Verder zeide ik nog: "Hier is de melk. Niet veel en dun."

* * * * *

Ik zag Arijan. Hij zat op de wegschoeiïng, en zijn beenen bengelden

boven de sloot. Hij had een hengel in de hand; de dobber lag

onbewegelijk in het kroos.

Ik ging naast Arijan zitten, en liet mijn beenen nevens de zijne boven

het water bengelen. Hij zag niet naar mij en sprak niet tot mij. Hij

keek naar den dobber; ik keek ook naar den dobber. Vier minuten lang

slingerden onze vier beenen naast elkander heen en weer.

Bij ons in Noord-Holland · 第 52 / 55 题