Grootmoeder zeide: "Grootvader moet naar bed."

Te middernacht hoorde grootmoeder grootvader nog eenmaal murmelen: "Een

nest en een gat!" Toen trok zij grootvaders slaapmuts eens recht, en

sluimerde aan zijn zijde weder in.

Maar den volgenden ochtend vond grootmoeder grootvader dood naast zich.

En zijn mond stond scheef.

De dokter kwam, en zeide, dat grootvader gebleven was in een beroerte.

En op de begrafenis stelden de aanwezigen eenparig vast, dat de vreemde

man bij den barbier de moordenaar van grootvader was geweest. Maar zij

vonden, dat grootvader een mooien dood was gestorven, daar hij gevallen

was in de verdediging van zijn en hun aller geboorteplaats. Dat

troostte zeer in het verlies. Te meer, daar grootvader aan elk zijner

kleinkinderen een bankbiljet van veertig gulden naliet. Hiervoor kochten

zij kippen. Behalve de jongste kleinzoon, het eenige nog ongehuwde

kleinkind, die er twee gouden bellen voor kocht. En zijn meisje hing ze

in haar ooren.

Hierin zijn wij allen, waar ook in Noord-Holland metterwoon, zeer te

prijzen: niet slechts zijn wij tevreden met de plaats onzer inwoning,

maar onze liefde en trouw zijn eraan verpand, tot dáártoe, dat ieder van

ons, gelijk grootvader, loffelijker gedachtenis, den laatsten ademtocht,

zoo het moet, willig in den dienst van de geboorteplaats zal slaken.

In den zoeten naam van ons stedeken of ons dorp hooren wij als in één

melodievollen toon samensmelten alwat er voortreffelijks is, alwat er

aanminnigs is, alwat er onvergelijkelijks is. Van de eerste dagen der

jeugd af dringt het zich krachtiglijk aan ons bewustzijn op, dat hier,

waar onze voeten dagelijks wandelen, het middelpunt des wereldbelangs

ligt. Waar de wettelijke grensregelaar de grens onzer burgerlijke

gemeente heeft getrokken, aldaar heeft hij, zonder het te weten of te

bedoelen, tegelijkertijd de grens getrokken van onzen waardeeringszin.

Wat aan den anderen kant van die grens ligt, zien wij, zoolang het

mogelijk is, door den grauwen nevel der geringschatting, en wordt

dat een enkele maal beslist onmogelijk, dan door den gelen schijn des

naijvers heen. En hetgeen nóg verder af ligt, geheel buitenslands, dat

blinkt voor ons bovenal in het licht der belachelijkheid. Ondanks deze

huiselijke eigenschap houdt een welgeaard Noord-Hollander er niet van,

dat anderen hem kenmerken als iemand met beperkten blik. En als men

weet, dat hij daarvan niet houdt, is het niet aardig, het te doen.

Teeuwis van den watermolen is een man, gezien en geëerd in

heel het gehucht. Want alzoo moet Teeuwis openlijk in de

gemeenteraads-vergadering hebben gesproken, terwijl er in zijn wezen

iets kwam, tegelijk van den profeet en van den krijgsheld: "Wie aan onze

plaats komt, komt aan mij." Dies loven de medeburgers Teeuwis. Want de

geboorteplaats boven elke plek in gewest, in land, ja, in de wereld, te

schatten en te prijzen is vervulling van een genoegelijken plicht, doch

brengt de lichte moeilijkheid mee, somwijlen tegenover sceptische lieden

het "waarom?" van die hoogschatting te moeten beantwoorden. Maar Teeuwis

heeft voor al zijn door die moeilijkheid bedreigde plaatsgenooten het

verlossend woord gesproken. Thans antwoorden zij op elke schuchtere

bedenking tegen hun plaatselijken roem, met Teeuwis: "Wie aan onze

plaats komt, komt aan mij." Dat doet ten zeerste af. Want dat een

Noord-Hollandsch mensch zou moeten gehengen, dat aan _hem_ wordt

gekomen, is toch wel de onredelijkheid zelf. Aan _hem_ komen zou

insluiten, dat er op hem dus wat te zeggen viel. En in welken vermetele

en verdwaasde rijst nu zulk een denkbeeld op?

Niettemin kan, nevens Teeuwis' weldoordacht systeem, onze argumentatie

voor de weergalooze uitnemendheid der eigen woon- en geboorteplaats

nog wel eenige aanvulling velen; wij zijn ruimhartig genoeg, dit te

erkennen. De geestdrift is dan ook groot in Lutjebroek en elk ander

"broek", als de vereeniging "Broeksche Glorie" in een wedstrijd hier of

ginds heeft gezegevierd over de club "Dam-bloem", uit Ilpendam of eenig

ander "dam". Dan zegt niemand in Lutjebroek: "De vereeniging alhier

heeft den prijs"; maar al de ingeborenen jubelen: "Lutjebroek heeft

overwonnen". De plaatselijke gemeenschap eischt voor zich de lauweren

op, die behaald zijn door eenige uitnemende harer zonen, en deze leggen

die lauweren met liefdevolle vereering aan de voeten van den localen

genius neder.

Wat zegt u, mevrouw Hoog, te Amsterdam, en mijnheer Groot, te Rotterdam?

"Benepen dorpschheid of kleinsteedschheid!"? Zooals ge het nemen wilt!

Waar gij slechts klein-particularisme ziet, aldaar kunt gij evengoed

groot-idealisme speuren. Dat hangt van uw eigen gemoedsstaat af, mijn

hooggeachten.

Mag ik uw welwillend aangezicht even in de richting van dat idealisme

draaien?

Ziet dan eens hier: er ligt in onzen Noord-Hollandschen cultus van de

geboorteplaats een sterk-verzoenende kracht. Daarin worden de veeten

tusschen burgers van eenzelfde steê opgeslurpt, zooals een zwarte

inktstraal, voordat hij te groot onheil kan verspreiden, in een ijlings

aangebrachte spons. "Leve het Zuideind!" begint op de jaarmarkt te

Monnikendam een schaar opgewonden jongens te roepen. Natuurlijk is dat

der jongelingschap, die Monnikendams ander, niet minder eerbiedwaardig,

einde bewoont, te machtig. Uit haar rangen wordt geantwoord met een

uitdagend: "Leve het Noordeind!" En de kermisvrijsters houden gezwind

ieder haar feestridder omvat met om des dapperen midden geslagen

maagdenarmen, en laten stillende taal stroomen uit haar zoetelijk

vertrokken monden. Maar zonder het tusschentreden dezer vrede-engelen

zouden vermoedelijk de reeds opgeheven handen uit Noordeind en Zuideind

verderf brengend tegen elkander te keer zijn gegaan. Ware het niet

schrikkelijk geweest: Monnikendammers tegen Monnikendammers? Doch later,

als de vrede-engelen niet ter plaatse zullen zijn, om der jongelingen

strijdvuur in te rekenen onder de assche harer lieve overreding? Geen

nood voor later! Dan heeft reeds lang weder het rechtschapen gevoel zijn

wettige plaats hernomen, dat alwat Edammer heet de vijand is, maar alwat

Monnikendammer genaamd wordt, hetzij uit Noord- of uit Zuideind, de

broeder, naar het heiligste natuur- en geboorterecht. Ai, ziet, hoe onze

gezamenlijke verknochtheid aan de plaats onzes burgerschaps van een haat

sussend en wrok bezwerend vermogen is! In den sterken eik van onzen

plaatselijken trots vindt de zachte duive onzer plaatselijke eendracht

haar welbeschutte woning.

Het is voor 't overige ook zoo begrijpelijk, dat onze geboorte- en

woonplaats voor ieder onzer de plaats der plaatsen is op aarde......

"Dat begrijp ik nu juist niet," zeide mijn verwaande neef in de

hoofdstad, terwijl hij en ik samen uit zijn voordeur naarbuiten traden.

"Het veelvuldige verkeer van een groot deel uwer Noord-Hollanders, ten

behoeve van hun bedrijf, midden in het groote-stadsleven moest, zou men

verwachten, toch hun oog openen voor het nesterig-onbeduidende dier

hoogvereerde geboorteplaats."

Op de stoep stond de melkboer, met deemoedig gebogen hoofd, een

ratelende en rammelende schrobbeering van mijns neven zeer bespraakte

dienstbode in ontvangst te nemen. Onder het boetvaardig aanhooren

van de afstraffing vond de melkboer nog gelegenheid, eenige linksche

beleefdheidsbewegingen uit te voeren, om den heer des huizes en mij te

laten passeeren.

"Een mijner medeburgers", sprak ik tot mijn neef, met een hoofdneiging

den gebrutaliseerden melkboer aanduidend. "Zijn zwijgende ootmoed

verbaast en ontroert mij".

Maar mijn neef wees naar een anderen man met juk en melkemmers, die in

belangstellende pose beneden aan de stoep stond. "Uw medeburger voelt,

meer nog dan hij het ziet, zijn concurrent daar staan," zeide hij.

"Die ander snakt naar een brutaal wederwoord van den melkboer tot mijn

brutale dienstbode, om dan haastiglijk met vleiende hoffelijkheid

zichzelf in de gunst en leverantie te dringen".

"Daarover beschikt toch mevrouw mijn nicht?"

"Neen, mejuffrouw mijn dienstbode".

Dienzelfden dag des namiddags stond mijn neef in mijn dorpsche huiskamer

naarbuiten te turen door het venster. Hij verwaardigde onze woonplaats

in de wei met anderhalf etmaal zijner tegenwoordigheid. Tot dat doel

had ik hem dien ochtend uit zijn voordeur en van zijn stoep getroond.

"Wie is dat?" vroeg hij opeens. En hij somde op: "Deukhoed, zwarte jas,

gepoetste bottines!"

"Gij kent hem", antwoordde ik.

Hij drukte het gezicht tegen de ruit. "Nooit gezien", verklaarde hij.

"Gij kent hem", herhaalde ik.

Hij greep zijn lorgnet, en hield het voor de oogen. "De melkboer!" riep

hij.

"Vanochtend en ginds de melkboer", verbeterde ik. "Thans en hier de

wethouder. Hij begeeft zich ter raadszitting".

De veldwachter liep den wethouder voorbij, en salueerde. Kort achter den

wethouder de aanplakker, en hij salueerde. Het onderwijzend personeel

kwam uit de juist afgeloopen school, en allen salueerden.

Mijn neef gesproken: "Op die manier is de voorkeur voor de

geboorteplaats zoowaar te begrijpen."

"O, begrijpt gij het nu?" vroeg ik knipoogend.

"Maar", riep mijn gast uit na korten zelf-inkeer, "zij zijn toch niet

allen wethouders!"

"Mijn waarde", zoo sprak ik, "als zij dat niet zijn, zoo zijn zij

nochtans ongeveer allen mederegeerders, hetzij in gemeentebestuur,

hetzij in kerkeraad, hetzij in polderheerschappij, hetzij al ware

het maar in veefonds- of begrafenisfonds-beheer. En indien,

onwaarschijnlijkerwijs, in niets van dit alles mederegeerders, dan toch

inzake dit alles tezamen medepraters, naar wier woord wordt geluisterd

met al het daaraan toekomend respect en diep ontzag......"

"En dat is anders", viel neef in, "dan zich op elke stoep, onder

eerbiedig opzien, te moeten laten brutaliseeren door elke dienstmeid!"

"Begrepen?" vroeg ik, en nogmaals knipoogde ik.

"Begrepen!" bevestigde neef, en thans knipoogde ook hij.

En al Noord-Hollands toegewijde en liefhebbende kinderen van het

stedeken of het dorp hunner inwoning knipoogen fijntjes mede.

Voorwaar, voorwaar, onze zielsverbondenheid aan de plaats, waar onze

wieg stond en ons woonerf ligt, is innig en teeder! Bij mij in de straat

hebben velen er zelfs op tegen, naar den hemel te gaan, en daarvoor hun

huis met erf te verlaten.

[Decoratieve Illustratie]

[Illustratie]

Bij ons in Noord-Holland · 第 29 / 55 题