huis
zijn beschermgeest heeft, dien zij _syen_ of _syenovik_ noemen. Zulke
syens kunnen het lichaam binnengaan van een mensch, een hond, een
slang, ja zelfs van een hen. Op dezelfde wijze heeft ieder bosch, meer
en berg zijn syen, welke ook wel met een Turksch woord _djin_ wordt
genoemd. Zoo staat bijvoorbeeld de djin van den berg Riyetchki Kom
aan de noordelijke zijde van het meer van Scutari den voorbijgangers
niet toe een tak of een blad aan te raken van de eeuwig groene wouden
aan den bergkant--en als een reiziger een bloem of een blad dorst
te plukken, zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dichten
mist en wonderlijke, schrikaanjagende visioenen zouden zich aan hem
voordoen. In de streek rondom Lurya worden deze boschgeesten door de
Albaneezen evenzeer gevreesd, zelfs de dorre takken van pijnboomen
en lariksen durven zij daar niet aanraken. Dit herinnert aan den
eeredienst van het heilige kreupelbosch, die algemeen was onder de
oude Litthauwers.
Naast de goede geesten verschijnen ook booze geesten, (byess) demonen
en duivels (dyavo), door de christenen als heidensche goden beschouwd,
en ook andere booze geesten (zli doossi), die in de lichamen van doode
en levende menschen huizen. Deze laatste worden genoemd vookodlaks of
vlkodlaks (vook, beteekent "wolf", en dlaka, beteekent "haar") en naar
het volksgeloof zijn zij het, die de zons- en maansverduisteringen
veroorzaken. Dit herinnert aan het oude Noorsche bijgeloof, dat de
zon en de maan voortdurend door hongerige wolven vervolgd worden; het
is een soortgelijke poging om deze natuurverschijnselen te verklaren.
Zelfs nu nog gelooven de Servische boeren, dat eclipsen van de zon
en maan worden veroorzaakt, doordat deze de prooi worden van een
hongerigen draak, die ze dreigt te verslinden. Aan deze boosaardige
en zeer machtige schepsels wordt de vernieling van korenakkers en
wijngaarden toegeschreven, want zij zijn de oorzaak van de schade,
die door hagelbrengende wolken wordt aangericht. Als de boeren een
gedeeltelijke zons- of maansverduistering zien of meenen, dat een
hagelstorm hen bedreigt, dan vergaderen zij in de dorpsstraten en
allen--mannen, vrouwen en kinderen--slaan potten en pannen tegen
elkaar, schieten pistolen af, luiden bellen, teneinde het dreigende
monster vrees aan te jagen en te verdrijven.
In Montenegro, Herzegowina en Bocca Cattaro gelooven de menschen, dat
de ziel van een slapende door den wind wordt weggedreven naar den top
van een berg. Als er daar een aantal verzameld zijn, worden zij woeste
reuzen, die boomen ontwortelen om ze dan als knuppels te gebruiken,
en rotsen en steenen naar elkaar toeslingeren. Hun gesis en gebrom
wordt vooral in lente- en najaarsnachten gehoord. Deze worstelende
elementen worden niet alleen door menschelijke zielen bewoond, maar
kunnen de geesten van vele dieren bevatten, bijv. van ossen, honden,
en zelfs van hanen, maar vooral ossen nemen aan de worstelingen deel.
Heksen.
Vrouwelijke booze geesten worden gewoonlijk genoemd veshtitze
(enkelvoud, veshtitza, klaarblijkelijk afgeleid van het oude Boheemsche
woord _ved_, dat "weten" beteekent). Verondersteld wordt, dat het
oude vrouwen zijn, die door een boozen geest bezeten zijn en die
een onverzoenlijke vijandschap koesteren tegenover mannen, andere
vrouwen en het meest tegen kinderen. Zij komen min of meer overeen
met de wezens, die men elders "heksen" noemt.
Als een oude vrouw gaat slapen, verlaat haar ziel het lichaam en
dwaalt rond, totdat ze het lichaam van een hen ingaat of nog vaker dat
van een zwarten nachtvlinder. Fladderend gaat ze die huizen binnen,
waar een aantal kinderen zijn, want haar lievelingsvoedsel is een
kinderhart. Nu en dan komen veshtitze te zamen om haar avondeten
gezamenlijk in de takken van den een of anderen boom te gebruiken. Een
oude vrouw, die de eigenschappen van een heks heeft, mag aan zulke
samenkomsten deelnemen, na zich bereid te hebben verklaard zich aan
de regelen te zullen onderwerpen, welke voorgeschreven zijn door
de ervaren veshtitze en die meestal bestaan in het uitspreken van
zekere stereotiepe zinnen. De boeren beproeven zulke schepsels te
ontdekken en als zij er in slagen een heks te vinden, dan wordt er
haastig een jury gevormd, aan wie volmacht wordt gegeven om haar ter
dood te brengen. Een van de onfeilbare middelen, die gebruikt worden,
om te ontdekken of een verdachte werkelijk een heks is of niet, is de
waterproef, waarbij het slachtoffer in het water wordt geworpen. Want
als zij blijft drijven, dan is zij zeker een heks.
In dat geval wordt zij meestal verbrand. Deze proef was ook in
West-Europa welbekend.
De Vampiers.
Het geloof aan het bestaan van vampiers is in de Balkanstaten algemeen
verbreid en zelfs in sommige deelen van Westelijk Europa wordt het
aangetroffen. Eenigen beweren, dat dit bijgeloof verband moet houden
met de meening, die velen in de orthodoxe kerk aanhangen, dat het
lichaam van hen, die sterven, nadat de banvloek der kerk hen getroffen
heeft, niet als het stoffelijk omhulsel van andere stervelingen aan
ontbinding onderhevig zijn, doch onmiddellijk na den dood in bezit
worden genomen door booze geesten, die dan op eenzame plaatsen aan
de menschen verschijnen en hen vermoorden.
In Montenegro worden vampiers _lampirs_ of _tenatz_ genoemd en men
meent, dat zij het bloed van slapende menschen opzuigen, ook van vee
en andere dieren en na hun nachtelijke tochten weer in de gedaante
van muizen naar hun graven terugkeeren. Ten einde te ontdekken,
waar het graf van de vampier is, nemen de Montenegrijnen een zwart
paard zonder vlek en brengen het naar het kerkhof. Het verdachte
lijk wordt opgegraven, doorboord met staken en verbrand. Natuurlijk
verzet de overheid zich tegen zulke bijgeloovige praktijken; daarbij
kwam het echter voor, dat de bevolking van een gemeente dreigde
de woningen te verlaten, zoodat hun dorpen ontvolkt zouden worden,
indien hun niet werd toegestaan op hun wijze voor hun veiligheid te
zorgen. De code van keizer Doushan den Machtige beveelt, dat een dorp,
waar lichamen van gestorven personen zijn opgegraven en verbrand,
even streng gestraft zal worden als ware er een moord begaan; en
dat de ban zal worden uitgesproken over een _resnik_, dat is een
priester, die bij zulk een ceremonie de godsdienstoefening geleid
heeft. Militchevitch, een beroemd Servisch ethnograaf, verhaalt,
hoe een resnik in het begin van de negende eeuw gebeden las uit de
apocriefe boeken van Peronius, als het noodig was den booze uit te
drijven. De weerzinwekkende gewoonte is geheel onderdrukt in Servië. In
Montenegro beproefde de aartsbisschop Peter II ze uit te roeien, maar
volkomen was zijn succes niet. In Bosnië, Istrië en Bulgarije wordt
er ook nu en dan van gehoord. Het geloof in vampiers is een bijgeloof,
dat over Roemenië, Albanië en Griekenland algemeen verbreid is [19].
Aanbidding der natuur.
Zelfs in onze dagen zijn er nog sporen over van zon- en maanvereering
en vele Servische en Bulgaarsche gedichten herdenken het huwelijk
van de zon en de maan en bezingen _Danitza_ (de morgenster) en
_Sedmoro Bratye_ (De zeven broeders, klaarblijkelijk de Pleiaden
[20]). Ieder mensch heeft zijn eigen ster, die aan het uitspansel
verschijnt op het oogenblik van zijn geboorte en uitgebluscht wordt,
als hij sterft. Vuur en bliksem worden ook aangebeden. Het is een
algemeen geloof, dat de aarde rust op water en dat water rust op een
vuur en dat dit vuur weer op een ander vuur ligt, dat _Zmayevska Vatra_
(vuur van de draken) wordt genoemd.
Ook de vereering van dieren is tot op onzen tijd bewaard gebleven. De
Serviërs gelooven niet minder dan dat de beer een mensch is, die voor
zijn straf in een dier veranderd werd. Dit gelooven zij, omdat de beer
rechtop kan loopen, evenals een mensch. De Montenegrijnen beschouwen
den jakhals (canis aureus) als een half-menschelijk wezen, omdat
zijn gehuil 's nachts klinkt als het weeklagen van een kind. Van de
hinde (capreolus caprea) wordt verondersteld, dat zij de bijzondere
bescherming van de veele geniet en daarom zoo dikwijls ontsnapt aan
den jager. In enkele deelen van Servië en door geheel Montenegro
wordt het als een zonde beschouwd een vos of een bij te dooden.
De vereering van enkele slangen is algemeen in alle Balkanstaten. In
Montenegro gelooft men, dat onder elk huis een zwarte slang haar hol
heeft; als iemand ze zou dooden, dan kan men zeker zijn, dat het hoofd
van het gezin sterft. Enkele waterslangen met vurige koppen worden
op één lijn gesteld met de booze draken (of hydra's), die in sommige
tijden de schepen bedreigen, welke op het meer van Scutari zeilen.
Van een van deze hydra's wordt nog altijd verondersteld, dat hij in het
meer Rikavatz leeft, in de verlaten bergen van oostelijk Montenegro,
waar het verborgen monster nu en dan uit de diepte van het water
oprijst; zijn terugkeer wordt aangekondigd door heftige donderslagen
en bliksemstralen.
Maar de zuidelijke Slaven hebben van den draak niet dezelfde
voorstelling als de Hellenen, dat wil zeggen: een monster in de
gedaante van een reusachtige hagedis of slang, met gekuifden kop,
vleugels en groote, sterke klauwen, want zij weten, dat deze
uiterlijke vorm alleen maar wordt gebruikt als een misleidend
masker. De ware gedaante van den draak is die van een knap jongeling,
met bovenmenschelijke kracht en moed begiftigd; in de verhalen en
liederen is hij meestal verliefd op de een of andere schoone prinses
of keizerin. [21]
Toovenaars.
Onder de heidensche priesters worden _tcharobnitzi_ (toovenaars)
vermeld, van wie bekend is, dat zij ook in Rusland voorkwamen, waar
zij gedurende de elfde eeuw het nieuwe christendom ondermijnden. De
Slavische vertaling van het Evangelie, door de kerk erkend in de
negende eeuw, geeft den naam tcharobnitzi ook aan de drie Heilige
Koningen.
Tot diezelfde categorie behoorden de resnitzi, die zooals uit reeds
genoemde code van Keizer Doushan blijkt, de lichamen van de dooden
plachten te verbranden. _Resnik_, dat als eigennaam voorkomt in Servië,
Bosnië en Croatië beteekent naar alle waarschijnlijkheid "degeen,
die zoekt naar waarheid."
Godsdienstige ceremoniën bij de offers gebruikt.
Door vertalingen van Grieksche heiligenlegenden is de juiste
terminologie, die gebruikt werd bij allerlei ceremonies, offerfeesten,
enz. bewaard gebleven. Procopius noemt de ossen als de dieren,
die meestal werden geofferd, maar wij vinden, dat kalveren, geiten
en schapen met ossen werden gebruikt door de Poolsche Slaven en
Litthauwers en dat volgens Byzantijnsche autoriteiten de Russen zelfs
wel vogels namen.
Wanneer in Montenegro een nieuw huis wordt gebouwd, wordt gewoonlijk
een ram of een haan geslacht, opdat een hoeksteen besprenkeld kan
worden met het bloed van dit dier en bij de plechtigheden, waarmee
het inwijden van een nieuwe fontein vergezeld gaat, wordt een geit
gedood. Volgens de overlevering schoot Prins Ivan Tzrnoyevitch eens
vlak voor een grot een ongewoon zware, wilde geit, die, daar ze doornat
was, zich het water van haar huid schudde, tengevolge waarvan daar
onmiddellijk een rivier begon te stroomen. Die rivier wordt nu nog
de rivier van Tzrnoyevitch genoemd.
Het verhaal herinnert aan de horens van geiten en de lichamen van
geiten, die op het altaar prijken, gewijd aan den Illyrischen God Bind,
bij een fontein in de provincie Yapod.
Het is een feit, dat Russische en Poolsche Slaven gewoon waren
menschenoffers te brengen. Wat de zuidelijke Slaven betreft,
worden zulke offers alleen genoemd in den cyclus van mythen, die
de geschiedenis behelzen van zekere gebouwen, waarin men bij het
begin van den bouw een levend mensch begroef of inmetselde, omdat
het bijgeloof wilde dat ze anders nooit geheel voltooid zouden
worden. Zulk een legende leeft onder de Serviërs en Montenegrijnen
voort met betrekking tot het bouwen van de vesting Skadar (Scutari)
en de brug nabij Vishegrad; bij de Bulgaren met betrekking tot
het bouwen van het fort Lidga-Hyssar bij Plovdiv en de Kadi-Köpri
(Turksch voor "de brug van den rechter") over de rivier Stroema; en
nog onder de moderne Grieken in hun geschiedenis van de brug over de
rivier Arta en bij de Roemeniërs van de kerk "Curtea de Ardyesh". Het
is zeer waarschijnlijk, dat zekere raadselachtige bas-reliefs, die
ovale menschelijke gezichten voorstellen, alleen met oogen, neus en
mond, welke gevonden zijn onder de cementen muren van oude gebouwen,
eenig verband houden met genoemde wijze van offeren. Er zijn drie
zulke hoofden in het fort van Prins Dyouragy Brankovitch te Smederevo
(Semendria) niet ver van Belgrado aan de binnenzijde van den middelsten
slottoren aan de Donauzijde, en twee andere tegen den buitenmuur van
het klooster Rila vlak bij de Doupitchka Kapiya.
Begrafenisgebruiken.
Gedurende het beleg van Constantinopel in het jaar 626 verbrandden de
Serviërs hun dooden. De Russen deden hetzelfde gedurende de veldslagen
bij Silistria, 971. In later tijd werden in alle deelen van Rusland
begrafenisdiensten gehouden, waarna de overblijfselen der dooden
werden begraven.
De Slaven van Noord-Rusland waren gewoon de asch van den doode in
een of ander klein vaatwerk te bewaren, dat zij dan op een pilaar
aan den openbaren weg plaatsten; die gewoonte bleef zelfs in de
twaalfde eeuw bestaan bij de Vyatitchs van zuidelijk Rusland. Deze
begrafenisgebruiken zijn het langst bewaard gebleven bij de
Litthauwers; de laatste heidensche begrafenis, welke vermeld wordt,
is die van Keystut, den broeder van groothertog Olgerd, in het jaar
1382. Hij werd verbrand met zijn paarden, wapenen, valken en honden.
Er bestaan nog rechtopstaande steenen, zware steenen platen, of
vierkante blokken, zelfs kolommen, die in de Middeleeuwen _kami_
werden genoemd, of _bileg_, en nu _stetjak_ of _mramor_. Zulke
steenen worden in grooten getale vlak bij elkaar gevonden; er zijn
er bijvoorbeeld meer dan 6000 in de provincie Vlassenitza en 22,000
in geheel Herzegowina; eenige worden ook in Dalmatië aangetroffen,
bijvoorbeeld in Kanovli en in Montenegro te Nikshitch; in Servië
worden ze echter alleen in Prodigne gevonden. Deze steenen zijn
gewoonlijk versierd met primitieve nabootsingen van het werk van
Romeinsche beeldhouwers; bogen op kolommen, plant- en boommotieven,
zwaarden en schilden, de figuren van krijgslieden, die bogen dragen,
ruiters, herten, beren, wilde zwijnen en valken; er zijn ook tafereelen
van mannen en vrouwen, die samen dansen en spelen doen.
Het symbool van het kruis duidt er op, dat het Christendom zijn
intrede gedaan heeft. Inscripties verschijnen pas na de elfde
eeuw. Veel grafsteenen hebben klaarblijkelijk hun oorsprong in de
Middeleeuwen. Eenige graftomben, die ver van de dorpen zijn gelegen,
worden in de kronieken genoemd bij het aanduiden der grenzen van
grondgebieden, bijvoorbeeld Bolestino Groblye (het kerkhof van
Bolestino), bij Ipek en Druzetin Grob (de graftombe van Druzet). In
Konavla bij Ragusa was er in het jaar 1420 een punt, waar belangrijke
wegen elkaar kruisten, bekend onder den naam van "Obugonov Grob." Zelfs
in onze dagen is er daar een grafsteen zonder inscriptie genaamd
"Obugagn Greb." Het is het graf van den landvoogd Obuganitch,
een afstammeling van de familie van Lyoubibratitch, beroemd in de
veertiende eeuw.
Klassieke en Middeleeuwsche invloeden.
Toen het heidendom verdwenen was, gingen in de Zuid-Slavische
legenden vele elementen uit die der Grieken en Romeinen over. Er
zijn zoowel verwijzingen naar de keizers Trajanus en Diocletianus,
als naar mythische personen. In de Balkan-staten wordt Trajanus vaak
verward met den Griekschen koning Midas. In het jaar 1433 hoorde de
chevalier Bertrandon de la Broquière van de Grieken te Trajanopel,
dat deze stad gebouwd was door keizer Trajanus, en dat deze boks-ooren
had. De historicus Tzetzes noemt ook de boks-ooren van dien keizer
(ô tia trauou). In Servische legenden schijnt keizer Trajanus ook
verward te zijn met Daedalus, want hij wordt met oorlogs-vleugels
aan zijn ooren voorgesteld.
Aan den cyclus van Middeleeuwsche mythen danken wij ook het geloof aan
de _djins_ (reuzen), die in holen woonden, en die bekend zijn onder
den Turkschen naam _div_--wat oorspronkelijk een Perzisch woord is. Het
merkwaardige van hen was, dat zij maar een oog hadden--zij zouden een
varieteit van de cyclopen genoemd kunnen worden--en in de Bulgaarsche,
Croatische en Sloveensche mythologie worden zij ook genoemd. Aan de
oevers van de rivier Moratcha, in Montenegro, bevindt zich een weide,
Psoglavlya Livada genoemd, met een spelonk, waarin, naar gezegd wordt,
nog in historische tijden zulke schepsels hebben gewoond.
De verbreiding van het Christendom.
Toen de heidensche Slaven de Romeinsche provinciën bewoonden, was het
Christendom beperkt tot de Byzantijnsche provincie. In Dalmatië werd
na den val van Salona de zetel van het aartsbisdom overgebracht naar
Spalato (Splyet), maar in de pauselijke bullen van de negende eeuw
bleef het steeds genoemd _Salonitana ecclesia_ en het eischte voor
zich de jurisdictie op over al de landen tot aan de Donau.
Volgens Constantijn Porphyrogenetus namen de Serviërs in twee
verschillende tijdperken het Christendom aan, eerst gedurende
de regeering van keizer Heraclius, die den paus verzocht had een
aantal priesters te zenden, om deze lieden tot het christendom te
bekeeren. Het is echter zeer goed bekend, dat de Slaven in Dalmatië,
zelfs gedurende de regeering van paus Johan IV (640-642) heidenen
bleven; zonder twijfel verbreidde het christendom zich langzamerhand
van de Romeinsche steden van Dalmatië over de verschillende Slavische
provincies. De Croaten behoorden reeds tot de Romeinsche kerk,
toen haar priesters de Serviërs tot het christendom bekeerden,
wat geschiedde tusschen de jaren 642 en 731, dat is na den dood van
paus Johan IV en voor dat Leo de Isauriër zijn betrekkingen met Rome
had verbroken.
De tweede bekeering van de Zuidelijke Slaven, die nog heidenen waren
gebleven, geschiedde omstreeks 879 door keizer Basilius I.
In het begin drong het christelijk geloof slechts oppervlakkig
door, omdat de menschen de Latijnsche gebeden niet begrepen, noch
de geestelijke boeken. Het schoot veel vaster en sneller wortel,
toen de oude Slavische taal werd gebruikt in de kerkdiensten.
Tengevolge van de verschillen, die zich voordeden, over beelden en den
vorm, die hun eeredienst zou aannemen, verminderde de geestdrift voor
de bekeering der heidenen door de Latijnsche kerk aanmerkelijk. In
de Byzantijnsche provincies was het echter niet noodig bijzondere
pogingen in het werk te stellen om de bevolking te kerstenen, want
deze Slaven kwamen in voortdurend contact met de Grieksche Christenen,
wier geloof zij zonder dwang overnamen.
Door de Slavische benaming van plaatsen, die in zekere, officieele
lijsten voorkomen, kan men zien, dat door de Grieksche kerk nieuwe
bisdommen gevestigd werden, uitsluitend voor de Slaven. De bisschoppen
leidden hun diensten in het Grieksch, maar de priesters en monniken,
die geboren Slaven waren, predikten en leerden het volk in zijn eigen
taal. Aldus bereidden zij den grond voor de groote Slavische apostelen.
De Slavische apostelen van Salonica, Cyrillos en zijn oudere broeder
Methodius, waren zeer geleerde mannen en wijsgeeren. De voornaamste van
de twee Cyrillos was priester en bibliothecaris van het patriarchaat,
daarbij was hij professor in de philosofie aan de Universiteit van het
Keizerlijk Paleis te Constantinopel en hij was zeer geëerd om zijn
geleerdheid in geestelijke dingen. Hun groote werk begon in 862 met
de zending naar keizer Michael III, waarmede de Moravische vorsten
Ratislav en Svetopluk hen belastten.
De Moraviërs waren reeds tot het Christendom bekeerd, maar zij
verlangden leeraars in hun midden te hebben, die bekend waren met
de Slavische taal. Voordat de broeders zich op reis begaven, stelde
Cyrillos het Slavische alphabet samen en vertaalde het Evangelie.
Zoo werden deze Heilige Boeken voor de Serviërs geschreven in een
taal, waarmede zij bekend waren en de leerstellingen van den grooten
Meester verdreven langzaam maar gestadig den ouden primitieven
godsdienst, die den vorm van zuiver naturalisme had aangenomen. De
aanbidding der natuur verdween echter niet geheel en heeft zich
zelfs tot op onze dagen in het volksgeloof op het Balkanschiereiland
gehandhaafd. In de folklore van deze volken vinden we een aantal
trekken van het godsdienstig leven en het bijgeloof, afkomstig uit
voor-christelijke tijden, want na een worsteling van vele jaren hadden
de heidensche plechtigheden nog slechts ten deele de plaats moeten
ruimen voor de kerkelijke ceremoniën van de Latijnsche en later van de
Grieksch-Christelijke Kerk, waartoe thans alle Serviërs, de bewoners
van Montenegro, Macedonië en een gedeelte van Bosnië behooren.
Bijgeloof.
De fundamenten van het christelijk geloof werden allesbehalve stevig
gelegd op het Balkanschiereiland, tengevolge van het ontbreken van
ontwikkelde priesters en het feit, dat de mensch nu eenmaal gehecht
is aan het oude overgeleverde geloof. Hierin moet waarschijnlijk de
verklaring gezocht worden voor het verschijnsel, dat de christelijke
godsdienst hen nooit in het hart gegrepen heeft. Zelfs in onzen tijd
is het bijgeloof vaak nog sterker dan de godsdienst en verdringt
dien soms geheel. Het geheele dagelijksch leven van den zuidelijken
Slaaf is doorweven van allerhande bijgeloof. Zijn bijgeloof hecht een
bepaalde beteekenis aan 't geen gebeurt, als hij 's morgens opstaat;
vooral aan 't geen hij het eerst ziet; hij is er bijvoorbeeld zeker
van een ongelukkigen dag te zullen hebben, als zijn eerste ontmoeting
die met een monnik is, als hij een huis bouwt, dan moet eerst een
"gelukkige plek" gevonden worden voor het fundament. 's Nachts wil
zijn bijgeloof, dat hij op een bepaalde manier ligt; hij geeft er
nauwlettend acht op, of de hanen tijdig kraaien en of de honden veel
blaffen en hoe ze blaffen. Hij hecht groote waarde aan het oogenblik,
waarop de donder het eerst wordt gehoord, aan de soort regen die er
valt, aan de wijze, waarop de sterren schijnen--of in het geheel niet
schijnen, en met groote bezorgdheid neemt hij een stralenkrans om de
maan waar en het schijnen van de zon door een wolk.
Al deze dingen zijn voorteekenen en maken indruk op zijn bijgeloovig
gemoed. Grooten invloed hebben zij op zijn handelingen. Als hij bij
voorbeeld van plan is aan een jachtpartij deel te nemen, dan tracht
hij uit die voorteekenen te voorspellen, of er wild zal zijn of niet;
hij gelooft, dat hij zeker wat zal schieten, als zijn vrouw of zuster
(of eenig ander hem goed gezind persoon) over zijn geweer springt,
voordat hij zijn honden roept. Vooral in het landbouwbedrijf neemt
het bijgeloof een groote plaats in. Voor enkele bijgeloovigheden is
het mogelijk zeer goede verklaringen te geven; voor andere echter is
het vergeefs zoeken naar een redelijken grond. Ondanks dat worden alle
voorschriften en waarschuwingen, die met het bijgeloof samenhangen,
algemeen in acht genomen, omdat het volk met de moedermelk inzuigt:
"het is goed zoo te doen" of uitgaat van de stelling: "onze voorouders
deden altijd zoo en waren gelukkig, waarom zouden wij niet evenzoo
doen?"
Het gedijen van vruchtboomen en het rijpen van de vrucht wordt
bevorderd door toovermiddelen. Een groot aantal feesten wordt
georganiseerd, om zich een vruchtbaar jaar te verzekeren of om
overstroomingen, hagelslag, droogte, vorst en andere onheilen te
voorkomen. Het grootste aantal bijgeloovigheden heeft betrekking op het
dagelijksch leven, vooral op geboorte, huwelijk en dood. Toovermiddelen
worden gebruikt om een toekomstigen bruigom of bruid te ontdekken,
een jonge man verliefd te doen worden op een meisje of omgekeerd;
ook wel, als dat gewenscht lijkt, hun wederkeerigen haat op te wekken.
Tot toovermiddelen neemt men zijn toevlucht om de wenschen, die de
bruid koestert omtrent de kinderen, die zij hoopt te krijgen, vervuld
te zien. Men tracht hun aantal en geslacht te bepalen, hun gezondheid
te voren vast te stellen en de omstandigheden zoo te regelen, dat ze
een gunstigen invloed op de geboorte hebben. Men gelooft, dat de dood
slechts kan komen, als de aartsengel Michael een ziel uit een lichaam
verwijdert en dat kan slechts op den vastgestelden dag gebeuren.
De voornaamste nationale gewoonten van de Zuidelijke Slaven gaan
gepaard met een menigte bijgeloovigheden. Daar de Serviërs het
sterkst in aantal zijn onder de Balkanslaven zullen wij eenige van
hun gewoonten nader beschouwen, om aan te toonen, hoe weinig van den
waren christelijken geest te vinden is in sommige van hun godsdienstige
plechtigheden.
Het huwelijk.
Als een kind in een Servische familie geboren wordt, dan wenschen
de vrienden den ouders geluk met de woorden: "het zij u gegeven te
leven, tot ge de groene kransen moogt zien!" hetgeen wil zeggen:
leven tot hun kind getrouwd is. De huwelijken worden het meest in
het najaar gesloten, in het bijzonder tegen Kerstmis, zeldzamer
in den zomer. Indien ouders van plan zijn een bruigom voor hun
dochter of een bruid voor hun zoon te zoeken, dan nemen ze de
geschiedenis gewoonlijk een heel jaar lang in overweging. Hun
zoon of dochter vergezelt hen naar verschillende bijeenkomsten,
om daar iemand te ontmoeten, die geschikt is de echtgenoot van hun
dochter te worden of de vrouw van hun zoon. Indien een dochter is
ingelicht omtrent de beslissing harer ouders, moet zij zich haasten
met haar voorbereidselen: zij moet zorgen, dat de bochtchaluks [22]
(huwelijksgeschenken), die zij moet uitdeelen onder de bruiloftsgasten
(svati of svatovi) spoedig gereed zijn. Deze geschenken zijn meestal
artikelen, die zij eigenhandig maakt, zooals sokken, kousen, hemden,
handdoeken en reisdekens. Gewoonlijk wordt het huis schoon gemaakt
en misschien vergroot voor het huwelijk. Als alle toebereidselen zijn
getroffen, dan mag het gerucht van haar aanstaand huwelijk zich door
het dorp verspreiden. Daar de huwelijken gewoonlijk door de ouders
worden vastgesteld, komen verbintenissen uit liefde helaas zelden
voor. Schaken wordt beschouwd als iets phenomenaals. Er zijn echter
gevallen, waarin de jongelieden zich niet voegen naar den wil hunner
ouders met betrekking tot het huwelijk. Indien een meisje verliefd is
geworden op een jongen man, kan zij haar toevlucht nemen behalve tot
de gewone middelen en methoden, tot beroepstoovenaressen. Listen,
die door deze helpsters in de liefde wel worden aanbevolen, zijn
bijv.: Het meisje kijkt door den bek van een gebraden speenvarken
(dat gedood is voor het Kerstfeest) naar haar geliefde, waardoor
hij beslist krankzinnig verliefd op haar wordt. Het voorwerp harer
liefde zal van minnesmart om haar sterven, als zij naar hem kijkt
door een gat in een kers of een andere vrucht; zij is er even zeker
van zijn genegenheid te verwerven, indien zij er in slaagt de aarde
om te keeren onder een afdruksel van zijn rechtervoet. Deze en veel
dergelijke toovermiddelen worden gewoonlijk toegepast op of omstreeks
St. George's dag (23ste April O.S.)
Ook jonge mannen nemen hun toevlucht tot tooverij, indien zij de liefde
willen opwekken van het een of andere ongevoelige meisje. Indien
bijvoorbeeld de jonge man zich op een Vrijdagnacht, klokke twaalf
naar het erf begeeft bij de woning van de jonkvrouwe van zijn hart en
daar een boom drie maal schudt en even zooveel keeren haar voornaam
noemt, zal zij zeker aan zijn verlangen gehoor geven en zijn liefde
beantwoorden. Een even onfeilbaar middel is een bepaalde visch te
vangen en die bij zijn hart te laten sterven; daarna het vleesch
te braden, totdat het geheel verkoold is, de overblijfselen tot
poeder te stampen en dit stilletjes in water of een anderen drank te
doen.--Indien het meisje overgehaald kan worden het te proeven, kan
zij er niet meer aan ontkomen hem lief te hebben. Deze hulpmiddelen
herinneren aan de bekende handeling van den Franschen troubadour
Pierre Vidal, om de liefde van zijn schoone patrones Donna Azalais de
Baux te winnen. 't Was een recept, dat succes in de liefde beloofde,
afkomstig van iemand, die het van een Arabisch monument ontcijferd
had. De dichter kreeg het van Huges de Baux, een boosaardige, jeugdige
ridder, de schoonbroer van de schoone Donna Azalais. De lichtgeloovige
Vidal moest op zekeren maannacht op een varken drie keer rondom het
kasteel van zijn geliefde rijden. Natuurlijk wist hij niet, dat zijn
snaaksche vriend al de bewoners op het terras had gebracht om deze
belachelijke vertooning gade te slaan.
Huwelijksonderhandelingen.
Als de ouders zich een bruid voor hun zoon hebben uitgekozen, sturen
zij iemand met volkomen volmacht (navodagjya) naar haar ouders, om
te vragen of zij al dan niet hun toestemming tot een huwelijk van hun
dochter met den jongeman willen geven. Daar huwelijken zelden worden
gesloten zonder de hulp van deze gevolmachtigden, zijn er een aantal
personen, wier eenig ambt het is over huwelijken te onderhandelen. Zij
ontvangen een som geld, indien hun diensten met succes worden
bekroond. Naast geldelijke belooning ontvangt de navodagyja van de
toekomstige bruid op zijn minst een paar sokken. Indien de vader van
het meisje het voorstel niet aanvaardt, geeft hij gewoonlijk geen
beslist afwijzend antwoord, maar verschuilt hij zich achter het een of
ander voorwendsel; hij zegt bijvoorbeeld, dat zijn dochter nog te jong
is, of dat zij niet geheel gereed is met de voorbereidselen voor haar
huwelijk. Maar als de jongeman genade in zijn oogen vindt, en de vader
bereid is zijn toestemming te geven, dan antwoordt hij gewoonlijk, dat
hij zijn dochter graag getrouwd zou zien met zulk een uitnemend man,
tenminste als het paar elkaar liefheeft. Dan wordt een samenkomst
voorbereid, ofschoon dit in werkelijkheid slechts een kwestie van
vorm is, daar de eindbeslissing in handen van de ouders zelf ligt,
zonder dat de gevoelens van den aanstaanden man en de vrouw daarbij
veel gewicht in de schaal leggen. De ouders vragen den jongelieden,
of zij elkaar mogen lijden; gewoonlijk wordt een bevestigend antwoord
gegeven, waarop alle aanwezigen elkaar omhelzen. Geschenken worden
gewisseld, zoowel tusschen de ouders als tusschen den aanstaanden
echtgenoot en zijn bruid. Deze gebeurtenis wordt dikwijls gevierd door
het afvuren van pistolen en geweren, teneinde door het geheele dorp
bekend te maken, dat er huwelijksfeesten op til zijn. Spoedig na de
plechtigheid, die de inleiding tot een verloving genoemd kan worden,
brengen de ouders van den jongeman en enkele zeer intieme vrienden een
officieel bezoek aan de woning der bruid. Het bezoek heeft gewoonlijk
in den avond plaats en nadat de bruigom aan de bruid een ring heeft
gegeven, beginnen de feestelijkheden, die tot den volgenden morgen
duren. Eenige dagen later gaan de bruid en de bruidegom naar de kerk,
door enkele vrienden vergezeld en de priester doet hun de stereotiepe
vragen, waaronder deze: "Wenscht gij te trouwen uit vrijen wil?" Waarop
zij om zoo te zeggen gedwongen zijn "Ja" te antwoorden.
De huwelijksprocessie.
Een week voor den trouwdag, brengen beide families hun huis in
gereedheid om een groot aantal gasten te ontvangen, die zij gedurende
verscheidene dagen zeer gastvrij onthalen. Zeer kort geleden nog
moest de huwelijksprocessie, indien de bruid in een verwijderd dorp
woonde, soms verscheidene dagen reizen om haar te halen en daar goede
wegen, waarlangs voertuigen zich konden voortbewegen, niet overal
voorkwamen, was de geheele, lange stoet vaak genoodzaakt den weg te
paard af te leggen. Tot de huwelijksstoet behooren de _dever_ [23]
(dat wil zeggen geleider van de bruid) die haar bij de heele reeks van
plechtigheden terzijde staat, in zekeren zin haar voogd; de _koom_
(voornaamste getuige, die bij gelegenheid een soort peetvader van
de kinderen wordt); en de _stari-svat,_ die de tweede getuige bij
de huwelijksplechtigheid is. Gedurende de huwelijksplechtigheden
moet de koom achter den bruigom staan en de stari-svat achter
de bruid. De stari-svat is ook een soort ceremoniemeester op den
huwelijksdag; hij bewaart de orde onder de gasten, en presideert
bij de huwelijksmaaltijden. De dever brengt ook zijn ouders mee
en de koom en de stari-svat moeten ieder vergezeld zijn van een
bediende om hen te assisteeren gedurende de plechtigheid. Deze twee
getuigen moeten zorgen twee groote was-kaarsen bij zich te hebben,
die gewoonlijk versierd zijn met zijden kant en bloemen, welke met
veel andere geschenken aan de bruid worden aangeboden.
Voor de processie zich op weg begeeft, vuren de jongelieden pistolen
af en zingen en dansen, terwijl de ouderen zich neerzetten en
ververschingen gebruiken. De verschijning van den bruigom in zijn
huwelijksgewaad, waarbij de hoed met bloemen is versierd, is het
teeken, waarop een koor van meisjes de traditioneele huwelijksliederen
inzet. Als de rijtuigen klaarstaan om te vertrekken, zingen zij
het volgende:
Een valk vloog van het kasteel
Met een brief onder zijn vleugel
Laat den brief vallen op de knie van den vader,
Zie, vader! De brief zegt u,
Dat uw zoon ver zal reizen,
Over veel stroomende rivieren,
Door veel groene wouden,
Totdat hij u een schoondochter brengt.
Het _Tzigan_-(Zigeuners) korps begint zijn vroolijke melodieën,
de bruidegom, de vaandeldrager en andere jongelieden stijgen te
paard, allen versierd met bloemen, de processie begeeft zich op
weg naar het huis van de bruid. De ruiters rijden meestal twee aan
twee, pistolen afschietend en zingende. De processie wordt steeds
geleid door een vroolijken jongeling, die een _tchoutoura_ meevoert,
(een plat houten vat) dat rooden wijn bevat. Het is zijn taak ieder,
die het huwelijksgezelschap op weg mocht ontmoeten, een dronk aan te
bieden en hij heeft het privilege gedurende het huwelijksfeest ten
koste van iedereen grappen en geestigheden ten beste te geven. Voor
dien dag geniet hij de vrijheden van een hofnar en niemand mag zijn
geestige zetten kwalijk nemen, hoe ruw en onkiesch die soms ook zijn.
Eenige schreden achter de tchoutouradrager rijdt de voïvode (generaal
of leider), wiens taak het is den eerste bij te staan in zijn
geestige uitvallen en den vaandeldrager, die de nationale vlag draagt;
achter hen, in een rijkelijk met bloemen versierd voertuig, rijden
de bruidsmeisjes, die gekozen worden uit de familiebetrekkingen van
den bruigom. Met andere geschenken dragen de meisjes het trouwgewaad
en de bloemen, die de vader van den bruigom voor zijn aanstaande
schoondochter heeft gekocht. Onmiddellijk achter de bruidsmeisjes
rijdt de bruigom tusschen den koom en den stari-svat. Daarna komen
andere bloedverwanten en gasten, twee aan twee in optocht. Soms
leveren deze huwelijksprocessies een zeer indrukwekkenden aanblik.
De aankomst.
Indien de huwelijksstoet het huis van de bruid nadert, wordt haar
komst aangekondigd door het afvuren van pistolen en geweren, waarop
een aantal meisjes verschijnt, die verschillende liederen zingen,
waarin het verdriet wordt uitgedrukt over het vertrek der bruid uit
het ouderlijk huis. In enkele deelen van Servië is nog een vreemd,
oud gebruik overgebleven; de vader van de bruid verlangt, dat aan
enkele voorwaarden wordt voldaan, eer hij bereid is de poorten van
het binnenplein voor den stoet te openen. Hij stuurt bijvoorbeeld een
goed worstelaar, die de mannen uit het gezelschap van den bruidegom
uitdaagt. Een van de bruiloftsgasten moet hem dan overweldigen,
voordat de poorten worden geopend. Natuurlijk is de worstelproef in den
regel niet ernstig gemeend. In andere deelen van het land wordt als
voorwaarde gesteld, waarop den aangekomenen toegang wordt verleend,
dat een hunner een pot of ander terra-cotta vaatwerk, dat aan den
top van den schoorsteen bevestigd is, er met zijn pistool afschiet.
Als aan zulke of andere voorwaarden tot genoegen is voldaan, wordt
het huwelijksgezelschap in huis toegelaten, en geleid naar tafels,
beladen met gebraden lams- en varkensvleesch, koeken, vruchten, wijn
en cognac. De vader van de bruid geeft den vader van den bruidegom de
eereplaats en onmiddellijk naast hem zit de stari-svat, dan de koom
en dan de bruidegom. Als de gasten zijn gezeten, wordt er een groote,
platte koek _(pogatcha)_ voor den vader van den bruidegom neergezet
en hij legt er eenige goudstukken op; soms ook een geheele keten van
gouden ducaten, die de bruid later om haar hals moet dragen. Zijn
voorbeeld wordt onmiddellijk gevolgd door den stari-svat, den koom
en al de andere gasten. Ten slotte haalt de vader van de bruid
de huwelijksgift, die hij zijn dochter meegeeft en plaatst die
op den koek. Al het aldus verzamelde geld wordt aan den stari-svat
overhandigd, die het te zijner tijd aan de bruid zal geven. Dan brengen
de bruidsmeisjes het trouwgewaad naar het vertrek van de bruid, waar
zij haar met groote zorg en veel ceremoniën kleeden. Indien haar toilet
gemaakt is, neemt een van haar broers of, indien zij die niet heeft,
een van haar naaste mannelijke bloedverwanten, haar bij de hand om
haar naar de verzamelde familie en vrienden te geleiden. Zoodra zij
verschijnt, begroeten de bruiloftsgasten haar met een levendig vuur
uit hun pistolen; de bruidsmeisjes geleiden haar naar den bruigom,
aan wien zij een bloemkrans aanbiedt. Daarna wordt zij naar den
stari-svat en den koom gebracht, wier handen zij kust. Indien deze
ceremonie is verricht, gaat zij het huis binnen, waar haar ouders op
lage, houten stoelen voor den haard zitten. Daar werpt zij zich neer,
en kust den grond voor het vuur. Dat is blijkbaar een overblijfsel
van de vuuraanbidding, maar nu het symbool van de vereering van
den huiselijken haard. Zoodra zij is opgestaan, kust het meisje de
hand van haar vader en moeder, die haar, terwijl zij haar omhelzen,
den zegen geven. Nu brengt haar broer of bloedverwant, al naar het
geval is, haar terug naar den bruigom en geeft haar met inachtneming
van alle vormen aan den dever over, die van dat oogenblik zorg voor
haar draagt en haar in de eerste plaats de geschenken geeft, die hij
heeft verzameld.
Terugkomst uit de kerk.
Nadat zij feest hebben gevierd en onthaald zijn, stijgen de
gasten te paard en onvermoeid hun pistolen afschietend begeven
zij zich met de bruid naar de naaste kerk. Nadat de godsdienstige
ceremoniën voorbij zijn, keert het bruiloftsgezelschap terug naar
de woning van den bruidegom, waar de bruid van haar paard of uit
haar rijtuig moet stappen op een zak haver. Terwijl de anderen het
erf opgaan door de hoofdpoort, kiest de bruid meestal een anderen
ingang, omdat zij bevreesd is anders betooverd te worden. Zoodra
zij binnenkomt, brengen de familieleden van den bruigom haar een
bak met verschillende soorten graan, die zij op den grond uitstort,
"opdat het jaar vruchtbaar moge zijn." Dan brengen zij haar een kind
van het mannelijk geslacht, dat zij kust, en driemaal opheft. Daarna
treedt zij het huis binnen; onder haar armen heeft zij brooden en in
haar handen flesschen wijn--zinnebeelden van weelde en voorspoed.
Ofschoon de bruiloftsgasten goed zijn onthaald in de woning der bruid,
heeft de reis hun eetlust opnieuw gewekt; daarom nemen zij in dezelfde
volgorde als wij reeds genoemd hebben aan tafels plaats en worden
zij onthaald op een groot feestmaal. Gedurende dit maal geven de
voïvodes en de tchoutouradrager evenals bij het vorige grappen ten
beste ten koste van iedereen. Deze vroolijke uitlatingen getuigen,
zooals wij reeds hebben gezegd, gewoonlijk niet van zeer goeden
smaak, maar niemand voelt er zich door beleedigd, en iedereen lacht
hartelijk om de minste aardigheid. Gedurende dit feest, en terwijl de
jongelieden nationale dansen (kollo) uitvoeren en de traditioneele
bruiloftsliederen zingen, brengt de dever de bruid naar den drempel
van haar vertrek (vayat) en geeft haar over aan den koom, die haar
nu binnenleidt, haar hand in die van den bruidegom legt en hen alleen
laat. De gasten blijven echter vaak in het huis tot het ochtendgrauwen,
drinkende en zingende.