* * * * *
Ik zag Arijan. Hij zat op de wegschoeiïng, en zijn beenen bengelden
boven de sloot. Hij had een hengel in de hand; de dobber lag
onbewegelijk in het kroos.
Ik ging naast Arijan zitten, en liet mijn beenen nevens de zijne boven
het water bengelen. Hij zag niet naar mij en sprak niet tot mij. Hij
keek naar den dobber; ik keek ook naar den dobber. Vier minuten lang
slingerden onze vier beenen naast elkander heen en weer.