Na verloop daarvan murmelde Arijan binnensmonds: "Ik hengel een beetje."

"Ja", antwoordde ik, "gij hengelt een beetje."

Thans zag hij voor het eerst op. Er was achterdocht in den blik, dien

hij op mij sloeg, zooals van iemand, die zich afvraagt, of er met hem

gespot wordt.

"Beter dan kwaaddoen," zeide hij. Zijn toon was ietwat uitdagend;

daarin klonk iets van: weerspreek dat nu eens, indien gij soms iets op

mijn hengelen tegen hebt.

Maar ik had niets op zijn hengelen tegen, en weersprak het dus niet.

"Een ander gaat naar de herberg, als zijn werk af is," vervolgde Arijan,

"maar ik hengel een beetje."

"Veel beter," oordeelde ik. "Trouwens, de herberg heeft het zoo in het

gewone dagelijksche verloop hier niet druk met klandisie."

"Hier niet, en nergens in onze streken," antwoordde Arijan. Hij trok

het hengelsnoer op, en legde zijn vischtuig naast zich neer op den weg.

Daarna haalde hij zijn beenen omhoog, sloeg er zijn armen om, legde zijn

kin op zijn knieën, en hield deze rede: "Wij zijn nog de kwaadsten niet

hier in Noord-Holland. Naar de kerk vliegen en met den bijbel onder den

arm loopen? Het is beter, goed voor vrouw en kinderen te zijn, en aan

ieder te geven wat hem toekomt. Dat vindt gij, waar gij ook komt, in

Noord-Holland. En ons verstand gebruiken is heelwat godsdienstiger

dan aan allerlei wonderen gelooven. En de beste godsdienst is de

menschlievendheid; nu, iets overhebben voor arme en ongelukkige

medemenschen is bij ons in Noord-Holland ook niets vreemds. Wij zijn

hier oppassende menschen, mag gezegd worden. Ik, als mijn werk af is,

hengel een beetje; zoo doet de één dit, de ander dat. Maar alles gebeurt

bij ons met oppassendheid. Den dommen tijd, toen er nog aan den hemel

geloofd werd, zijn wij, gelukkig, teboven gegroeid; de hemel is hier, en

ieder maakt hem voor zichzelf. Maar als die ouderwetsche hemel bestond,

weet ik niet, waarom menschen zooals wij er niet in zouden komen. Waar

of niet? Daarvoor zou het toch ook aankomen op oppassendheid. Waarop

anders?"....

"Ik ga naar huis", viel ik Arijan in de rede, en ik stond op.

Hij nam zijn hengel weer ter hand, en terwijl hij den dobber over het

water liet scheren, riep hij mij na: "Goed volk bij ons in

Noord-Holland, goed volk!"

Ik keerde, mij verwijderende, nogeens het hoofd om, en riep terug:

"Neen, Arijan, gij weet er niets van."

* * * * *

"Hier is de melk", zeide ik den anderen dag tot Bartje. "Weinig en

schraal."

"Gij behoeft niet altijd op de melk te smalen", sprak de oude moeder

spijtig. Zij was heden kribbig gestemd. Zij had ditmaal ook het melken

van haar schaap niet met haar tegenwoordigheid opgeluisterd. Ik bracht

de melk binnen in haar poovere vertrekje.

"De melk is zooals het schaap is," ging het booze oudje door. "Een

schraal gevoerd schaap kan geen overvloedige en vette melk geven. En ik

heb niet meer en beter voer voor het dier."

"O, ja, moeder Bartje", bracht ik in het midden, "slecht voer maakt

slechte melk. Ik verwijt het schaap dan ook niets. Waarom zijt gij

boos?"

"Ik houd niet van dubbeltongige menschen", snibde zij. "Ik houd niet

van menschen, die bij den een goed noemen wat zij slecht noemen bij den

ander. Nu zult ge mij wel begrijpen, denk ik, enne... Gij behoeft nooit

meer aan mijn schaap te komen. Dank voor de genoten hulp."

Ik zeide tot Bartje, dat ik haar juist in het geheel niet begreep.

Toen kwam zij los: "Arijan van hiernaast zal er zeker toch niet om

liegen, dat gij de menschen hier voor slecht hebt verklaard, toen hij

vond, dat de Noord-Hollanders zoo goed volk waren. En toen ik een

oogenblik tevoren zeide, dat zij slecht volk waren, vondt gij hen juist

goed. Ik geef er niet om, wat gij vindt. Maar dat is draaierij. En daar

houd ik niet van."

Ik tot Bartje: "Waarde en geachte Bartje! Waarom is wat uw schaap

voortbrengt aan melk niet veel en slecht? Dewijl ook datgene, waarmede

het gevoed wordt, niet veel en slecht is. Indien het nu alzoo bij het

schaap is, zou het dan, o, hooggeëerd grootje, niet evenzoo met den

Noord-Hollander zijn? Als de geestelijke spijs, waarmede hij sinds

zoolang reeds, jaar in jaar uit, ja, geslacht in geslacht uit, gevoed

is, arm moet heeten, hoe zou het geestelijk leven, dat hij thans

ontplooit, rijk kunnen wezen? Daarom, mijn wel-gewaardeerde vriendin,

hoe zullen wij onze wereldsche, onverschillige, stofverheerlijkende

Noord-Hollanders veroordeelen, zelfs dan, _als_ wij hen nochtans

veroordeelen? Waar het schapenvoer slecht is, is ook de schapenmelk

slecht, en toch tegelijk zoo, dat het onredelijk is, betere schapenmelk

te verwachten."

Nadat ik deze woorden geëindigd had, maakte ik mij een onderkin,

teneinde de gewichtigheid van mijn uitgesproken rede zooveel mogelijk te

ondersteunen door de gewichtigheid van mijn voorkomen.

Bartje echter voer uit: "Ik weet niet, waar gij al zulke deftige taal

vandaan haalt, daar gij slechts een heel gewoon boerenmensch zijt,

evenals ik. Maar door alle wijsheid der wereld laat ik er mij niet

afbrengen: goed is goed, en slecht is slecht. En goed en slecht tegelijk

bestaat niet. Zoo heb ik het van jongsaf geleerd in Weesperkarspel."

Vervolgens herhaalde zij nog driemaal, in een stijgende toonladder: "Wat

slecht is, is niet tegelijk goed; wat goed is, is niet tegelijk slecht!"

Daarop keerde zij mij haar rug toe. Desgelijks deed ik jegens haar met

mijn rug, en ik vertrok.

* * * * *

Bartjes schaap was dood. Langzaam aan verkwijnd van ellende, tengevolge

van het al te sobere onderhoud, dat de arme, oude stumperd slechts in

staat was het te verschaffen.

Ik vond Bartje in veel tranen over haar verlies.

"Ach, Bartje", zeide ik medelijdend, "is het nu wel zóó erg? De melk was

weinig en mager. Het was maar een slecht schaap."

Maar tusschen de snikken door schokte het uit Bartjes keel: "Het _was_

een slecht schaap. Maar het was wat het wezen kon en gaf wat het geven

kon, mijn goed schaap."

[Decoratieve Illustratie]

Bij ons in Noord-Holland · 第 53 / 55 题